E22 Onderzoek bijverdienpremie naast uitkering.pdf
Tekst van het document
GEMEENTE VELSEN
Collegebericht Weeknummer: 12
Datum vergadering Zaaknummer Portefeuillehouder(s) Bijlagen
23-3-2021 33095-2021 M. Steijn
Ambtenaar Telefoonnr. E-mailadres
P. de Vink 0255 567200 pdeVink@velsen.nl
-
Onderwerp: Onderzoek bijverdienpremie naast uitkering
Geachte leden van de raad, Op 5 november 2020 nam de raad de motie “Werken moet lonen: de bijverdienpremie en of uitstroompremie” aan. Dit was naar aanleiding van de begroting voor 2021. Het onderwerp stond ook in de uitvoering van de armoedevisie gepland en is naar aanleiding van de motie eerder uitgevoerd. Via dit collegebericht stellen wij u op de hoogte van de resultaten van het onderzoek. Bijverdienpremie De bijverdienpremie houdt in dat mensen die naast een uitkering werken, een deel van deze inkomsten mogen houden. Nu is het wettelijk zo geregeld dat wanneer mensen werken naast de uitkering deze inkomsten van het bijstandsbedrag worden afgetrokken. Alleen in de eerste maanden dat iemand een uitkering ontvangt, geldt er een uitzondering op de mogelijkheid om extra inkomsten te genereren naast de uitkering. Na 6 maanden vervalt dit recht echter, waardoor ook de financiële prikkel om te werken naast de uitkering wegvalt. In een aantal gemeenten is geëxperimenteerd met het invoeren van de bijverdienpremie, zodat mensen ook na 6 maanden een deel van de extra inkomsten uit arbeid mogen houden. Participatiewet De Participatiewet kent op dit moment drie regelingen voor gedeeltelijke vrijlating van inkomsten voor mensen met een bijstandsuitkering. De eerste is de algemene vrijlatingsregeling. Deze regeling geldt voor personen vanaf 27 jaar.
Volgens de algemene vrijlatingsregeling mogen personen die een bijstandsuitkering ontvangen tot 25% van de inkomsten uit arbeid houden, met een maximum van €215,00 per maand. Dit geldt voor ten hoogste 6 maanden en hierbij geldt de voorwaarde dat het naar het oordeel van het college moet bijdragen aan zijn of haar arbeidsinschakeling. Daarnaast is er de vrijlatingsregeling voor alleenstaande ouders vanaf 27 jaar met een kind tot 12 jaar. Een alleenstaande ouder mag gedurende een aaneengesloten periode van maximaal 30 maanden inkomsten uit arbeid tot 12,5% houden met een maximum van €134,35 per maand. Voorwaarde hierbij is dat deze persoon de volledige zorg heeft voor een tot zijn last komend kind tot 12 jaar en dat de periode van zes maanden, bedoeld in de algemene vrijlatingsregeling, is 1
GEMEENTE VELSEN verstreken. Ook hier geldt de voorwaarde dat dit volgens het college moet bijdragen aan zijn of haar arbeidsinschakeling. Tot slot is er de vrijlatingsregeling voor mensen met een medische urenbeperking (ongeacht leeftijd). Voor deze mensen geldt dat zij tot 15 procent van de inkomsten uit arbeid mogen houden, met een maximum van € 136,26 per maand. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor mensen met een Wajong uitkering en gaat in als de eerder genoemde vrijlatingsregelingen niet (meer) van toepassing zijn. Deze vrijlatingsregeling kan voor onbepaalde duur worden ingezet, dus zolang er sprake is van een medische urenbeperking en loonvormende arbeid onder bijstandsniveau. De vrijlatingsregelingen hebben een aantal nadelen. Stimuleringsregelingen zoals vrijlatingen, premies etc. zijn niet bedoeld voor jongeren onder 27 jaar. Zij kunnen hier dan ook geen aanspraak op maken. Verder loopt de algemene vrijlatingsregeling af na 6 maanden. Dit houdt in dat de financiële prikkel om parttime te werken na deze periode wegvalt. Daarnaast gaat de 6 maandentermijn van de algemene vrijlatingsregeling in op het moment dat een klant begint met werken naast de uitkering. Wanneer een klant na bijvoorbeeld 2 maanden stopt met werken, zijn de resterende 4 maanden niet op een ander moment inzetbaar. Daarmee kan een klant dus vrijstelling van inkomsten mislopen.
Experimenten Een aantal gemeenten heeft gedurende twee jaar bijstandsexperimenten mogen doen, om te onderzoeken of er mogelijkheden zijn om de Participatiewet doeltreffender uit te voeren. Op 1 april 2017 trad het Tijdelijk besluit experimenten Participatiewet in werking1. Deze wet maakte het mogelijk dat gemeenten bevoegd zijn om bij wijze van experiment, gedurende twee jaar op onderdelen van de Participatiewet af te wijken met het oog op het onderzoeken van mogelijkheden om de Participatiewet op onderdelen doeltreffender uit te voeren. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: SZW) heeft de volgende gemeenten aangewezen als experimenteergemeenten: Deventer, Groningen, Nijmegen, Tilburg, Utrecht en Wageningen. Er zijn grofweg drie typen experimenten uitgevoerd. Gemeenten konden de volgende interventies inzetten: • • • •
Een tijdelijke ontheffing van de arbeids- en re-integratieverplichtingen (ontheffingsgroep). Een tijdelijke intensivering van de begeleiding van bijstandsgerechtigden (intensiveringsgroep). Een vrijlating van de inkomsten uit arbeid tot maximaal 50 procent van deze inkomsten, met een maximum van circa 200 euro per maand (vrijlatingsgroep). Gemeenten konden er ook voor kiezen om bovenstaande interventies te combineren. Alleen de combinatie van ontheffing en intensivering was niet toegestaan.
De experimenten bestaan uit het verlenen van een ontheffing van de arbeids- en reintegratieverplichtingen in de bijstand en/of een intensievere begeleiding naar werk en/of een hogere vrijlating voor bijverdiensten. De voorwaarden en werkwijze verschilden per gemeente. Zo mochten deelnemers in gemeente Deventer 25% van het inkomen met een maximum van circa €200 per maand houden. In gemeente Wageningen, Groningen, Tilburg, Nijmegen en Utrecht was dit 50% tot een maximum van circa €200. Ook de looptijd van het experiment verschilde per 1 De Minister kan een gemeente aanwijzen, die bij wijze van experiment gedurende een periode van
drie jaar na inwerkingtreding van dit besluit naar aanleiding van het door het college van die gemeente ingediende verzoek op basis van dit besluit, voor een periode van maximaal 2 jaar en 3 maanden kan afwijken van de artikelen 9, eerste lid, en 31, tweede lid, onderdeel n, van de wet. Deze regeling loopt af op 01-04-2021.
2
GEMEENTE VELSEN gemeente. Het Centraal Planbureau (CPB) voerde onderzoek uit naar de effectiviteit van deze experimenten. Resultaten experimenten De experimenten hebben niet in alle gemeenten geleid tot een duidelijk effect. Bij toekomstige experimenten is het belangrijk om het aantal verschillende maatregelen te beperken, om meer precieze uitspraken te kunnen doen geeft het CPB aan. Ook verschilden de resultaten sterk tussen gemeenten. In Nijmegen was er nauwelijks verschil tussen de deelnemers aan het experiment en andere bijstandsgerechtigden. De onderzochte groep die de meeste vrijheid kreeg, voelde zich zelfs minder goed, was minder maatschappelijk betrokken bij vrijwilligerswerk en vond ook minder snel een baan. Daarmee geeft het CPB aan dat de effecten niet voor alle gemeenten direct te interpreteren zijn. Hoewel de verschillen tussen de vrijlatingsgroep en de controlegroep niet statistisch significant waren, geven deelnemende gemeenten aan wel de indruk te hebben dat het inzetten van een bijverdienpremie een geschikt instrument kan zijn om in te zetten voor het aantal deelnemers dat parttime werkt. Dit blijkt ook uit het feit dat meerdere gemeenten het toekennen van een premie voor parttime werk hebben ingevoerd in hun reguliere beleid.
Het ontheffen van bijstandsgerechtigden van hun verplichtingen, zoals solliciteren, heeft geen negatief effect op de kans om uit te stromen uit de bijstand. Daarbij is het verschil met de uitgangssituatie voor een deel van de deelnemers vermoedelijk ook niet groot, en zijn de effecten niet heel precies te meten. Intensievere begeleiding naar werk heeft soms een positief effect op gedeeltelijke uitstroom naar werk. Voor geen enkele gemeente vindt het CPB dat intensievere begeleiding leidt tot meer volledige uitstroom naar werk (werk voor meer dan 27 uur per week). Alleen in Utrecht is er sprake van een effect op de gedeeltelijk of volledige uitstroom naar werk. 16 maanden na de start van het experiment werkt in Utrecht 20% van de intensiveringsgroep meer dan 12 uur per week, ten opzichte van 12% van de controlegroep. Voor alle gemeenten vindt het CPB geen effect van een hogere vrijlating van bijverdiensten in de bijstand op de volledige uitstroom naar werk. Dit was wellicht te verwachten, omdat deelnemers niet meer dan 200 euro per maand mochten bijverdienen naast hun uitkering. Alleen in Utrecht is sprake van een positief effect op de gedeeltelijke uitstroom naar werk.
Proef Amsterdam Ook de Gemeente Amsterdam heeft een proef uitgevoerd waarbij een premie voor deeltijdwerk in de bijstand werd getest. Deelnemers mochten 50% van de inkomsten uit werk houden tot een maximum van €200,-. Vanaf 1 maart 2021 is deze proef omgezet in beleid waarbij bijstandsgerechtigden 30% van hun inkomsten mogen houden tot een maximum van €215 per maand. Amsterdam is niet de enige gemeente die het experiment heeft omgezet in beleid. Ook in Wageningen en Rotterdam mogen bijstandsgerechtigden nu respectievelijk 25% en 12,5% van de inkomsten uit werk houden tot een maximum van €215 en €105,50. Opvallend is dat de gemeente Amsterdam de premie niet alleen gebruikt als een prikkel om mensen aan het werk te krijgen, maar ook om de financiële positie van mensen in de bijstand te verbeteren. Uit het experiment bleek dat deelnemers het extraatje vooral gebruikten om schulden of achterstallige betalingen af te lossen en de vaste lasten te betalen. De gemeente noemt het versterken van de bestaanszekerheid van bijstandsgerechtigden dan ook als een van de doelen van de premie. Hoewel de Participatiewet voorschrijft dat de regeling bedoeld is om arbeidsparticipatie te stimuleren, lijkt de gemeente de premie dus ook in te zetten als inkomensondersteuning. Deelnemers van het experiment stroomden met 18% ruim twee keer 3
GEMEENTE VELSEN sneller uit de bijstand dan de groep met niet-deelnemers (8%). Daarnaast is ruim een kwart van de deelnemers gestart met parttime werk. Voorwaarden implementatie Het stimuleren van parttime werk vraagt meer dan alleen een financiële prikkel. Mensen in de bijstand moeten ondersteund worden bij het vinden en behouden van parttime werk. Dit vraagt extra inzet van de bijstandsconsulenten. Ook levert het verrekenen en het uitbetalen van de extra inkomsten uit werk een hogere druk op de administratieve werkzaamheden rondom de bijstandsuitkering. Het invoeren van een premieregeling heeft daarnaast financiële consequenties. Klanten mogen een deel van hun inkomsten houden, waardoor dit niet gekort wordt op de bijstand. Dit heeft invloed op de hoogte van de bijstand die uit wordt gekeerd. Er is een groep bijstandsklanten die nu al parttime werkt en hier geen premie voor krijgt. De extra financiële prikkel die door middel van een premie geboden wordt is voor hen dus wellicht overbodig en gaat daarmee onnodig ten koste van het bijstandsbudget. Aan de andere kant bestaat de kans wel dat klanten die op dit moment niet parttime werken dit wel gaan doen op het moment dat hier een premie voor geboden wordt of dat klanten het aantal uren dat zij parttime werken uit gaan breiden. Op die manier levert dat een besparing op het bijstandsbudget op.
Het aandeel mensen dat parttime werkt in de uitkering is in Velsen relatief hoog ten opzichte van het landelijk gemiddelde (10,8% in Velsen t.o.v. 9,2% landelijk). De gemiddelde inkomsten die men hiermee per maand verdient zijn daarentegen lager in Velsen (€489 in Velsen t.o.v. €609 landelijk). Conclusie Uit de proef onder de verschillende gemeenten blijkt dat er veel verschillen zijn tussen gemeenten in de resultaten. Een bijverdienpremie kan een positief effect hebben op de gedeeltelijke uitstroom naar parttime werk. In het experiment in Amsterdam verlieten de deelnemers zelfs vaker de bijstand doordat ze een baan hadden gevonden. Parttime werk kan daarvoor een goede opstap zijn. Daarnaast hebben klanten terwijl ze in de bijstand zitten meer bestedingsvermogen. Men gebruikt het extra geld ook om schulden af te lossen of vaste lasten van te betalen. Op dit moment biedt de wetgeving geen ruimte om de bestaande premies, zoals genoemd onder het kopje Participatiewet, uit te breiden of voor een langere periode beschikbaar te stellen. Gemeenten mogen namelijk niet eigenstandig inkomenspolitiek voeren. Door elke maand een premie toe te kennen verhoog je immers het wettelijk sociaal minimum inkomen van een inwoner. De Participatiewet biedt echter wel de ruimte om premies toe te kennen voor additionele werkzaamheden zolang die leiden tot arbeidsinschakeling.
Hiermee zou een bijverdienpremie zoals beschreven in de alinea’s hierboven, zij het in aangepaste vorm, wel mogelijk zijn. De premies die op grond van de Participatiewet kunnen worden verstrekt kennen een wettelijk maximum van €2.629,00 per kalenderjaar en kunnen ten hoogste twee keer per kalenderjaar worden verstrekt. Dit zou betekenen dat mensen die naast de uitkering werken een bedrag kunnen opbouwen dat twee keer per jaar verrekend en uitgekeerd kan worden bovenop de bijstandsuitkering. Een voorwaarde hierbij is wel dat dit toegepast kan worden voor zover dit naar het oordeel van het college bijdraagt aan de arbeidsinschakeling. Deze premies worden fiscaal niet tot de inkomsten gerekend, waardoor dit geen gevolgen heeft voor de aanspraken op bijvoorbeeld de huur- en zorgtoeslag. Dit is een belangrijk voordeel van het gebruik van deze premies. Doordat premies ten hoogste twee keer per jaar mogen worden toegekend is het maandelijks betalen van een premie op parttime werken niet toegestaan. De uitgekeerde premiebedragen spelen wel een rol bij het bepalen van het vermogen en dat kan gevolgen hebben als men bijvoorbeeld kwijtschelding van belasting aanvraagt. 4
GEMEENTE VELSEN Vervolg Velsen gaat de komende tijd onderzoeken op welke manier een premie voor parttime werk ingevoerd kan worden in het beleid. Ook brengen we dan de financiële consequenties in kaart en bekijken we of er mogelijk een besparing gerealiseerd kan worden wanneer mensen eerder uitstromen uit de bijstand. Parttime werken kan voor inwoners met een bijstandsuitkering een toegevoegde waarde hebben als opstap naar volledige uitstroom naar werk, maar ook als invulling van maatschappelijke en economische participatie zolang volledige uitstroom naar werk (nog) niet mogelijk is. Parttime werken heeft voor inwoners voordelen zoals het kunnen leveren van een bijdrage naar vermogen, het hebben van verantwoordelijkheden door werk, sociale contacten, de eigen ontwikkeling die werk met zich brengt etc. Parttime werk geeft ook een concrete bijdrage aan de re-integratie van mensen door het werk dat wordt gedaan en de ontwikkeling die betrokkenen daardoor meemaken. Ook kan er in combinatie met parttime werken op of naast het werk worden geleerd. Het vergroten van aanbod aan parttime werkenden sluit ook aan bij vragen in de regionale en lokale arbeidsmarkt, waarin door werkgevers gezocht wordt naar mensen die op parttime basis inzetbaar zijn voor werk. In het najaar komen wij met een voorstel.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Velsen
5