Toelichting Bijlage 12 Verkennend natuuronderzoek.pdf
Tekst van het document
Rapport Projectnummer: 337784 Referentienummer: SWNL0262124 Datum: 10-06-2020
Verkennend natuuronderzoek plan Hofgeest te Velserbroek Een oriënterend onderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur
Definitief
Sweco Robijnstraat 11 1812 RB Alkmaar Postbus 214 1800 AE Alkmaar Nederland
T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl
Sweco Nederland B.V. Gebiedsadvies Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt
Maikell Verkade Adviseur ecologie T +31 88 811 69 88 M +31 6 53 82 35 19
Verantwoording Titel
Verkennend natuuronderzoek plan Hofgeest te Velserbroek
Subtitel
Een oriënterend onderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur
Projectnummer
337784
Referentienummer
SWNL0262124
Revisie
D3.0
Datum
10-06-2020
Auteur
Richard Witte, Raisja Spijker en Maikell Verkade
E-mailadres
maikell.verkade@sweco.nl
Gecontroleerd door
Maikell Verkade
Paraaf gecontroleerd
Goedgekeurd door
Jaap de Groot
Paraaf goedgekeurd
2 (38)
Inhoudsopgave Samenvatting ......................................................................................................................... 5 1
Inleiding .................................................................................................................. 7
1.1
Kader van het onderzoek ........................................................................................ 7
1.2
Ligging plangebied en voorgenomen activiteiten .................................................... 7
1.2.1
Ligging plangebied ................................................................................................................7
1.2.2
Voorgenomen activiteiten......................................................................................................8
2
Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden .............................................. 11
2.1
Toetsingskader ...................................................................................................... 11
2.2
Inventarisatie ......................................................................................................... 12
2.3
Analyse van de mogelijke effecten ........................................................................ 12
3
Wet natuurbescherming: soortenbescherming ............................................... 14
3.1
Toetsingskader ...................................................................................................... 14
3.2
Methode ................................................................................................................. 17
3.3
Voorkomende ecotopen ........................................................................................ 18
3.3.1
Bebouwing ..........................................................................................................................18
3.3.2
Bermen ...............................................................................................................................21
3.3.3
Sloten ..................................................................................................................................21
3.3.4
Bomen.................................................................................................................................21
3.3.5
Grasvelden..........................................................................................................................22
3.4
Planten ................................................................................................................... 23
3.5
Vleermuizen ........................................................................................................... 23
3.6
Overige zoogdieren ............................................................................................... 24
3.7
Vogels .................................................................................................................... 25
3.8
Amfibieën en Reptielen ......................................................................................... 26
3.9
Vissen .................................................................................................................... 27
3.10
Ongewervelden...................................................................................................... 27
4
Natuurbeleidskaders ........................................................................................... 28
4.1
Toetsingskader ...................................................................................................... 28
4.2
Natuurnetwerk Nederland ...................................................................................... 28
4.3
Gebieden buiten het NNN ..................................................................................... 29
4.3.1
Ganzenfoerageergebieden .................................................................................................29
4.3.2
Weidevogelleefgebieden .....................................................................................................30
4.4
Gemeentelijk beleid ............................................................................................... 31
3 (38)
5
Conclusie en advies ............................................................................................ 33
5.1
Wet natuurbescherming ........................................................................................ 33
5.2
Natuurbeleidskaders .............................................................................................. 34
5.3
Advies .................................................................................................................... 34
Bronnen ............................................................................................................................... 37
4 (38)
Samenvatting De voorgenomen werkzaamheden hebben mogelijk een negatief effect op stikstofgevoelige habitattypen op Natura 2000-gebieden. Het uitvoeren van een Aerius-berekening is noodzakelijk om vast te stellen wat de toename aan stikstofdepositie zal zijn. Het plangebied ligt niet in of nabij een NNN. Aangezien de NNN geen externe werking kent, hoeft er niet nader getoetst te worden op effecten. Ook ligt het plangebied niet in of nabij een weidevogelleefgebied of ganzenfoerageergebieden. Er hoeft niet nader getoetst te worden op effecten. Gemeentelijk beleid is niet van toepassing. In het plangebied komen geen ‘zwaarder beschermde’ planten- of diersoorten voor, anders dan (broed)vogels en vleermuizen (zie tabel 1). Specifiek aangetroffen, zijn: · nesten in bomen (sperwer, ransuil), potentieel jaarrond beschermd; · gebouwen, geschikt voor huismussen met jaarrond beschermde nesten; · open stootvoegen en ruimten achter boeiborden geschikt voor vleermuizen als zomeren/of paarverblijfplaats dan wel winterverblijfplaats; · potentieel leefgebied voor bunzing en wezel. Ten aanzien van vleermuisverblijfplaatsen is een vleermuisonderzoek (die voldoet aan het vleermuisprotocol) noodzakelijk, evenals een onderzoek naar jaarrond beschermde nesten en leefgebied voor bunzing en wezel. Tabel 1
Overzicht (mogelijk) aanwezige beschermde soorten/gebieden, effecten van de sloop en nieuwbouw, relevante verbodsbepaling en noodzaak ontheffingsaanvraag of specifieke maatregelen
Soortgroep
Soort (en) / gebieden
Effecten
Overtreding verbodsbepaling
Noodzaak ontheffing / maatregel
Natura 2000-gebieden
Kennemerland-Zuid
Toename stikstof
Habitatrichtlijn
Mogelijk / verricht Aerius-berekening en evt. een projectspecifieke beoordeling
Broedvogels
Algemene soorten zoals ekster, merel, heggenmus, etc.
Verstoring broedvogels, vernieling nesten
Vogelrichtlijn, Conventie Bonn.
Nee / werk op moment dat er geen broedende vogels aanwezig zijn.
Jaarrond beschermde nesten
Sperwer, ransuil, huismus
Vernieling vaste rust- of verblijfplaatsen
Vogelrichtlijn, Conventie Bonn.
Mogelijk / verricht aanvullend onderzoek
Grondgebonden zoogdieren
Bunzing, wezel
Vernieling vaste rust- of verblijfplaatsen
Wet natuurbescherming
Mogelijk / verricht aanvullend onderzoek
5 (38)
Vervolg tabel 1
Overzicht (mogelijk) aanwezige beschermde soorten/gebieden, effecten van de sloop en nieuwbouw, relevante verbodsbepaling en noodzaak ontheffings-aanvraag of specifieke maatregelen
Soortgroep
Soort (en) / gebieden
Effecten
Overtreding verbodsbepaling
Noodzaak ontheffing / maatregel
Vleermuizen
Dwergvleermuizen
Vernieling verblijfplaats
Habitatrichtlijn
Mogelijk / verricht aanvullend onderzoek naar potentiële verblijfplaatsen
Dwergvleermuizen, rosse-, watervleermuis, laatvlieger.
Foerageer-gebied
Habitatrichtlijn
Nee / geen
NNN
Geen
Geen
Geen
Geen
Gebieden buiten NNN
Geen
Geen
Geen
Geen
Gemeentelijk beleid
Geen
Geen
Geen
Geen
6 (38)
1
Inleiding
1.1 Kader van het onderzoek Projecten of handelingen dienen te worden getoetst aan de wet- en regelgeving voor natuur. De natuurbescherming in Nederland bestaat uit de volgende kaders: · Wet natuurbescherming: ° Natura 2000-gebieden; ° Soorten. · Natuurnetwerk Nederland (NNN); · gebieden buiten het NNN, zoals weidevogelleefgebieden en ganzenfoerageergebieden; · gemeentelijk beleid. Het verkennend onderzoek is er op gericht om een eerste inzicht te krijgen in de mogelijke effecten op beschermde natuurwaarden in en om het projectgebied en de mogelijke vervolgstappen die moeten worden genomen met betrekking tot aanvullend veldonderzoek, nader effectonderzoek en nadere procedures. Het verkennend onderzoek is de eerste stap in de procedure. Afhankelijk van het resultaat, moeten de navolgende stappen al dan niet worden doorlopen. 1.2
Ligging plangebied en voorgenomen activiteiten
1.2.1 Ligging plangebied De Hofgeest is een oud geestgrondgebied. Het plangebied ligt ten noordoosten van Velserbroek, ingeklemd tussen de snelwegen A208 en A22 (nabij aansluiting A9). De noordgrens wordt gevormd door het Hillegondswegje en de zuidoostgrens door de Hofgeesterweg. De zuidwestgrens wordt bepaald door het terrein van Ranzijn Huis & Dier. Dwars door het plangebied ligt de Broekeroog, zie figuur 1. De Hofgeesterweg ligt op de rand van het voormalige agrarische gebied De Hofgeest (noordzijde) en de polder de Velserbroek (zuidzijde). Het deel ten westen van de Broekeroog is momenteel vooral in gebruik door paarden. De Hofgeest is ook de naam van het sportpark dat aan ten oosten van de Broekeroog ligt, waar de clubs VSV (Velseroorder Sport Vereniging V.S.V.), RC the Smugglers (rugby) en LTC de Hofgeest (tennis) hun wedstrijden op spelen. Het tweede deel van het plangebied bestaat uit een weiland, ingeklemd tussen de Oostlaan en de aansluiting A22 /A9. Vanwege de nabije ligging van de snelweg is het geen belangrijk broedgebied voor weidevogels.
7 (38)
VSV
West Rugby club Weiland
Figuur 1
Het plangebied Hofgeest met links de toekomstige woonwijk en rechts de toekomstige sportvelden.
1.2.2 Voorgenomen activiteiten De Hofgeester Gronden C.V. en BPD Ontwikkeling B.V zijn voornemens om maximaal 380 woningen te bouwen in Hofgeest te Velserbroek. Aan de zuidwestzijde van de Broekeroog in Velserbroek (Hofgeest West) worden maximaal 242 woningen gerealiseerd (Holleman Santpoort B.V.). Aan de noordoostzijde van de Broekeroog ter plaatse van de huidige sportvelden van VSV worden maximaal 138 woningen gerealiseerd (BPD Ontwikkeling B.V.). Er worden verschillende type woningen gebouwd, namelijk: rijwoningen, vrijstaande woningen en appartementen. De wijk wordt groen opgezet en zal dienen als afronding van de westkant van Velserbroek, zie figuur 2. De huidige sportvelden worden verplaatst naar een stuk weiland ten zuidoosten van de huidige ligging. Hier wordt een sportcomplex gerealiseerd met vijf velden. De parkeerplaats komt ten noorden van de Oostlaan.
8 (38)
Figuur 2
Voorgenomen ontwikkeling van Hofgeest te Velserbroek (Mulleners en Mulleners Architecten, 2020)
9 (38)
Figuur 3
Impressie van het plangebied.
10 (38)
2
Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden
2.1 Toetsingskader Hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming (Wnb) heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden, welke op grond van de Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn zijn aangewezen. Plannen, projecten of andere handelingen met negatieve effecten op deze beschermde gebieden, zijn in beginsel niet toegestaan. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat de duurzame instandhouding van soorten en habitats binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd. Daarbij zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor natuurlijke habitats en/of soorten. Dit kunnen behoudsdoelstellingen zijn voor habitats en leefgebieden van soorten die zich al op het gewenste niveau (kwalitatief en kwantitatief) bevinden of uitbreidings- en/of verbeterdoelstellingen voor habitats en leefgebieden van soorten die zich nog niet op het gewenste niveau bevinden. Om dit toetsbaar te maken, kent de Wet natuurbescherming een goedkeuringsvereiste voor plannen die significante gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben (artikel 2.7, eerste lid, Wnb), en een vergunningsplicht voor projecten en andere handelingen die (significant) negatieve gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben (artikel 2.7, tweede lid, Wnb).
De goedkeuring of de vergunning wordt alleen verleend wanneer voldoende zeker is dat de instandhoudingsdoelstellingen voor het betreffende Natura 2000-gebied niet in het geding zijn. De voorliggende natuurtoets geeft een eerste inzicht in de mogelijke effecten van het project op Natura 2000-gebieden en de gevolgen daarvoor voor verder onderzoek of vergunningsprocedures. De natuurtoets kan de volgende mogelijke conclusies hebben: · Geen nader onderzoek: effecten kunnen op voorhand worden uitgesloten, bijvoorbeeld omdat er geen Natura 2000-gebieden in de omgeving aanwezig zijn en het voornemen geen verreikende effecten heeft. · Effecten kunnen niet op voorhand worden uitgesloten; er is een voortoets nodig om een betere inschatting te krijgen. Als significante effecten op grond van een voortoets niet zijn uit te sluiten, is een passende beoordeling nodig. · Indien met de natuurtoets direct duidelijk is dat zonder mitigatie significante effecten niet zijn uit te sluiten, kan ook direct een passende beoordeling uitgevoerd worden. Indien significantie van effecten op basis van de passende beoordeling niet kan worden uitgesloten, volgt een ADC-toets. Aangetoond dient te worden dat er geen alternatieven zijn met minder effecten, er sprake is dwingende redenen van groot openbaar belang en in compensatie is voorzien.
Beoordeling effecten stikstofdepositie Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) uitspraak gedaan over het Programma Aanpak Stikstof (PAS). De Afdeling heeft geoordeeld dat het PAS niet aan alle eisen van de Habitatrichtlijn voldoet. Het PAS geeft onvoldoende zekerheid dat met de uitgifte van ontwikkelingsruimte significante gevolgen voor Natura 2000 zijn uitgesloten. De consequentie is dat het PAS niet als basis voor toestemming voor projecten of andere activiteiten kan worden gebruikt. Om te bepalen of de voorgenomen ontwikkeling daadwerkelijk leidt tot een toename aan stikstofdepositie en waar deze depositie neerslaat, dient een Aerius-berekening te worden uitgevoerd.
11 (38)
Als uit de berekening blijkt dat er een toename aan stikstofdepositie op (een) Natura 2000gebied(en) is, dient een eigenstandige projectspecifieke ecologische beoordeling in de vorm van een voortoets, en eventueel een passende beoordeling, te worden gemaakt. Voor het uitvoeren van de stikstofberekening wordt gebruik gemaakt van de Aerius calculator (versie 2019). 2.2 Inventarisatie Voor de inventarisatie van Natura 2000-gebieden is gebruik gemaakt van de gebiedendatabase van provincie Noord-Holland. Uit deze gebiedendatabase blijkt dat de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied op een afstand circa 1,5 km ten westen van het plangebied zijn gelegen. Dit betreft het Kennemerland-Zuid (zie figuur 4). Verder weg (> 6 km) gelegen Natura 2000-gebieden zijn Noordzeekustzone en Polder Westzaan.
Figuur 4
Ligging plangebied (rood) ten opzichte van beschermde Natura 2000-gebieden (arcering en tekst). Bron: Provincie Noord-Holland.
2.3 Analyse van de mogelijke effecten Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied, maar wel op korte afstand. Tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ligt de bebouwing van Velserbroek en Santpoort Noord, evenals de N208. Geluid en beweging die met sloop en nieuwbouw gepaard gaan, reiken hooguit enkele honderden meters ver. Gezien de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000-gebied, zijn negatieve effecten van geluid en beweging op de instandhoudingsdoelstellingen uitgesloten. Er is hierdoor dus zeker geen aantasting van (prioritaire) habitats en/of leefgebieden van soorten.
12 (38)
Sloop en nieuwbouw in het plangebied resulteren niet in een oppervlakteverlies van het Natura 2000-gebied, evenmin veroorzaakt het versnippering voor aangewezen soorten, verontreiniging, verdroging, verstoring door verlichting, verstoring door mechanische effecten . Gezien de ligging en voorkomende habitats, is een ecologische relatie tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid niet aanwezig. Sloop en nieuwbouw gaan gepaard met emissie van stikstof. Deze emissie kan zich vrij gemakkelijk over een afstand van enkele kilometers verplaatsen en zodoende van invloed zijn op stikstofgevoelige habitats van Natura 2000-gebieden. Om te bepalen of de voorgenomen ontwikkeling daadwerkelijk leidt tot een toename aan stikstofdepositie en waar deze depositie neerslaat, dient een Aerius-berekening te worden uitgevoerd.
13 (38)
3
Wet natuurbescherming: soortenbescherming
3.1 Toetsingskader In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.) · lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; · lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; · lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben; · lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; · lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.) · lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; · lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren; · lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; · lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen; · lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.) · lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: ° onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; ° onderdeel b.
de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of ° onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijnsoorten geldt dat voortplantings- en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet opzettelijk verstoord of vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet opzettelijk) mogen worden gedood of verwond.
14 (38)
Voor Andere beschermde soorten geldt dat voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet (opzettelijk) vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet (opzettelijk) mogen worden gedood of verwond. Verbodsbepalingen ten aanzien van de verstoring zijn niet van toepassing op deze soorten. Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid heeft om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 Wet natuurbescherming. Met artikel 4 van de verordening van provincie Noord-Holland wordt een dergelijke vrijstelling gegeven. De diersoorten waarop de vrijstelling ten behoeve van ruimtelijke ingrepen ziet, worden genoemd in tabel 2. In artikel 5 van deze verordening is de meldings- en rapportageplicht opgenomen. In de melding zal de eigenaar, de grondgebruiker of degene aan wie namens hem, conform artikel 3.15 zevende lid van de wet, toestemming is verleend, aangeven wanneer er waar werkzaamheden uitgevoerd zullen worden uitgevoerd (provincie NoordHolland, 2016). Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld en de voorgenomen activiteiten strijdig zijn met de bepalingen in de nieuwe wet geldt een ontheffingsplicht.
Deze kan alleen worden verleend, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de nieuw wet. Er is dan geen ontheffing nodig.
15 (38)
Tabel 2
Vrijgestelde soorten in Noord-Holland (Provincie Noord-Holland, 2016)
Naast bovengenoemde verbodsartikelen bevat de Wnb een algemeen geldende zorgplicht, zie hieronder. Deze zorgplicht is te allen tijde van toepassing en geldt ook voor niet beschermde flora en fauna: Zorgplicht (artikel 1.11) · lid 1) Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. · lid 2) De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: ° onderdeel a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, ° onderdeel b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of ° onderdeel c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. · lid 3) Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.
16 (38)
3.2
Methode
Bronnenonderzoek De inventarisatie betreft een onderzoek naar de actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten in het plangebied. De inventarisatie bestaat uit een bronnenonderzoek, een verkennend veldbezoek en habitatgeschiktheidsbeoordeling. Het plangebied is circa 250 m lang en 160 m breed (4 ha) groot. Geluid en beweging zijn over enkele honderden meters hoor- en zichtbaar. Daardoor is het studiegebied circa 20 ha groot. Het bronnenonderzoek heeft als doel een overzicht te verkrijgen van de beschikbare informatie met betrekking tot het voorkomen van beschermde soorten in het plangebied en omgeving. Hiervoor zijn de volgende bronnen gebruikt: · Nationale Databank Flora en Fauna, periode 2013 – 2018; · NDFF Verspreidingsatlas; · SOVON (www.sovon.nl); · EIS Nederland (www.eis-nederland.nl); · Vlinderstichting (www.vlinderstichting.nl); · RAVON (www.ravon.nl); · Zoogdiervereniging (www.zoogdiervereniging.nl). Habitatgeschiktheidsbeoordeling Op basis van een oriënterend veldbezoek is de geschiktheid van biotopen voor beschermde soorten beoordeeld. Deze beoordeling brengt samen met het bronnenonderzoek de beschermde soorten(groepen) in beeld die in het plangebied (kunnen) voorkomen. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 19 april 2018 door een deskundig ecoloog1. Het veldbezoek is uitgevoerd in de middag (15:00-16:00 uur) door Richard Witte, ecoloog bij Bureau Endemica.
De weersomstandigheden tijdens dit bezoek waren 26°C, droog, 1/8 bewolkt met een windkracht van 3 Bft uit het zuidoosten. Analyse en toetsing van mogelijke effecten Op basis van het bronnenonderzoek en de habitatgeschiktheidsbeoordeling wordt een inschatting gemaakt in hoeverre de te verwachten soort(groepen)en en/of het geschikte biotoop beïnvloed kunnen worden door de voorgenomen activiteit. Op basis van deze analyse wordt geconcludeerd voor welke soort(groepen) er nader (veld)onderzoek en eventueel ontheffingsplicht in het kader van de Wet natuurbescherming van toepassing is. Het onderzoek beperkt zich tot op grond van de Wnb beschermde planten- en diersoorten. Niet-beschermde Rode lijstsoorten die in het plangebied (kunnen) voorkomen, zoals diverse soorten paddenstoelen en vaatplanten, worden niet in het onderzoek betrokken, omdat deze soorten niet relevant zijn voor toetsing aan de Wet natuurbescherming.
1
Onder een ecologisch deskundige wordt een persoon verstaan die aantoonbare kennis en ervaring heeft op het gebied van soort specifieke ecologie, doordat deze: op HBO- of universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie, en/of als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau dat is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus en/of werkzaam is voor een terrein beherende organisatie zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties, en/of zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming
17 (38)
3.3
Voorkomende ecotopen
3.3.1 Bebouwing Binnen het plangebied staan meerdere gebouwen. Tevens zijn drie woningen aanwezig in het plangebied: Hofgeesterweg 16, Hofgeesterweg 18A en Rijksweg 259. Alleen Hofgeesterweg 18A wordt naar verwachting gesloopt. Ten oosten van de Broekeroog staan binnen het plangebied twee gebouwen. Het clubgebouw (adres; Hofgeesterweg 14 Velserbroek), zie figuur 5, dateert uit 1997, is vrij groot en heeft een bakstenen muur. Gezien het bouwjaar, zal de muur voorzien zijn van een geïsoleerde spouw. Vanaf circa 2 meter hoogte is de gevel voorzien van een houten betimmering waarin volop kieren en wegkruipmogelijkheden voor vleermuizen zitten. Er is een grote bakstenen schoorsteen met open stootvoegen en verder een golfplaten dak. De tribune (eveneens bouwjaar 1997) heeft zowel een enkel laags golfplaten schuin dak als een muur. Het gebouw heeft een tussenmuur en een volledig open zijde.
Figuur 5
Het te slopen voormalige clubgebouw van VSV.
18 (38)
Figuur 6
Links de tribune. Rechts op de achtergrond het clubgebouw.
Ten zuidwesten van de Broekeroog staat een wirwar aan (verlaten) gebouwen binnen het plangebied en wel op de hoek Broekeroog/Hofgeesterweg. Hofgeesterweg 18A is een woonhuis met meerdere loodsen, werkschuren en een opslagterrein. De woning, loodsen en werkschuren worden, voorafgaand aan de ontwikkeling, gesloopt. Het woonhuis is gebouwd in 1940 en de loodsen in 1937, 1964 en 1987. Het woonhuis heeft een spouw evenals luchtroosters die de spouw toegankelijk maken voor vleermuizen (zie figuur 7). De loodsen uit 1987 (zie figuur 8) zijn opgebouwd uit golfplaten. Beide oudere loodsen (zie figuur 9 en 10) zijn gebouwd als stalen frame met enkel steens bakstenen muren (dus zonder spouw) en hebben houten boeiborden.
Figuur 7
Luchtroosters woning Hofgeesterweg 18A die toegang bieden tot de spouw.
Figuur 8
De uit 1987 daterende loodsen. Rechtsachter het gebouw uit 1964
19 (38)
Figuur 9
De uit 1937 daterende loodsen/werkplaatsen van Hofgeesterweg 18.
Figuur 10
Te slopen loodsgebouwen ter plaatse van Hofgeesterweg 18a.
Aan de Hofgeesterweg 20, 1991 AD Velserbroek staat Hoeve Westerbroek met een aantal paardenstallen. Het woonhuis/de boerderij blijft behouden, maar de stallen, zie figuur 11, zullen verdwijnen. Deze stallen bestaan uit een golfplaten dak en een muur met stalen staanders en houten dwarsbalken. Eén stal met onder andere de mestopslag is half-open. De andere stallen worden met grote schuifdeuren afgesloten.
20 (38)
Figuur 11
Links de open paardenstal, rechts twee gesloten paardenstallen.
De woningen Hofgeesterweg 22, 24 en 24a vallen buiten het plangebied. 3.3.2 Bermen In het plangebied zijn diverse bermen aanwezig, kenmerkend voor voedselrijke omstandigheden. De bermen worden gedomineerd door Engels raaigras, paardenbloem en pinksterbloem en her en der ook speenkruid. 3.3.3 Sloten Rondom en binnenin het plangebied liggen ondiepe voedselrijke sloten van maximaal 4 m breed. Het water is niet stromend en evenmin is kwelindicatie aanwezig. De beperkt aanwezige vegetatie omvat geen beschermde planten. 3.3.4 Bomen Monumentale of waardevolle bomen zijn beschermd in Velsen (gemeente Velsen 2013). Voor het kappen hiervan moet een vergunning worden aangevraagd. Om inzicht te krijgen in welke bomen dat zijn, is een conceptlijst van al deze monumentale en waardevolle bomen opgesteld door gemeente Velsen. Als in de toekomst één of meer bomen gekapt moeten worden, dan moet hiervoor een 'omgevingsvergunning voor vellen houtopstand' worden aangevraagd. Echter, binnen het plangebied staan geen bijzondere (beschermde) bomen die op de lijst van te beschermen monumentale bomen staan. Langs de Broekeroog staan jonge populieren en rondom de sportvelden staat bosplantsoen. Geen van de bomen bevat holtes of loshangende schors, geschikt voor verblijvende vleermuizen. De Zwarte Den (waardevol) die langs de Hofgeesterweg staat (boomnr.
5435), wordt genoemd op de gemeentelijke monumentale lijst. Ten oosten van het sportveld, in het verlengde van de Oostlaan, staan (knot)wilgen langs de Hofgeesterweg. Parallel hieraan staan, net binnen het hek van de sportvelden, een rij coniferen. Ook op de sportvelden staan enkele grote coniferen, zie figuur 12.
21 (38)
Figuur 12
Groep coniferen centraal op de sportvelden, geschikt voor bijvoorbeeld ransuilen
3.3.5 Grasvelden De paardeweiden bestaan uit zeer kort begraasde soortenarme graslanden. Ook de sportvelden bestaan uit soortenarm frequent gemaaid en met kunstmest bestrooide graslanden. Het plangebied ten oosten van de Broekeroog bestaat uit voedselrijk agrarisch grasland met Engels raaigras, paardenbloem en in de slootkant pinksterbloemen.
Figuur 13
Weilanden van het oostelijk deel van het plangebied met dwarssloot. Op de achtergrond de A22.
22 (38)
3.4
Planten
Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten In de omgeving van het plangebied zijn geen beschermde plantensoorten bekend ( NDFF 2013-2018). Evenmin ontbreken binnen het plangebied geschikt groeiplaatsen voor deze soorten. De aanwezigheid van beschermde plantensoorten binnen het plangebied wordt daarom uitgesloten. Analyse en toetsing van mogelijke effecten Op grond van de waargenomen soorten en groeiplaatsen wordt de aanwezigheid van beschermde plantensoorten binnen het plangebied uitgesloten. Ten aanzien van beschermde plantensoorten is geen nader onderzoek of ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. 3.5
Vleermuizen
Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten Op basis van verspreidingsgegevens kunnen negen soorten vleermuizen worden verwacht in Velserbroek en omgeving (zie tabel 2). Tabel 3
Overzicht vleermuissoorten in Velserbroek e.o. (Bron: NDFF – 2013-2018, Witte & Wondergem 2017a, b)
Soort Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Kleine dwergvleermuis Franjestaart Laatvlieger Rosse vleermuis Watervleermuis Meervleermuis Gewone grootoorvleermuis
Rust- en voortplantingsplaatsen in: Bomen Huizen X X X X X X X
X X X X X X X
Het clubgebouw en het woonhuis (Hofgeesterweg nr. 18) hebben volop open stootvoegen en zijn dus in principe geschikt voor rust- en voortplantingsplaatsen van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger, en in mindere mate voor franjestaart en gewone grootoorvleermuis. Het jachtgebied van beide laatstgenoemde soorten bestaat vooral uit bos en kleinschalige, boomrijke landschappen. De paardenstallen en nieuwe loodsen zijn ongeschikt voor vleermuizen. Wel zijn de oude loodsen (1939 en 1964) mogelijk geschikt vanwege de aanwezigheid van wegkruipmogelijkheden achter de boeiborden. Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor met name de dwergvleermuissoorten, de laatvlieger en de rosse vleermuis. Vergelijkbaar habitat is volop in de omgeving aanwezig en daarom kan gesteld worden dat het plangebied geen essentieel foerageergebied vormt. Gewone grootoorvleermuis en de franjestaart hebben een meer besloten habitat nodig dan wat het plangebied biedt. Voor de watervleermuis en meervleermuis ontbreken geschikte foerageergebieden (brede open watergangen, vijvers en meren) binnen het plangebied.
23 (38)
Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige elementen (bomenrijen, vaarten, etc.) om zich te verplaatsen van hun vaste rust- en voortplantingsplaatsen naar hun foerageergebieden. Het nieuwbouwplan zal er niet toe leiden dat de bomenrij langs de openbare wegen (Broekeroog en Hofgeesterweg) worden verwijderd. De bomenrij in het verlengde van het Hillegondswegje heeft geen essentiële betekenis als vliegroute, zolang de bomen langs Broekeroog en Hofgeesterweg (tussen Broekeroog en de Oostlaan) behouden blijven. Analyse en toetsing van mogelijke effecten De aanwezigheid van vleermuizen en hun vaste rust- en/of verblijfplaatsen in de te slopen gebouwen zijn niet uitgesloten. Sloop van het clubgebouw en woonhuis betekent mogelijke vernieling van deze vaste rust- en/of verblijfplaatsen. De aanwezigheid van vaste rust- en/of verblijfplaatsen in bomen binnen het plangebied wordt uitgesloten, evenals de aanwezigheid van essentieel foerageergebied en essentiële vliegroutes. Om de aanwezigheid van vaste rust- en/of verblijfplaatsen in het clubgebouw, woonhuis en oude loodsen vast te stellen, is een aanvullend vleermuisonderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek is nodig om uit te sluiten of voor uitvoering van de plannen een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig is. 3.6
Overige zoogdieren
Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten In de omgeving van het plangebied is de aanwezigheid bekend van de zwaarder beschermde eekhoorn, boommarter, bunzing, wezel en hermelijn (NDFF 2013-2018). Op de A22 en A208 ter hoogte van het plangebied worden regelmatig boommarters doodgereden, evenals wezels en soms bunzingen en hermelijnen. Eekhoorns hebben een mengsel van loof- en naaldbomen nodig en liefst van bomen die in de kruin elkaar raken. Binnen het plangebied is deze soort daarom niet te verwachten. Boommarters verblijven in grote holten in voornamelijk zomereiken en beuken, maar soms ook in gebouwen of zelfs het open veld. Ze foerageren veel op de grond alwaar ze op muizen jagen. Gezien het grote aantal doodgereden dieren in de omgeving, kan hun (tijdelijke) aanwezigheid niet geheel uitgesloten worden. Echter, binnen het plangebied lijken geen geschikte verblijfplaatsen aanwezig. Het bosplantsoen rondom de sportvelden wordt zeer waarschijnlijk als looproute gebruikt. De aanwezigheid van vaste rust- en of verblijfplaatsen van de boommarter is in het plangebied uit te sluiten. De bunzing komt in verschillende landschapstypen voor, maar heeft een sterke voorkeur voor kleinschalige en structuurrijke landschappen met wateren of een hoge grondwaterstand.
De bunzing is bijvoorbeeld thuis in terreinen met een afwisseling van sloten en greppels, weilanden, akkers, houtwallen en bosschages, zoals op veel landgoederen in Nederland. Bosranden worden veel betrokken gedurende de zomer. Daarnaast kunnen ze ook prima op boerenerven, in dorpen en in groenstedelijke randen leven; waar ze gebouwen, zoals hooischuren en zelfs moderne woonhuizen, betrekken. Soms wordt de bunzing ook binnen grotere bosgebieden aangetroffen, maar het lijkt vooral een soort van afwisselende en halfopen landschappen te zijn. De grootte van een leefgebied van de bunzing bedraagt naar gelang de habitatkwaliteiten (zoals voedselaanbod) en de aanwezigheid van concurrerende soortgenoten, zo’n 65 tot 250 hectaren (schattingen lopen uiteen in de literatuur) waarbij de mannetjes een duidelijk groter territorium beslaan. Het is niet onaannemelijk dat het plangebied onderdeel uitmaakt van een bunzingterritorium.
24 (38)
Wezels kunnen in verscheidene landschappen worden aangetroffen, waarbij de voorkeur uitgaat naar structuurrijke terreinen met een afwisseling van bos en veld. Daarin wordt een combinatie van min of meer dichte structuren, zoals ruigten, hoog gras- of rietland, bosjes en/of houtwallen, betrokken. In tegenstelling tot de voorkeur van natte terreinen bij de hermelijn, komen wezels meer in drogere terreinen voor. Een belangrijke voorwaarde is dat woelmuizen als betrouwbare prooibasis met een geregelde populatiecyclus aanwezig zijn. De territoriumgrootte van de wezel varieert naar gelang het seizoen (zomer-versus winterhalfjaar), prooidierdichtheden en andere habitatkwaliteiten, zoals dekking. Homeranges liggen volgens schattingen in de orde van enkele tot een tiental hectaren. Het is niet onaannemelijk dat het plangebied onderdeel uitmaakt van enkele wezelterritoria. De hermelijn kan in verscheidene natuurterreinen voorkomen, zoals in bos, duin, moerasgebied of kleinschalig cultuurlandschap met een afwisseling van bijvoorbeeld graslanden en houtwallen. De hermelijn lijkt een voorkeur te hebben voor terreinen met wateren of hoge grondwaterstanden, zoals in beekdalen, rivieruiterwaarden en veen(weide)gebieden. De aanwezigheid van vaste- rust en verblijfplaatsen van de hermelijn is in het plangebied vrijwel uit te sluiten.
Analyse en toetsing van mogelijke effecten Vanwege de aanwezigheid van het bosplantsoen zijn vaste verblijfplaatsen van laag beschermde, kleine grondgebonden zoogdiersoorten te verwachten in en rond het plangebied. Dit zijn soorten, zoals egel, huisspitsmuis en bosmuis. Voor deze soorten geldt een vrijstelling in provincie Noord-Holland. Om van deze vrijstelling gebruik te mogen maken, dienen de soorten – voorafgaand aan de werkzaamheden – te worden gemeld bij het bevoegd gezag (Omgevingsdienst Noord-Holland Noord (OD NHN). Sloop van de gebouwen en omvorming van het terrein tot nieuwbouwwijk kunnen de aantasting van een vaste rust- en/of verblijfplaats van kleine marterachtigen tot gevolg hebben. Op basis van bekende verspreidingsgegevens (NDFF 2008-2018) en de aanwezigheid van geschikt leefgebied van zwaarder beschermde zoogdieren, kunnen vaste rust- en/of verblijfplaatsen van deze soorten namelijk niet volledig worden uitgesloten. Om de aanwezigheid van kleine marterachtigen in het plangebied volledig uit te sluiten, is een aanvullend marteronderzoek conform de richtlijnen van de OD NHN noodzakelijk. 3.7
Vogels
Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten Nabij het plangebied zijn waarnemingen van vogels met jaarrond beschermde nesten of rustplaatsen bekend, zoals de buizerd, sperwer, gierzwaluw en huismus (NDFF 2009-2018). In de bomen op en rondom het plangebied zijn meerdere potentieel jaarrond beschermde vogelnesten aangetroffen die mogelijk door de sperwer gebruikt worden. Ook hebben de coniferen mogelijk een functie voor verblijvende (rans)uilen. In de tuinen van woningen aan de zuidzijde van de Hofgeesterweg werden meerdere huismussen waargenomen. Aan de noordzijde – in het plangebied – niet. Geen van de gebouwen zijn geschikt voor gierzwaluwen. Het clubgebouw is tevens ongeschikt voor huismussen. Echter, voor de paardenstallen en het woonhuis kan de geschiktheid voor huismussen bij voorbaat niet uitgesloten worden. De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten of rustplaatsen, zowel in bomen als in gebouwen, worden niet uitgesloten voor het plangebied. Nader onderzoek is daarom noodzakelijk.
25 (38)
In en rond het plangebied komen algemene broedvogels van zowel stedelijke, parkachtige als agrarische omgeving voor, waaronder soorten, zoals de grasmus, merel, heggemus en tjiftjaf. In één van de bomen rond de sportvelden is een eksternest aanwezig. Ook in de gebouwen kan door vogels gebroed worden. Analyse en toetsing van mogelijke effecten De voorgenomen plannen in het plangebied hebben mogelijk invloed op vaste verblijfplaatsen als nesten of rustplaatsen. Daarnaast is specifieke aandacht vereist in verband met broedende vogels. Het broedseizoen loopt van het bouwen van het nest tot het uitvliegen van de jongen. Deze periode is afhankelijk van de aanwezige soorten. Weidevogels zijn begin juli al uitgebroed, maar sommige vogels, zoals merels, kunnen met een tweede of derde broedsel tot in september doorbroeden. Andere vogels, zoals houtduiven, kunnen het hele jaar door broeden. Ten aanzien van (broed)vogels zijn geen verdere stappen op het gebied van een ontheffingsaanvraag noodzakelijk, zolang men de werkzaamheden buiten de periode half maart tot half juli uitvoert en buiten deze periode, voorafgaande aan de werkzaamheden, controleert op de aanwezigheid van broedende vogels. 3.8
Amfibieën en Reptielen
Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten Nabij het plangebied zijn waarnemingen van beschermde amfibieën (rugstreeppad) en reptielen (zandhagedis) bekend (NDFF 2009-2018). De rugstreeppad is voor zijn voortplanting afhankelijk van ondiepe snel opwarmende heldere wateren zonder vis en met weinig vegetatie en een open zandige oever. Waarnemingen zijn bekend uit de omgeving van de Westbroekplas, op circa 1,5 km aan de andere zijde van Velserbroek. Volwassen dieren verblijven binnen het bereik van geschikt voortplantingshabitat. De sloten in en rondom het plangebied zijn voor deze soort ongeschikt en eveneens ontbreek geschikt voortplantingswater binnen het plangebied. Daarom kan de aanwezigheid van rugstreeppadden in het plangebied uitgesloten worden. De zandhagedis komt over het algemeen voor in het Noordhollands Duinreservaat, maar wordt daarbuiten nagenoeg niet aangetroffen. De lokale waarnemingen zijn dan ook alleen ten westen van de N208 bekend. De optimale habitat is een mozaïek van rijk gestructureerde dwergstruikvegetatie, afgewisseld met hogere grassen, ‘kale’ grond en plekken met open zand. De structuurdiversiteit is daarbij belangrijk. Vanwege het ontbreken van deze structuurdiversiteit kan de aanwezigheid van zandhagedissen in het plangebied uitgesloten worden.
Analyse en toetsing van mogelijke effecten Omdat op grond van habitat en verspreiding de aanwezigheid van beschermde amfibie- en reptielsoorten uitgesloten wordt, zijn er ook geen effecten van de voorgenomen plannen in het plangebied op beide soortgroepen te verwachten. Wel kunnen algemene soorten, zoals de gewone pad, bruine kikker en kleine watersalamander, voorkomen. Indien watergangen gedempt worden, dient rekening gehouden te worden met de zorgplicht voor deze soorten. Wel geldt voor deze soorten een vrijstelling in provincie Noord-Holland. Om van deze vrijstelling gebruik te mogen maken, dienen de soorten – voorafgaand aan de werkzaamheden – te worden gemeld bij het bevoegd gezag (Omgevingsdienst NoordHolland Noord (OD NHN). Ten aanzien van beschermde soorten amfibieën en reptielen is geen nader onderzoek of ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig.
26 (38)
3.9
Vissen
Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten In en nabij het plangebied zijn geen waarnemingen van beschermde vissen bekend, met uitzondering van de houting in het Noordzeekanaal (NDFF 2009-2018). De zwaarder beschermde soorten stellen specifieke eisen aan hun leefgebied, en de sloten rondom het plangebied voldoen hier niet aan. Daarom kan de aanwezigheid van beschermde vissoorten binnen het plangebied uitgesloten worden. Analyse en toetsing van mogelijke effecten Ten aanzien van beschermde soorten vissen is geen nader onderzoek of ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. Wel kunnen algemene soorten, zoals blankvoorn, zeelt, snoek, baars, driedoornige- en tiendoornige stekelbaars, voorkomen. Indien watergangen gedempt worden, dient rekening gehouden te worden met de zorgplicht voor deze soorten. 3.10
Ongewervelden
Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten In en nabij het plangebied is een waarneming bekend van de grote vos (NDFF 2009-2018). De grote vos is een zeldzame standvlinder die met acuut uitsterven wordt bedreigd. De laatste jaren worden er gemiddeld per jaar ongeveer vijf exemplaren waargenomen in Nederland, vermoedelijk zwervers uit het buitenland of vlinders van tijdelijke populaties. Het is een soort van vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. Ook zwervende individuen worden vooral in een bosrijke omgeving gevonden. De vlinders zijn vooral te vinden op warme, zonnige, open maar beschutte plaatsen. Ook moeten er geschikte plaatsen zijn om te overwinteren, zoals holle bomen of stapels hout. Gezien de habitateisen van de soort, kan de aanwezigheid van de grote vos binnen het plangebied uitgesloten worden. Ook andere zwaarder beschermde soorten stellen specifieke eisen aan hun leefgebied, en de aanwezige ecotopen binnen het plangebied voldoen hier niet aan. Daarom kan de aanwezigheid van beschermde ongewervelden binnen het plangebied uitgesloten worden. Analyse en toetsing van mogelijke effecten Ten aanzien van beschermde ongewervelde is geen nader onderzoek of ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig.
27 (38)
4
Natuurbeleidskaders
4.1 Toetsingskader Het beleidskader van de overheid dat niet in wetgeving is vastgelegd, bestaat uit: · Provinciaal beleid: ° Natuurnetwerk Nederland (NNN); ° gebieden buiten het NNN (ganzenfoerageergebied, weidevogelleefgebied). · Gemeentelijk beleid. 4.2
Natuurnetwerk Nederland
Toetsingskader De wettelijke bescherming (Wro) van het NNN is geregeld via het bestemmingsplan. Het NNN voor provincie Noord-Holland is vastgelegd in de Provinciale Ruimtelijke Verordening. De afweging voor ingrepen in het NNN gaat volgens het ’nee, tenzij-principe’. In onderstaand schema is dit stapsgewijs weergegeven. Ingrepen met een significant negatieve invloed op de wezenlijke kenmerken en waarden mogen niet plaatsvinden, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang en indien er geen alternatieven zijn. Indien bij een ingreep schade wordt aangericht aan een NNN-gebied, dan dient dit in ieder geval gemitigeerd te worden. De resteffecten aan verlies van kwaliteit en/of oppervlakte dient te worden gecompenseerd. Daarnaast kan salderen van positieve en negatieve effecten op het NNN uitkomst bieden om projecten in het NNN te realiseren. Het verkennend natuuronderzoek geeft inzicht in de ligging van NNN-gebieden in de omgeving van het plangebied en de noodzaak voor het doorlopen van ‘nee, tenzij, procedure’. In provincie Noord-Holland is de externe werking van het NNN niet van toepassing. Een ’nee, tenzij-toets’ behoeft alleen te worden doorlopen, indien er sprake is van een ROprocedure met betrekking tot wijziging van de bestemming van het plangebied.
Schema: Het ‘nee, tenzij’-principe van het compensatiebeginsel.
Inventarisatie Het plangebied ligt niet binnen het NNN. Op slechts 150 meter ten oosten van het plangebied aan de overzijde van de rijksweg A9, liggen terreinen die wel onderdeel vormen van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (zie figuur 14).
28 (38)
Figuur 14
Ligging plangebied (rood) ten opzichte van NNN-gebieden (groen). Bron: provincie Noord-Holland.
Analyse en toetsing effecten Op korte termijn ontstaan lokale effecten, zoals een toename van geluid en stof door de sloopwerkzaamheden. Deze effecten zijn echter verwaarloosbaar en niet waarneembaar ter plaatse van beschermde gebieden. Gezien de afstand en het tussengelegen bebouwde gebied, worden geen effecten verwacht op het Natuurnetwerk Nederland als gevolg van de sloop- en bouwwerkzaamheden. Op lange termijn worden ook geen effecten verwacht die van betekenis kunnen zijn voor de natuurwaarden van beschermde gebieden. 4.3
Gebieden buiten het NNN
4.3.1
Ganzenfoerageergebieden
Toetsingskader Ganzenfoerageergebieden in provincie Noord-Holland zijn vastgelegd in de Provinciale Ruimtelijke Verordening. In provincie Noord-Holland is externe werking op ganzenfoerageergebied van toepassing. Inventarisatie Voor de inventarisatie van ganzenfoerageergebieden is gebruik gemaakt van de interactieve kaarten van provincie Noord-Holland. Uit de interactieve kaart ganzenfoerageergebieden (zie figuur 15) blijkt dat in de wijde omgeving (< 20 km) van het plangebied geen ganzenfoerageergebied voorkomt.
29 (38)
Figuur 15
Globale ligging plangebied (rood) ten opzichte van ganzenfoerageergebieden (beige). (Bron: provincie Noord-Holland).
Analyse en toetsing effecten Het plangebied is niet in of nabij een ganzenfoerageergebied gelegen. Negatieve effecten door externe werking, zoals een toename van optische verstoring of bebouwing, zijn dan ook uitgesloten. Het is niet noodzakelijk om een nader onderzoek naar mogelijke effecten op het ganzenfoerageergebied uit te laten voeren. 4.3.2
Weidevogelleefgebieden
Toetsingskader Weidevogelleefgebieden voor provincie Noord-Holland zijn vastgelegd in de Provinciale Ruimtelijke Verordening. De afweging voor ingrepen in weidevogelgebieden gaat volgens het ’nee, tenzij-principe’. Belangrijk verschil met NNN-gebieden is, is dat voor weidevogelleefgebieden externe werking wel van toepassing is. Inventarisatie Voor de inventarisatie van weidevogelleefgebieden is gebruik gemaakt van de interactieve kaarten van provincie Noord-Holland. Uit de interactieve kaart natuurbeheerplannen blijkt dat het dichtstbijzijnde weidevogelleefgebied op een afstand van circa 1.800 m ten zuiden van het plangebied is gelegen, zie figuur 16.
30 (38)
Analyse en toetsing effecten Het plangebied is niet in een weidevogelleefgebied gelegen. Ook is het plangebied niet in de directe omgeving van een weidevogelleefgebied gelegen, waardoor negatieve effecten door externe werking, zoals een toename van geluid of bebouwing, zijn uitgesloten. Het is niet noodzakelijk om een nader onderzoek naar mogelijke effecten op het weidevogelleefgebied uit te laten voeren.
Figuur 16
Ligging plangebied (rood) ten opzichte van Weidevogelleefgebieden (groen) (Bron: provincie Noord-Holland).
4.4 Gemeentelijk beleid Gemeente Velsen heeft de volgende groenbeleidsplannen die van toepassing zijn: · Bomenplan 2003. · Beleidsplan monumentale bomen 2013. · Groenstructuurplan Velsen (2019). Het bomenplan is een beheerplan waarin de vervanging van gemeentelijke bomen is vastgelegd. Dit bomenplan is in 2013 geëvalueerd en geactualiseerd. In 2014 is de APV gewijzigd en zijn in beginsel alle bomen vrijgesteld van kapvergunning. Voor een aantal situaties is een uitzondering gemaakt. Bomen die op de lijst van waardevolle of monumentale bomen staan, zijn kapvergunningsplichtig. Ook is er een gebied aangewezen waarbinnen alle bomen met een stamdiameter groter dan 15 centimeter op een hoogte van 130 cm boven maaiveld kapvergunningsplichtig blijven. Bomen die binnen het plangebied gekapt of mogelijk gekapt worden, staan niet op de lijst van waardevolle of monumentale bomen. Tevens zijn geen onderdeel van het gebied waar een kapvergunning vereist is.
31 (38)
In juli 2019 is het Groenstructuurplan Velsen vastgesteld. In het Groenstructuurplan is aangegeven dat de voorgenomen woningbouw in Hofgeest goed moet worden ingepast in het open polderlandschap. In de gebiedsdelen die niet worden bebouwd, wordt ingezet op een robuust groen-blauw raamwerk. De functie van de zone als stedelijk uitloopgebied voor Velserbroek en als verbinende schakel tussen Velserbroek en Spaarnwoude voor langzaam verkeer, vormt daarbij een belangrijke leidraad. Gemeentelijk beleid aangaande ‘natuurinclusief bouwen’ is niet van toepassing.
32 (38)
5
Conclusie en advies
5.1
Wet natuurbescherming
Natura 2000-gebieden Er is één Natura 2000-gebied aanwezig in de nabijheid van het plangebied (< 3 km) en zijn twee iets verder weg (circa 6 km). Dit betreft het Kennemerland-Zuid en de gebieden Noordzeekustzone en Polder Westzaan. Gezien de ligging van het plangebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden, zijn negatieve effecten oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door verlichting, verstoring door mechanische effecten, uitgesloten. De voorgenomen werkzaamheden hebben mogelijk een negatief effect op stikstofgevoelige habitattypen op Natura 2000-gebieden. Het uitvoeren van een Aerius-berekening is noodzakelijk om vast te stellen wat de toename aan stikstofdepositie zal zijn. Mogelijk is in een vergunning Wet natuurbescherming noodzakelijk op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming. Soortenbescherming Uit het verkennend natuuronderzoek is naar voren gekomen dat er binnen het plangebied vogelsoorten voorkomen waarvan het nest en functioneel leefgebied uitsluitend tijdens het broedseizoen zijn beschermd. Gezien de kans op verstoring door werkzaamheden op broedvogels groot is tijdens het broedseizoen, zullen eventuele rooi- en sloopwerkzaamheden uitsluitend buiten het broedseizoen uitgevoerd moeten worden om verstoring van nesten en broedsels te voorkomen.
De Wet natuurbescherming staat voor wat betreft vogels derhalve niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg. Uit het verkennend natuuronderzoek is naar voren gekomen dat er binnen het plangebied vogelsoorten voorkomen waarvan het nest en functioneel leefgebied het gehele jaar door beschermd is. Van een overtreding van de verbodsbepalingen ten aanzien van deze soorten is sprake, indien bomen (roofvogels, uilen) of gebouwen (huismussen) met deze nesten worden gekapt dan wel gesloopt. Aanvullend veldonderzoek naar de functionaliteit van het plangebied voor vogels met jaarrond beschermde nesten is noodzakelijk. Uit het verkennend natuuronderzoek is naar voren gekomen dat er binnen het plangebied mogelijk vleermuisverblijven voorkomen in de te slopen gebouwen (clubhuis en woonhuis). Daarnaast is vastgesteld dat vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen in bomen niet voorkomen. Evenmin is er sprake van aantasting van essentieel foerageergebied of vliegroutes. Van een overtreding van de verbodsbepalingen ten aanzien van vleermuizen is mogelijk alleen sprake van met betrekking tot hun verblijfplaatsen. Aanvullend veldonderzoek naar de functionaliteit van het plangebied voor vleermuizen en hun verblijven is noodzakelijk. Uit het verkennend natuuronderzoek is naar voren gekomen dat er algemene vrijgestelde plant- en diersoorten kunnen voorkomen in het plangebied.
Deze soorten kunnen bij de sloop-, herinrichtings- en bouwwerkzaamheden verstoord worden, maar er zijn voldoende uitwijkmogelijkheden in de directe omgeving. Vanwege de zorgplicht dient met deze soorten wel rekening gehouden te worden bij de uitvoering van de werkzaamheden, vooral indien sloten gedempt gaan worden. Er is geen vervolgprocedure (nader onderzoek, ontheffingsaanvraag) noodzakelijk voor niet beschermde en vrijgestelde soorten. Wel wordt aanbevolen om een ecologisch werkprotocol op te laten stellen die aangeeft hoe de werkzaamheden verantwoord uitgevoerd kunnen worden.
33 (38)
5.2
Natuurbeleidskaders
Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet binnen het NNN. Aangezien de NNN geen externe werking kent, hoeft er niet nader getoetst te worden op effecten. Gebieden buiten het NNN Het plangebied ligt bovendien ruim buiten de verstoringsafstand van weidevogelleefgebieden, namelijk circa 1,5 kilometer, en er is geen relatie met weidevogelleefgebieden. Tevens ligt het plangebied niet in de omgeving van ganzenfoerageergebieden. Er vinden binnen het kader van de voorgenomen ontwikkelingen dus tevens geen aantasting van weidevogelleefgebieden of ganzenfoerageergebieden plaats. Er hoeft niet nader getoetst te worden op effecten. Gemeentelijke beleid Het navolgende gemeentelijke beleid is van toepassing: · Bomenplan 2003. · Beleidsplan monumentale bomen 2013. · Groenstructuurplan Velsen (2019). Gemeentelijk beleid aangaande ‘natuurinclusief bouwen’ is niet van toepassing. 5.3
Advies
Tijdelijke Natuur Het doel van een ontheffing Tijdelijke Natuur of werken volgens de Gedragscode Tijdelijke Natuur is het bieden van ruimte aan in het wild levende soorten om zich te vestigen, voort te planten en te verspreiden ten behoeve van het voortbestaan van deze soorten. Tijdelijke natuur is goed voor de natuur en voor terreineigenaren. De meeste Tijdelijke Natuur is vrij toegankelijk en daarmee ook aantrekkelijk voor omwonenden. Daarnaast heeft het als voordeel dat beschermde dieren en planten niet meer preventief geweerd hoeven te worden. Indien deze soorten zich vestigen, mag u de dieren en planten op uw grondgebied verwijderen zodra de uitvoering van start gaat (de zorgplicht blijft te allen tijde van kracht). Om in aanmerking te komen voor de Tijdelijke Natuur regeling, dient de natuur minimaal één jaar de tijd te krijgen om zich te ontwikkelen en vindt er spontane (of beperkte begeleide) natuurontwikkeling plaats. Daarnaast staat de bestemming van het terrein vast, maar is deze nog niet gerealiseerd. De goedkeuring om te werken volgens de Gedragscode Tijdelijke Natuur is geldig voor een periode van 5 jaar. De geldigheid van een ontheffing Tijdelijke Natuur verleent door de provincie is 10 jaar.
Wij denken graag met u mee hoe u invulling kunt geven aan Tijdelijke Natuur en begeleiden u graag door de stappen voor het aanvragen van de ontheffing Tijdelijke Natuur of goedkeuring om te werken volgens de Gedragscode Tijdelijke Natuur.
34 (38)
Natuurinclusief ontwerpen en bouwen In een tijd van groeiende urbanisatie is er dringend behoefte om bij te dragen aan de biodiversiteit van steden en gebouwen. Een hoge biodiversiteit zorgt voor meer leven in de wijk, dit gaat vaak samen met de juiste toepassing van meer groen. Dit heeft voor mensen en dieren meerdere voordelen. Zo heeft wetenschappelijk onderzoek aangetoond dat mensen zich veiliger op straat voelen in een groene omgeving. Ook komen uitingen van agressie minder vaak voor in groenere buurten en is groen goed voor de gezondheid. Er is aangetoond dat mensen ‘mentaal herstellen’ in een groene omgeving. Groen biedt daarnaast een mogelijkheid even te ontspannen aan stress of de drukte van de stad. Groene gebouwen hebben een positieve invloed op de beleving van de stedelijke leefomgeving. Mensen bekommeren zich en/of voelen zich betrokken bij groen in hun directe omgeving. Het bieden van een thuis voor diersoorten kan dit gevoel versterken. Een hogere biodiversiteit kan tevens bijdragen aan klimaatadaptatie. Klimaatadaptatie gaat om het proces, waarbij de samenleving zich aanpast op klimaatsveranderingen. Op deze manier kunnen de kansen die de klimaatsverandering met zich meebrengt, benut worden, en de schade worden beperkt.
Maatregelen die zowel iets doen voor biodiversiteit als aan klimaatadaptatie, zorgen bijvoorbeeld voor wateropvang, het filteren van fijnstof in de lucht en creëren op deze manier een leefbare omgeving. Verder is aangetoond dat voor elke 20% meer groen in de stad, de piektemperatuur daalt met 1 graad. In hedendaagse ontwerpen van nieuwe woonhuizen en bedrijfspanden zijn geen of nauwelijks verblijfsmogelijkheden aanwezig voor diersoorten die afhankelijk zijn van bebouwing, zoals vleermuizen, gierzwaluwen en huismussen. Deze soorten hebben in spouwmuren, spleten, kieren of onder dakpannen hun rust- en voortplantingsplaatsen. Ook bij energiebesparende maatregelen, zoals na- isolatie van gebouwen en bij vervanging van daken waarbij alle spleten en kieren worden gedicht, verdwijnen rust- en voortplantingsplaatsen van gebouwafhankelijke diersoorten, zoals vleermuizen, gierzwaluwen en huismussen. Voor de gebouwbewonende soorten zijn voldoende soortbeschermingsmaatregelen mogelijk. Deze kunnen worden toegepast zonder concessies te doen aan het uiterlijk of de kwaliteit van het gebouw of het wooncomfort van de bewoners. Voor een overzicht van de mogelijke maatregelen voor dit project zie tabel 3.