C7 Jeugdhulp, het moet anders, een handreiking voor uw coalitie - of raadsakkoord.pdf
Tekst van het document
Feitelijke vragen blijven vaak onbeantwoord, of krijgen overdreven lange antwoorden van de minister: “Zo lang dat je na afloop alweer bijna vergeten bent wat je aanvankelijk gevraagd hebt.” 22 Bij basale informatie die niet bekend is bij kamerleden, moet je denken aan het aantal aanbieders van jeugdhulp, de randvoorwaarden voor het uit huis plaatsen van kinderen of over de begeleiding van jong volwassenen met een geschiedenis in de jeugdhulp. Ook het inzicht in wachtlijsten ontbreekt. Minister de Jonge erkent in debatten dat wachtlijsten een probleem zijn, maar hij weigert namens de overheid de wachtlijsten in kaart te brengen. Een registratiesysteem zou leiden tot bureaucratie. De gemeenten zijn verantwoordelijk voor de contracten met aanbieders, dus de gemeenten dienen dit te doen. Volgens Lisa Westerveld is het inzicht in de omvang van het probleem belangrijk, omdat er anders geen concrete oplossingen aangedragen kunnen worden.23
21
Daan Appels, ‘Jeugdzorgtekorten van gemeenten: een miljardenschip in de mist’, Follow the Money 22 februari 2021. Lucien Hordijk, ‘Hoe Hugo de Jonge op kousenvoeten jeugdzorg verliet’, Follow the Money 5 maart 2021.
22, 23
De Wereld van Aandacht Deel 1: De wereld van het ‘hier en nu’
18
Jeugdhulp is als arbeidsmarkt Het CBS becijferde dat in 2019 het jeugddomein (jeugdhulp, justitiële jeugdinstellingen, jeugdreclassering en overige instellingen) uit 1.360 instellingen bestond met werknemers. Dit vertegenwoordigde 61.430 fte, goed voor 82.740 banen. 24 Aanvullend op dit aantal werknemers werden er op dat moment 860 zelfstandigen geteld in het jeugddomein. Van deze zelfstandigen was 70% werkzaam binnen de ggz. Hierbij is de externe ondersteuning en de inzet aan overheidszijde voor de inkooptrajecten nog niet meegenomen. Ter context: in datzelfde jaar maakten 443.260 jeugdigen tot 23 jaar gebruik van jeugdhulp.25 Ruim 78% van de werknemers die in jeugdhulp werken zijn (zeer) tevreden met hun werk.26 Tegelijkertijd vindt 52,3% van de werknemers in de jeugdhulp de werkdruk (veel) te hoog.27 Astrid Rotering en Arina Kruithof van Jeugdzorg Nederland geven hier een voorbeeld van aan de hand van de caseload: “Een jeugdbeschermer heeft gemiddeld vijftien gezinnen onder zijn hoede. Wanneer je intern werkoverleg en bijscholing van de werktijd afhaalt, dan blijft er twee uur per week per kind over.
Dat is dan bovendien geen contacttijd met het kind, maar tijd die voornamelijk wordt besteed aan bellen en overleggen: aan afstemmen met andere instellingen, aan het organiseren van hulpverlening (waarbij ‘beschikbaar zijn’ belangrijker is geworden dan ‘passende zorg bieden’) en vervolgens administratief afhandelen en verantwoorden. De meest kwetsbare kinderen en ouders zijn hiervan de dupe.” 28 Het aantal medewerkers dat vertrekt uit de sector van jeugdhulp ligt tussen de 16% en 20%. Dat is het hoogste uitstroompercentage van de branche Zorg en Welzijn. Mede hierdoor is er een structureel personeelstekort van 20% en een hoog ziekteverzuim (5,7%, zelfs 7,2% in het eerste kwartaal van 2020).29 Stichting Het Vergeten Kind heeft onderzoek gedaan onder 110 kinderen en jongeren van 7 tot 24 jaar. Uit het onderzoek bleek dat kinderen te maken kregen met tussen de tien en zestig verschillende jeugdhulp medewerkers. Hoogleraar Jeugdzorg Annemiek Harder doet onderzoek naar de effectiviteit van jeugdhulp trajecten. Het continu wisselen van hulpverleners is volgens Harder slecht voor de ontwikkeling van kwetsbare kinderen. Het steeds weer opnieuw moeten leren vertrouwen en opnieuw moeten vertellen over nare gebeurtenissen is psychisch erg zwaar.30 Jeugdhulpinstellingen geven aan dat zij bijna niet aan personeel kunnen komen en dat het moeilijk is om personeel te behouden.
Een groot deel van de flexwerkers geeft aan dat zij liever geen vast contract hebben, omdat zij nu meer kunnen verdienen dan in vaste dienst, zij geen roosterregels hebben (dat betekent de mogelijkheid om langere diensten te draaien en de mogelijkheid om langer vakantie te nemen). Ook kunnen zij zelf aangeven wanneer zij beschikbaar zijn. Om personeel aan te trekken, wordt gebruikgemaakt van financiële prikkels door instellingen. Bijvoorbeeld: een financiële bonus als je voor een nieuwe collega zorgt.31 Inmiddels is er in Nederland gestart met de ‘Arbeidsmarkttafel jeugd’. Jeugdzorg Nederland, FNV Zorg & Welzijn, CNV Zorg & Welzijn en de ministeries VWS en J&V geven gezamenlijk uitvoering aan projecten om de jeugdzorg weer aantrekkelijk te maken, zodat mensen in de jeugdzorg willen komen werken en vooral, willen blijven werken.32 Tot slot nog een saillant detail: op 2 september 2019 vond de eerste staking door jeugdzorgmedewerkers ooit plaats (dus sinds de sector bestaat)! Zij staakten tegen het huidige jeugdbeleid en voor betere werkomstandigheden.
w ww.cbs.nl/nl-nl/longread/aanvullende-statistische-diensten/2020/arbeidsmarktgegevens-van-het-jeugddomein-2019?onepa ge=true#:~:text=In%20totaal%20worden%20er%20in,zelfstandigen%20geteld%20in%20het%20jeugddomein w ww.nji.nl/nl/Databank/Cijfers-over-Jeugd-en-Opvoeding/Cijfers-per-voorziening/Jeugdzorg 26, 27 CBS-cijfers 4e kwartaal 2019 www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2020/40/ziekteverzuim-zorg-en-welzijn-hoogst-sinds-2003 28 Astrid Rotering en Arina Kruithof (Jeugdzorg Nederland), ‘Jeugdzorg is een patiënt die geen pleisters meer aankan, maar rijp is voor de operatietafel’ Volkskrant 4 maart 2021. 29 Jeugdzorg werkt! www.jeugdzorg-werkt.nl/arbeidsmarkttafel-jeugd-gaat-aan-de-slag 31 maart 2020 30 Petra Gaffke, Eindeloze stoet hulpverleners helpt kinderen in jeugdzorg niet: “Elke keer opnieuw mijn verhaal doen, ik werd er gek van”, Eenvandaag 13 januari 2020 op https://eenvandaag.avrotros.nl/item/eindeloze-stoet-hulpverleners-helpt-kinderen-in-jeugdzorg-nietelke-keer-opnieuw-mijn-verhaal-doen/ 31 Zorgbelang, ‘Steeds meer flexwerkers in de jeugdhulp: “Wij hebben het liefste vaste krachten”, e-magazine Zorgbelang op: https://emagazine.zorgbelang-brabant.nl/juli-2019/steeds-meer-flexwerkers-in-de-jeugdhulp/ 32 Jeugdzorg werkt! www.jeugdzorg-werkt.nl/arbeidsmarkttafel-jeugd-gaat-aan-de-slag 31 maart 2020 24
25
De Wereld van Aandacht Deel 1: De wereld van het ‘hier en nu’
19
5. Wetenschap en technologie In deze dimensie gaan we in op de stand van de wetenschap met betrekking tot jeugdhulp en preventie. Daarnaast staan we stil bij het gebruik van technologie. Ook gaat deze dimensie over innovatie: dit betekent de adaptatie van nieuwe collectieve en creatieve praktijken, gedragingen en handelingen door mensen.
Wetenschappelijke onderbouwing effectiviteit interventies jeugdhulp mager De filosofische basis, de economische prikkels en de kritische maatschappelijke vragen hebben geleid tot een toenemende vraag naar wetenschappelijke onderbouwing van de effectiviteit van jeugdhulp. Het is echter juist deze wetenschappelijke onderbouwing die nog in de kinderschoenen staat. Volgens professor René Clarijs is het aantal onderzochte interventies binnen de jeugdhulp nog maar een fractie (geschat wordt enkele procenten) van wat in de sector wordt aangeboden. Ook stelt hij dat naar alle waarschijnlijkheid de komende tien à twintig jaar niet meer dan tien à twintig procent van jeugdzorginterventies evidence-based worden.33 Een van de zaken die deze beweging bemoeilijkt, is het systemische karakter van de verschillende factoren die een rol spelen in de effectiviteit van jeugdhulp (kind- en ouderfactoren, gezinsfunctioneren, contextuele factoren, aan- of afwezigheid van een sociaal netwerk en hulpverlening zelf). Dit maakt een wetenschappelijke onderbouwing van een jeugdhulpinterventie moeilijk. Volgens lector Onbegrepen gedrag en samenleving Bauke Koekoek is het tijd om te erkennen dat veel kennis en kunde binnen de psychische zorg voorlopig situationeel en interactioneel is. Het is nodig om deskundigheidsmacht in te ruilen voor een meer gelijkwaardigere relatie met burgers en samenleving.
Dat betekent: de eigen deskundigheid kritisch beschouwen en meer interacties zoeken met de rest van de wereld.34 Wetenschappelijke onderbouwing effectiviteit preventie paradoxaal Er zijn niet veel begrippen die zo verschillend worden ingezet binnen de jeugdhulp als preventie. In dit white paper gaan we uit van de definitie van het Nederlands Jeugdinstituut (NJI): “Preventie richt zich op het voorkomen van het ontstaan van problemen, het in goede banen leiden van beginnende problematiek en het voorkomen dat problemen weer terugkeren. In het laatste geval wordt een preventieve interventie ingezet om te voorkomen dat een jongere weer terugvalt in zijn of haar problematiek en weer aanspraak moet maken op een jeugdhulptraject.
René Clarijs, ‘Transitie en transformatie: een nieuwe poging voor een beter jeugdbeleid’, in: ‘Op naar een integrale aanpak – Ontschotting in het sociale domein’, 2018. 34 Bauke Koekoek, ‘Verdwaald in het land van de labels’, Trouw 17 april 2021. 33
De Wereld van Aandacht Deel 1: De wereld van het ‘hier en nu’
20
Preventie kent drie niveaus:
• Universele preventie: richt zich op alle jeugdigen en hun opvoeders, bijvoorbeeld een lesprogramma voor het aanleren van sociale, emotionele en morele kerncompetenties. • Selectieve preventie: richt zich op groepen jeugdigen en opvoeders met een verhoogd risico op problemen,
bijvoorbeeld een online groepscursus voor jongeren met een ouder die psychische of verslavingsproblemen
•
heeft. Geïndiceerde preventie: richt zich op individuele jeugdigen en opvoeders met een verhoogd risico op problemen en jeugdigen en opvoeders met een beginnend probleem, bijvoorbeeld een cognitief-gedrags therapeutische interventie voor kinderen en jongeren met een negatief zelfbeeld.”35
Preventie kan dus een groot scala aan interventies en programma’s omvatten die door allerlei partijen kunnen worden uitgevoerd. Denk aan: scholen, jeugdgezondheidszorg, kinderopvang, jongerenwerk, zorgaanbieders, maar uiteraard ook vrijwillige partijen, zoals sport- en cultuurverenigingen, ouders en buurtbewoners. Belangrijk is dus te constateren dat preventie niet een exclusief recht is binnen de jeugdhulp, maar juist uitgaat van een cross-domein aanpak. Het gaat om de pedagogische kwaliteit van de omgeving waarin een kind opgroeit. De kern hierbij is: sociale binding, erkenning, waardering voor positief gedrag, steun van belangrijke volwassenen en basisvoorzieningen in de omgeving van kinderen en jongeren. Dit zijn factoren die bijdragen aan een sterke basis die de kans op gezond, veilig en kansrijk opgroeien en opvoeden zo groot mogelijk maakt.36 “Kinderen en jongeren zijn daarvoor tijdens het opgroeien afhankelijk van ouders en medeopvoeders, zoals familie, vrienden, buurtgenoten, vrijwilligers, kinder- en jongerenwerkers, leerkrachten en pedagogisch medewerkers.
Een sterke basis zorgt ervoor dat ouders steun ervaren bij het opvoeden van hun kinderen en met eenvoudige opvoedvragen makkelijker terechtkunnen bij medeopvoeders.”37 Op basis van onderzoek van het NJI en diverse “internationale onderzoeken kan geconcludeerd worden dat preventieve interventies en programma’s effectief kunnen zijn in het verminderen van opvoed- en opgroei problemen bij kinderen en jongeren. Hoewel de kosteneffectiviteit moeilijker te bewijzen is in een Nederlandse context, zijn er wel aanwijzingen dat het investeren in preventie kan lonen. Vooral preventie gericht op vroeg ingrijpen laat in de internationale context een positief effect zien op kosteneffectiviteit”38, aldus het NJI. Paradoxaal constateert het NJI echter ook dat “de meeste onderzoeken kleine effecten aan(tonen) van preventieve interventies”. Een belangrijke reden daarvoor is dat veel van deze interventies uit losse projecten bestaan die zich richten op een klein onderdeel van de leefwereld van de doelgroep. Uit literatuur is bekend dat een doelgerichte, integrale, gecoördineerde en langdurige aanpak de impact van preventie vergroot. “Een preventieve aanpak werkt het beste wanneer gebruik wordt gemaakt van een combinatie van interventies die zich richten op meerdere risico- en beschermende factoren en wanneer er sprake is van een sterke samen werking tussen partijen in verschillende domeinen.
Daarnaast vraagt een preventieve aanpak om de inzet van bewezen effectieve interventies en het gebruik van data- en sturingsinformatie om de ontwikkeling van de doelgroep te monitoren.”39 “Maar doordat deze interventies vaak weinig intensief en goedkoop zijn en een groot en langdurig bereik hebben, kan het juist interessant zijn om hierin te investeren. Tevens hebben preventieve interventies regelmatig een domeinoverstijgend effect en leveren ze daarmee ook kostenbesparingen over meerdere domeinen.”40 Over de effectiviteit van preventieve jeugdinterventies en -programma’s binnen de Nederlandse context is minder bekend. In veel reviews en analyses wordt vaak teruggegrepen op onderzoeken uit de VS of het Verenigd Koninkrijk. Landen die qua filosofie, inrichting en historie significant verschillen van de Nederlandse situatie.
35,36,37,38,39,40
Nederlands Jeugdinstituut, ‘Effectiviteit van preventie in het jeugdveld – literatuuronderzoek’, maart 2021.
De Wereld van Aandacht Deel 1: De wereld van het ‘hier en nu’
21
Innovatie en lerend vermogen beperkt In Nederland wordt binnen de jeugdhulp en het totale sociaal domein vaak gesproken over innovatie. Innovatie en transformatie zijn een mooi streven. Vaak gaat het alleen over het nieuwe dat gebouwd of versterkt moet worden, maar transformatie gaat ook over afscheid nemen van datgene dat onvoldoende werkt, in overvloed aanwezig is of datgene waarvoor we niet meer staan. Over dit afscheid en hoe we dat afscheid organiseren gaat het vrijwel nooit. Het streven naar zelfbehoud van organisaties is groot. Iedereen zorgt continu voor de eigen legitimiteit, de eigen benodigde middelen en uiteraard ook het eigen personeel. Jezelf overbodig maken is nog geen praktijk. Verwachtingen en beeld van wetenschappelijke inzichten vaak overschat In een studie naar de groei van het jeugdzorggebruik constateert het NJI dat – ondanks hetgeen hiervoor is geschilderd – de verwachtingen van preventie en jeugdzorg torenhoog zijn. “Professionals lijken veiligheidshalve vaak te kiezen voor de inzet van zorg, terwijl de resultaten van die zorg beperkt zijn. De kennisontwikkeling in de sector is namelijk nog relatief jong. Tegelijk wordt bestaande kennis te weinig gebruikt.
Dat stuwt het aantal kinderen en jongeren dat in zorg zit omhoog.” E-health, online hulpverlening en blended hulpverlening Digitale diensten en technologische hulpmiddelen geven meer mogelijkheden in de hulpverlening. Het zorgt voor een groter bereik, biedt meer flexibiliteit en kan ervoor zorgen dat mensen zichzelf kunnen helpen. Denk aan apps die helpen bij het structureren van de dag, het verminderen van stress, piekeren of een slechte nachtrust, maar ook apps voor mindfulness die kunnen helpen tijdens of na een depressie of apps waarmee je contact kan leggen met een vrijwilliger die je verder helpt. Ook in een behandeling kunnen digitale toepas singen helpen en aanbieders bieden naast fysieke gesprekken ook digitale behandeling aan. Voor kinderen en jongeren wordt in de digitale middelen steeds vaker gewerkt met een element van spel. Technologie kan dus worden ingezet voor verschillende zaken:
• Informatie, voorlichting en advies. • Probleemanalyses en monitoring (diagnostiek, zelftests en monitoring). • Ondersteuning en begeleiding (contact, tips en reminders). • Therapie en training (gedragsverandering). • Versterken van het professionele en informele netwerk (zorgplatforms, lotgenotencontact). Technologie wordt op verschillende manieren aangeboden:
• Webhulp. • Mail, chatapplicaties en instant messages. • Blended hulpverlening. • Platform. • Sociale media. • Apps. • Serious gaming/gamification. • Sensoren. • Domotica. • Robotica. • Virtual en augmented reality. • Big data.
Om uitspraken te kunnen doen over de effectiviteit van technologie binnen jeugdhulp, is volgens het NJI meer onderzoek nodig naar werkzame factoren en de contextuele omstandigheden.42 Drs. Niels Zwikker, Dr. H.M. Pijnenburg, Dr. M.J.C. van Hattum, ‘Oog in Oog met Digitale Technologie in de Jeugdsector’, Maart 2016, op: www.nji.nl/nl/Download-NJi/Oog-in-oog-met-digitale-technologie-in-de-jeugdsector.pdf 41 Tom van Yperen, Ans van de Maat, Joanka Prakken, ‘Het groeiend jeugdzorggebruik. Duiding en Aanpak’, Nederlands Jeugdinstituut 2019. 42
De Wereld van Aandacht Deel 1: De wereld van het ‘hier en nu’
22
Wanneer we naar de werkpraktijk van professionals en organisaties kijken, zien we dat ICT-systemen vaak niet op elkaar zijn afgestemd en het beheer over de verantwoording en monitoring vaak nog steeds bij de professional ligt (in plaats van bij de jeugdige of het gezin). Tevens is de tendens waarneembaar dat er regie systemen worden geïmplementeerd waarbij het beheer bij de jeugdige of het gezin ligt. Zij bepalen wie toegang heeft tot het systeem en de professionals werken samen met het gezin in een dergelijk systeem. Dergelijke systemen lossen vaak vraagstukken op rondom privacy en ook kan dit het aantal verschillende hulpverlenende instanties dat betrokken raakt verminderen. Dit vraagt echter ook van al die organisaties om niet vast te houden aan het ‘eigen gebruikte systeem’. Op beleidsniveau zien we dat veel gehanteerde systemen niet ondersteunend zijn aan professionals, beleids makers, management en bestuur. Systemen kunnen de gevraagde informatie niet genereren of zijn zo niet ingericht, of het gebruik is zo niet geïmplementeerd. Dit heeft met name te maken met de start van het ontwerp, zo blijkt. Door aan de voorzijde onvoldoende te hebben doorgrond welke indicatoren en informatie wezenlijk zijn, worden zaken wel, niet of slechts gebrekkig vastgelegd. Actieonderzoek Het instituut voor Publieke Waarden werkt op basis van actieonderzoek.
Zij passen dit toe op de 1% mensen met de meeste problemen. Volgens actieonderzoeker Eelke Blokker hebben deze mensen vaker een probleem met bestaanszekerheid dan met een gebrek aan samenwerking tussen hulpverleners: “Door geld- en woonproblemen ontstaat stress. Zo ontstaan soms ook opvoedproblemen. Dan komen er wel hulpverleners, maar die hebben geen geld en ook geen goede woning te bieden. Dat zien we ook terug in grote getallen. Op basis van gegevens van zorgverzekeraars weten we dat mensen die betalingsachterstanden hebben, veel meer zorg gebruiken. 30% van het geld dat we binnen het sociaal domein rondpompen, gaat zitten in die 1% van de mensen. De bureaucratie, de werkroutines en de morele oordelen rondom bestaans zekerheidsproblematieken zijn keihard. Zorg is veel gemakkelijker te verkrijgen. Binnen de Wmo en Jeugdwet kan bijna alles. Anders gezegd, we proberen bestaanszekerheidsproblemen op te lossen met karrevrachten aan zorgmiddelen.”43 Volgens Eelke Blokker noemen we veel zaken onterecht complex. Zijn advies is: “Stel liever prioriteiten en begin met het uit de weg ruimen van het grootste en meest urgente probleem dat gemakkelijk op te lossen is. (…) Maak een plan van uitmuntende kwaliteit, zodat maatwerk geen willekeur wordt. Er staat geen wet een dergelijke aanpak in de weg.
En geld kan het probleem ook niet zijn.”44 Activisme en innovatie van onderop Daar waar ontevredenheid speelt, is er ook energie tot verandering en vernieuwing. Daarop is het domein van de jeugdhulp geen uitzondering. De wereld van Hier en Nu zou niet compleet zijn als hier geen aandacht voor is. Ook omdat juist deze ‘niches’ een wenkend perspectief bieden voor ons reisdoel; de wereld van Daar en Dan. Uiteraard zijn er vele initiatieven te noemen en kunnen wij hier niet compleet zijn. We geven daarom een korte inkijk in enkele initiatieven met verschillende benaderingen. Garage2020 ontwerpt oplossingen voor concrete problemen die kinderen, jongeren en hun omgeving ervaren. Dit doen zij vanuit verschillende expertises én met de mensen waar het om gaat. Het gaat dus over het innoveren van de jeugdhulp op basis van een breed netwerk van mensen die anders durven denken en doen om kinderen een kansrijke start te bieden. Alle vernieuwers zijn uitgenodigd voor Garage2020.45
Eelke Blokker, ‘Ruim eerst het grootste probleem uit de weg dat makkelijk op te lossen is’, in: ‘Zorgen over de Jeugdzorg – René Peters in gesprek met ervaringsdeskundigen, wetenschappers, bestuurders en professionals’, 2021. 45 Garage2020, op: www.garage2020.nl
43,44
De Wereld van Aandacht Deel 1: De wereld van het ‘hier en nu’
23
De Schoenveterclub, een club op initiatief van ervaringsdeskundige Noa van Hagen en landelijk ambassadeur ‘Oppakken en leren van complexe casuïstiek’ Gieke Buur, wil bereiken “dat we samen zorgen voor de beste jeugdzorg”.46 Daarbij richten zij zich op de “eerlijke feedback van kinderen en ouders aan professionals om te shinen. En om zich te ontwikkelen op punten die voor kinderen en ouders belangrijk zijn.” 47 Ze onderzoeken samen over welke eigenschappen hulpverleners moeten beschikken. Levi van Dam, orthopedagoog en wetenschapper, doet onderzoek naar alternatieve vormen van jeugdhulp. Hij is gepromoveerd op een alternatieve methode: Jouw Ingebrachte Mentor, oftwel: JIM. Bij deze methode wijst een kind of jongere een vertrouwenspersoon aan die hem gedurende de tijd dat er sprake is van jeugd hulp gaat ondersteunen. Deze methode heeft het doel om uithuisplaatsing van jongeren te voorkomen. Ook zijn er initiatieven die allianties van organisaties of personen betreffen. Die allianties proberen de jeugd hulp te veranderen op basis van het maken van plannen, petities en het voeren van een lobby. Het Changelab jeugdzorg is hier een voorbeeld van.
Dit is een initiatief van Martien Kromwijk (expert sociale transities, voormalig wethouder sociaal domein) dat ondersteund wordt door Leonard Geluk namens de Vereniging Nederlandse Gemeenten en Mariënne Verhoeff namens Levvel (voorheen Spirit en Bascule). Samen hebben zij een groep van 25 experts uit het veld bijeengebracht. Dat zijn ervaringsdeskundigen, professionals, wetenschappers en verantwoordelijke bestuurders van diverse organisaties en gemeenten die verbonden zijn met het vraagstuk rondom de jeugdzorg. In een serie van drie keer twee dagen, buigen zij zich over de vraag: hoe komen we tot een betekenisvolle doorbraak in de uitvoeringspraktijk voor de toekomst van de jeugdzorg in Nederland? 48 De Jeugdsprong is een ander voorbeeld van een dergelijk initiatief. FNV Zorg & Welzijn en Stichting Beroeps eer hebben de handen ineengeslagen voor dit initiatief. Beide organisaties pleiten al langer voor stevige veranderingen in de jeugdhulp. Zij hebben dat verwoord in de manifesten #drastischversimpelen van de FNV en ‘echt doen wat nodig is’ van Stichting Beroepseer. Onder voorzitterschap van Steven de Waal werken zij deze manifesten uit tot een breed en gedragen jeugdhulpadvies aan de landelijke en lokale politiek, werkgevers, jeugdwerkers, cliënten en ervaringsdeskundigen.49 Een recent initiatief van een andere samenwerking heet ‘Samen verder’.
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, Kinderombudsman, Nationale Ombudsman, Nederlandse Zorgautoriteit en Raad voor Volksgezond heid & Samenleving slaan de handen ineen in dit initiatief. Onder de noemer ‘Samen verder’ willen deze vijf organisaties gezamenlijk bijdragen aan de ambitie om de zorg voor kinderen en gezinnen duurzaam te verbeteren en een handreiking doen waar die verbetering nu nog stagneert. Dat doen zij:
• geïnspireerd door de goede praktijkvoorbeelden van wat er op dit vlak al gebeurt; • in verbinding met ervaringen van kinderen en gezinnen en allen die hen ondersteunen; • in de overtuiging dat we samen verder komen dan alleen.
Zij bundelen onze krachten en starten een gezamenlijk traject. Een traject op basis van het rapport ‘Kinderen en gezinnen met complexe problemen samen verder helpen’. Zij willen tijdens het traject leren van de successen én de problemen die kinderen en gezinnen, hun naasten, jeugdhulpverleners, zorgaanbieders en gemeenten tegenkomen op weg naar passende zorg voor hun complexe problemen.50 Ook de rijksoverheid deelt kennis en goede praktijken. In de bijlage bij de ‘Kamerbrief over het Rapport Stuurgroep maatregelen financiële beheerbaarheid Jeugdwet’ (23 april 2021) wordt het rapport ‘Eigenwijs transformeren’ gedeeld. Dit rapport is afkomstig van het Verwey Jonkers Instituut en het Instituut van Management Onderzoek Radboud Universiteit Nijmegen en zij hebben de zorginhoudelijke alsook de
De Schoenveterclub op de website: www.deschoenveterclub.nl. Changelab Jeugdzorg op de website: www.changelabjeugdzorg.nl. De Jeugdsprong op de website: www.fnv.nl/getmedia/b5a56cc0-561f-4a77-8edf-7c0d302b842b/Achtergrond-Jeugdsprong.pdf. 50 Samen verder op de website: www.raadrvs.nl/documenten/publicaties/2021/4/20/samen-verder 46,47 48
49
De Wereld van Aandacht Deel 1: De wereld van het ‘hier en nu’
24
bestuurlijke en organisatorische kant geduid van de praktijk bij gemeenten (Deventer, Peel en Maas, Roosendaal, Utrecht en Zaltbommel). Uit het rapport blijkt dat er niet één of enkele specifieke succes- of faalfactoren zijn. De gemeenten hebben de jeugdhulp verschillend ingericht (toegang tot - en inkoop van jeugdhulp). Echter, binnen hun context is er sprake van succes. De duiding van dat succes wordt in dit rapport gegeven.51 De vele verschillende benaderingen om het jeugdhulpsysteem te helpen faciliteren naar een meer gewenste werkelijkheid zijn belangrijk en broodnodig. De vraag is hoe de impact van die initiatieven kunnen verworden tot dominante praktijken, patronen en structuren. Dit zodat de initiatieven ook betekenis krijgen op een groter schaalniveau en het gehele systeem een andere realiteit zal kennen. Het lerend vermogen van en tussen organisaties is hierbij van belang, net als de mogelijkheden om schaalvergroting te kunnen toepassen. Denk aan financiering.
51
‘Eigenwijs Transformeren op de website: www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2021/04/23/kamerbrief-over-rapport- stuurgroep-maatregelen-financiele-beheersbaarheid-jeugdwet
De Wereld van Aandacht Deel 1: De wereld van het ‘hier en nu’
25
6. Sociaal Deze dimensie gaat over de relationele dynamieken tussen mensen en welke invloed dit heeft op de positie van jeugdhulp in de Nederlandse samenleving.
Stimulerende factoren gebruik van jeugdhulp worden niet in samenhang aangepakt Zoals in de dimensie economie al staat benoemd, groeit in Nederland het gebruik van jeugdhulp al jaren. Wat zijn hier de achterliggende sociale redenen van? Het NJI en professor René Clarijs zien een aantal ontwikkelingen in het opvoeden en opgroeien van kinderen52 die hieraan bijdragen:
• De samenleving kent een steeds hogere geluksnorm waarbij gewone moeilijkheden in het leven worden benaderd als een probleem. • Tegelijkertijd wordt de samenleving ook steeds minder tolerant en het succes van opvoeden en opgroeien wordt vooral neergelegd bij het individuele gezin en veel minder bij de samenleving. Bij de strubbelingen die het opvoeden oplevert, komt professionele hulp goed van pas.
• vergroot de kans dat niet iedereen deel kan hebben aan de maatschappij. • Het aantal echtscheidingen neemt toe. • Steeds meer kinderen leven in stiefgezinnen, adoptiegezinnen, informele gezinnen, samengestelde gezinnen De prestatiedruk neemt toe, er worden steeds hogere eisen gesteld aan kinderen en jongeren en dit
(één op de tien gezinnen in Nederland), eenoudergezinnen en patchworkgezinnen, hetgeen nieuwe en
•
complexere dynamieken met zich meebrengt.
Niet alleen de vorm van gezinnen, maar ook de inhoud van gezinnen verandert. Volgens socioloog Abram de Swaan hebben gezinnen een verandering ondergaan van bevelshuishouding naar onderhandelings huishouding. Dit vergt ook weer meer bagage, meer competenties van kinderen, dan enkel het strikt gehoorzamen.
• een groter beroep op zelfsturing en zelfbeheersing. • Er is sprake van een steeds indringender mediagebruik waarbij ook sprake is van problematisch socialmediagebruik. • Netwerken rondom gezinnen zijn dun geworden. • Stresssituaties in het gezin vanwege slecht op elkaar afgestemde instellingen als school, vrije tijd en
Er is voor kinderen steeds minder rust, er zijn steeds meer prikkels en steeds minder grenzen. Dat doet
kinderopvang.53
52,53
Tom van Yperen, Ans van de Maat, Joanka Prakken, ‘Het groeiend jeugdzorggebruik. Duiding en Aanpak’, Nederlands Jeugdinstituut 2019. René Clarijs, ‘Transitie en transformatie: een nieuwe poging voor een beter jeugdbeleid’, in: ‘Op naar een integrale aanpak – Ontschotting in het sociale domein’, 2018.
De Wereld van Aandacht Deel 1: De wereld van het ‘hier en nu’
26
Beeldvorming, waarheidsvinding en feitenonderzoek in de jeugdzorg Onderzoeksjournaliste Hélène van Beek heeft in haar boek ‘Kinderen van de Staat’ misstanden in de Nederlandse jeugdhulp beschreven aan de hand van onder andere verhalen van jeugdigen, ouders, mensen die in de jeugd zorg werken of hebben gewerkt en onderzoek. De misstanden die worden beschreven gaan voornamelijk over jeugdigen die de zwaarste vormen van (gedwongen) jeugdhulp ondervinden of zijn ondergaan. In vergelijking met andere landen in Europa staat Nederland op eenzame hoogte op het gebied van ‘uit huis plaatsen’ van kinderen (42.975 kinderen woonden in 2019 bij pleegouders, in een gezinshuis of in een instelling). “Er is geen ander land bekend waar zó veel kinderen in een tehuis of instelling wonen. (…) Enkele duizenden kinderen, tot wel drieduizend, belanden jaarlijks in de meest zware vorm van opvang; een gesloten instelling oftewel JeugdzorgPlus.”54 In het boek ‘Kinderen van de Staat’ worden – op basis van gesprekken met deskundigen – ernstige twijfels gesteld bij de kwaliteit van waarheidsvinding en feitenonderzoek. Sterker nog, er wordt aangetoond dat dat niet op orde is.
Van Beek haalt een gesprek met de jeugdzorgonderzoeker Harry Berndsen aan: “Kernprobleem van jeugdzorg is dat er mensen werken die zich raadsonderzoeker noemen of Veilig Thuis-onderzoeker of gezinsvoogd, maar die niet zijn berekend op hun taak.”55 In de jeugdzorg werken voornamelijk mbo’ers en hbo’ers, stelt Berndsen. En die zijn onvoldoende opgeleid om goede rapportages te maken. Het is een veelgehoorde klacht dat de hulpverleners in de jeugdzorg wel verre gaande bevoegdheden hebben, maar niet voldoende bekwaam zijn om die zware taken uit te voeren.56 Dit staat in contrast met andere onderzoeken en de beeldvorming dat juist het gebrek aan bevoegdheden van professionals de juiste hulp in de weg staan. Berndsen bestudeerde in 2017, voor het tv-programma ‘De Monitor’, dossiers van ouders die beticht werden van kindermishandeling. In acht dossiers vond hij toen 189 (!) onwaarheden. Het is het kwalijke gevolg van knip- en plakwerk van verkeerde informatie: “Een fout in het rapport van Veilig Thuis staat ijskoud in het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming en vervolgens in het rapport van Jeugdzorg. En blijft jarenlang in stand.”57 Ook kinderombudsman Marc Dullaert constateerde eind 2013 in een honderd pagina’s tellend rapport het gebrek aan waarheidsvinding.
In het rapport erkent hij dat er op het gebied van feitenonderzoek in de jeugdzorg ernstige missers worden gemaakt die grote gevolgen hebben.58 Gesloten jeugdzorg Tot 2008 zaten jongeren met ernstige gedragsproblemen die geen straf opgelegd hadden gekregen, de civielrechtelijken, samen in justitiële jeugdinrichtingen (JJI’s) met criminele jongeren, de zogenaamde straf rechterlijken. Deze inrichtingen vielen onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van Justitie. Door toenemende maatschappelijke en politieke druk over de vermenging van deze groepen (angst voor ‘besmetting’ van slecht gedrag) kwam de Wet op de gesloten Jeugdzorg, waarmee ook de weg werd geëffend voor de JeugdzorgPlus-instellingen. In het boek ‘Kinderen van de Staat’ van onderzoeksjournaliste Hélène van Beek constateert familie- en jeugdrechtadvocaat Maria de Jong-de Kruijff op basis van haar proefschrift ‘Legitimiteit en rechtswaarborgen bij gesloten plaatsingen van kinderen’, dat er sindsdien veel nieuwe instellingen zijn gebouwd en menig JJI werd omgebouwd. Bij de inwerkingtreding van de wet werd uitgegaan van vijftig plaatsen voor geheel Nederland.59
Hélène van Beek, ‘Kinderen van de Staat – Jeugdzorg in ademnood’, Baarn 2020. Marc Dullaert (Kinderombudsman), ‘Is de zorg gegrond?’, 2013.
54,55,56,57,59 58
De Wereld van Aandacht Deel 1: De wereld van het ‘hier en nu’
27
De werkelijkheid bleek echter anders, zo constateert Hélène van Beek. Inmiddels zijn er 1.600 plekken; dertig maal de initiële inschatting. Jaarlijks komen circa tweeduizend jongeren in de JeugdzorgPlus terecht.60 Ze stelt dat dit komt door een gebrek aan een alternatief. Het is een verlegenheidsoplossing. Bij de komst van de Wet op de gesloten Jeugdzorg had toenmalig minister Rouvoet van Jeugd en Gezin ook alternatieve vormen in de vorm van niet-gesloten jeugdhulp in het vooruitzicht gesteld. Maria de Jong-de Kruijff komt tot de conclusie dat dit niet is gebeurd.61 Inmiddels zien we bij zowel gemeenten als bij aanbieders van jeugdhulp de tendens dat zij de conclusie van Maria de Jong delen: te veel jongeren komen in de JeugdzorgPlus terecht. In meerdere inkoopregio’s nemen gemeenten en aanbieders de doelstelling op om nul of minder jongeren in JeugdzorgPlus te laten belanden. De oorzaak erachter is volgens kinderpsychiater en oud-bestuurder Peter Dijkshoorn Accare (jeugdzorgorga nisatie) dat we: “Een systeem hebben waarin we niet goed analyseren wat de problemen van kinderen zijn. En dan bedoel ik: alles in kaart brengen. Temperament van het kind, wat die bij aanleg heeft meegekregen, maar ook wat er in een gezin zoal gebeurt, de goede dingen, de minder goede dingen. Hoe de omgeving in elkaar zit, hoe het sociaal werkt. We creëren armoede in de samenleving.
Armoede helpt niet in dit soort situaties. Als je in armoede leeft, ben je kwetsbaar als ouder. Nou, weet dat dan. Breng dat dan goed in kaart.”62 Volgens Dijkshoorn komt de hulp niet tijdig op de mogelijke problemen als agressie, verslaving, schulden: “Dat laten we allemaal gebeuren, het gaat niet goed. En uiteindelijk komen die kinderen misvormd als ze zijn, in de JeugdzorgPlus. En de mensen die daar werken, moeten het oplossen. En daarom neem ik het voor ze op. Maar ik vind wél dat we met elkaar moeten zorgen dat we stroomopwaarts beter worden. Want dan hoeven zij dat werk zo niet meer te doen.”63 Formeel is het doel van JeugdzorgPlus ‘gedragsverandering om straks weer in de maatschappij mee te kunnen doen.’ Maria de Jong stelt dat dat doel amper wordt gehaald omdat men dus te laat is.64 Onvoldoende rechtswaarborging Wanneer dit deel van het jeugdhulpdomein wordt vergeleken met het medische domein en het rechterlijke domein, valt het op dat er juridisch veel minder is geregeld voor de rechtsbescherming van jeugdigen en ouders. Zo concludeert advocaat Reinier Feiner dat het terechtkomen van een jongere in de JeugdzorgPlus te makkelijk gaat. Zijn kritiek gaat met name in op de stap die na het rapport van de raadsonderzoeker volgt. De rechter neemt geen beslissing op enkel het onderzoek. Er moet sprake zijn van een tweede perspectief.
Dat betekent dat een gedragsdeskundige met de plaatsing moet instemmen. Volgens Feiner stelt dit niet veel voor: “Die Verklaring gedragswetenschappen is ooit in de wet opgenomen om niet te lichtvaardig kinderen in gesloten instellingen te doen. Maar men heeft die waarborg zó uitgekleed dat, om in gesloten jeugdzorg terecht te komen, er slechts een instemmingsverklaring van een gedragswetenschapper nodig is die het kind kort van tevoren bezoekt. Die voert écht een kort gesprekje met het kind. Zo’n instemmingsverklaring is op basis van een gesprek van dertig minuten en op basis van stukken die de jeugdbescherming indient. Het is dus een heel beperkte toets. Dat is geen diagnostisch onderzoek.”65
Op basis van de Brancherapportage 2010 van Jeugdzorg Nederland lezen we dat in het jaar 2010 het gebruik van JeugdzorgPlus lag op 2.952. Dit is het aantal jeugdigen dat aan het begin van 2010 gebruikmaakte van JeugdzorgPlus opgeteld met het aantal jeugdigen dat gedurende het jaar 2010 is ingestroomd bij diezelfde zorgvorm. Het aantal plaatsen JeugdzorgPLus lag in 2010 op 1.377. Het gebruik is hoger dan de capaciteit, omdat meerdere jeugdigen gebruik kunnen maken van één plaats. Wanneer we kijken naar recente en gecontroleerde cijfers van JeugdzorgPLus door het NJI, zien we voor het jaar 2019 dat er sprake was van 1.680 plaatsen in JeugdzorgPlus, dat 1.361 unieke jeugdigen in 2019 gebruikmaakte van JeugdzorgPlus en dat het aantal jeugdigen dat in 2019 in zorg was bij Jeugd zorgPlus 2.094 is. www.nji.nl/nl/Databank/Cijfers-over-Jeugd-en-Opvoeding/Cijfers-per-voorziening/Instelling-voor-JeugdzorgPlus 61, 62, 63, 64, 65 Hélène van Beek, ‘Kinderen van de Staat – Jeugdzorg in ademnood’, Baarn 2020. 60
De Wereld van Aandacht Deel 1: De wereld van het ‘hier en nu’
28
Feiner heeft tevens op basis van een WOB-verzoek bij de gemeente Rotterdijk aangetoond dat in 95% van de gevallen, gedragsdeskundigen instemden met het verzoek voor een gesloten opname. In minder dan 5% was er sprake van een ander perspectief. “En dat had vaak niet een inhoudelijke reden. Soms bleek die jongere alsnog in een residentiële instelling (een open instelling voor jeugdzorg, red.) te kunnen verblijven waardoor het niet nodig was om naar een gesloten instelling te gaan.”66 Wanneer je deze aanpak vergelijkt met de aanpak in het strafrecht (jeugdgevangenis) vallen grote verschillen op. Om een jongere te plaatsen in een jeugdgevangenis moeten er hoogstaande onderzoeken zijn uitgevoerd. Feiner stelt: “Binnen drie maanden is er een dubbel PO (PersoonlijkheidsOnderzoek, red.) gereed als een officier dat aanvraagt. Dan bedoel ik dat een kinder/jeugdpsychiater en een kinderpsycholoog dit bijna onafhankelijk van elkaar, in wel veertig of vijftig pagina’s, echt van goede kwaliteit, op basis van meerdere gesprekken, leveren aan de rechter. Zodat de rechter bij de behandeling van de inhoudelijke zaak rekening kan houden met wat er aan de hand is. Zich de vraag kan stellen: Is iemand toerekeningsvatbaar? Maar ook: waar kan die eventueel behandeld worden?”67 Feiner heeft zich ook verdiept in de financiering van deze onderzoeken.
Voor het onderzoek in het kader van JeugdzorgPlus is een paar honderd euro beschikbaar voor het onderzoek. In tegenstelling tot het strafrecht kader. Daar wordt twintig- tot dertigduizend euro aan de onderzoeken besteed.68 In het boek ‘Kinderen van de Staat’ worden nog meer voorbeelden genoemd van onvoldoende rechtswaar borging. Zo kan de rechterlijke machtiging voor gesloten jeugdzorg eindeloos worden verlengd. Bij het oordeel van drie of zes maanden jeugdgevangenis weten jongeren waar ze aan toe zijn. Echter, een machtiging voor gesloten jeugdzorg kan telkens worden verlengd.69 En gezien het feit dat er geen alternatieven zijn, is dat geen zeldzaamheid. Het rapport ‘Geef nooit op! – Gebrek aan vervolghulp JeugdzorgPlus’ stelde dit reeds in 2018. In dat onderzoek werd onderzocht of en hoe vaak jongeren langer dan nodig in een gesloten setting verblijven als gevolg van een gebrek aan passende en tijdige vervolghulp. In het onderzoek is gesproken met respondenten uit verschillende sectoren: advocaten, rechters, vertegenwoordigers van GI’s, PC’s, JeugdzorgPLus-instellingen en open voor zieningen, het CCE, en Defence for Children. “Iedereen, unaniem, erkent dat het probleem speelt, de inschatting over hoe vaak dat voorkomt verschilt.”70 De vraag rijst dan natuurlijk waarom dit gebeurt.
In het rapport ‘Geef nooit op!’ worden hiervoor meerdere redenen benoemd: er is een tekort aan kleinschalige, langdurige typen voorzieningen waar maatwerk kan worden toegepast voor de meest complexe doelgroep; resultaatfinanciering kent de perverse prikkel van een opnamebereidheid van instellingen met de achterliggende financiële druk. Wachtlijst- en capaciteits problematiek lijkt volgens het rapport niet een een-op-eenverklaring te zijn, met de uitzonding van lang durige woonvormen.71 In justitiële inrichtingen of psychiatrische ziekenhuizen moet alles zeer nauwgezet geregistreerd en gerap porteerd worden – alsook een melding bij de directie of de inspectie. Binnen de JeugdzorgPlus wordt weinig gerapporteerd waardoor ook de rechtvaardigheid van de dwangmaatregelen niet kan worden gecontroleerd.
Hélène van Beek, ‘Kinderen van de Staat – Jeugdzorg in ademnood’, Baarn 2020. Sophie Hospers en Judith van der Zwaan, ‘Geef nooit op! -gebrek aan vervolghulp JeugdzorgPlus’’, december 2018.
66, 67, 68, 69 70, 71
De Wereld van Aandacht Deel 1: De wereld van het ‘hier en nu’
29
In het boek ‘Kinderen van de Staat’ vertelt Jason het verschil in zijn dossiers: “In de rapportages van de Bascule (psychiatrische kliniek red.) hebben ze elke dag neergezet wat er gebeurde, heel uitgebreid. In Harreveld (gesloten jeugdzorg, red.) rapporteerden ze zó weinig, zó slecht. Mijn dossier telt 28 pagina’s over vier maanden. Dat is belachelijk. Op sommige dagen staat er één zin, of een paar zinnen. Er staat niet eens in hoe lang ik op mijn kamer werd opgesloten elke dag, of hoe vaak ik in de iso heb gezeten of in de chill-out. Het staat er helemaal niet in.”72 De lector residentiele jeugdzorg Peer van der Helm benoemt ook de problematiek van deze registratie alsook melding, maar dan vanuit een andere situatie. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd heeft onderzoek gedaan naar het groeiend aantal suïcidale jongeren in de (gesloten) jeugdzorg. Uit het onderzoek van de inspectie blijkt: “In 2014 stapten tien jongeren, die bekend waren bij hulpverleners, uit het leven. Een van hen verbleef tijdens de daad in een gesloten jeugdhulpinstelling. Vorig jaar was dit aantal gestegen naar negentien jongeren, waarvan vijf in een gesloten jeugdhulpinstelling.”73 Peer van der Helm stelt echter, dat de cijfers – en dus de problemen – vele malen groter zijn dan de cijfers van de Inspectie doen vermoeden.
“Pogingen die niet slagen worden niet gemeld en maar zeer wisselend door de instellingen zelf bijgehouden. Bestuurder Bas Timman van Jeugdzorg Nederland herkent het probleem en denkt dat het goed is als in de toekomst ook pogingen worden gemeld bij de inspectie. Zo kunnen problemen sneller worden gesignaleerd.”74 Ook Peer van der Helm geeft als oorzaak: geen passende en tijdige hulp was eerder voorhanden. Echter, deze jongeren vervolgens naar gesloten jeugdzorg brengen helpt ook niet: “Geslotenheid en vervolgens separeren zijn absoluut geen garantie dat het de jongere niet lukt om zich van het leven te beroven. Integendeel. De frequentie en heftigheid van de pogingen nemen hand over hand toe, ondanks een-op-eenbegeleiding. Wanneer je een depressief kind opsluit, wordt het alleen maar depressiever.”75 Het ministerie van VWS heeft vanuit het actieprogramma ‘Zorg voor Jeugd’ besloten om 42 regionale expertteams in te richten. Dit om ervoor te zorgen dat er in complexe situaties tijdig passende hulp beschik baar komt:
• het (boven)regionaal expertteam richt zich op complexe zorgvragen, waar de reguliere hulpverlening niet uitkomt; • het (boven)regionaal expertteam adviseert over passende jeugdhulp, waarbij de vraag van de cliënt centraal staat. De experts zijn in staat om out-of-the-box te kunnen denken; • het (boven)regionale expertteam leert van de complexe casuïstiek en zijn ontstaansgeschiedenis en versterkt het leren over de jeugdhulp, de samenwerking binnen de regio en het zorglandschap.76
In de Wet op de Jeugdzorg is veel niet vastgelegd. Zo bestaat er bijvoorbeeld geen minimumleeftijd. Dit betekent dat in Nederland ook jonge kinderen opgenomen kunnen worden in de gesloten jeugdzorg, hetgeen ook gebeurt. Onderzoeksjournaliste Van Beek toont aan dat dit ook gaat om een aanzienlijk aantal.
Hélène van Beek, ‘Kinderen van de Staat – Jeugdzorg in ademnood’, Baarn 2020. Floor Ligtvoet, ‘Grote zorgen over suïcidepogingen jongeren in gesloten jeugdzorg’, Nieuwsuur 29 september 2018, op: nos.nl/nieuwsuur/artikel/2252605-grote-zorgen-over-suicidepogingen-jongeren-in-gesloten-jeugdzorg.html 76 VNG, ‘Experteams realiseren passende zorg’, op: vng.nl/artikelen/expertteams-realiseren-passende-zorg 72
73, 74, 75
De Wereld van Aandacht Deel 1: De wereld van het ‘hier en nu’
30
5% van alle kinderen in een gesloten instelling is 12 jaar of jonger. Van Beek geeft zelfs een voorbeeld van een vijfjarig meisje. De absolute aantallen in Nederland van twaalf-minners in een JeugdzorgPlus-instelling over de afgelopen jaren zijn:
• 2016: 45 kinderen jonger dan twaalf jaar. • 2017: 51 kinderen jonger dan twaalf jaar. • 2018: 39 kinderen jonger dan twaalf jaar. Er is te weinig controle op de uitvoerende macht volgens Feiner: “Wat ik heel belangrijk vind, is dat dat ik ervan overtuigd ben dat veruit de meeste kinderrechters, jeugd beschermers, mensen die werken in instellingen, dat echt wel met hart en ziel doen.”77 “Het grote probleem daarbij is dat iedereen denkt, en vooral de uitvoerende macht, omdat ze het beste met de kinderen voorhebben, dat controle helemaal niet zo belangrijk is. ‘We willen kinderen alleen maar helpen’, zeggen ze. Dat is de reden dat er in het civiele jeugdrecht veel meer ruimte is gegeven aan de uitvoerders om te handelen, zonder er goed toezicht op is.”78 Volgens Feiner vergroot deze mentaliteit de risico’s op verkeerde beslissingen en willekeur. Dit in een situatie waarbij kinderen en ouders de mogelijkheden hebben om zich goed te verdedigen, in tegenstelling tot situaties die onder het strafrecht vallen. Uitnodigingen voor rechtszittingen worden bijvoorbeeld niet aangetekend verstuurd. Dit vergroot het risico op het niet zien van de uitnodiging, zeker voor ouders die onder bewindvoering staan of in de schuldsanering zitten. Een tijdige reactie of voorbereiding is dan al zeer lastig. Binnen het strafrecht werkt dit anders.
Brieven worden aangetekend verstuurd en er is de waarborging dat iemand die wordt beschuldigd, minimaal tien dagen van tevoren op de hoogte moet worden gesteld van de dagvaarding.79 Geen effect In het boek ‘Kinderen van de Staat’ worden meerdere studies naar de effecten van gesloten jeugdzorg aan gehaald. Uit de studies blijkt dat gesloten jeugdzorg niet werkt. Met name wanneer kinderen meerdere malen in de gesloten jeugdzorg zitten. Saillant detail is dat meer dan een kwart van de kinderen vaker dan één keer in een gesloten instelling zit.80 Over het jaar 2020 wordt door Jeugdzorg Nederland wel goed nieuws gemeld. Op 8 april 2021 publiceren zij op hun website het volgende: “Het aantal jongeren dat in 2020 in instellingen voor JeugdzorgPlus (gesloten jeugdzorg) is geplaatst, is met 18% gedaald ten opzichte van het jaar ervoor. Dat blijkt uit de jaarlijkse plaatsingsgegevens van Jeugdzorg Plus. Het aantal jongeren in de JeugdzorgPlus daalt al langer.
‘Dat is een goede ontwikkeling die mede het gevolg lijkt te zijn van het beleid van gemeenten en jeugdzorginstellingen, en de inzet op alternatieve en beter passende vormen van zorg,’ zegt Bas Timman, bestuurslid van Jeugdzorg Nederland.”81 Echter, er worden gelijk weer kanttekeningen geplaatst bij dit goede nieuws door Timman: “De (forse) afname in 2020 kan deels het effect zijn van de coronacrisis waardoor jongeren minder goed in beeld waren. Bovendien kan de crisis ook leiden tot meer zorg straks. We zien nu al dat de druk op de jeugd-ggz groot is.”82
Hélène van Beek, ‘Kinderen van de Staat – Jeugdzorg in ademnood’, Baarn 2020. Jeugdzorg Nederland op de website: www.jeugdzorgnederland.nl/actueel/forse-daling-jongeren-in-jeugdzorgplus-in-2020/
77, 78, 79, 80 81, 82
De Wereld van Aandacht Deel 1: De wereld van het ‘hier en nu’
31
Niet beschermd In elk geval twee commissies onderzochten de afgelopen tien jaar geweld en (seksueel) misbruik in de jeugd zorg. De eerste commissie werd geleid door Rieke Samson en de tweede commissie door Mischa de Winter. Daarbij keken zij naar de periode vanaf 1945 tot heden. Nederland schrok van de uitkomsten en er kwamen excuses van de verantwoordelijken, onder wie minister Hugo de Jonge van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Uit het onderzoek van Commissie De Winter is gebleken dat 75% van de kinderen die na de Tweede Wereldoorlog in pleegzorg zaten, te maken hadden gehad met fysiek, verbaal (vernedering of geestelijk mishandeling) of seksueel geweld. In die 75 jaar zaten naar schatting tienduizenden kinderen in de jeugdzorg. Slachtoffers meldden over de jaren voor 1970 fysiek en psychisch geweld dat vooral uitgeoefend werd door groepsleiding en pleegouders. Na 1970 verschoof dit naar meer fysiek geweld van pupillen onderling. Ook in de meest recente periode vinden veel betrokkenen – jeugdigen en groepsleiding – het klimaat nog onveilig, vooral in de gesloten jeugdzorg, de justitiële jeugdinstellingen en de opvanglocaties voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen.83 Voor ex-pupillen blijkt psychisch geweld, zoals aanhoudend treiteren, vernederen en isoleren, van grote invloed op hun latere leven.
Veelgenoemd worden psychosociale gezondheidsklachten, relatieproblemen en problemen met het opvoeden van eigen kinderen. De Commissie De Winter schat op basis van representatief onderzoek dat één op de tien personen die ooit in de jeugdzorg verbleef, vaak tot zeer vaak geweld meemaakte. Bijna een kwart van de ondervraagden heeft nooit geweld meegemaakt. Uit datzelfde onderzoek bleek dat geweld in pleeggezinnen minder voorkwam dan in instellingen.84 Veel verschillende factoren hebben een rol gespeeld in hoe het geweld heeft kunnen gebeuren. Ten eerste de negatieve maatschappelijke kijk op het uit huis geplaatste kind werkte lange tijd geweld in de hand: strenge tucht werd veelal gezien als de manier om onmaatschappelijkheid en moreel verval van kinderen te bestrijden. Ten tweede waren de financiële middelen permanent onvoldoende om geschikt personeel te vinden en voor langere tijd aan zich te binden. Ten derde blijkt onvoldoende professionaliteit (opleiding en methodieken) een belangrijke oorzaak van geweld alsook het bij elkaar plaatsen van grote groepen kwets bare kinderen. Ten vierde zette uitgebreide wet- en regelgeving die bescherming moet bieden aan kinderen en een bredere professionalisering van de jeugdzorg pas in de jaren negentig van de vorige eeuw door en deze is tot op heden nog niet ‘af’.
Tot slot heeft het toezicht op de kinderen in instellingen en pleeggezinnen in de gehele periode gebreken gekend. Doorgaans werd bij geweld niet ingegrepen. Pupillen konden of durfden niet over geweld te praten. Als er sprake was van geweld konden ze vrijwel bij niemand terecht. Het toezicht door inspecties was in de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog marginaal. Het uitgangspunt was dat de verantwoordelijkheid bij de particuliere instellingen lag. De toezichthoudende rol van de overheid werd in de jaren 70 van de vorige eeuw groter, maar bleef in de praktijk daarna vooral op afstand. Uit het onderzoek komt naar voren dat de overheid – uitgezonderd bij grote calamiteiten – nauwelijks op signalen van geweld reageerde.85 Naar aanleiding van Commissie De Winter kunnen slachtoffers van geweld in de jeugdzorg in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming van vijfduizend euro (!) via het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Ook heeft het Rijk gesteld dat er een website beschikbaar komt specifiek voor deze slachtoffers en waar ervaringen van andere slachtoffers worden gedeeld. Tot slot komt er een contactpunt waar slachtoffers geholpen worden om passende hulp te krijgen. Echte antwoorden op de eerdergenoemde oorzaken zijn dit niet.
83, 84, 85
Commissie de Winter, ‘Onvoldoende beschermd – geweld in de Nederlandse jeugdzorg 1945 - heden’, juni 2019.
De Wereld van Aandacht Deel 1: De wereld van het ‘hier en nu’
32
Armoede als risicofactor voor jeugdhulp Vanwege corona, en de daarmee gepaard gaande economische neergang, wordt verwacht dat het aantal gezinnen in armoede in Nederland zal groeien. Het risico om in een gezin met geldzorgen op te groeien is groter voor kinderen uit eenoudergezinnen, bijstandsgezinnen, gezinnen met laagopgeleide ouders en kinderen uit migrantengezinnen en vluchtelingengezinnen. Binnen de jeugdhulp in Nederland kennen we zes domeinen die van positieve of negatieve invloed kunnen zijn op de draagkracht en draaglast van een gezin:
• Kindfactoren. • Ouderfactoren. • Gezinsfunctioneren. • Contextuele factoren. • Sociaal netwerk. • Hulpverlening. 86
Armoede is een zeer belangrijke contextuele risicofactor met betrekking tot jeugdhulp. Senior-adviseur bij het Nederlands Jeugdinstituut Hilde Kalthoff schrijft op basis van onderzoek: “Ouders die in armoede leven geven aan niet altijd in de basisbehoeften van het gezin te kunnen voorzien en stress te ervaren vanwege het leven in armoede. Door deze stress komt de band tussen ouders en kinderen soms onder druk te staan, bijvoorbeeld doordat ouders minder aandacht voor hun kinderen hebben, hun kinderen minder stimulering, structuur en ondersteuning bieden, minder vaak positief op hun kinderen reageren, of doordat er weinig momenten zijn om samen te ontspannen en plezier te maken. Ook maakt stress het moeilijker om goed te reflecteren op het eigen opvoederschap en wordt gedrag van jeugdigen eerder als problematisch gezien. Langdurige stress kan daarnaast leiden tot minder sensitiviteit in de ouder-kindinteractie, waardoor er risico op onveilige hechting ontstaat. Dit is een risicofactor voor het ontstaan van latere problemen bij het kind. Maar armoede brengt nog meer risico’s met zich mee voor de ontwikkeling van jeugdigen. Zo kunnen materiële achterstanden bijdragen aan stressklachten, slechtere concentratie op school en leerachterstanden.
Armoede is daarnaast een belangrijke risicofactor voor kindermishandeling, gaat vaak samen met het leven in een minder veilige buurt, hangt samen met een ongezondere levensstijl die kan bijdragen aan een slechtere gezondheid en geeft vaker onzekerheid over het toekomstperspectief. Ook verliezen veel ouders in armoede hun sociale netwerk, wat weer kan leiden tot extra financiële en emotionele problemen.”87 “Armoede zorgt niet automatisch voor problemen bij kinderen op lange termijn. Als armoede langdurig is en samengaat met meer risicofactoren en minder beschermende factoren, is de kans op ontwikkelingsproblemen van kinderen groot. Het betreft risicofactoren bij ouders (zoals een lage opleiding, alleenstaand ouderschap, langdurig ziek zijn), bij het kind (bijvoorbeeld moeilijk temperament) en de omgeving (een slechte woonsituatie, onveiligheid in de buurt). Hiertegenover staan beschermende factoren bij de ouders (goede relatie, veerkracht), bij het kind (zoals een makkelijk temperament) en in de omgeving (goede sociale netwerken, goed functio nerende basisvoorzieningen).”88 Niet alleen Kalthoff, maar ook vele andere (ervarings)deskundigen uit de praktijk van jeugdhulp geven aan dat het investeren in bestaanszekerheid (inkomen en een woning) vaker de beste vorm van jeugdhulp kan zijn voor een gezin.
Armoede maakt het niet alleen lastig om in de basisbehoeften te voorzien, maar werkt door in alle lagen van de behoeften piramide.
86
Website Richtlijnen Jeugdhulp https://richtlijnenjeugdhulp.nl/gezinnen-met-meervoudige-en-complexe-problemen/goed-genoeg-opvoederschap/factoren/ 2 juli 2020. Hilde Kalthoff, ‘Opgroeien en opvoeden in armoede. Over de leefsituatie van kinderen in armoede en de gevolgen’, Nederlands Jeugd instituut 2021.
87, 88
De Wereld van Aandacht Deel 1: De wereld van het ‘hier en nu’
33
Armoede in Nederland neemt toe Eén miljoen mensen in Nederland moeten rondkomen van een laag inkomen. Eén op de dertien kinderen in Nederland groeit op in armoede. Als land kiezen we daar ook voor. Armoede in Nederland is een politieke keuze. Onze nationale onderzoeksinstituten erkennen dat door de lage bijstandsuitkering mensen maandelijks net-niet-genoeg krijgen (jaarlijks drieduizend euro tekort).89 Het Sociaal en Cultureel Planbureau berekent sinds enkele jaren het zogenaamde nationale inkomenstekort: “Om het totale inkomenstekort van de arme huishoudens (inclusief zzp en mkb) aan te vullen zou in 2017 iets minder dan 2,7 miljard euro nodig zijn.” 90 Dat is minder dan 1% van de jaarlijkse uitgaven van de Nederlandse overheid. Een tekort betekent dat mensen schulden moeten maken om te kunnen overleven en als gevolg daarvan is er een schuldenindustrie ontstaan. Die industrie bestaat uit vele partijen die mensen met schulden kunnen helpen. Bijvoorbeeld de voedselbanken, sport- en cultuurfondsen, budgetmaatjes en schuldhulpverlening. Uiteindelijk overlijden arme mensen zes jaar eerder dan mensen met een hoog inkomen, zo meldde de Raad voor Volksgezondheid & Samenleving. Sinds 1979 is de koopkracht van de bijstand afgenomen en tot 2035 wordt de bijstand verlaagd.
Werk is daarnaast geen garantie tegen armoede en geschat wordt dat schulden de samenleving zeventien miljard kosten.91 Passend Onderwijs en jeugdhulp Naast de decentralisatie van de jeugdhulp in 2015 naar gemeenten, vond er nog een andere transitie plaats. Passend Onderwijs werd in 2014 ingevoerd. Binnen deze transitie werden verschillende beleidsprogramma’s voor leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften vervangen. Vanuit het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft er na vijf jaar een evaluatie plaatsgevonden naar de werking van Passend Onderwijs. Uit de evaluatie is gebleken dat de stelselwijziging voor leraren en ouders echt minder heeft opgeleverd dan gedacht. Sterker, het effect van Passend Onderwijs op leerlingen en studenten is niet goed vast te stellen. In de evaluatie worden ook de knelpunten in de afstemming met jeugdhulp benoemd: “Scholen ervaren dat het lastig is om goede afspraken te maken met jeugdhulpverleners over ondersteuning van leerlingen die dat nodig hebben. Ze hebben te maken met wisselingen in jeugdhulpteams, met onduidelijk heid over de regie, en met wachtlijsten voor onderzoek en behandeling. Verder hebben scholen (net als ouders) last van discussies die soms ontstaan over wie welke kosten moet dragen.
Knelpunten in de afstemming spelen het meeste in het speciaal onderwijs, waar relatief veel leerlingen met jeugdhulp te maken hebben.” 92 Echter, ook andersom zijn de verwachtingen niet uitgekomen. In de evaluatie wordt aangegeven dat Passend Onderwijs strikt genomen weinig directe gevolgen heeft gehad voor het handelen van leraren, dus hun dagelijkse praktijk. In de evaluatie staat: “Er zijn landelijk niet substantieel meer leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften in het regulier onderwijs terechtgekomen. Het door leraren gerapporteerde percentage is al sinds 2008 stabiel, het gaat om 20-25% van de leerlingen in hun groep. Wel zijn er aanwijzingen dat de aard en complexiteit van de onderwijsbehoeften veranderd zijn: vaker gedragsproblemen in plaats van – of naast – leerproblemen, en vaker meervoudige problemen. Leraren hebben niet substantieel meer hulp gekregen bij de ondersteuning van deze leerlingen. Weliswaar kregen op veel plaatsen intern begeleiders en ondersteuningscoördinatoren extra uren, maar dat is vermoedelijk door leraren niet altijd gezien of herkend als een gevolg van Passend Onderwijs. Ook nam in het primair onderwijs het aantal onderwijsassistenten toe, maar niet zodanig dat elke leraar over deze hulp kan beschikken.
89
Sociaal Cultureel Planbureau en Nibud. Tonie Broekhuijsen, ‘Armoede in Nederland (5): hoe komen we er vanaf?’ Follow the Money 11 maart 2021. Guuske Ledoux, Sietske Waslander, Ton Eimers, ‘Evaluatie Passend Onderwijs – Eindrapport Mei 2020’, op: https://evaluatiepassendonderwijs.nl/publicaties/eindrapport-evaluatie-passend-onderwijs/
90, 91 92
De Wereld van Aandacht Deel 1: De wereld van het ‘hier en nu’
34
Er is niet groot ingezet op deskundigheidsverhoging van leraren in het regulier onderwijs. De hiervoor verant woordelijke schoolbesturen laten dit vaak over aan de scholen. Scholen geven aan dat de deskundigheid van leraren over Passend Onderwijs enigszins gegroeid is vergeleken met vijf jaar geleden. Leraren vinden zichzelf gemiddeld bekwaam genoeg om leerlingen extra te ondersteunen. Ze vragen eerder om faciliteiten (kleinere klassen, meer handen in de klas) dan om scholing.” 93 Leraren ervaren al langer meer belasting en het onderwijs moet structureel beter In het evaluatierapport over Passend Onderwijs staat dat leraren al langer meer belasting ervaren en dat leraren die toeschrijven aan Passend Onderwijs. Echter, het rapport stelt ook dat leraren die belasting al ervoeren bij de start van Passend Onderwijs en dat betekent volgens het evaluatierapport dat er al eerder meer aan de hand is in het onderwijs. Leraren gaven bijvoorbeeld aan: te grote klassen, te veel leerlingen met ondersteuningsbehoeften, te weinig ondersteuning en te zware eisen van de inspectie. Daar bovenop kwam dan nog eens Passend Onderwijs. Leraren stellen niet de uitgangspunten van Passend Onderwijs ter discussie, maar wel de organisatie en de beschikbare faciliteiten. Dat er meer aan de hand is in het onderwijs, blijkt ook uit het rapport ‘De Staat van het Onderwijs 2021’ van de Inspectie Onderwijs.