E27 Bijlage 1 Zienswijze Omgevingsverordening NH2022.pdf
Tekst van het document
Provincie Noord-Holland t.a.v. het college van Gedeputeerde Staten. Postbus 3007, 2001 DA Haarlem
Uw kenmerk
Onderwerp
Ons kenmerk
Voor informatie
Bijlagen
Datum
H. Kloosterman 0255 567413
3
15 juni 2021
zienswijze ontwerp Provinciale omgevingsverordening 2022
Geacht college, Hierbij geven wij u namens de Gemeente Velsen onze zienswijze op uw ontwerp Omgevingsverordening 2022. Allereerst willen wij benadrukken dat we gezamenlijk voor grote opgaven staan op het gebied van woningbouw, energietransitie, leefbaarheid en duurzaamheid. Om goed invulling aan deze opgaven te kunnen geven is het van belang dat de speelruimte niet onnodig beperkt wordt, zodat we snel en adequaat op de majeure opgaven in kunnen spelen. Hoofdstuk 4 Paragraaf 4.2.3 Houtopstanden en herbeplanting Tekstueel hebben wij geen opmerkingen. Wel lijkt de begrenzing van de oude bosgroeiplaatsen in relatie tot artikel 4.16 over herbeplanting op diverse locaties niet logisch. Op een aantal locaties van de oude bosgroeiplaatsen ligt de begrenzing over bebouwing of infrastructuur heen. In de bijlage 1 treft u van ons voorstel aan om op een aantal locaties binnen de gemeente Velsen deze begrenzingen aan te passen. Verder willen wij voorstellen om te kijken naar een aantal vreemde losliggende vlakken voor de oude bosgroeiplaatsen, die nu over bebouwing of infrastructuur heen liggen. Dit past binnen de doelstelling van minder regelgeving en decentraal wat kan vanuit de Omgevingswet en uw sturingsfilosofie. Ook hiervoor verwijzen wij u naar de bijlage.
Hoofdstuk 6 Afdeling 6.2.2 Stedelijke functies In de Ontwerp Omgevingsverordening NH2022 geeft u aan dat een ruimtelijk plan uitsluitend kan voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als de ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakte schriftelijke afspraken. Daarnaast geeft u aan dat Gedeputeerde Staten nadere regels kan stellen aan de afspraken. We gaan er vanuit dat de vastgestelde regionale afspraken van Zuid-Kennemerland/ IJmond door de provincie als voldoende regionaal afgestemd wordt beschouwd.
Verder geeft u aan dat de inhoudelijke onderbouwing van een nieuwe stedelijke ontwikkeling zich moet richten op het markt- of verzorgingsgebied. Hiervoor beschrijft u dat de gemeenten in de regio overleggen over bovenlokale of regionale stedelijke ontwikkelingen en daar bestuurlijke afspraken in regionaal verband over moeten gaan maken. Wij constateren dat de regio Zuid-Kennemerland/ IJmond, een verzorgingsgebied is en dat wij aan de voorwaarden zoals hiervoor genoemd voldoen. De regio Zuid-Kennemerland// IJmond heeft vastgestelde regionale afspraken in het kader van de PRV (dd. april 2019) en een vastgesteld regionaal woningbouw-programma 2019 t/m 2024 van het Regionaal Actieprogramma (RAP). De opgenomen gebieden buiten bestaand stedelijke gebied zijn daarmee (nog steeds) voldoende onderbouwd. Als dat niet zo is, horen, wij dat graag. In het ontwerp Omgevingsregeling Noord-Holland 2020 beschrijft u namelijk dat het (toekomstig) woonakkoord (de opvolger van het RAP) een overzicht (kaart) moet bevatten van de woningbouwlocaties buiten bestaand stedelijk gebied. Betekent dat met een dergelijk overzicht de woningen op deze lijst daarmee voldoende regionaal zijn afgestemd? In het Ontwerp Omgevingsverordening NH 2022 meldt u dat het in Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) grootschalige stedelijke ontwikkelingen niet zijn toegestaan, tenzij groot openbaar belang wordt aangetoond.
Kunt u nader uitleggen wat u daaronder verstaat? We gaan er vanuit dat dit voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen zal gaan gelden die nog niet op de huidige kaart met de locaties buiten bestaand stedelijk gebied staan. We willen u meegeven dat deze regio Zuid-Kennemerland/ IJmond, net als de overige MRA gemeenten, te maken heeft met een krappe woningmarkt. De gemeenten zoeken naar aanvullende woningbouwmogelijkheden om aan de grote (groeiende) woningvraag te voldoen. Om aan die majeure opgave te voldoen is onderzocht waar binnen de gemeentegrenzen ruimte is voor woningbouw, waarbij de prioriteit ligt op ontwikkellocaties binnen bestaand stedelijk gebied en rondom knooppunten van (hoogwaardig) openbaar vervoer. De prioritering van deze locaties heeft de gemeenteraad van Velsen vastgesteld in het Koersdocument Omgevingsvisie 2040, op 27 mei 2021. Per brief d.d. 16 februari 2021 met kenmerk 18071-2021 hebben wij reeds aangegeven dat we - ondanks de inspanningen om onze opgave binnenstedelijk te realiseren – verwachten ook locaties buiten bestaand stedelijk gebied nodig te hebben om aan de woningbouwopgave te voldoen.
Het beschermingsregime van het BPL, in het bijzonder de gebieden met nummering 19 en 32 hebben betrekking op de buitenstedelijke locaties die het college en de gemeenteraad van Velsen (deels) hebben aangewezen als gebieden om op langere termijn een bijdrage te leveren aan de woningbouw indien het binnenstedelijk niet lukt. In de Omgevingsverordening wordt aangegeven dat ontwikkelingen in BPL-gebieden mogelijk blijven onder strenge voorwaarden, waarbij de kernkwaliteiten niet mogen worden aangetast. Ook kleinschalige woningbouw behoort tot de mogelijkheden. Daarnaast hebben wij te maken met vrijkomende (sport)accommodaties – door de provincie gezien als stedelijke voorziening – die voor wat betreft de Elta in Santpoort Zuid onder het beschermingsregime van het BPL vallen. Concreet betekent dit volgens de Omgevingsverordening dat bij het vrijkomen van deze locatie, geen nieuwe (andere) stedelijke voorziening gerealiseerd kan worden op dezelfde plek. Dit belemmert ons in de realisatie van diverse kwalitatieve opgaven op het gebied van wonen, maar ook in het op langere termijn bijbouwen van voldoende woningen, passend binnen en aansluitend aan de stedelijke structuur. (zie ook onze reactie later in deze brief op Hoofdstuk 6 Subparagraaf 6.2.5.2 Bijzonder provinciaal landschap).
Wij gaan graag met u in gesprek over de benadering van de locaties buiten bestaand stedelijk gebied in het BPL in het kader van uw Omgevingsverordening NH2022 en hoe we er gezamenlijk zorg voor kunnen dragen dat we een antwoord hebben op de majeure opgaven die op ons afkomen, nu en in de toekomst. Hoofdstuk 6 Artikel 6.29 Industrieterrein van provinciaal belang in het Noordzeekanaalgebied De verordening schrijft voor een hoogste toegestane milieucategorie niet te verlagen. Dit kan leiden tot een verzwaring van de onderzoeklast bij het vaststellen van bestemmingsplannen, omdat hiermee de gemeente mogelijk bij het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan bedrijven moet toestaan die nu niet zijn toegestaan en hierdoor mogelijk een milieueffectrapportage moet opstellen. Daarnaast zou dit betekenen dat er op bepaalde delen van het Tata terrein milieucategorie 5 en 6 bedrijven zouden moeten worden toegestaan, die nu op basis van de bedrijvenlijst niet zijn toegestaan. De provincie treedt hiermee in de beleidsvrijheid van gemeenten en hierdoor zouden de meest vervuilende bedrijven zich in de IJmond moeten kunnen vestigen. Niet valt in te zien hoe dit past binnen uw doelstelling om regels te vereenvoudigen, te harmoniseren en om meer ruimte te bieden voor lokaal maatwerk. Daarnaast wringt het met uw doelstelling voor een gezonde en veilige leefomgeving.
Wij verzoeken u dit artikel te schrappen. Artikel 6.29 lid 2: Het is niet duidelijk hoe dit voorschrift geïnterpreteerd moet worden. Uit de toelichting van de PRV is op te maken dat industrieterreinen van regionaal belang in eerste instantie voor zware industrie bedoeld zijn. De gemeenten mogen alleen bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 4.1 of hoger voorzien, indien dit om activiteiten ten behoeve van de energietransitie, de circulaire economie of haven gebonden activiteiten gaat. Het lijkt erop dat de provincie gemeente wil voorschrijven geen lage milieucategorieën toe te staan. Dit is echter niet wat artikel 6.29 lid 2 stelt. Wij verzoeken u dit te verduidelijken. Indien het wel het beoogde doel van de provincie is om lichtere bedrijven van de industrieterreinen te weren is dit niet in het belang van de gemeente. Het is niet wenselijk om lichtere bedrijven van de regionale industrieterreinen te weren. De regionale industrieterrein hebben ook een lokale functie met het weren van lichtere bedrijven kunnen de industrieterreinen deze functie niet vervullen. Voor de industrieterreinen van provinciaal belang (in Velsen de IJmond en De Pijp) wordt een bepaalde verdeling van functies opgelegd. Hoewel in de toelichting staat dat bestaande rechten worden gerespecteerd, lijkt artikel 6.29 een vernauwing van functies in te houden.
De ruimte op de industrieterreinen in het NZKG worden voor nieuwe bedrijven of bij wijziging van de bestaande functies uitsluitend gereserveerd voor energietransitie, circulaire economie, havengebonden of havengerelateerde activiteiten of zware industrie. Een en ander zal in ons Omgevingsplan moeten worden opgenomen. Dit kan beperkingen opleveren voor grondeigenaren in het gebied en voor vestigingsmogelijkheden voor (lokale) bedrijven. Dit kan tot planschade leiden. Dit vinden wij geen wenselijke ontwikkeling, omdat hiermee de beleidsvrijheid van de gemeente over vestiging van bedrijven sterk wordt beknot. Daarnaast is niet duidelijk hoe eventuele planschade die voortvloeit uit deze regeling vergoed gaat worden door de provincie. Graag ontvangen wij hierover van u een nadere toelichting.
Artikel 6.30 Milieucontour Industrieterrein van provinciaal belang Artikel 6.30.onder a Dit artikel schrijft voor om binnen het werkingsgebied milieucontour industrieterrein voor geluid, geur en omgevingsveiligheid af te wegen of de milieugebruiksruimte niet beperkt wordt. Een groot deel van de IJmond ligt binnen deze milieucontour. Het werkingsgebied is gebaseerd op de geluidscontouren. Dit geeft een onnodige onderzoekslast voor onze gemeente. Omdat de contouren niet allemaal gelijk zijn, verdient het de voorkeur om het werkingsgebied voor geur en omgevingsveiligheid apart vast te stellen. Artikel 6.30 onder b. Op basis van een goede ruimtelijke ordening moet de gemeente al rekening houden met de belangen van omliggende industrie. Daarnaast moet de gemeente zorgdragen voor een goed woon- en leefklimaat. Het verplichten om daarnaast aan te geven waarom er in de zone van regionale industrieterreinen nieuwe milieugevoelige functies worden toegestaan geeft een onnodige extra motiveringsplicht voor de gemeente. Voor de gemeente Velsen heeft dit tot gevolg dat voor vrijwel alle nieuwe woningbouw in IJmuiden en Velsen Noord extra motivatie nodig is. Dit strookt niet met de grote woningbouwopgave die er voor de IJmond ligt en met de wens om zoveel mogelijk binnenstedelijk te verdichten.
Daarnaast past dit niet binnen uw doelstelling om regels te vereenvoudigen, te harmoniseren en om meer ruimte te bieden voor lokaal maatwerk. Wij verzoeken u daarom artikel 6.16a volledig te schrappen. Hoofdstuk 6 artikel 6,31 een transformatie zone In het westelijk havengebied van Amsterdam is in artikel 6,31 een transformatie zone (Havenstad) opgenomen. Onduidelijk is waar de huidige bedrijvigheid naartoe wordt verplaatst. De begrenzingen van industrieterrein IJmond zijn op details niet goed ingetekend. Graag treden wij met u in overleg voor de exacte begrenzingen. Hoofdstuk 6 Subparagraaf 6.2.5.2 Bijzonder provinciaal landschap Werkingsgebied bijzonder provinciaal landschap Wij begrijpen het dilemma van het beschermen van gebieden die zowel landschappelijk, cultuurhistorisch als ecologische waardevol zijn, zonder overlappende beschermingsregimes toe te passen. Echter, de wijze waarop sommige landgoederen of buitenplaatsen nu binnen het NNN zijn beschermd, zoals in Velsen, en andere via het BPL, zoals in Heemstede, schept verwarring. Het is logischer om dergelijke landschappelijke eenheden overal via hetzelfde regime en regels te beschermen. Vreemd is in Velsen bovendien dat delen van de landgoederenzone die kennelijk uit het NNN geknipt zijn, zoals de wegen of de gebouwen en hun omgeving, via het BPL worden beschermd. In de praktijk is dit lastig hanteerbaar.
Zie onze bijlage 2 met kaart(en) waarop de vanuit Velsen gewenste aanpassingen voor het Werkingsgebied bijzonder provinciaal landschap zijn aangegeven. Er zijn echter nog veel onduidelijkheden over details in deze kaarten. Wij willen hierover en over de geschetste kernkwaliteiten met u in overleg treden. Zie ook onze eerdere reactie hierboven in deze brief.
Artikel 6.14 en 6.18 werkingsgebied landelijk gebied (MRA) Het werkingsgebied ‘landelijk gebied’ is erg strak om de huidige bebouwing heen getrokken. Meerdere bestaande en bij de provincie bekende uitleglocaties met meer dan 11 woningen van Velsen vallen hier binnen. In de bijlage is aangegeven welke gebieden om deze of andere redenen buiten het werkingsgebied gehouden zouden moeten worden. Aan de randen van bestaande kernen mogen kennelijk wel kleinschalige ontwikkelingen plaatsvinden, mits volgens binnen de regio gemaakte afspraken (Artikel 6.18 lid 3). Over wat voor afspraken hebben we het dan? Zie onze bijlage 3 met kaart(en) waarop de vanuit Velsen gewenste aanpassingen voor het werkingsgebied landelijk gebied zijn aangegeven. Er zijn echter nog veel onduidelijkheden over details in deze kaarten. Wij willen hierover met u in overleg treden. Spaarnwoude Met verschillende stakeholders is er gewerkt aan de gebiedsvisie voor het recreatiegebied van Spaarnwoude. Wij gaan er van uit dat de Omgevingsverordening geen belemmeringen bevat voor het daadwerkelijk realiseren van de doelstellingen uit deze visie. Luchtkwaliteit Wat ontbreekt in de ontwerp-omgevingsverordening zijn bepalingen over luchtkwaliteit. Kijkend naar artikel 2.3 Omgevingswet (subsidiariteitsbeginsel) is provinciale hulp nodig om de SLA-doelen voor 2030 te realiseren. Wij willen hierover met u in gesprek.
Wind en RES In artikel 6.35 (p. 70) wordt aangegeven dat windturbines alleen zijn toegestaan (bouw, vervanging of opschaling) binnen de zoekgebieden zoals vastgelegd in de Regionale Energiestrategie Noord-Holland Zuid 1.0. Eventuele nieuwe zoekgebieden worden opgenomen in de RES NHZ 2.0, deze wordt verwacht in 2023. Is het de intentie van de provincie dat ook in nieuwe zoekgebieden, vastgelegd in toekomstige RES-sen, windturbines worden toegestaan. Zo ja, betekent dit dat er per definitie voor 2023 een nieuwe omgevingsverordening wordt vastgesteld? Artikel 6.39: Hier wordt genoemd dat er een termijnstelling van maximaal 25 jaar geldt voor opstellingen voor zonne-energie. Artikel 6.39.1 noemt enkele uitzonderingen hierop. Valt hieronder ook de restruimte langs locaties die in gebruik zijn als wegverkeer? Bijvoorbeeld in bermen naast snelwegen of binnen klaverbladen? In de concept Energiewet wordt genoemd dat voor windturbines het bevoegd gezag voor gemeenten wordt opgerekt naar 15MW, voor 15-100MW wordt de provincie bevoegd gezag en daarboven het Rijk. Nu is het nog zo dat het bevoegd gezag vanaf 5MW bij de provincies ligt wat betreft windturbines. Het is nog onduidelijk wanneer de Energiewet wordt ingevoerd, daardoor ontstaat ook onduidelijkheid omtrent bevoegd gezag voor windenergieprojecten die voortkomen uit de RES 1.0.
Hoe kijkt u hiernaar? In het artikel over UNESCO in de ontwerp-OV NH2022 laat u de verbodsbepalingen ten aanzien van zon en wind vervallen. Hierbij is het uitgangspunt dat het Afsprakenkader voor zon en wind in de Stelling van Amsterdam en Nieuwe Hollandse Waterlinie, dat momenteel in ontwikkeling is, wordt opgenomen in de OV NH2022. In het memo ‘Omgevingsvisie 2022
en de RES’ wordt aangegeven dat “Indien het Afsprakenkader niet op tijd gereed is, wordt een verbod op zon en wind alsnog opgenomen in de uiteindelijk vast te stellen OV NH2022 in afwachting van borging van het Afsprakenkader in herziening OV.” Betekent dit dat zodra het afsprakenkader gereed is de OV ’22 wordt bijgesteld? Zo niet, wanneer wordt dan een bijstelling verwacht? Bijlagen Omgevingsverordening: Bijlage 4: Kernkwaliteiten NNN (Natuur Netwerk Nederland) De kernkwaliteiten van de NNN gebieden zijn al vastgesteld in 2019, maar kennelijk zijn er nog kleine wijzigingen doorgevoerd. Sommige cultuurhistorisch waardevolle gebieden worden nu vanuit het NNN beschermd. Dat betekent dat de cultuurhistorische en landschappelijke waarden goed moeten worden omschreven in de kernwaarden NNN van deze gebieden. De cultuurhistorische waarden worden hier wel in benoemd, bijvoorbeeld de buitenplaatsen of de onderdelen van de Stelling van Amsterdam, maar dit is erg summier. Wij betwijfelen of deze omschrijving volstaat om aan de hand hiervan te beoordelen of een ontwikkeling schade berokkent aan cultuurhistorische waarden binnen een NNN gebied. In de beschrijving van NNN gebied Z3 staat dat de buitenplaats Waterland is opgegaan in het complex Velserbeek/Beeckestijn. Dit klopt niet; Waterland is nog steeds een zelfstandige buitenplaats.
Wij vragen ons af waarom de verbinding ZNV4 niet is doorgetrokken via Z7 naar Z6, via de onderdoorgang onder de A9 van Zijkanaal B. Dit is in onze ogen een belangrijke mogelijkheid om een verbinding te maken tussen duinrand en het recreatiegebied Spaarnwoude.
Burgemeester en wethouders van Velsen, De secretaris,
De burgemeester,
K.M. Radstake
F.C. Dales