Toelichting Bijlage 18 Aanmeldingsnotitie MER.pdf
Tekst van het document
Aanmeldingsnotitie Onderwerp: Vormvrije m.e.r.-beoordeling Hofgeest Velserbroek Projectnummer: 337784 Referentienummer: SWNL0268802 Datum: 13-11-2020
1
Inleiding
De voorgenomen activiteit betreft de bouw van maximaal 380 woningen in het gebied Hofgeest te Velserbroek en de realisatie van een nieuw sportcomplex ten behoeve van de te verplaatsen voetbal- en rugbyvereniging. Het gebied Hofgeest ligt ten noordoosten van Velserbroek, ingeklemd tussen de provinciale weg N208 en de rijksweg A22 nabij de aansluiting van de A9 (zie figuur 1.1).
Figuur 1.1 Ligging woningbouwlocatie Hofgeest
Het plangebied (zie figuur 1.2) bestaat uit drie deelgebieden: Hofgeest West (nr. 1), Hofgeest VSV (nr. 2) en Sportvelden (nr. 3). De woningen worden gebouwd in de deelgebieden Hofgeest West en Hofgeest VSV. Om woningbouw in deelgebied Hofgeest VSV mogelijk te maken worden de daar aanwezige sportvelden van voetbalvereniging Velseroorder Sport Vereniging (VSV) en Rugby Club The Smugglers verplaatst naar deelgebied Sportvelden aan de Oostlaan. Ook zal de aanwezige bebouwing in deelgebied 1 en 2 worden gesloopt.
nl_notitie.docx 20161201
Sweco De Holle Bilt 22 3732 HM De Bilt Postbus 203 3730 AE De Bilt
T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl
Sweco Nederland B.V. De Bilt Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt
Cor van Duin Adviseur milieueffectrapportage/planstudies T +31 88 811 59 93 M +31 6 51 59 57 78 cor.vanduin@sweco.nl
1 (15)
Figuur 1.2 Ligging plangebied woningbouwlocatie Hofgeest
De bouw van de woningen en de verplaatsing van de sportvelden passen niet binnen de vigerende bestemmingsplannen. Om de voorgenomen activiteit planologisch mogelijk te maken is een nieuw bestemmingsplan opgesteld. Om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over het nieuwe bestemmingsplan, moet worden getoetst of in het kader van deze ontwikkeling een milieueffectrapportage nodig is. Uit het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) volgt dat voor deze ontwikkeling een vormvrije m.e.r.beoordeling moet worden uitgevoerd. In deze aanmeldingsnotitie is de vormvrije m.e.r.-beoordeling van de voorgenomen activiteit opgenomen. Achtereenvolgens wordt ingegaan op het voornemen (hoofdstuk 2), de m.e.r.procedure (hoofdstuk 3) en de potentiële effecten van de voorgenomen activiteit (hoofdstuk 4). Doesburg
Giesbeek
Angerlo
2 (15)
2
Voornemen
De partijen C.V. De Hofgeester (Holleman en HBB) en BPD zijn voornemens om in totaal maximaal 380 woningen te bouwen in Hofgeest te Velserbroek. Om de ontwikkeling mogelijk te maken worden de sportvelden en bijbehorende accommodaties van de sportvereniging VSV en rugbyvereniging The Smugglers verplaatst naar de Oostlaan op een stuk weiland ten zuidoosten van de huidige ligging van de sportvelden (deelgebied 3, zie figuur 1.2). Hier wordt een sportcomplex gerealiseerd met vier voetbalvelden, sportkantine, parkeerplaatsen en een rugbyveld. In deelgebied 1 (Hofgeest West) worden maximaal 242 woningen gerealiseerd en in deelgebied 2 (Hofgeest VSV) worden maximaal 138 woningen gerealiseerd. Er worden drie typen woningen gebouwd: rijwoningen, twee-onder-een-kapwoningen en appartementen. De wijk krijgt een groene opzet en zal dienen als afronding van de westkant van Velserbroek.
3 (15)
3
Toets aan het Besluit m.e.r.
3.1 Welke m.e.r.-procedure is van toepassing Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. Het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) geeft aan of voor een project een m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht van toepassing is. Voor de activiteiten die zijn opgenomen in de C-lijst van het Besluit m.e.r. geldt de zogenoemde m.e.r.-plicht. Deze activiteiten worden gekenmerkt door het feit dat zij over het algemeen belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. Voor de activiteiten die zijn opgenomen in de D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt de zogenoemde m.e.r.-beoordelingsplicht. Voor deze activiteiten geldt dat zij, afhankelijk van de omstandigheden, nadelige milieugevolgen kunnen hebben. De onderhavige ontwikkeling betreft de aanleg van een stedelijk ontwikkelingsproject, wat als activiteit is opgenomen in de D-lijst onder categorie D11.2 (zie tabel 3.1). Tabel 3.1 Activiteit D2.2 uit het Besluit milieueffectrapportage (d.d. 10-11-2020) Kolom 1 Kolom 2 Kolom 3 Activiteiten Gevallen Plannen D11.2 De aanleg, wijziging In gevallen waarin de De structuurvisie, of uitbreiding van activiteit betrekking bedoeld in de een stedelijk heeft op: artikelen 2.1, 2.2 ontwikkelingsproject 1°. een oppervlakte van en 2.3 van de Wet met inbegrip van de 100 hectare of meer, ruimtelijke bouw van 2°.
een aaneengesloten ordening, en het winkelcentra of gebied en 2000 of meer plan, bedoeld in parkeerterreinen. woningen omvat, of artikel 3.1, eerste 3°. een lid, van die wet. bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Kolom 4 Besluiten De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.
Het Besluit m.e.r. geeft onder 'gevallen' per activiteit aan wat de relevante drempel is voor een m.e.r.-(beoordelings)plicht. Met de aanleg van het onderhavige stedelijk ontwikkelingsproject worden de (indicatieve) drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. niet overschreden, aangezien het planvoornemen minder dan 2.000 woningen betreft en de oppervlakte van het plangebied kleiner is dan 100 hectare. Op basis hiervan geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dan dient op grond van de selectiecriteria in de 'Europese richtlijn milieueffectbeoordeling' te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten, een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.- beoordeling'. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. 3.2 Te volgen procedure Deze aanmeldingsnotitie geeft het bevoegd gezag (college van B&W van de gemeente Velsen) de informatie die nodig is om te beoordelen of een m.e.r. nodig is voor de in paragraaf 3.1 genoemde activiteit. Op basis van deze aanmeldingsnotitie dient het bevoegd gezag een beslissing te nemen of voor deze activiteit, omwille van belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. nl_notitie.docx 20161201
Sweco De Holle Bilt 22 3732 HM De Bilt Postbus 203 3730 AE De Bilt
T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl
Sweco Nederland B.V. De Bilt Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt
Cor van Duin Adviseur milieueffectrapportage/planstudies T +31 88 811 59 93 M +31 6 51 59 57 78 cor.vanduin@sweco.nl
4 (15)
Het bevoegd gezag neemt uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst van de aanmeldingsnotitie een m.e.r.-beoordelingsbeslissing1. Dit besluit moet in ieder geval zijn genomen voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan. Het besluit wordt niet gepubliceerd in de Staatscourant2. Op dit besluit is geen bezwaar/beroep mogelijk. Eventuele bezwaren kunnen worden ingediend in de procedure van het bestemmingsplan. 3.3 Doel van de aanmeldingsnotitie De vormvrije m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te bepalen of er bij de voorgenomen activiteit mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. In het kader van een vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt een aanmeldingsnotitie opgesteld. In een aanmeldingsnotitie wordt op objectieve wijze de informatie verzameld en gepresenteerd die voor deze afweging noodzakelijk is. Op basis van de informatie in de aanmeldingsnotitie besluit het bevoegd gezag of een uitgebreide m.e.r-procedure nodig is. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient het bevoegd gezag expliciet te beoordelen of zij het noodzakelijk acht om de m.e.r.-procedure te doorlopen.
Er kunnen twee uitkomsten zijn: belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen niet worden uitgesloten er dient een m.e.r.-procedure te worden doorlopen; belangrijke nadelige milieugevolgen treden niet op er wordt gemotiveerd aangegeven dat geen m.e.r.-procedure wordt doorlopen. Het uitgangspunt bij deze beoordeling is: Nee, tenzij …. (zie hiervoor verder kader 3.1). Dit uitgangspunt betekent dat er geen nadere m.e.r. nodig is, tenzij er sprake is van mogelijke ‘belangrijke nadelige gevolgen’ voor het milieu op basis waarvan een dergelijke procedure wel noodzakelijk moet worden geacht. Deze ‘belangrijke nadelige gevolgen’ moeten worden beoordeeld op basis van het toetsingskader van Bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten. Het project dient te worden getoetst aan: 1. Kenmerken van de activiteit a: Omvang van het project b: Cumulatie met andere projecten c: Gebruik natuurlijke hulpbronnen d: Productie afvalstoffen e: Verontreiniging en hinder f: Risico op ongevallen 2. Plaats van de activiteit a: Bestaand grondgebruik b: Rijkdom aan en kwaliteit en regeneratievermogen natuurlijke hulpbronnen van het gebied c: Opnamevermogen milieu met aandacht voor specifieke gevoelige gebieden 3.
Kenmerken van het potentiële effect a: Bereik van het effect b: Grensoverschrijdend karakter c: Orde van grootte en complexiteit effect d: Waarschijnlijkheid effect e: Duur, frequentie en omkeerbaarheid effect 1 Indien het bevoegd gezag tevens initiatiefnemer is, neemt het in een zo vroeg mogelijk stadium de m.e.r.beoordelingsbeslissing. 2 Dit is bepaald in het Besluit m.e.r. in artikel 2.5 onder b.
5 (15)
In hoofdstuk 4 wordt de toetsing behandeld. Eerst wordt een beschrijving gegeven van de kenmerken van het project en de plaats van het project, en de potentiële effecten die daaruit naar voren komen. Vervolgens wordt ingegaan op de kenmerken van het potentiele effect. Hierbij wordt gekeken of er mogelijk (belangrijke) nadelige milieugevolgen ontstaan en of er verzachtende mitigerende maatregelen kunnen worden genomen om eventueel het milieueffect te verminderen of teniet te doen. KADER 3.1: UITLEG AANMELDINGSNOTITIE Zoals aangegeven is het uitgangspunt bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling het ‘nee, tenzij’ principe. Dit heeft gevolgen voor inhoud en diepgang van deze aanmeldingsnotitie. In dit kader wordt kort toegelicht hoe deze aanmeldingsnotitie is opgebouwd en op welke wijze naar de inhoud moet worden gekeken. Waarom Nee, tenzij? Dat het ‘nee, tenzij’ principe geldt, vloeit voort uit het feit dat het een activiteit betreft uit de D-lijst van het Besluit m.e.r., waarvoor tevens geldt dat de activiteit onder de drempelwaarde ligt zoals in deze D-lijst genoemd. In het Besluit m.e.r. zijn alle activiteiten die mogelijk gevolgen hebben op het milieu verdeeld over twee lijsten: de C en de D lijst. Activiteiten uit de C-lijst worden gekenmerkt door het feit dat zij over het algemeen belangrijke nadelige milieugevolgen hebben.
Voor deze activiteiten geldt dan ook een directe m.e.r.-plicht. Voor activiteiten uit de D-lijst geldt dat deze afhankelijk van de omstandigheden nadelige milieugevolgen kunnen hebben. Wanneer de activiteit op de D-lijst staat én onder de drempelwaarde blijft zoals in die lijst opgenomen, is de verwachting dat deze activiteit waarschijnlijk geen belangrijk nadelige milieugevolgen oplevert. Op voorhand geldt voor deze activiteiten daarom ook geen m.e.r.-plicht. Dit moet echter wel worden getoetst middels de vormvrije m.e.r.-beoordeling. In bepaalde gevallen kan een activiteit met een kleinere omvang namelijk wel degelijk belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. Dat kan bijvoorbeeld doordat die activiteit in of bij een kwetsbaar gebied is gepland. Inhoud aanmeldingsnotitie Voor een aanmeldingsnotitie die wordt opgesteld in het kader van de vormvrije m.e.r.beoordeling bestaan geen vereisten voor de diepgang van het onderzoek. In de meeste gevallen kan de vormvrije m.e.r.-beoordeling worden gebaseerd op ‘expert judgement’, zonder (model)berekening of (veld)onderzoek. Het uitgangspunt is dat de aanmeldingsnotitie kort en bondig is en alleen inzoomt op die kenmerken en gevolgen die mogelijk kunnen leiden tot nadelige gevolgen voor het milieu.
In veel gevallen zal snel helder zijn dat een activiteit geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft (vanwege grote afstand tot gevoelige gebieden, de locatie en de omgeving hebben geen bijzondere kenmerken waardoor er een verwaarloosbare kans is op belangrijke nadelige effecten, de activiteit leidt niet tot grote emissies, heeft een klein ruimtebeslag e.d.). Dan is ook geen uitgebreide motivering nodig: er wordt dan beknopt beschreven dat naar alle Europese criteria is gekeken.
6 (15)
4
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
1. Kenmerken van het project
Omvang van het project (relatie met drempel D lijst)
Het project betreft de bouw van 380 woningen in het gebied Hofgeest te Velserbroek. Om de bouw van de woningen mogelijk te maken worden de bestaande sportvelden verplaatst naar de Oostlaan op een stuk weiland ten zuidoosten van de huidige ligging van de sportvelden. De ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door een nieuw bestemmingsplan. Het betreft een project (kolom 4) in de zin van het besluit m.e.r.. Het voornemen betreft activiteit D11.2 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen) uit het Besluit m.e.r. Drempelwaarden zijn: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Dit voornemen omvat: 1°. een oppervlakte van circa 34 hectare; 2°. een aaneengesloten gebied met in totaal maximaal 380 woningen.
Cumulatie met andere projecten Gebruik natuurlijke hulpbronnen3
Productie afvalstoffen4
Conclusie: het project blijft onder de drempelwaarden. Voor dit project is daarom geen 'formele' m.e.r.-beoordeling maar een 'vormvrije' m.e.r.-beoordeling nodig. In de directe omgeving zijn geen projecten bekend waarmee cumulatieve effecten kunnen ontstaan. Voor het project wordt gebruik gemaakt van vernieuwbare natuurlijke hulpbronnen, zoals hout, glas, (bak)steen en grond. Deze hulpbronnen worden van buiten het plangebied aangevoerd. Er zijn geen andere natuurlijke hulpbronnen in het gebied aanwezig die invloed ondervinden van de voorgenomen activiteit. Een andere locatie zal niet leiden tot minder gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Bij het bouwrijp maken van het terrein komt (sloop)afval vrij. Ook bij de bouw van woningen en het verplaatsen van de sportvelden komt (bouw)afval vrij. Afvalstoffen die vrijkomen tijdens de gebruiksfase betreft o.a. huishoudelijk afval. (Bouw)afval wordt conform geldende wet- en regelgeving afgevoerd. Er is geen sprake van productie van (gevaarlijke) afvalstoffen met nadelige milieugevolgen.
3 Toelichting: Van gebruik van natuurlijke hulpbronnen kan sprake zijn als een ontwikkeling gevolgen heeft voor op, of in de nabijheid van de locatie aanwezige natuurlijke hulpbronnen. Denk bijvoorbeeld aan de onttrekking van grondwater of het delven van grondstoffen zoals zand of klei. Ook het kappen van bos als leefomgeving voor dieren of recreatiegebied voor mensen valt hieronder. Dit criterium is vooral van belang bij industriële activiteiten. 4 Afvalstoffen zijn stoffen (preparaten of voorwerpen) waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen (artikel 1.1, lid 1 Wet milieubeheer). Nadelige milieugevolgen kunnen ontstaan bij het vrijkomen van gevaarlijke afvalstoffen.
7 (15)
Verontreiniging en hinder
Verontreiniging: Tijdens de aanleg kan als gevolg van het bouwverkeer (aan- en afvoer van materiaal en materieel) en de werkzaamheden tijdelijk een beperkte en lokale verslechtering van de luchtkwaliteit optreden. In de gebruiksfase kan de verkeersaantrekkende werking leiden tot verslechtering van de luchtkwaliteit. Hierop wordt nader ingegaan onder '3. Kenmerken van het potentiële effect'. De ontwikkeling zal verder niet leiden tot een andere vorm van verontreiniging. Hinder: Tijdens de aanleg kan als gevolg van het bouwverkeer (aan- en afvoer van materiaal en materieel) en de werkzaamheden lokaal een beperkte verkeershinder en geluidhinder optreden. In de gebruiksfase zal de woningbouwlocatie Hofgeest leiden tot een permanente verkeersaantrekkende werking. Dit leidt tot meer verkeersbewegingen op de toeleidende wegen en tot een extra parkeerbehoefte. De verkeersaantrekkende werking kan leiden tot geluidhinder bij omwonenden. Op mogelijke effecten als gevolg van hinder wordt nader ingegaan onder '3. Kenmerken van het potentiële effect'.
Risico op ongevallen
De voorgenomen activiteit leidt niet tot geurhinder in de omgeving. In de omgeving van het plangebied liggen twee paardenhouderijen die mogelijk leiden tot geurhinder in het plangebied zelf. De consequenties hiervan voor de uitvoerbaarheid van het plan worden toegelicht in het bestemmingsplan. In het bestemmingsplan wordt geconcludeerd dat de paardenhouderijen geen belemmering vormen voor een goed woon- en leefklimaat in het plangebied. Het voornemen heeft geen betrekking op activiteiten en/of inrichtingen die extra risico's met zich meebrengen in het kader van externe veiligheid. Er wordt daarom geen toename van het risico op ongevallen verwacht. Wel ligt het plangebied zelf binnen het invloedsgebied van wegen en buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. De consequenties hiervan voor de uitvoerbaarheid van het plan worden toegelicht in het bestemmingsplan. In het bestemmingsplan wordt geconcludeerd dat de risico's acceptabel zijn en de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staan.
2. Plaats van de projecten Bestaande grondgebruik
Rijkdom aan en kwaliteit en regeneratievermogen natuurlijke hulpbronnen van het gebied.
Het plangebied is momenteel in gebruik als agrarisch gebied en sportvelden. In het plangebied liggen enkele wegen en bevinden zich verspreid over het gebied enkele gebouwen (agrarische bedrijfsgebouwen en woningen). Het plangebied ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied. In het plangebied komen verder geen bijzondere natuurlijke hulpbronnen voor.
8 (15)
Opnamevermogen milieu met aandacht voor wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, H/V richtlijngebieden, gebieden waar milieunormen worden overschreden, gebieden met hoge bevolkingsdichtheid, landschappelijk historisch cultureel of archeologische gebieden van belang.
Natuur, Wet natuurbescherming Er ligt één Natura 2000-gebied in de nabijheid van het plangebied (op circa 1,5 km), twee andere Natura 2000-gebieden liggen iets verder weg (circa 6 km). Dit betreft Kennemerland-Zuid en de gebieden Noordzeekustzone en Polder Westzaan. Natuur, NNN en natuur buiten de NNN Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het plangebied ligt ook niet in de directe nabijheid van weidevogelleefgebieden of ganzenfoerageergebieden. Soorten In het plangebied komen vogelsoorten voor waarvan het nest en functioneel leefgebied uitsluitend tijdens het broedseizoen zijn beschermd én soorten waarvan nest en functioneel leefgebied het gehele jaar zijn beschermd. Verder kunnen vleermuisverblijven voorkomen in bestaande gebouwen en bomen en kunnen bomenrijen fungeren als vliegroute. Het plangebied is verder potentieel leefgebied voor de bunzing en wezel. Tot slot kunnen algemene vrijgestelde plant- en diersoorten voorkomen. Op de effecten op natuur wordt nader ingegaan onder ‘3. Kenmerken van het potentiële effect’. Landschappelijke en cultuurhistorische waarden In het gebied liggen enkele cultuurhistorische waarden. In het beeldkwaliteitsplan (Mulleners + Mulleners architecten, 23 maart 2020) is een beschrijving opgenomen van de cultuurhistorische waarden van het plangebied.
De kenmerkende cultuurhistorische waarden zijn meegenomen bij opstellen van het stedenbouwkundig plan voor het gebied en blijven in het plan behouden. De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot aantasting van kenmerken van de aanwezige cultuurhistorische waarden. Archeologie Uit de Beleidsnota Archeologie Velsen en het uitgevoerde bureauonderzoek (Sweco, 16 maart 2020) blijkt dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een hoge archeologische verwachting. Op mogelijke effecten wordt nader ingegaan onder '3. Kenmerken van het potentiële effect'.
Overige waardevolle of kwetsbare gebieden liggen niet in of in de nabijheid van het plangebied. Op basis van (1) de kenmerken en (2) de plaats van het project zijn de volgende mogelijk belangrijk nadelige gevolgen naar voren gekomen: Aantasting van waardevolle gebieden (Natura 2000) en soorten. Aantasting van archeologische waarden. Verkeershinder, geluidhinder en luchtkwaliteit. Op deze mogelijke gevolgen wordt bij ‘3. Kenmerken van het potentiële effect’ ingegaan. Overige belangrijke nadelige gevolgen zijn niet te verwachten.
9 (15)
3. Kenmerken van het potentiële effect Bereik van het effect (geografisch en grootte getroffen bevolking) Grensoverschrijdend karakter Orde van grootte en complexiteit effect
Alleen de effecten van stikstofdepositie treden op tot enkele kilometers afstand van het plangebied. In alle andere gevallen zullen potentiele effecten lokaal optreden, in of direct grenzend aan het plangebied. Er zijn geen landsgrensoverschrijdende effecten. Natuur Wet natuurbescherming, Natura 2000-gebieden Om de effecten op natuur in beeld te brengen is een verkennend natuuronderzoek uitgevoerd (Sweco, 10 juni 2020). Uit het onderzoek blijkt dat het dichtst bijgelegen Natura 2000-gebied op circa 1,5 km ten westen van het plangebied ligt. Dit betreft het Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid. Verder weg (> 6 km) liggen de Natura 2000-gebieden Noordzeekustzone en Polder Westzaan. Gezien de ligging van het plangebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden, zijn negatieve effecten als gevolg van oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door verlichting, verstoring door mechanische effecten, uitgesloten. Wel hebben de voorgenomen werkzaamheden mogelijk een negatief effect op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000gebieden. Daarom is een vervolgonderzoek uitgevoerd naar de stikstofdepositie als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling (Sweco, 3 april 2020).
Uit dit onderzoek blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling in de gebruiksfase leidt tot een toename van de stikstofdepositie van 0,04 mol/ha/jaar in het Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid. Voor de aanlegfase geldt dat er een toename is van stikstofdepositie van 0,06 mol/ha/jaar op Natura 2000gebied Kennemerland-Zuid, een toename van 0,01 mol/ha/jaar op Natura 2000-gebied Noordhollands Duinreservaat en een toename van 0,01 mol/ha/jaar op Natura 2000-gebied Polder Westzaan. Op basis van de resultaten van het onderzoek is een aanvraag ingediend om aanspraak te maken op stikstofdepositieruimte uit het Stikstofregistratiesysteem. Het project valt binnen de woningbouwversnellingsopgave van de Metropoolregio Amsterdam (MRA) en daarmee kan het project aanspraak maken op de "spoedaanpak stikstof bouw en infrastructuur" conform "Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 13 maart 2020, nr. WJZ/20072948, tot wijziging van de Regeling natuurbescherming”. Op 29 september 2020 is door Gedeputeerde Staten van NoordHolland vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming verleend. Omdat de vergunning is verleend op basis van de genoemde regeling, is geen passende beoordeling nodig.
Wet natuurbescherming, Soortenbescherming Uit het verkennend natuuronderzoek (Sweco, 10 juni 2020) blijkt dat er binnen het plangebied vogelsoorten voorkomen waarvan het nest en functioneel leefgebied uitsluitend tijdens het
10 (15)
broedseizoen zijn beschermd. Omdat de kans op verstoring van broedvogels tijdens het broedseizoen groot is, worden eventuele rooi- en sloopwerkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd om verstoring van nesten en broedsels te voorkomen. Binnen het plangebied kunnen vogelsoorten voorkomen waarvan het nest en functioneel leefgebied het gehele jaar door beschermd is. Van een overtreding van de verbodsbepalingen ten aanzien van deze soorten is sprake indien bomen (roofvogels, uilen) of gebouwen (huismussen) met deze nesten worden gekapt dan wel gesloopt. Uit het uitgevoerde aanvullend soortenonderzoek blijkt dat de schuur in het plandeel Hofgeest West wordt gebruikt als roestplek van een kerkuil. Het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming en het treffen van mitigerende en compenserende maatregelen is noodzakelijk. Hier zullen twee nieuwe roestplekken door middel van bijvoorbeeld het plaatsen van twee kerkuilenschuren moeten worden gecreëerd. Ook zijn in dezelfde schuur twee nesten van de boerenzwaluw aangetroffen. Indien maatregelen worden getroffen in de vorm van zes permanente nestkommen (per twee) voor de boerenzwaluw is het aanvragen van een ontheffing niet nodig. Binnen het plangebied kunnen mogelijk vleermuisverblijven voorkomen in de te slopen gebouwen (clubhuis en woonhuis).
Daarnaast is vastgesteld dat vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen in bomen niet voorkomen. Evenmin is sprake van aantasting van essentieel foerageergebied of vliegroutes. Van een overtreding van de verbodsbepalingen ten aanzien van vleermuizen is alleen mogelijk sprake met betrekking tot hun verblijfplaatsen. Uit het uitgevoerde aanvullend veldonderzoek blijkt dat in de gebouwen bij deelgebied Hofgeest West geen vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. In deelgebied Hofgeest VSV is in het clubhuis van de voetbalvereniging één zomerverblijfplaats van één gewone dwergvleermuis aanwezig. De bomenrij langs de Broekeroog is geen onderdeel van een essentiële vliegroute. Wel wordt de bomenrij gebruikt als windscherm door de gewone dwergvleermuis, die achter de bomenrij foerageert. Een ontheffing voor het vernietigen van één zomerverblijfplaats en verstoren van de gewone dwergvleermuis is voor deelgebied Hofgeest VSV noodzakelijk. In dit kader zullen vier tijdelijke vleermuiskasten en vier permanente vleermuiskasten geplaatst moeten worden. Binnen het plangebied is potentieel leefgebied voor de bunzing en wezel aanwezig. Tijdens het aanvullend natuuronderzoek zijn geen kleine marterachtigen in het plangebied aangetroffen. Geconcludeerd wordt dat het plangebied geen onderdeel uitmaakt van het (essentieel) leefgebied van kleine marterachtigen.
Er kunnen algemene vrijgestelde plant- en diersoorten voorkomen in het plangebied. Deze soorten kunnen bij de sloop-, herinrichting en bouwwerkzaamheden verstoord worden, maar er zijn voldoende uitwijkmogelijkheden in de directe omgeving. Vanwege de zorgplicht dient met deze soorten wel rekening gehouden te
11 (15)
worden bij de uitvoering van de werkzaamheden, vooral indien sloten worden gedempt. Er is geen vervolgprocedure (nader onderzoek, ontheffingsaanvraag) noodzakelijk voor niet beschermde en vrijgestelde soorten. Wel wordt aanbevolen om een ecologisch werkprotocol op stellen die aangeeft hoe de werkzaamheden verantwoord uitgevoerd kunnen worden. Conclusie: er is bij toepassing van mitigerende en compenserende maatregelen geen sprake van belangrijke nadelige gevolgen voor de natuur. Deze maatregelen worden geborgd in het bestemmingsplan. Archeologie Om de archeologische waarden in het plangebied in beeld te brengen is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (Sweco, 16 maart 2020). Voor de deelgebieden Hofgeest West en Hofgeest VSV geldt een hoge archeologische verwachting voor resten uit de periode LaatNeolithicum tot en met de Nieuwe Tijd. Resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd kunnen aanwezig zijn in en direct onder de bouwvoor en zijn daarom mogelijk verstoord als gevolg van het landbouwkundige gebruik, aanleg van de sportvelden of bouw van bestaande gebouwen. Resten uit de periode LaatNeolithicum tot en met Vroege Middeleeuwen zijn mogelijk in een latere fase afgedekt onder een pakket zand, klei en/of veen en zijn daarom mogelijk goed geconserveerd. Binnen het deelgebied Sportvelden is in 2012-2013 een archeologische opgraving uitgevoerd.
Uit dit onderzoek bleek dat archeologische resten op twee niveaus aanwezig zijn in de bodem: resten uit de Romeinse Tijd in de top van een laag veraard veen (vanaf circa 0,5 meter beneden maaiveld) en resten uit de IJzertijd in de top van de afzettingen van het Oer-IJ estuarium. De resten op beide niveaus bestaan uit sporen van off-site activiteiten, zoals akkerbouw, veeteelt en opslag van gewassen. Resten van een nederzetting zijn op deze locatie tijdens het onderzoek in 2012-2013 niet aangetroffen, vermoedelijk bevinden die zich in de directe omgeving van de vindplaats. Voor het deelgebied Sportvelden geldt daarom een hoge archeologische verwachting. Voor de drie deelgebieden is daarom een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd (Sweco, 9 november 2020). Ter plaatse van in het booronderzoek onderzochte delen zijn geen archeologische waarden aangetroffen, ook zijn er geen archeologische indicatoren aangetroffen. Er wordt daarom aanbevolen om bij de deelgebieden Hofgeest West en Hofgeest VSV de verwachting op archeologie uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd bij te stellen naar laag gezien de aanwezige diepe verstoringen. Archeologie uit het Laat-Neolithicum tot en met de Bronstijd heeft tevens een lage verwachting in de top van Wormer. Ook deze verwachting kan naar laag worden bijgesteld. Eventueel
12 (15)
andere verwachtingen kunnen vervallen. Bij het deelgebied Sportvelden is in het zand geen bodem aangetoond. Ook zijn er geen andere aanwijzingen voor archeologie. Er is een lage tot middelhoge kans op archeologie uit de Late Middeleeuwen tot Nieuwe Tijd vanaf het maaiveld. Ook is er een lage verwachting op archeologie uit het Laat-Neolithicum tot en met de Bronstijd in de top van Wormer. Andere verwachtingen kunnen vervallen. Conclusie: uit het bureauonderzoek en het verkennend booronderzoek blijkt dat er geen belangrijke nadelige gevolgen voor archeologie worden verwacht. Verkeer Om de verkeersaantrekkende werking van het plan in beeld te brengen is een onderzoek uitgevoerd naar de te verwachten verkeersgeneratie en de verkeersafwikkeling (Sweco, 4 juni 2020). In het onderzoek is op basis van kencijfers van CROW de verkeersaantrekkende werking bepaald. Uit het onderzoek blijkt dat de grootste toename van het autoverkeer plaats zal vinden op De Kamp, Broekeroog en de Grote Buitendijk. De Kamp en Broekeroog zijn ingericht als gebiedsontsluitingswegen en kunnen de toename van autoverkeer aan. Op de Grote Buitendijk is sprake van een brede middenrijloper met fietsstroken aan weerszijden. Er is hier sprake van een zogenaamde 'grijze weg', wat betekent dat de functie niet overeenkomt met de inrichting volgens Duurzaam Veilig.
Een wegcategorie die volgens Duurzaam Veilig vermeden moet worden, maar vanwege ruimtegebrek toch veelvuldig toegepast wordt. Dit is in de huidige situatie al het geval en ook geaccepteerd. Fietsers worden enigszins gescheiden van het autoverkeer door fietsstroken. De toename van de verkeersintensiteiten leidt niet tot een overschrijding van de maximale capaciteit van de gebiedsontsluitingswegen. Met de toename van circa 300 motorvoertuigen per etmaal verandert het verkeersbeeld niet drastisch, en is dus acceptabel. Conclusie: er is geen sprake van belangrijk nadelige effecten voor het verkeer en de verkeersveiligheid. Geluid Het plangebied wordt ontsloten door de gebiedsontsluitingswegen De Kamp, Broekeroog, Hofsgeesterweg, Grote Buitendijk en de Oostlaan. Door de ontwikkeling van Hofgeest zullen de verkeersintensiteiten op deze wegen toenemen met circa 5-20%. Een toename van de verkeersintensiteit met 20% leidt tot een geluidstoename van iets minder dan 1 dB, dit is voor het menselijk oor niet/nauwelijks hoorbaar. De toename van het verkeer in het gebied leidt daarom bij de bestaande woningen in het gebied niet tot een waarneembare toename van geluidhinder. Conclusie: er is geen sprake van belangrijk nadelige effecten als gevolg van geluid.
13 (15)
In de omgeving van het plangebied liggen enkele bedrijven waarvan de geluidcontouren reiken tot in het plangebied. Ook ligt het plangebied in de nabijheid van de enkele grote wegen (A208, A9 en A22) waardoor sprake is van wegverkeerslawaai in het plangebied. De consequenties van het industrielawaai (bedrijven) en wegverkeerslawaai voor de uitvoerbaarheid van het plan wordt toegelicht in het bestemmingsplan. In het bestemmingsplan wordt geconcludeerd dat, na het treffen van de nodige maatregelen, sprake is van een goed woon- en leefklimaat die de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staan. Luchtkwaliteit De Wet Luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Onder kleine projecten worden projecten verstaan die de luchtkwaliteit 'niet in betekende mate' verslechteren. De definitie van 'in betekenende mate' is vastgelegd in het Besluit NIBM. Projecten die de concentratie CO2 of fijn stof met meer dan 3% van de grenswaarde verhogen, dragen in betekenende mate bij aan de luchtvervuiling. Deze 3%grens is voor een aantal categorieën projecten in de regeling NIBM omgezet in getalsmatige grenzen. Voor woningbouw geldt bijvoorbeeld de grens van 1.500 woningen bij 1 ontsluitingsweg. Voor het voorgenomen plan kan daarom worden geconcludeerd dat sprake is van een 'klein project' welke niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
Conclusie: er is geen sprake van belangrijk nadelige effecten voor de luchtkwaliteit. Waarschijnlijkheid effect In de aanlegfase zal er tijdelijk overlast zijn voor omwonenden als gevolg van bouwverkeer en aanlegwerkzaamheden. In de gebruiksfase worden geen belangrijk nadelige effecten verwacht. Duur, frequentie en De aanlegfase leidt tijdelijk tot beperkte effecten (bouwverkeer, omkeerbaarheid effect geluid, luchtkwaliteit), na de bouwfase verdwijnen deze effecten. In de gebruiksfase worden geen effecten verwacht. Gezien de omvang van de activiteiten in relatie tot de drempelwaarden en te verwachten effecten, zijn belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu uit te sluiten. Nader onderzoek in een MER is dan ook niet noodzakelijk.
14 (15)
Verantwoording
Titel
Aanmeldingsnotitie Hofgeest Velserbroek
Projectnummer
337784 D1
Referentienummer
SWNL0268802
Revisie Datum
13-11-2020
Auteur
Cor van Duin
E-mailadres
cor.vanduin@sweco.nl
Gecontroleerd door
Matthijs Vrij Peerdeman
Goedgekeurd door
Jaap de Groot
15 (15)