001 bijl02, Bijlage toelichting bestemmingsplan bedrijfslocatie Vilgert.pdf
Tekst van het document
Het natuursteen dat in het onderzoeksgebied is aangetroffen, is afkomstig uit een beperkt aantal grondsporen, waarvan enkele in het Neolithicum gedateerd worden en de overige sporen in twee verschillende perioden van de IJzertijd. Tussen het natuursteen uit het Neolithicum en de IJzertijd zijn enkele verschillen te bemerken, zowel op het vlak van steensoort en soort artefact als de aard van het spoor waarin de voorwerpen zijn aangetroffen.
25
Van der Veken, 2017.
Rapport 19012.002 versie 1
Pagina 9 van 21
Het botanische onderzoek van de opgraving in het plangebied De Vilgert heeft informatie opgeleverd over de regionale landschapsontwikkeling en de lokale vegetatie en voedseleconomie in het onderzoeksgebied in de Midden-/Late IJzertijd. Er kwamen vooral gemengde loofbossen voor, met in de ondergroei hop en eikvarens. Hazelaar groeide vooral op open plekken en langs bosranden. Op de aangelegde akkers werden granen en mogelijk ook huttentut verbouwd. Dit gewas werd geteeld voor de oliehoudende zaden. Tussen de verbouwde gewassen groeiden verschillende akkeronkruiden. De aangetroffen soorten suggereren dat zowel de voedselrijke als de armere gronden voor de akkerbouw gebruikt werden. Mogelijk werd hierbij gebruik gemaakt van bemesting. Het voorkomen van verschillende levermossen kan erop wijzen dat de akkers van tijd tot tijd braak lagen. Op de nattere gronden en in verlande restgeulen waren elzenbroekbossen aanwezig. In de graslanden, die waarschijnlijk werden gebruikt voor beweiding met vee, kwamen boterbloem en smalle weegbree voor. De bewoners van het gebied aten in de IJzertijd verschillende graansoorten, zoals gerst, emmertarwe en pluimgierst. Deze graansoorten werden waarschijnlijk gegeten in de vorm van pap of koeken, aangezien de soorten niet zo geschikt zijn voor het bakken van brood. Mogelijk werden ook hazelnoten gegeten. Deze kunnen in de omgeving verzameld zijn.
Het aanwezige plaggendek en de onderliggende cultuurlaag hebben beide een middeleeuwse datering. Beide lagen zijn middels OSL gedateerd. Het plaggendek had een datering van 1310 ± 48 n. Chr., de cultuurlaag een datering van 1108 ± 60 n. Chr. Het (post)middeleeuwse aardewerk is enkel afkomstig uit lithostratigrafische lagen. De aardewerkdateringen van het materiaal uit het plaggendek en de onderliggende cultuurlaag sluiten perfect aan bij de OSL-dateringen. In het plaggendek zijn verder nog enkele stukken tapslak aangetroffen. Het type oven dat bij deze slak hoort is de zogenaamde tapoven. De oven heeft vermoedelijk ergens in de regio gestaan, wat deze vondst de tot nu toe zuidelijkste vertegenwoordiger van de tapoven in Nederland maakt. Op de hogere delen van het onderzoeksgebied tot slot werd op het einde van de Tweede Wereldoorlog een loopgravenstelsel aangelegd. De loopgraven gaan verder buiten het onderzoeksgebied. Vermoedelijk betreffen het Duitse stellingen. De loopgraven maakten deel uit van de zogenaamde Maas-Stellung. Op de hogere delen van het onderzoeksgebied is de top van de bodemopbouw niet meer intact door egalisatiewerkzaamheden. Hierdoor zijn er in dat deel van het plangebied behalve de sporen van loopgraven geen oudere archeologische sporen meer aangetroffen. De sporen van de loopgraven zijn ondiep en grotendeels opgenomen in de bouwvoor.
Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied26 In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan negen vondstmeldingen geregistreerd (zie bijlage 4 en figuur 8). De vondsten die rondom het plangebied zijn gedaan laten zien dat er menselijke activiteiten hebben plaats gevonden in het onderzoeksgebied in de perioden Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd, waarbij alle perioden in grote aantallen voorkomen alleen het Paleolithicum is ondervertegenwoordigd. 2.7
Beschrijving van het historische gebruik
In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Voor de historische ontwikkeling is naast het historisch kaartmateriaal ook relevante achtergrondliteratuur geraadpleegd.
26
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort.
Rapport 19012.002 versie 1
Pagina 10 van 21
Korte bewoningsgeschiedenis van Velden In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 5. Velden wordt in 1334 n. Chr. vermeld als de parochie Velden, een dorpskern rond de kerk van SintAndreas in een gebied waar de bewoning voornamelijk bestond uit los gegroepeerde boerderijen, gelegen op de overgang van de lage naar de hoge terreinen. De eerste kerk van het dorp dateert van omstreeks 1300. Het was waarschijnlijk vanaf de 16e eeuw een bedevaartsoord van de heilige Andreas.27 Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel III.
Geraadpleegd historisch kaartmateriaal
Bron
Periode
Kaartblad
Schaal
Omschrijving plangebied
Bijzonderheden/directe omgeving
Tranchot und v. Müffling kaart28
1801-1828
26 Velden
1:20.000
Deels akker deels bos
Bos akkers en heide doorsneden door wegen. Voorloper Vilgert al aanwezig.
Kadastrale minuut29
1822
Gemeente Arcen en Velden, Sectie C, Blad 02
1:2.500
Grotendeels bos voor hakhout aan de oost- en noordzijde weg.
Bos akkers en heide doorsneden door wegen.
Militaire topografische kaart30 (nettekening)
1850-1865
52 Venlo
1:50.000
Geen grootschalige veranderringen.
Geen grootschalige veranderringen.
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1895
695
1:50.000
Bos
Bebouwing rondom het plangebied
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1911
695
1:50.000
Geen veranderingen.
Geen grootschalige veranderringen.
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1922
695
1:50.000
Geen veranderingen.
Geen grootschalige veranderringen.
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1936
695
1:50.000
Akker, klein deel boomgaard
Geen grootschalige veranderringen.
Topografische kaart
1954
52 G
1:25.000
Geen veranderingen.
Geen grootschalige veranderringen.
Topografische kaart
1958
52 G
1:25.000
Deel grasland, deel boomhaard
Geen grootschalige veranderringen.
Topografische kaart
1967
52 G
1:25.000
Akker, noordzijde weg.
Bebouwing direct ten zuiden plangebied. Bebouwde kom Velden uitgebreid.
Topografische kaart
1979
52 G
1:25.000
Geen veranderingen.
Bebouwde kom Velden uitgebreid.
Topografische kaart
1987
52 G
1:25.000
Geen veranderingen.
Geen grootschalige veranderringen.
Topografische kaart
1995
52 G
1:25.000
Geen veranderingen.
Geen grootschalige veranderringen.
27
Kuijl, 2006. Beeldbank Vrije Universiteit. 29 Aezel. 30 Kadaster Topotijdreis (bron voor deze kaart en de hierop volgende kaarten in deze tabel). 28
Rapport 19012.002 versie 1
Pagina 11 van 21
Topografische kaart
1999
52 G
1:25.000
Geen veranderingen.
Geen grootschalige veranderringen.
Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal blijkt dat het plangebied in de eerste kwart van de 19e eeuw (deels) in gebruik is als bos voor hakhout en deels akker (zie figuur 9). Tot op heden is het gebied als respectievelijk bos, akker en boomgaard gebruikt. Aan de noordoost en noordwest rand van het plangebied lopen/liepen wegen die mogelijk deels door het plangebied liepen. De weg aan de noordwest rand is in de 21e eeuw verdwenen, aan de noordoost rand betreft het de huidige Vilgert. De omgeving toont de ontwikkeling van de bebouwde kom van Velden van overwegend natuur en agrarisch gebruik naar de huidige situatie. Rijks- en gemeentemonumenten binnen attentiegebied Het plangebied ligt niet binnen een 50 m attentiezone van zowel rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten als een MIP monument. Bouwhistorische gegevens Het bouwdossier van de gemeente Venlo is niet geraadpleegd omdat het plangebied volgens het historisch kaartmateriaal de laatste 200 jaar onbebouwd is geweest. Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd.
31 Volgens de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed ligt het plangebied aan de achterzijde van de Maas-stelling, Duitse verdedigingslinie langs de oostoever van de Maas, aangelegd om een geallieerde invasiemacht uit het westen en zuiden te kunnen stoppen/vertragen. Volgens de risicokaart explosieven van de gemeente Venlo is er geen risico op het aantreffen van Ontplofbare (OO) in het plangebied.32 Op basis van de beschikbare gegevens worden er geen archeologische sporen uit de Tweede Wereldoorlog binnen het plangebied verwacht. Aanvullende informatie Gemeente Venlo Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de gemeente Venlo (contactpersoon dhr. T. Ernst). Hij gaf aan dat: “Over het plangebied zelf hebben we geen aanvullende gegevens beschikbaar. Archeologisch het meest relevant, zijn de uitgevoerde onderzoeken in de nieuwbouwwijk Vilgert 250m ten zuidoosten van het plangebied. Verder zijn op de ABK in de directe omgeving enkele historische erven van een rode cirkelvormige contour voorzien (zeer hoge verwachtingswaarde).” 2.8
Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel
Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel IV.
Gespecificeerde archeologische verwachting
Archeologische periode
Gespecificeerde verwachting
Te verwachten complextype/resten
Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld
Amersfoort & Kamphuis, 1990/Jong, 1969 – 1994/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed/VEO Bommenkaart/Ruimingskaart/Klep & Schoenmaker, 1995/Zwanenburg, 1990. 32 Risicokaart explosieven van de gemeente Venlo. 31
Rapport 19012.002 versie 1
Pagina 12 van 21
(Laat-)Paleolithicum
Hoog
Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen
Onder maaiveld en in de top van de rivierafzettingen.
Mesolithicum
Hoog
Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen
Onder maaiveld en in de top van de rivierafzettingen.
Neolithicum
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen
Onder maaiveld en in de top van de rivierafzettingen.
Bronstijd
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
Onder maaiveld en in de top van de rivierafzettingen.
IJzertijd
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
Onder maaiveld en in de top van de rivierafzettingen.
Romeinse tijd
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
Onder maaiveld en in de top van de rivierafzettingen.
Vroege-Middeleeuwen
Hoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
Onder maaiveld en in de top van de rivierafzettingen.
Late-Middeleeuwen
Hoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
Onder maaiveld en in de top van de rivierafzettingen.
Nieuwe tijd
Hoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
Onder maaiveld en in de top van de rivierafzettingen.
Uit de landschappelijke ligging op dekzandwelvingen op een Allerød Interstadiaal terras, blijkt dat het plangebied vanaf het Paleolithicum gunstig is geweest voor jagers en verzamelaars en vanaf het Neolithicum voor landbouwers. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt dat er in de omgeving van het plangebied sporen van menselijke activiteit zijn waar genomen uit de perioden Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd, waarbij alle perioden in grote aantallen voorkomen alleen het Paleolithicum is ondervertegenwoordigd. Door archeologisch onderzoek is er een goed beeld van waar de jagers en verzamelaars hun tijdelijke kampementen vestigden. De jagers en verzamelaars waren afhankelijk van een aantal ecologische factoren, zoals het voedselaanbod en de aanwezigheid van grondstoffen in de omgeving van de locatie. Ze leefde van de jacht, visserij en het verzamelen van onder andere noten, vruchten en wortels. Dit soort voedsel was met name te vinden op het overgangsgebied van hoge en droge gronden naar lage en natte gronden, de gradiëntzone, en dichtbij water, zoals vennen en beken. Op dit soort loca-
Rapport 19012.002 versie 1
Pagina 13 van 21
ties was ook drinkwater bereikbaar.33 Hierdoor krijgt het plangebied een hoge verwachting voor de perioden Paleolithicum tot en met Mesolithicum. Voor de landbouwers zijn andere factoren van belang bij de locatiekeuze. Vanaf het Neolithicum ging men zich vestigen op één locatie. Om te kunnen blijven wonen op één plek werd het kunnen uitvoeren van landbouw een belangrijke factor. Voor akkerbouw is onder andere een vruchtbare bodem en een goede afwatering van belang.34 Gezien de landschappelijke situatie, de bodem en grondwatertrap worden aan beide zaken voorzien en omdat resten uit de perioden Neolithicum tot en met Vroege-Middeleeuwen in de omgeving van het plangebied worden aangetroffen, krijgen deze perioden een hoge verwachting. Vanaf de Middeleeuwen zijn schriftelijke bronnen bekend die de bekende locatiekeuzes en archeologische gegevens kunnen aanvullen. Vanaf de 13e eeuw wordt de locatie langs kruisingen en splitsingen van doorgaande en lokale wegen ook van belang voor de locatiekeuze van een nederzetting. Deze nederzettingen kunnen zijn gegroeid tot de hedendaagse gehuchten en woonkernen.35 Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal is het plangebied vanaf de eerste kwart van de 19e eeuw tot 1922 onbebouwd geweest en afwisselend in gebruik geweest als agrarisch gebied, voor de productie van hakhout, boomgaard en akker.
Het ligt buiten de historische kern maar echter wel aan een historische doorgaande weg. Op basis van deze gegevens, de bodem en grondwatertrap en het gegeven dat er resten uit deze perioden wel in de omgeving van het plangebied worden aangetroffen krijgen de perioden Late-Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd een hoge verwachting. In het hele plangebied kunnen archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden. De kans op het voorkomen van de resten is hoog. De archeologische resten worden direct aan of onder het maaiveld verwacht. De vondstenlaag wordt verwacht in de eerste 30 cm beneden het maaiveld. Archeologische sporen (uitgezonderd diepe paalsporen en waterputten) worden direct beneden het maaiveld verwacht. Deze archeologische resten bestaan hoofdzakelijk uit aardewerk- en/of vuursteenstrooiïngen. Organische resten en metaal zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd. Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens. Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven.
Het plangebied is in het verleden in gebruik geweest als bos, boomgaard en akker en mogelijk deels als weg. Door plant- en rooiwerkzaamheden, ploegen en aanleg en gebruik als weg kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden, die vanaf het maaiveld worden verwacht, mogelijk verloren zijn gegaan. 2.9
Conclusie bureauonderzoek
Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is.
33
Louwe Kooijmans et al., 2005. Louwe Kooijmans et al., 2005. 35 Renes, 1999. 34
Rapport 19012.002 versie 1
Pagina 14 van 21
Vanwege de ligging op de rand van een Allerød Interstadiaal terras (gevormd 13.900 tot 12.850 jaar geleden) met vrijwel direct ten westen een terras uit het Jonge Dryas is de kans dat er archeologische waarden in het plangebied voorkomen uit het Paleolithicum en Mesolithicum hoog. De hoge en droge ligging van het terras maakt het plangebied ook geschikt voor agrarische samenlevingen, daarnaast zijn er resten uit de perioden Neolithicum tot en met Vroege-Middeleeuwen in de omgeving van het plangebied aangetroffen. Hierdoor krijgen de perioden Neolithicum tot en met Vroege-Middeleeuwen een hoge verwachting. Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal is het plangebied onbebouwd geweest en afwisselend in gebruik geweest als agrarisch gebied, voor de productie van hakhout, boomgaard. Het ligt buiten de historische kern maar wel aan een historische doorgaande weg. Op basis van deze gegevens, de bodem en grondwatertrap en het gegeven dat er resten uit deze perioden wel in de omgeving van het plangebied worden aangetroffen krijgen de perioden Late-Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd eveneens een hoge verwachting. Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen.
Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een inventariserend veldonderzoek, verkennend booronderzoek. Gezien de omvang van het plangebied is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een verkennend booronderzoek. Verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet met als doel om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel. Tevens dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn.
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK
3.1
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Tevens dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. 3.2
Methoden
Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018 protocol 4003), specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 28 april 2022 door drs. A.H. Schutte (Senior KNAarcheoloog/Senior KNA Prospector) een Plan van aanpak (PvA) opgesteld. Het veldwerk is uitgevoerd op 4 mei 2022. Het gehele plangebied was vrij toegankelijk. De boringen zijn verspreid binnen het plangebied gezet. Bij het zetten van de boringen is rekening gehouden met de aanwezige begroeiing en kabels en leidingen. In totaal zijn er met behulp van een edelmanboor (diameter 7 cm) vijf boringen tot maximaal 1 m -mv gezet (Figuur 10). De boringen zijn lithologisch conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven. 36 De exacte locatie van de boringen (x-, y- en z-waarden) is vastgelegd met behulp van dGPS. 36
Bosch, 2005.
Rapport 19012.002 versie 1
Pagina 15 van 21
Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, geen of slechts deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot. 3.3
Resultaten
Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 8 weergegeven. Op basis van deze boorprofielen kunnen de hoofdlijnen van de bodemopbouw als volgt worden weergegeven. In het hele plangebied komt een bouwvoor voor van zo’n 40 tot 55 centimeter dik. Deze bouwvoor bestaat uit matig fijn, matig tot sterk siltig zwak humeus zand. Plaatselijk komt in de bouwvoor kolengruis en baksteen voor. Hieronder ligt gelijk de C-horizont die bij de meeste boringen bovenin licht geroerd is. Bij boringen 1, 2, 4 en 5 bestaat de top van de C-horizont uit sterk zandige, matig tot sterk gleyhoudende leem met humusvlekken. Bij deze boringen ligt hieronder matig fijn zwak siltig, plaatselijk gleyhoudend of zwakgrindig, zand. Boring 3 wijkt af; hier ligt onder de bouwvoor matig fijn, zwak siltig zand, dat zwak kolengruishoudend is. In de boringen zag de laag er niet verstoord uit maar of het een natuurlijke afzetting is, is niet met zekerheid te zeggen. Hieronder, op 70 centimeter onder maaiveld, ligt een laag matig fijn, zwak siltig zand dat zeker de C-horizont betreft. Archeologische indicatoren In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen.
Het gaat hier echter om een verkennend bodemonderzoek, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen. 3.4
Conclusie veldonderzoek
Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. In het plangebied is met zekerheid vastgesteld dat de bodem grotendeels intact is. Onder een vrij dikke bouwvoor, 40 tot 55 centimeter, ligt direct de C-horizont waarvan alleen de top verstoord is. Alleen bij boring 3 is mogelijk sprake van een diepere verstoring al wordt dit betwijfelt en als het een verstoring is dan is deze niet grootschalig. Er worden geen ophogingen in het plangebied verwacht, maar dit is wel waarschijnlijk gezien de aanwezigheid van kolengruis en baksteen in de bouwvoor. Het historisch kaartmateriaal geeft aan dat in het plangebied nooit geen bebouwing heeft gestaan waardoor er vanuit gegaan moet worden dat dit materiaal van buiten het plangebied komt. Hierdoor is de verwachting dat het mogelijk sporenniveau, direct onder de bouwvoor, grotendeels intact is (klein stuk afgetopt).
4
CONCLUSIE EN ADVIES
Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. In het bijzonder verhoogt de ligging op de rand van een Allerød Interstadiaal terras de kans daarop. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd.
Rapport 19012.002 versie 1
Pagina 16 van 21
De aangetroffen bodemopbouw is grotendeels intact. Onder een bouwvoor van 40 tot 55 centimeter ligt in het grootste deel van het plangebied direct de C-horizont die in de top iets geroerd is. Op één locatie centraal in het plangebied is de bodem mogelijk dieper geroerd. De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, blijft door het booronderzoek in zijn geheel gehandhaafd .Op basis van het behoud van de hoge trefkans blijft de kans reëel dat archeologische resten binnen het plangebied aanwezig zijn. Gezien de in dit onderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek. Aangezien verwacht wordt dat alleen een sporenniveau zonder vondstlaag aanwezig is, is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek. Booronderzoeken zijn in historische kernen minder geschikt gezien de grote kans op het voorkomen van puinlagen die aan historische bebouwing toegeschreven kunnen worden. Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het plangebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen.
Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Bovenstaand advies is van Econsultancy. De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Venlo). De bevoegde overheid neemt vervolgens een besluit.
Rapport 19012.002 versie 1
Pagina 17 van 21
LITERATUUR Amersfoort, H. & P.H. Kamphuis, 1990: Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. ‘s- Gravenhage. Berg, M.W. van den, 1996: Fluvial sequences of the Maas; a 10 Ma record of neotectonics and climate change at various time-scales. Thesis, Landbouw Universiteit Wageningen. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNOrapport, NITG 05-043-A). Diepen, L. van & D. Hagens, 2017: Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek d.m.v. boringen. Oude Heerweg-Rijksweg te Velden. Aeres Milieu projectnummer AM16331. Roemond. Diepen, L. van & D. Hagens, 2018: Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek d.m.v. boringen. Oude Heerweg 68 te Velden. Aeres Milieu projectnummer AM18192. Roemond. Griep-Voss, K.F.P., 202: Rapportage milieuhygiënisch vooronderzoek bodem Vilgert te Velden. Econsultancy-rapport, 19012.001. Swalmen. Isarin, R., E. Rensink, R. Ellenkamp & E. Heunks 2015: Archeologische Verwachtingskaart Maasdal tussen Mook en Eijsden. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort. Jong, L. de, 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. ‘s- Gravenhage. Klep C. & B. Schoenmaker, 1995: De Bevrijding Van Nederland 1944-1945 - Oorlog op de flank. Den Haag. Kuijl, E.E.A. van der, 2006: Inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen, Kloosterstraat te Velden.
Synthegra Archeologie Rapport 175283. Weert. Locher, W.P. & H. de Bakker, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 2: Bodemgeografie. Malmberg, Den Bosch. Louwe Kooijmans,. L.P., P.W. van den Broeke, H. Fokkens, A. van Gijn (red.), 2005: Nederland in de prehistorie. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff, T.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Peeters, M, 2015. Verantwoordingsdocument actualisatie archeologische verwachtings- en beleidskaart, gemeente Venlo. RAAP Adviesdocument 529. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp. Renes, J., 1999: Landschappen van Maas en Peel. Een toegepast historisch-geografisch onderzoek in het streekplangebied Noord- en Midden-Limburg. Eisma, Leeuwarden. Stichting voor Bodemkartering, 1975: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad 52 Oost/Venlo. Veken, B. van der (red.): 2017: De Vilgert II te Velden, gemeente Venlo. Een archeologische opgraving. ADC rapport 4225. Amersfoort.
Rapport 19012.002 versie 1
Pagina 18 van 21
Wageningen Environmental Research, 2017: Geomorfologische Kaart van Nederland (2017), schaal 1:50.000. Zwanenburg G.J., 1990: En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen.
Rapport 19012.002 versie 1
Pagina 19 van 21
BRONNEN Aezel; internetsite, april 2022. https://aezel.eu/ontdekken/geografie/minuutplans AHN; internetsite, april 2022. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, april 2022. https://archis.cultureelerfgoed.nl Beeldbank Vrije Universiteit; internetsite, april 2022. http://imagebase.ubvu.vu.nl/cdm/compoundobject/collection/krt/id/5629/rec/1 Dinoloket; internetsite, april 2022. http://www.dinoloket.nl/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, april 2022. http://www.ikme.nl/ Kadaster, Basisregistratie Kadaster (BRK); internetsite, mei 2022. https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/ff9315c8-f25a4d01-9245-5cf058314ebf. Kadaster, Basisregistratie Topografie (BRT) (2021) ‘TOP25raster’; internetsite, februari 2022. https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/api/records/44061dee-c6cf-4a94-85137370867ad32e. Kadaster, Landelijke Voorziening Beeldmateriaal (2021); internetsite, mei 2022. https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/c82a783a-9a584761-a809-b4c5d90dcd35. NGR/Wageningen Environmental Research (2018), ‘BRO - Bodemkaart van Nederland 1:50.000’ internetsite, mei 2022.
https://nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search;jsessionid=11F26FB095C4D0E1D6 AC7C8A4B52D94D#/metadata/ed960299-a147-4c1a-bc57-41ff83a2264f. NGR/Wageningen Environmental Research (2019) ‘BRO - Geomorfologische Kaart van Nederland 1:50:000’, internetsite, mei 2022. https://nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/459231d0-7379-4f26a444-7616e1d888f0. Provinciaal Omgevingsplan Limburg; internetsite, april 2022. https://www.limburg.nl/onderwerpen/cultuur/erfgoed/archeologie/arch-onderzoek/ Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK); internetsite, mei 2022. https://pdokviewer.pdok.nl PDOK/Rijkswaterstaat (2018) ‘Actueel Hoogtebestand Nederland 3 WCS’; internetsite, mei 2022.
Rapport 19012.002 versie 1
Pagina 20 van 21
https://nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search;jsessionid=46C4686376C42712F15 3C906C9BEB9CD#/metadata/bfcc588f-9393-4c70-b989-d9e92ac2f493. Risicokaart explosieven van de gemeente Venlo; internetsite, april 2020. https://kaarten.venlo.nl/risicokaart-explosieven Ruimingskaart; internetsite, april 2022. http://www.beobom.nl/ruimingskaart/ SIKB; internetsite, april 2022. https://www.sikb.nl Topotijdreis: 200 jaar topografische kaarten; internetsite, april 2022. https://www.topotijdreis.nl VEO Bommenkaart; internetsite, april 2022. http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/
Rapport 19012.002 versie 1
Pagina 21 van 21
Figuur 1. Het plangebied op de topografische kaart (1:25.000).
Rapport 19012.002 versie 1
Figuur 2. Het plangebied op de kadastrale kaart.
Rapport 19012.002 versie 1
Figuur 3. Het plangebied op een luchtfoto uit 2020.
Rapport 19012.002 versie 1
Figuur 4. Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart.
Rapport 19012.002 versie 1
Rapport 19012.002 versie 1
Figuur 5. Het plangebied op de geomorfologische kaart.
Rapport 19012.002 versie 1
Figuur 6. Het plangebied op het actueel hoogtebestand (AHN3).
Rapport 19012.002 versie 1
Figuur 7. Het plangebied op de bodemkaart.
Rapport 19012.002 versie 1
Figuur 8. Archeologische waarden en onderzoeken in de omgeving van het plangebied.
Rapport 19012.002 versie 1
Rapport 19012.002 versie 1
Figuur 9. Het plangebied op historische kaarten.
Situatie 1801-1828 (bron: Beeldbank Vrije Universiteit)
Situatie 1822 (bron: Aezel)
Situatie 1895 (bron: Kadaster Topotijdreis)
Situatie 1936 (bron: Kadaster Topotijdreis)
Situatie 1958 (bron: Kadaster Topotijdreis)
Situatie 1967 (bron: Kadaster Topotijdreis)
Vilgert te Velden. Het plangebied op historische kaarten. Legenda Plangebied
Rapport 19012.002 versie 1
Figuur 10. Boorpunten geprojecteerd op een luchtfoto uit 2020.
Rapport 19012.002 versie 1
Bijlage 1 Ouderdom in jaren
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken
Chronostratigrafie
MIS
Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
15.700
1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)
Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)
2
LaatPleniglaciaal 29.000
50.000
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal
3
Formatie van Kreftenheye
Formatie van Boxtel
4
75.000
VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000
370.000 410.000
5a 5c 5d
Eemien (warme periode)
5e
Saalien (ijstijd)
6
Holsteinien (warme periode)
Formatie van Beegden
5b
Eem Formatie Formatie van Drente
Formatie van Urk
Elsterien (ijstijd) 475.000
Cromerien (warme periode) 850.000
Pre-Cromerien 2.600.000
Rapport 19012.002 versie 1
Formatie van Sterksel
Formatie van Peelo
Cal. jaren v/n Chr.
14
C jaren
Chronostratigrafie
Pollen zones
0
1950
Vb2
1500
Subatlanticum koeler vochtiger
450 0 12
Vb1 Va
Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem
Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd
800 815
2650
IVb Subboreaal koeler droger
2000
3755
IVa
5000
4900
5300
7020
8240
Atlanticum warm vochtig
III
Boreaal warmer
II
Preboreaal warmer
I
8000
9000
8800 11.755
10.150
12.745
10.800
13.675
11.800
14.025
12.000
15.700
13.000
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
Late Dryas
LW III
Allerød
LW II
Vroege Dryas LW I Bølling
35.000
Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)
Bronstijd
Neolithicum
Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend
Mesolithicum
parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra
VroegWeichselien (VroegGlaciaal)
perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap
Laat-Paleolithicum
75.000
115.000 130.000
Eemien (warme periode)
Midden-Paleolithicum loofbos
Saalien (ijstijd) 300.000
Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).
Rapport 19012.002 versie 1