002bijl Nota Investeringsbeleid.pdf
Tekst van het document
NOTA INVESTERINGSBELEID | 1
INHOUDSOPGAVE
1
2
INLEIDING
4
1.1
VISIE EN MISSIE FINANCIEEL BELEID
4
1.2
KADER FINANCIEEL BELEID VENLO
5
1.3
INVESTERINGSBELEID
5
1.4
KADER BEDRIJFSVOERING
5
1.5
AANHALING EN INWERKINGTREDING
6
1.6
OPBOUW
6
ONDERBOUWING INHOUDELIJKE SPELREGELS EN PROCESAFSPRAKEN 2.1
BEGRIPSBEPALING
2.1.1 2.1.2 2.1.3 2.1.4 2.1.5
2.2
Soorten vaste activa Kapitaallastenplafond Kapitaallastenbudget Inflatie Rentabiliteit
AFWEGINGSKADER, AUTORISATIE EN VERANTWOORDING
2.2.1 2.2.2 2.2.3 2.2.4 2.2.5
2.3
Afwegingskader Autorisatie van investeringen Voorbereidings- of afwikkelinvesteringsbudget Termijn beschikbaarstelling investeringsbudgetten Verantwoording
VOORSCHRIFTEN EN RICHTLIJNEN VOOR WAARDERING EN ACTIVERING
2.3.1 2.3.2 2.3.3 2.3.4 2.3.5 2.3.6 2.3.7 2.3.8 2.3.9 2.3.10 2.3.11
2.4 2.4.1 2.4.2 2.4.3 2.4.4
BBV Financieringskosten activa in voorbereiding Vervaardigingsprijs Investeringen maatschappelijk nut Bestemmingsreserves Bijdragen van derden Voorziening vervanging riolering Verkoop of buitengebruikstelling Waardeverandering vastgoed Onderhoud Juridisch eigendom en economisch eigendom onderwijshuisvesting
AFSCHRIJVING EN RENTETOEREKENING Methode van afschrijven Restwaarde Afschrijvingstermijnen Rentetoerekening
2 | NOTA INVESTERINGBELEID
7 7 7 8 9 9 9
10 10 10 11 12 12
12 12 13 13 13 13 14 14 14 15 15 16
16 16 17 17 18
2.5
BTW
18
2.6
SUBSIDIEMOGELIJKHEDEN
18
2.7
RISICOBEHEERSING
19
BIJLAGE A: AFSCHRIJVINGSTABEL
20
BIJLAGE B: BEGRIPPENLIJST
22
NOTA INVESTERINGSBELEID | 3
1 1.1
INLEIDING VISIE EN MISSIE FINANCIEEL BELEID
Het voeren van een solide financieel beleid is randvoorwaardelijk voor het realiseren van de ambities op de (middel)lange termijn waarbij op een doelmatige en doeltreffende manier wordt omgaan met onze middelen. Het is een middel voor het realiseren van de strategische opgave zoals geformuleerd in de strategische visie van Venlo “Venlo 2040 Strategische visie gemeente Venlo”. De strategische opgave is vertaald in 6 inhoudelijke programma’s. Middelen zijn, net als onder andere grondstoffen, schaars en dienen te worden gealloceerd daar waar hun relatieve (maatschappelijk) rendement het hoogst is gerelateerd aan de strategische inhoudelijke opgave. Dit betekent dat we in Venlo kiezen voor een permanente kringloop waarbij (beleidsmatige) keuzes worden gemaakt tot vrijval van middelen ter financiering van (aanvullende) ambities en intensiveringen. Doelmatigheid, doeltreffendheid, rechtmatigheid en maatschappelijk verantwoord financieren en de (middel)lange termijn horizon, zijn belangrijke uitgangspunten. Het voeren van een solide financieel beleid en als afgeleide hiervan het hebben van een solide financiële positie is geconcretiseerd in de strategische doelstelling: “Het hebben van een duurzaam gezonde financiële huishouding” en 4 tactische doelstellingen: 1. 2. 3. 4.
Het hebben van een structureel en reëel sluitende (meerjaren)begroting. Het hebben van voldoende weerstandscapaciteit. Het hebben van een wendbare begroting. Het hebben van een acceptabele schuld.
Schematisch ziet dit er als volgt uit:
4 | NOTA INVESTERINGBELEID
1.2
KADER FINANCIEEL BELEID VENLO
Het financieel beleid is ondersteunend aan het afwegingsproces en moet zowel uw Gemeenteraad als ons College van B&W helpen transparante en verantwoorde keuzes te maken voor de (middel)lange termijn op een doelmatige, doeltreffende en rechtmatige wijze. Het levert een bijdrage aan realisatie van de bovengenoemde doelstellingen. Op basis van artikel 212 Gemeentewet heeft uw gemeenteraad bij verordening de uitgangspunten vast gesteld voor het financiële beleid, alsmede voor het financiële beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie. Uitgangspunt is een cyclisch proces vertaald in een beleidsagenda op basis van de door u vastgestelde financiële verordening. 1.3
INVESTERINGSBELEID
Een investering kan worden gezien als een opoffering in tijd en/ of geld waarvan het nut zich over meerdere jaren uitstrekt. Voorbeelden van investeringen zijn gebouwen en vervoersmiddelen. Over een langere periode kan het voordeliger zijn zelf een investering te doen dan bijvoorbeeld te huren. Een investering kan bij uitstek bijdragen aan de realisatie van een programmadoelstelling. Volgens de financiële verordening moet de gemeente een investeringsbeleid opstellen en geldt dat in afstemming met de auditcommissie of een afvaardiging van de raad een advies wordt uitgebracht of, en zo ja, op welke onderdelen een evaluatie of actualisatie gewenst is. Deze Nota investeringsbeleid 2023 vervangt de Nota investeringsbeleid die door de raad is vastgesteld in augustus 2008 en vanaf 1 januari 2010 van toepassing is (herindeling met Arcen & Velden). Nieuwe inzichten leiden tot aanpassing van het huidige beleid. Daarnaast was er noodzaak aan actualisering op basis van de huidige voorschriften volgens het BBV. Het investeringsbeleid draagt bij aan de eerder genoemde doelstellingen en vormt een belangrijk hulpmiddel in het realiseren en behouden van een duurzaam gezonde financiële huishouding. Door middel van bijvoorbeeld het kapitaallastenplafond wordt bewaakt dat de begroting voldoende wendbaar en de schuld acceptabel blijft. 1.4
KADER BEDRIJFSVOERING
De Venlose opgaves zoals vertaald in de programma’s zijn het leidende principe voor deze nota. Daarnaast vormt ook het Kader Bedrijfsvoering een belangrijk uitgangspunt voor deze nota. De 10 kernpunten van het kader bedrijfsvoering en de daaruit vertaalde inhoudelijke dimensies vormen het kompas van hoe wij naar de bedrijfsvoering kijken. Met name aan de kernpunten Ondersteunend aan de inhoudelijke programma’s, Volgend op de inhoudelijke opgave en Toegankelijk en transparant hebben wij via dit investeringsbeleid invulling willen geven. Het kader bedrijfsvoering is uitgangspunt bij de verdere implementatie van deze Nota investeringsbeleid.
NOTA INVESTERINGSBELEID | 5
1.5
AANHALING EN INWERKINGTREDING
1. 2.
De Nota investeringsbeleid treedt in werking op 1 januari 2023. Op dat moment wordt ingetrokken de Nota investeringsbeleid 2008.
1.6
OPBOUW
Deze investeringsnota beschrijft het investeringsbeleid van de gemeente Venlo en gaat achtereenvolgens in op de volgende onderwerpen: Begripsbepaling. Afwegingskader, autorisatie en verantwoording. Voorschriften en richtlijnen voor waardering en activering. Afschrijving en rentetoerekening. BTW. Subsidiemogelijkheden. Risicobeheersing.
6 | NOTA INVESTERINGBELEID
2 2.1
ONDERBOUWING INHOUDELIJKE SPELREGELS EN PROCESAFSPRAKEN BEGRIPSBEPALING
Een Investering kan worden gezien als een opoffering in tijd en/ of geld waarvan het nut zich over meerdere jaren uitstrekt (lees: over meer dan een jaar). Investeringen leiden vaak tot een grote uitgave bij de aanschaf en worden daarom veelal als bezit (activa) op de balans opgenomen. Investeringen leiden tot kapitaallasten (rente en afschrijving) en overige jaarlijkse exploitatielasten. Dit zijn onder andere onderhoudskosten, opslagkosten, beveiligingskosten en verzekeringskosten. Een Investeringsbudget is een door de raad beschikbaar gestelde hoeveelheid geld ten behoeve van de realisatie van een investering. Bij een bestaand actief is sprake van een investering indien de uitgaven: • leiden tot een significante kwaliteitsverbetering; en/of • leiden tot een levensduurverlenging; en/of • aanpassingen betreffen om te voldoen aan wet- en regelgeving (bijv. investeringen in een gebouw om te voldoen aan veiligheidsvoorschriften). De Investeringen worden onderscheiden in Vervangingsinvesteringen en Uitbreidingsinvesteringen. Vervangingsinvesteringen zijn investeringen die noodzakelijk zijn ter vervanging van investeringen die hun economische levensduur hebben bereikt en volledig zijn afgeschreven. Uitbreidingsinvesteringen zijn nieuwe investeringen niet zijnde Vervangingsinvesteringen.
Wanneer uitgaven worden gedaan ten behoeve van het behoud van de oorspronkelijke kwaliteit en levensduur van een actief, dan is er geen sprake van een investering maar van onderhoud. In bijlage B is een begrippenlijst opgenomen. 2.1.1 Soorten vaste activa Investeringen worden op de balans verantwoord onder de vaste activa. In artikel 33 BBV wordt bij de vaste activa onderscheid gemaakt in: • Immateriële vaste activa. • Materiële vaste activa. • Financiële vaste activa. Immateriële vaste activa zijn kapitaaluitgaven waar geen bezittingen tegenover staan. Volgens artikel 34 BBV bestaan deze uit: • Kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van (dis)agio. NOTA INVESTERINGSBELEID | 7
• •
Kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief. Bijdragen aan investeringen in eigendom van derden.
In artikel 61 BBV is duidelijk ingekaderd wanneer bijdragen aan derden mogen worden geactiveerd. Dit is aan de orde indien: a. er sprake is van een investering door een derde; b. de investering bijdraagt aan de publieke taak; c. de derde zich heeft verplicht tot het daadwerkelijk investeren op een wijze zoals overeengekomen; d. de bijdrage kan worden teruggevorderd, indien de derde in gebreke blijft of de gemeente anders recht kan doen gelden op de activa die samenhangen met de investering. Indien aan één van deze criteria niet voldaan wordt, mag de bijdrage niet geactiveerd worden, maar moet deze in de exploitatie als een last worden verantwoord. Materiële vaste activa betreffen kapitaaluitgaven waar tegenover een actief staat waarvan het nut zich over meerdere jaren uitstrekt. Deze vaste activa bestaan volgens artikel 35 BBV uit: • Investeringen met een economisch nut: deze zijn verhandelbaar (er is een markt voor) en/of ze kunnen bijdragen aan het genereren van middelen. Voorbeelden zijn huur of opbrengsten. • Investeringen met een economisch nut waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven. • Investeringen met een maatschappelijk nut: deze genereren geen middelen (en zijn niet verhandelbaar), maar vervullen wel duidelijk een publieke taak. Voorbeelden zijn wegen, pleinen, bruggen, viaducten, geluidswallen, parken, openbare verlichting.
Van de materiële vaste activa moet worden aangegeven welke in erfpacht zijn uitgegeven. Financiële vaste activa zijn activa die een financiële waarde vertegenwoordigen. Op de balans dient volgens artikel 36 BBV de volgende onderverdeling gemaakt te worden: • Kapitaalverstrekkingen aan deelnemingen, gemeenschappelijke regelingen en overige verbonden partijen. • Leningen aan openbare lichamen, woningbouwcorporaties, deelnemingen en overige verbonden partijen. • Overige langlopende leningen. • (Overige) uitzettingen met een rente typische looptijd van een jaar of langer. 2.1.2 Kapitaallastenplafond Een belangrijk afwegingscriterium voor de investeringen is het Kapitaallastenplafond (euro’s). De kapitaallasten zijn gemaximeerd middels een plafond om te voorkomen dat de begroting onvoldoende wendbaar is. Als eenmaal de investering heeft plaatsgevonden liggen kapitaallasten voor langere termijn vast. Een wendbare begroting is één van de tactische doelstellingen om de financiële positie gezond te houden.
8 | NOTA INVESTERINGBELEID
De hoogte van het Kapitaallastenplafond bedraagt € 28,6 miljoen in 2023 en loopt op naar € 30,8 miljoen in 2026 en is bepaald in samenhang met (streefwaarden van) de overige financiële kengetallen waaronder de solvabiliteit, ratio weerstandsvermogen en schuldquotes. Naar behoefte van de inhoudelijke opgaven en in samenhang deze streefwaarden financiële kengetallen kan de hoogte van het kapitaallastenplafond gewijzigd worden. 2.1.3 Kapitaallastenbudget Het Kapitaallastenbudget (euro’s) betreft de binnen de begroting beschikbare budgettaire ruimte bestemd voor de dekking van de kapitaallasten van investeringen. De gemeenteraad bepaalt impliciet de hoogte van het budget door vaststelling van de investeringen. Het Kapitaallastenbudget mag het Kapitaallastenplafond niet (structureel) overstijgen. Vrijval betreft de financiële ruimte (dekking) die ontstaat doordat investeringen volledig zijn afgeschreven. De Vrijval is onderdeel van het Kapitaallastenbudget en wordt toegevoegd aan de dekking van Vervangings- en Uitbreidingsinvesteringen. 2.1.4 Inflatie Net als exploitatie-uitgaven zijn ook investeringsuitgaven onderhevig aan prijsinflatie. Dit houdt in dat de hoogte van het Kapitaallastenplafond en het Kapitaallastenbudget jaarlijks voor inflatie dient te worden bijgesteld. Hiervoor wordt de Prijs bruto overheidsinvesteringen (iboi) van het Centraal Planbureau (CPB) gehanteerd.
Vaststelling van het inflatiepercentage vindt plaats bij de kadernota. Individuele investeringsbudgetten worden niet automatisch bijgesteld voor inflatie. Een initiële investeringsbudget-aanvraag dient te zijn voorzien van een reële en uitvoerbare planning van kasstromen. Wanneer deze kasstromen zich uitstrekken over meerdere jaren dienen de uitgaven te zijn voorzien van een inflatiecorrectie welke transparant in beeld wordt gebracht. Hiervoor wordt de Prijs bruto overheidsinvesteringen (iboi) van het Centraal Planbureau (CPB) gehanteerd. Indien de uitvoering van investeringen vertraging ondervindt wordt geen automatische inflatiecorrectie toegepast. Er zal bijgestuurd moeten worden conform de vastgestelde financiële kaders (kadernota). Wanneer de inflatie dermate hoog is en aantoonbaar is vastgesteld dat bijsturing niet mogelijk is kan een verhoging van het investeringsbudget ter afweging en besluitvorming aan de gemeenteraad worden voorgelegd. 2.1.5 Rentabiliteit Investeringen kunnen in meerdere of mindere mate rendabel zijn, bijvoorbeeld omdat een investering nieuwe inkomsten genereert, volledig gedekt wordt door een subsidie of kosten bespaart (zonnepanelen). Het kan zelfs voorkomen dat een investering volledig rendabel is. De rentabiliteit van een investering dient bij de aanvraag aangetoond te worden. De rentabiliteit van een investering weegt mee in de afweging.
Ook de kapitaallasten van rendabele investeringen dienen binnen het kapitaallastenplafond te vallen.
NOTA INVESTERINGSBELEID | 9
2.2
AFWEGINGSKADER, AUTORISATIE EN VERANTWOORDING
2.2.1 Afwegingskader Voor alle investeringen is het van belang dat deze getoetst worden aan het afwegingskader. In onderstaande niet uitputtende opsomming zijn de belangrijkste afwegingscriteria opgenomen: • • • • • •
De mate waarin de investering bijdraagt aan de programmadoelstellingen. Wettelijke taken gaan boven niet wettelijke taken. Noodzakelijke vervangingsinvesteringen gaan voor uitbreidingsinvesteringen. Rendabele investeringen gaan boven onrendabele investeringen. Moet passen binnen het kapitaallastenplafond. Moet uitvoerbaar zijn, zowel wat betreft interne capaciteit bij opdrachtgever/nemer en bedrijfsvoeringsteams als externe capaciteit bij aannemers, leveranciers etc.
2.2.2 Autorisatie van investeringen Het budgetrecht voor investeringstotalen per programmalijn ligt bij de raad. Dit houdt in dat alle investeringsbudgetten, gebundeld per programmalijn, middels een investeringsvoorstel ter besluitvorming worden voorgelegd aan de raad, bij voorkeur bij de begrotingsvoorbereiding en dat de raad de investeringstotalen van de budgetten per programmalijn autoriseert. Om de raad een juiste integrale afweging te kunnen laten maken dient een investeringsvoorstel te zijn voorzien van de juiste informatie. Een investeringsvoorstel moet voldoen aan de volgende onderdelen: • Motivering op welke wijze de voorgestelde investering past binnen het inhoudelijke én financiële beleid / afwegingskader. • Onderbouwing benodigd investeringsbudget met een raming van de uitgaven en inkomsten per begrotingsjaar rekening houdende met een realistische planning. Uitgaven worden indien van toepassing gespecificeerd in: loonkosten, uitgaande kasstromen en inflatie. • In welke mate in dekking van het investeringsbudget is voorzien. • Opgave van alle reeds geactiveerde bezittingen, die als gevolg van de voorgestelde investering afgeboekt moeten worden. • Een volledig inzicht in alle (toekomstige) bijkomende (exploitatie) baten en lasten. • Een inflatiecorrectie in geval de uitgaven zich uitstrekken over meerdere jaren (zie ook 2.1.4 Inflatie).
• Paragraaf BTW waarin de mogelijkheden van de BTW (verrekening, compensatie, SPUK) worden toegelicht. • Paragraaf subsidiemogelijkheden. Subsidies en bijdragen van derden dienen zoveel als mogelijk onderbouwd te zijn met (voorlopige) beschikkingen. Daar waar deze nog onzeker zijn dient dit te worden vermeld in de risicoparagraaf van de aanvraag. • Risicoparagraaf, waarin alle te onderkennen risico’s zijn opgenomen, voorzien van de benodigde beheersingsmaatregelen gebaseerd op het beleidskader Risicomanagement.
10 | NOTA INVESTERINGBELEID
Bij investeringen die gezamenlijk met externe partijen worden aanbesteed of uitgevoerd dient vooraf zekerheid verschaft te worden of deze externe partijen ook aan hun financiële verplichtingen kunnen voldoen. Denk hierbij aan levensduur verlengende renovaties voor primair onderwijs waarbij de huisvestingsmiddelen van de gemeente worden gecombineerd met de inbreng van onderhoudsmiddelen vanuit het primair onderwijs. De raad voteert (autoriseert) alleen investeringsbudgetten voor begrotingsjaar t+1 (t= huidige jaar). De kapitaallasten van de investeringsbudgetten betreffende het voorportaal (begrotingsjaren t+2, t+3 en t+4) worden in de begroting opgenomen en voorzien van dekking. Definitieve besluitvorming ter daadwerkelijke uitvoering (autorisatie) van deze investeringen vindt pas plaats wanneer de investering het voorliggende begrotingsjaar heeft bereikt. Een investeringsbudget kan altijd heroverwogen worden mocht hier aanleiding voor zijn. Wijzigingen in investeringsbudgetten die leiden tot een gewijzigd investeringstotaal van de betreffende programmalijn dienen te allen tijde ter besluitvorming te worden voorgelegd aan de raad. Denk hierbij aan overschrijdingen of het uitbreiden van de scope van de investering als gevolg van het beschikbaar komen van extra subsidie of bijdragen van derden.
Wijzigingen van investeringsbudgetten binnen een programmalijn die niet leiden tot een scopewijziging van een investering of een wijziging van het investeringstotaal van de betreffende programmalijn en waarbij eventuele hogere kapitaallasten kunnen worden gedekt binnen de programmalijn hoeven niet ter autorisatie worden voorgelegd aan de raad. Wanneer bijvoorbeeld de renovatie van een basisschool A € 100.000 duurder wordt en dit gedekt kan worden omdat de renovatie van basisschool B met € 100.000 minder uitgevoerd kan worden zonder dat de scope van beide investeringen wijzigt, dan hoeft het college deze wijziging niet voor te leggen aan de gemeenteraad. Het college is dan binnen de kaders bevoegd deze wijziging te autoriseren. Het gereed melden van een investering en afsluiten van een investeringsbudget vindt altijd plaats middels een raadsbesluit. Tussentijdse versnellingen en/of vertragingen binnen de reeds gevoteerde investeringen hoeven niet ter besluitvorming aan de raad te worden voorgelegd. Het budgetrecht komt pas in het geding als de versnelling en/of vertraging leidt tot investeringsbudgetoverschrijdingen. 2.2.3 Voorbereidings- of afwikkelinvesteringsbudget Voor grote complexe investeringen die betrekking hebben op vastgoed of grote infrastructurele werken wordt gewerkt met een voorbereidingsinvesteringsbudget met als doel een definitieve aanvraag voor te bereiden.
Voorbereidingsinvesteringsbudgetten worden beschouwd als onderdeel van de uiteindelijke investering. Wanneer het definitieve investeringsbudget beschikbaar is gesteld, worden beide investeringsbudgetten samengevoegd. Wanneer een voorbereidingsinvesteringsbudget niet leidt tot een definitief NOTA INVESTERINGSBELEID | 11
investeringsbudget worden de uitgaven van het voorbereidingsbudget direct afgewaardeerd ten laste van de exploitatie. Voorbereidingskosten mogen maximaal 5 jaar op de balans staan, waarna ze, indien het niet heeft geleid tot een investering / grondexploitatie, afgeboekt moeten worden ten laste van de winst- en verliesrekening. In bijzondere gevallen, waarbij een investeringsbudget grotendeels gereed is maar er door omstandigheden geen zicht is het investeringsbudget op korte termijn af te kunnen sluiten, kan een afwikkelinvesteringsbudget worden ingesteld. Zo wordt de gereedmelding van de investering en de start van de daarmee samenhangende afschrijvingen niet onnodig vertraagd. Het afwikkelinvesteringsbudget blijft beschikbaar, bijvoorbeeld ter afhandeling van garantiebepalingen van een aannemer of een fiscaal geschil. Het hoofdinvesteringsbudget wordt afgesloten, de investering wordt als gereed beschouwd en er wordt een aanvang gemaakt met afschrijven. De bestedingen van het afwikkelinvesteringsbudget worden als vermeerdering toegevoegd aan het bestaande actief en afgeschreven in de resterende levensduur.
2.2.4 Termijn beschikbaarstelling investeringsbudgetten Investeringsbudgetten die zijn gevoteerd in de jaren voorafgaande aan het verantwoordingsjaar en waarop in het verantwoordingsjaar geen bestedingen hebben plaatsgevonden worden afgesloten, tenzij onderbouwd wordt aangegeven dat handhaving van het investeringsbudget noodzakelijk is. Wanneer in een later stadium blijkt dat de investering toch nog nodig is, dient een nieuw investeringsvoorstel te worden ingediend. 2.2.5 Verantwoording Op de geijkte momenten en middels de van toepassing zijnde instrumentaria binnen de reguliere Planning en Control cyclus wordt de raad op de hoogte gehouden van alle gevoteerde en in uitvoering zijnde investeringsbudgetten. Naast de uitputting van het investeringsbudget wordt ook gerapporteerd over de geplande kasstromen en de geplande ingebruikname datum. Conform de actuele Financiële verordening gemeente Venlo informeert het college de raad via de voortgangsrapportages en jaarrekening in ieder geval over alle overschrijdingen op investeringsbudgetten. 2.3
VOORSCHRIFTEN EN RICHTLIJNEN VOOR WAARDERING EN ACTIVERING
2.3.1 BBV In hoofdstuk V van het BBV zijn de voorschriften met betrekking tot het waarderen, activeren en afschrijven van investeringen vastgelegd. De belangrijkste punten uit betreffende artikelen 59 t/m 65 worden hieronder weergegeven. Voor nadere voorwaarden en uitwerkingen wordt verwezen naar het BBV. • •
Alle investeringen worden geactiveerd met uitzondering van kunstvoorwerpen met een cultuur-historische waarde (art. 59). Kosten van onderzoek en ontwikkeling kunnen onder voorwaarden worden geactiveerd (art. 60).
12 | NOTA INVESTERINGBELEID
• •
• • •
• •
Bijdragen aan activa in eigendom van derden kunnen onder voorwaarden worden geactiveerd (art. 61). Alle vaste activa worden voor het bedrag van de investering geactiveerd (art. 62). Bijdragen van derden die in directe relatie staan met het actief worden op de waardering daarvan in mindering gebracht. Voorzieningen voor bijdragen aan toekomstige vervangingsinvesteringen, waarvoor een heffing wordt geheven, worden in mindering gebracht. Activa worden gewaardeerd op basis van de verkrijgings- of vervaardigingsprijs (art. 63). Afschrijvingen geschieden onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar (art. 64). Naar verwachting duurzame waardeverminderingen van vaste activa worden onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar in aanmerking genomen (art 65, lid1). Voorraden en deelnemingen worden tegen de marktwaarde gewaardeerd indien de marktwaarde lager is dan de verkrijgings- of vervaardigingsprijs (art 65, lid 2). Een actief dat buiten gebruik wordt gesteld wordt afgewaardeerd op het moment van buitengebruikstelling, indien de restwaarde (lees: marktwaarde) lager is dan de boekwaarde (art. 65, lid 3).
2.3.2 Financieringskosten activa in voorbereiding De financieringskosten die worden gemaakt in de voorbereidingsperiode van investeringen worden niet in de waardering van activa meegenomen. Met andere woorden, er wordt geen rente geactiveerd. Over de boekwaarde per 1 januari van activa in voorbereiding wordt omslagrente toegerekend aan de exploitatie. 2.3.3 Vervaardigingsprijs De vervaardigingsprijs omvat de aanschaffingskosten van de gebruikte grond- en hulpstoffen en de overige kosten, waaronder apparaatskosten, welke rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend. In de vervaardigingsprijs kunnen voorts de aan de investering toe te rekenen overheadkosten worden opgenomen. De wijze van toerekening van apparaatskosten en overhead en het wel of niet toerekenen van overhead aan investeringen vindt plaats conform notitie Kostentoerekening. Kosten van een voorbereidingsinvesteringsbudget behoren ook tot de rechtstreeks aan de investering toe te rekenen kosten. 2.3.4 Investeringen maatschappelijk nut Met de invoering van de Vernieuwing BBV 2017 is de keuzemogelijkheid om investeringen met een maatschappelijk nut wel of niet te activeren afgeschaft. Investeringen met een maatschappelijk nut dienen verplicht geactiveerd te worden. 2.3.5 Bestemmingsreserves • Bestemmingsreserves worden niet in mindering gebracht op de investering.
• Bestemmingsreserves kunnen alleen worden ingezet ter dekking van kapitaallasten van investeringen die niet noodzakelijkerwijs vervangen moeten worden. NOTA INVESTERINGSBELEID | 13
•
•
•
Indien er voor een investering een bestemmingsreserve is gevormd wordt deze bestemmingsreserve overgeheveld naar de bestemmingsreserve kapitaallasten van waaruit de kapitaallasten volledig worden gedekt, zowel de rente als de afschrijving. Voor wat betreft de afschrijvingen vindt dit plaats door onttrekkingen, voor wat betreft de rente middels de vrijval van bespaarde rente in de exploitatie, i.e. het niet toevoegen van de bespaarde rente over de bestemmingsreserve kapitaallasten aan de algemene reserve. Indien de bestemmingsreserve niet de gehele investering dekt wordt er pondsgewijs conform afschrijvingstermijn van de investering onttrokken aan de bestemmingsreserve kapitaallasten. Over de bestemmingsreserve kapitaallasten wordt bespaarde rente berekend welke wordt aangewend ter dekking van de rentelasten van de investering. Het percentage bespaarde rente is voor de bestemmingsreserve kapitaallasten gelijk aan de omslagrente.
2.3.6 Bijdragen van derden Bijdragen van derden moeten in mindering gebracht worden op de investering. Denk hierbij aan bijdragen van het Rijk, Provincie, Europese fondsen of overige partijen. Ze verlagen per saldo de kostprijs van de investering. Er dient dan wel een direct aantoonbare relatie te bestaan tussen de kosten van de investering en de daarvoor ontvangen bijdrage (artikel 62 lid 2 BBV). 2.3.7 Voorziening vervanging riolering Voor het rioolrecht bestaat de wettelijke mogelijkheid om via het tarief vooraf gepland te sparen voor toekomstige vervangingsinvesteringen (art. 229b, tweede lid, onderdeel a, van de Gemeentewet). Deze spaarbedragen moeten op grond van artikel 44 lid 1d BBV aan een voorziening worden toegevoegd. In het jaar dat de vervangingsinvestering wordt gerealiseerd, worden de kosten hiervan ten laste van de voorziening gebracht (artikel 62 lid 3 BBV). 2.3.8 Verkoop of buitengebruikstelling Indien een object buiten gebruik wordt gesteld en/of wordt afgestoten moet afwaardering plaatsvinden indien de marktwaarde naar verwachting lager is dan de boekwaarde. Wanneer een actief daadwerkelijk wordt bestemd voor verkoop, dan moet overboeking plaatsvinden naar de voorraden. Een eventueel verkregen opbrengst wordt als incidentele bate verantwoord in de jaarrekening. Indien het object nog een boekwaarde heeft, dan dient deze boekwaarde geheel afgeboekt te worden.
Dit is een incidentele last in de jaarrekening. De verkoopopbrengst en het afboeken van de boekwaarde worden beide afzonderlijk verantwoord en mogen niet met elkaar worden verrekend. De verkoopopbrengst mag ook niet worden verrekend met de aanschafwaarde van een eventueel vervangingsobject.
14 | NOTA INVESTERINGBELEID
• •
•
Bij sloop van een actief wegens vervangende nieuwbouw moet de boekwaarde (exclusief eventuele grond) worden afgeboekt. De grond onder een gemeentelijk gebouw mag niet worden geherwaardeerd met de kosten van het bouw- en woonrijp maken van de grond zelf of met de sloopkosten van het gemeentelijke gebouw. De kosten van de sloop van een gebouw kunnen als eenmalige kosten in de exploitatie worden genomen of mogen worden geactiveerd als onderdeel van het nieuwe materiele actief, indien op dezelfde locatie een nieuw gemeentelijk gebouw wordt gerealiseerd.
2.3.9 Waardeverandering vastgoed Ingeval van gewijzigde omstandigheden, komt het voor dat vastgoed in waarde toeneemt of afneemt. Wanneer vastgoed in waarde toeneemt ten opzichte van de boekwaarde mag er geen herwaardering plaatsvinden. Bij een waardedaling geldt het volgende: Vastgoed wordt onderscheiden in vastgoed met een maatschappelijke functie en met een bedrijfseconomische functie. Het overgrote deel van het vastgoed bij gemeenten is maatschappelijk. Vastgoed met een maatschappelijke functie heeft betrekking op een gemeentehuis of op gebouwen en terreinen met een functie op het gebied van onderwijs, sport, cultuur, welzijn of maatschappelijke opvang en/of zorg. Kenmerk van vastgoed met een maatschappelijke functie is dat bij negatieve exploitatiesaldi er feitelijk sprake is van het duurzaam verstrekken van subsidie. Indien de bestuurlijke intentie bestaat om vastgoed met een maatschappelijke functie duurzaam te exploiteren en dit als zodanig in de begroting tot uitdrukking komt dan speelt duurzame waardevermindering geen rol. Indien de bestuurlijke intentie bestaat om vastgoed met een maatschappelijke functie te verkopen, of de bestemming ervan te wijzigen naar vastgoed met een bedrijfseconomische functie dan moet, indien er sprake is van een naar verwachting duurzaam lagere marktwaarde ten opzichte van de boekwaarde, een duurzame waardevermindering worden verantwoord.
Vastgoed met een bedrijfseconomische functie kenmerkt zich door de bestuurlijke intentie om bewust winst en/of waardestijgingen te realiseren. In deze situatie worden panden aangehouden en verhuurd en/of staan in de verkoop. Voor vastgoed met een economische functie is afwaardering verplicht en wordt de toets met behulp van de directe opbrengstwaarde voorgeschreven. Bij de berekening van een indirecte opbrengstwaarde dient uitgegaan te worden van de beste inschatting van de toekomstige opbrengsten o.b.v. de bestaande gebruiksintentie, besluitvorming etc. De indirecte opbrengstwaarde wordt overigens niet als waarderingsgrondslag gehanteerd in het BBV. Wel kan de indirecte opbrengstwaarde worden gebruikt ter toetsing van de directe opbrengstwaarde. 2.3.10 Onderhoud In sommige gevallen is het moeilijk een onderscheid te maken tussen investeringen en grote uitgaven die niet kunnen worden geactiveerd. De commissie BBV heeft de stellige uitspraak gedaan dat kosten voor (klein en groot) onderhoud niet levensduur verlengend zijn. Deze kosten mogen dus niet geactiveerd worden: NOTA INVESTERINGSBELEID | 15
• •
•
Kosten van klein onderhoud dienen in het jaar van uitvoering ten laste van de exploitatie te worden gebracht. Kosten van groot onderhoud kunnen op twee wijzen worden verwerkt in de administratie: o De kosten worden in het jaar van uitvoering direct ten laste van de exploitatie gebracht. o De kosten worden in het jaar van uitvoering ten laste gebracht van een vooraf gevormde voorziening (artikel 44 lid 1c BBV). In de nota reserves en voorzieningen is het beleid ten aanzien van groot onderhoud opgenomen. Kosten van het wegwerken van achterstallig onderhoud dienen ineens ten laste van de exploitatie te worden gebracht.
Onderhoud is niet levensduur verlengend, maar dient om een actief gedurende zijn levensduur in een goede staat te houden. Voor levensduur verlengende investeringen geldt expliciet dat ze bijdragen aan een substantiële levensduurverlenging van het betreffende actief, zoals het renoveren van een gebouw of rehabilitatie van een weg. Deze dienen derhalve geactiveerd te worden. 2.3.11 Juridisch eigendom en economisch eigendom onderwijshuisvesting Het onderscheid tussen juridisch en economisch speelt met name bij schoolgebouwen primair en speciaal (voortgezet) onderwijs. Het eigendom van deze schoolgebouwen ligt meestal bij het schoolbestuur of in sommige gevallen bij een derde partij. Dit eigendom wordt als zodanig vastgelegd in het kadaster via een notariële akte en heeft voornamelijk een juridisch karakter. Het schoolgebouw blijft bij de gemeente op de balans staan. Het economisch claimrecht is geregeld in de artikelen 110 WPO, 108 WEC, 76u WVO en betekent dat op het moment dat het schoolbestuur besluit dat het onderwijs in het schoolgebouw wordt beëindigd, het betreffende schoolgebouw ‘om niet’ terugvalt aan de gemeente omdat deze de investering heeft bekostigd. Voor het voortgezet onderwijs zijn de huisvestingsmiddelen doorgedecentraliseerd. Huisvesting voortgezet onderwijs wordt als gevolg van deze doordecentralisatie niet op de balans van de gemeente geactiveerd. 2.4
AFSCHRIJVING EN RENTETOEREKENING
2.4.1 Methode van afschrijven • Investeringen worden volgens de lineaire methode afgeschreven. • Met afschrijven wordt gestart in het jaar volgend op het jaar van ingebruikname of gereed zijn. • Investeringen onder de € 50.000 worden niet geactiveerd en rechtstreeks ten laste van de exploitatie gebracht.
16 | NOTA INVESTERINGBELEID
2.4.2 Restwaarde De restwaarde voor alle investeringen wordt, tenzij middels een expliciet besluit van de gemeenteraad anders wordt bepaald, op nihil gesteld. Alle activa worden volledig afgeschreven, met uitzondering van grond. Op grond wordt niet afgeschreven. 2.4.3 Afschrijvingstermijnen Op vaste activa met een gelimiteerde gebruiksduur moet volgens artikel 64 lid 3 BBV jaarlijks worden afgeschreven. Het BBV schrijft niet voor welke termijnen gelden voor welke investeringen. Het BBV zegt wel dat de afschrijvingstermijn overeen moet komen met de verwachte technische en/of economische levensduur. In Venlo hanteren we de economische levensduur in combinatie met de componentenmethode. In bijlage A Afschrijvingstabel zijn de voorgeschreven afschrijvingstermijnen opgenomen. Deze afschrijvingstermijnen zijn verplicht. Indien een investering niet past binnen een omschrijving in de tabel wordt de afschrijvingstermijn gehanteerd van de omschrijving die het best overeenkomt. Indien meerdere omschrijvingen toepasbaar zijn wordt gekozen voor de kortste termijn. De Componentenmethode houdt in dat verschillende onderdelen van een investering afzonderlijk worden geactiveerd en dat op deze onderdelen wordt afgeschreven op basis van de voor dat onderdeel geldende gebruiksduur. De Componentenmethode wordt toegepast bij investeringen in gebouwen.
De componenten bestaan dan (indien van toepassing) uit: grond, casco en installaties. Voorwaarde voor toepassing van de componentenmethode bij een investering is dat de onderdelen individueel te vervangen moeten zijn. Bij onderwijshuisvesting primair onderwijs vindt er alleen een bijdrage in het casco plaats en wordt de Componentenmethode derhalve niet toegepast. Levensduur verlengende renovaties worden afgeschreven in 25 jaar bij huisvesting gelijk aan of ouder dan 40 jaar en in 35 jaar bij huisvesting tussen de 30 en 40 jaar. Verder gelden de volgende regels, die ook van toepassing zijn voor bijdragen aan activa van derden: • De afschrijvingstermijnen moeten consistent worden toegepast en mogen alleen bij gegronde redenen worden aangepast. • Gelijksoortige activa dienen volgens dezelfde methode te worden afgeschreven. • Er mag niet resultaatafhankelijk afgeschreven worden. • Activa worden in een zo kort mogelijke termijn afgeschreven tot maximaal in de in bijlage A opgenomen termijnen. • Bij twijfel over het onderbrengen van een actief bij de ene of de andere groep geldt steeds de kortste afschrijvingstermijn. • Alleen renovatie, buitengebruikstelling of wijzigingen in wet- en regelgeving zijn valide argumenten om de afschrijvingstermijn van bestaande activa aan te passen.
De kosten van een levensduur verlengende renovatie worden geactiveerd en afgeschreven over de verwachte gebruiksduur. De bestaande (rest)boekwaarde wordt niet herrekend, maar over de langere gebruiksduur afgeschreven.
NOTA INVESTERINGSBELEID | 17
2.4.4 Rentetoerekening Aan alle geactiveerde kapitaaluitgaven wordt op consistente en eenduidige wijze omslagrente toegerekend. De omslagrente (%) wordt berekend door de aan de taakvelden toe te rekenen rentelasten te delen door de boekwaarde per 1 januari van het begrotingsjaar van de vaste activa die integraal gefinancierd zijn. De omslagrente (%) wordt jaarlijks bij de vaststelling van de kadernota of de begroting vastgesteld. Dit interne tarief geldt voor alle activa welke geen relatie hebben met de grondexploitatie en niet met een projectfinanciering zijn gefinancierd. De rente wordt toegerekend over de boekwaarde per 1 januari, ook bij activa in voorbereiding. De combinatie van rente en afschrijving vormen de kapitaallasten die zowel in de begroting als in de jaarrekening ten laste van de exploitatie worden gebracht. Er wordt geen projectfinanciering toegepast, met uitzondering van de in het verleden aan de woningcorporaties doorverstrekte geldleningen. Deze leningen worden aangemerkt als projectfinanciering en hieraan wordt de rente toegerekend gelijk aan de rente van de projectfinanciering. Sinds de oprichting van het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) kunnen woningcorporaties zelfstandig leningen aantrekken die door dit fonds worden gewaarborgd.
Dit betekent dat er door de gemeente geen nieuwe leningen aangetrokken en doorverstrekt worden aan woningcorporaties (sterfhuisconstructie). Conform BBV “Notitie Grondbeleid in Begroting en Jaarstukken” wordt binnen de grondexploitaties met een andere rekenrente gewerkt. Het te hanteren rentepercentage wordt jaarlijks bij de vaststelling van de Grondnota door de gemeenteraad vastgesteld. 2.5
BTW
Bij facturen voor diensten of leveringen van derden wordt BTW in rekening gebracht. Het merendeel van deze in rekening gebrachte BTW is compensabel (op basis van het BTWcompensatiefonds) dan wel verrekenbaar met de belastingdienst, wanneer het een zogenaamde ondernemersactiviteit betreft. Voor sommige investeringen wordt de BTW vergoed middels een specifieke uitkering (SPUK). Deze BTW is daarmee voor de gemeente geen last en dient dus ook niet tot de verkrijgings- of vervaardigingsprijs gerekend te worden. In die gevallen dat de BTW slechts deels of in het geheel niet kan worden gecompenseerd of verrekend, wordt de BTW voor de gemeente wel een last. In die situaties wordt die BTW (of dat deel ervan) wel tot de verkrijgings- of vervaardigingsprijs gerekend. In het aan te vragen investeringsbudget dient rekening gehouden te worden met deze kostprijsverhogende BTW. Elk investeringsvoorstel dient te zijn voorzien van een paragraaf BTW. 2.6
SUBSIDIEMOGELIJKHEDEN
Investeringen komen ineens veel meer binnen handbereik als daar aanvullende middelen in de vorm van subsidies voor in te zetten zijn. Voorkomen moet worden dat de zoektocht naar dekking uit externe geldbronnen is vergeten. De raad zal externe dekking moeten meewegen bij het maken van de juiste investeringskeuzes. Derhalve is het van groot belang 18 | NOTA INVESTERINGBELEID
dat er voldoende aandacht voor de zoektocht naar subsidies is. Elk investeringsvoorstel dient te zijn voorzien van een paragraaf subsidie. 2.7
RISICOBEHEERSING
In paragraaf 2.2.3 is aangegeven dat er een afwikkelinvesteringsbudget kan worden ingesteld als een investeringsbudget grotendeels gereed is maar er door omstandigheden geen zicht is het investeringsbudget op korte termijn af te kunnen sluiten. Als alternatief kan worden gekozen een risico op te nemen in de risicoparagraaf dan wel een voorziening te treffen. Dit zal moeten worden getoetst aan de geldende beleidsregels op dit gebied. Er kunnen ook andere risico’s spelen. Het komt voor dat een investeringsvoorstel tevens inhoudt dat een lopende investering nog niet is afgeboekt tot de restwaarde, maar wel zal moeten wijken voor een nieuwe bestemming. Bijvoorbeeld een bestaande school zal gesloopt moeten worden voor een nieuw te bouwen brede school. Kapitaalvernietiging zal expliciet onderdeel uit moeten maken van het investeringsvoorstel. Andere voorbeelden zijn: een bestaande voorziening blijkt door de komst van een nieuwe investering ineens niet meer rendabel te zijn of de geraamde kosten zijn sterk inflatiegevoelig. Waar van toepassing dient het investeringsvoorstel te zijn voorzien van een risicoparagraaf, die naast een risico-inventarisatie ook een set aan voorgestelde beheersingsmaatregelen bevat zoals opgenomen in de geldende nota risicomanagement en weerstandsvermogen.
NOTA INVESTERINGSBELEID | 19
BIJLAGE A: AFSCHRIJVINGSTABEL Immateriële vaste activa Hoofdrekening
Omschrijving
Afschrijvingstermijn
0012
Kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio
conform looptijd lening
0021
Voorbereidingskosten grondexploitaties
geen afschrijving; maximaal 5 jaar opnemen op balans
0022
Kosten van onderzoek en ontwikkeling
5
0032
Bijdragen aan activa in eigendom van derden
(maximaal) afschrijvingstermijn bij derden
0042
Overige immateriële vaste activa
5
Materiële vaste activa Hoofdrekening 0112
Omschrijving
0132
E
-
Woonruimten
E
40
Woonwagens
E
15
E E E E E
50 40 40 40 25
E
35
E E E
15 5 20
Woonruimten
(Bedrijfs-)gebouwen - (Vervangende) nieuwbouw - Stadskantoor Hanzeplaats 1 - Aangekocht bestaand permanent gebouw - Huisvesting onderwijs nieuwbouw - Levensduur verlengende renovatie onderwijshuisvesting ≥ 40 jaar oud - Levensduur verlengende renovatie onderwijshuisvesting tussen 30 - 40 jaar oud - Noodbouw of uitbreiding noodbouw - Aankoop/verplaatsing noodlokaal - Vervanging erf afscheiding, bestrating, kozijnen, deuren en daken - Verbouwing bestaand pand (niet levensduur verlengend) - Overige investeringen (o.a. interieur)
0142
Afschrijvingstermijn
Gronden en terreinen Gronden en terreinen
0122
E/M
E E
Restant afschrijvingstermijn pand 10
Grond-/ weg-/ waterbouwkundige werken (GWW) - Waterwerken - Wegen, fietspaden, pleinen, trottoirs - Groen, plantsoenen - Begraafplaatsen
20 | NOTA INVESTERINGBELEID
M M M E
(maximaal) 25 (maximaal) 25 (maximaal) 20 (maximaal) 30
- Bomen - Riolering, kabels en leidingen - Elektriciteitsvoorzieningen - GWW t.b.v. parkeergarages - Parkeerterreinen - Speelvoorzieningen - Sportvelden onderbouw kunstgras - Sportvelden toplaag kunstgras - Sportvelden overig - Overige GWW werken 0152
E E
(maximaal) 10 5 - 15
E E E E
10 20 - 25 15 3
E E
5 10
E M
15 (maximaal) 15
M M E E E E M
46 23 10 (maximaal) 10 5 (maximaal) 10 (maximaal) 10 niet activeren
Machines, apparaten en installaties - Telefooncentrales - Radiatoren, CV leidingen, convectors - Klimaatbeheersingsinstallaties - Personal computers, tablets en mobiele telefoons - Overige automatiseringsapparatuur - Overige
0192
40 30 (maximaal) 20 40 25 10 25 10 (maximaal) 20 (maximaal) 20
Vervoermiddelen - Auto’s - Vrachtauto’s, werkmaterieel en overige voertuigen
0162
M E M E E E E/M E/M E/M E/M
Overige materiële vaste activa - Schoolmeubilair, onderwijsleerpakketten - Verkeersregelinstallaties, bewegwijzering, verkeersborden en overige verkeersvoorzieningen - Openbare verlichting masten - Openbare verlichting armaturen - Parkeermeters en automaten - Inventaris / meubilair kantoren - Software - Overige materiële vaste activa - Overige materiële vaste activa - Materiële vaste activa < € 50.000
Financiële vaste activa Hoofdrekening 0212
Omschrijving
Afschrijvingstermijn
Kapitaalverstrekkingen aan deelnemingen en gemeenschappelijke regelingen
-
Leningen aan deelnemingen en woningbouwcorporaties
-
0232
Langlopende leningen u/g overig
-
0252
Startersleningen
-
0282
Overige uitzettingen
-
0222
NOTA INVESTERINGSBELEID | 21
BIJLAGE B: BEGRIPPENLIJST Begrip
Uitleg
Activeren
Het op de balans plaatsen van een bezitting.
Actuele waarde
Historische aanschafwaarde, gecorrigeerd voor inflatoire invloeden.
Afschrijving
Vooraf bepaalde, periodieke waardevermindering van een actief als gevolg van het gebruik ervan.
Afwikkelinvesteringsbudget
Afgesplitst Investeringsbudget ter bevordering van de gereedmelding en start afschrijvingen van het (hoofd)investeringsbudget.
Balans
Momentopname van de vermogenspositie als resultaat van bezittingen en schulden.
Boekwaarde
Aanschafwaarde minus totaal van de afschrijvingen tot dan toe.
Bruto investering
Het gehele investeringsbedrag zonder aftrek van subsidies, bijdragen, etc.
Economische levensduur
Periode waarin op grond van kosten- en opbrengstverhouding gebruik zal worden gemaakt van een actief.
Economisch nut
Investeringen met een economisch nut zijn verhandelbaar (er is een markt voor) en/of ze kunnen bijdragen aan het genereren van middelen. Voorbeelden zijn huur of opbrengsten. Let op: Economisch nut niet te verwarren met Vastgoed met een bedrijfseconomische functie.
Exploitatielasten
Uitgaven niet zijnde investeringsuitgaven die (jaarlijks) in de winst- & verliesrekening worden verantwoord. Naast kapitaallasten kunnen de exploitatielasten van een investering bestaan uit overige exploitatielasten, zoals bijvoorbeeld verzekeringspremies, energielasten en onderhoudslasten.
Historische aanschafwaarde
Daadwerkelijke verkrijgingprijs van een actief.
iboi
Prijs bruto overheidsinvesteringen van het Centraal Planbureau (CPB).
Investering
Een opoffering in tijd en/ of geld waarvan het nut zich over meerdere jaren uitstrekt.
Investeringsbudget
Een door de raad beschikbaar gestelde hoeveelheid geld ten behoeve van de realisatie van een investering.
Kapitaallasten
Jaarlijkse exploitatielast als gevolg van afschrijving en rente.
22 | NOTA INVESTERINGBELEID
Kapitaallastenbudget
Binnen de begroting beschikbare ruimte bestemd voor de dekking van de kapitaallasten van investeringen.
Kapitaallastenplafond
De signaalwaarde voor het maximum aan kapitaallasten in de begroting uitgedrukt in euro’s.
Lineair
Vast percentage van de oorspronkelijke waarde.
Maatschappelijk nut
Investeringen met een maatschappelijk nut genereren geen middelen (en zijn niet verhandelbaar), maar vervullen wel duidelijk een publieke taak. Voorbeelden zijn wegen, pleinen, bruggen, viaducten, geluidswallen, parken, openbare verlichting. Let op: Maatschappelijk nut niet te verwarren met Vastgoed met een maatschappelijke functie.
Omslagrente
De omslagrente is de rente die bij de begroting wordt berekend door de werkelijk aan de taakvelden toe te rekenen rente (in Euro’s) te delen door de boekwaarde per 1 januari van de vaste activa die integraal zijn gefinancierd. De omslagrente wordt uitgedrukt in een percentage (%).
Onderuitputting
Incidentele financiële ruimte binnen het begrote kapitaallastenbudget in het geval de begrote investeringsuitgaven in enig jaar niet tijdig worden gerealiseerd.
Rentabiliteit
De mate waarin een investering zich terugverdient door bijdragen van derden, het genereren van inkomsten of het besparen van uitgaven.
Technische levensduur
Periode waarin een actief in staat is productieve prestaties te leveren.
Uitbreidingsinvestering
Nieuwe investering niet zijnde een Vervangingsinvestering.
Vastgoed met een bedrijfseconomische functie
Vastgoed met een bedrijfseconomische functie kenmerkt zich door de bestuurlijke intentie om bewust winst en/of waardestijgingen te realiseren.
Vastgoed met een maatschappelijke functie
Vastgoed met een maatschappelijke functie heeft betrekking op een gemeentehuis of op gebouwen en terreinen met een functie op het gebied van onderwijs, sport, cultuur, welzijn of maatschappelijke opvang en/of zorg. Kenmerk van vastgoed met een maatschappelijke functie is dat bij negatieve exploitatiesaldi er feitelijk sprake is van het duurzaam verstrekken van subsidie.
Vervangingsinvestering
Investering die noodzakelijk is ter vervanging van een investering die de economische levensduur heeft bereikt en volledig is afgeschreven.
Voorportaal
De investeringsplanning van de drie jaren volgend op het begrotingsjaar.
NOTA INVESTERINGSBELEID | 23
Vrijval
Financiële ruimte (dekking) die ontstaat doordat investeringen volledig zijn afgeschreven.
Voorbereidingsinvesteringsbudget
Investeringsbudget met als doel een definitieve aanvraag voor een Vervangings- of Uitbreidingsinvestering voor te bereiden.
24 | NOTA INVESTERINGBELEID
NOTA INVESTERINGSBELEID | 25