Beantwoording vragen van de raad APV 2021 def.docx
Tekst van het document
GEMEENTE VELSEN
Beantwoording technische vragen wijziging van de APV
Naam raadslid
Leo Aardenburg/Tamara Rutte
Fractie
LGV
Portefeuillehouder(s)
F.C. Dales
Onderwerp: Technische vragen wijziging van de APV
Vraag 1
In het raadsbesluit staat bij artikel I onderdeel A de toevoeging van een nieuw tweede lid aan artikel 2:25 APV. Met dit tweede lid wordt toegevoegd dat het verboden is een voor publiek openstaand lokaal en daarbij behorend erf te betreden wanneer deze op grond van artikel 2:19 APV is gesloten. In artikel 2:25 zijn soortgelijke verboden opgenomen wanneer er sprake is van sluiting op basis van andere wetgeving dan de APV. In artikel 2:20 APV staat een dergelijk verbod opgenomen indien er sprake is van sluiting op grond van artikel 2:18 APV. Is het daarmee niet logischer om dit lid toe te voegen aan artikel 2:20 APV? Antwoord vraag 1
Op grond van artikel 2:18 APV kan niet alleen tijdelijke sluiting worden bevolen, maar kan ook overgegaan worden tot het stellen van tijdelijke verplichte sluitingstijden of afwijkende toelatingstijden. In artikel 2:20 wordt het betreden van panden die zijn gesloten op grond van artikel 2:18 APV strafbaar gesteld. Artikel 2:25 APV ziet op strafbaarstelling van het betreden van een tijdelijk gesloten pand in verband met openbare orde verstoringen. Het is dan ook niet logisch om de strafbaarstelling uit artikel 2:20, voor zover deze ziet op de tijdelijk verplichte sluitingstijden of afwijkende toelatingstijden, samen te voegen met artikel 2:25. Een alternatief zou zijn om het huidige artikel 2:20 APV op te splitsen. Het gedeelte dat ziet op het betreden van panden buiten de tijdelijk verplichte sluitingstijden en afwijkende toelatingstijden zou dan in afdeling 6 blijven staan en het gedeelte dat ziet op de tijdelijke sluiting van openbare inrichtingen zou dan worden samengevoegd met artikel 2:25 APV. Dit lijkt ons niet wenselijk in het belang van de leesbaarheid en overzichtelijkheid. Vraag 2
In artikel I onderdeel C onder 1 wordt een nieuw eerste lid toegevoegd aan artikel 5:7 APV. Door toevoeging van dit lid wordt het voor het college mogelijk om plaatsen aan te wijzen waar het verboden is om een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren. In de huidige APV is in artikel 5:8 ook al een verbod opgenomen ten aanzien van het parkeren van dergelijke voertuigen bij een voor bewoning of ander dagelijsk gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. Daarbij kan op grond van het huidige artikel 5:7, lid 1, van de APV ook al wegen worden aangewezen waar het verboden is om voertuigen die met inbegrip van de lading een lengte hebben van meer dan zes meter te parkeren. LGV vraagt zich
GEMEENTE VELSEN derhalve af wat de toegevoegde waarde is van dit extra lid ten opzichte van de reeds bestaande mogelijkheden. Antwoord vraag 2
Met artikel 5:8 APV wordt een algemeen verbod gegeven op het parkeren van grote voertuigen voor woningen of andere gebouwen voor zover dat hinderlijk is voor de bewoners of gebruikers. Het gaat dan bijvoorbeeld om het parkeren van een hoog voertuig voor een raam van een woning waardoor de lichtinval wordt belemmerd. Voor dit verbod is geen nadere aanwijzing nodig van bepaalde gebieden. Het verbod geldt dus binnen de gehele gemeente. Artikel 5:7 APV ziet op het tegengaan van andere vormen van het onwenselijk parkeren van grote voertuigen op bepaalde aangewezen plaatsen in de openbare ruimte. Het bestaande (en in het raadsvoorstel tot lid 2 vernummerde) lid ziet op het parkeren van voertuigen met een lengte van meer dan 6 meter op plaatsen waar dit buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte. Het nieuw voorgestelde eerste lid van artikel 5:7 APV biedt een aanvullende mogelijkheid om plaatsen aan te wijzen waar het verboden is om grote voertuigen met een lengte van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren, omdat dit schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. Dit nieuw voorgestelde lid is aanvullend in die zin dat het hiermee mogelijk wordt een gebied aan te wijzen waar het parkeren van dergelijke voertuigen schadelijk wordt geacht voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
Hierbij hoeft er geen sprake te zijn van het op hinderlijke wijze parkeren van dergelijke voertuigen bij gebouwen of op locaties waar de beschikbare parkeerruimte schaars is. Het gaat dan puur om het uiterlijk aanzien van de aangewezen locaties. Vraag 3
Door toevoeging van een nieuw eerste lid aan artikel 5:7 APV wordt voorgesteld de overige leden te vernummeren. Onder 3 wordt vervolgens de tekst van het nieuwe derde lid gewijzigd. Hierbij wordt de verwijzing naar het eerste lid aangepast naar het tweede lid. De nieuwe leden 4 en 5 verwijzen echter ook naar het eerste lid. Dient de tekst van deze leden dan niet ook aangepast te worden? Antwoord vraag 3
De uitzondering van het tot lid 3 vernummerde lid is alleen van toepassing op het verbod uit het tot lid 2 vernummerde lid. Dit omdat er overdag op werkdagen over het algemeen minder problemen zijn met de verdeling van beschikbare parkeerruimte. De verwijzing in de naar lid 4 en 5 vernummerde leden moet inderdaad een verwijzing bevatten naar zowel het eerste als het tweede lid. Dit wordt verwerkt in een aangepast concept raadsbesluit. Vraag 4
In artikel I onderdeel F wordt voorgesteld om artikel 5:28 APV op te nemen in artikel 6:1 APV. In artikel 5:28 APV is aan het college de bevoegdheid toegekend om nadere regels met betrekking tot het gebruik van het strand te stellen. Door deze opneming wordt al hetgeen het college in de nadere regels als verbod opneemt strafbaar met een geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden, zonder dat de raad dus weet welke verboden het betreft. Los van het gegeven dat dit onwenselijk op LGV overkomt, vraagt LGV zich af of dit niet in strijd is met de wet. Immers, in artikel 154 Gemeentewet is bepaald dat de raad op overtreding van zijn verordening straf kan stellen. Daarbij is in artikel 156, lid 2, aanhef en onder e, van de Gemeentewet deze bevoegdheid uitgezonder van overdracht aan andere organen. De nadere
GEMEENTE VELSEN regels die het college kan stellen, betreft geen verordening van de raad die overtreden wordt. Zodat dit in strijd lijkt te zijn met het bepaalde in artikel 154 van de Gemeentewet. Antwoord vraag 4
Nadere regels zijn algemeen verbindende voorschriften ter uitwerking van onderdelen van een verordening. Met artikel 5:28 van de APV heeft de raad aan het college de bevoegdheid toegekend om nadere regels te stellen met betrekking tot het gebruik van het strand in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid, het milieu en het voorkomen van overlast. Het klopt inderdaad dat het aan de raad is om straf te stellen op overtreding van zijn verordening. Dat is ook de reden waarom het opnemen van de strafbaarstelling van artikel 5:28 APV in artikel 6:1 APV wordt voorgelegd aan de raad. Dit is ons inziens niet in strijd met de Gemeentewet. Als dat wel het geval zou zijn zou hetgeen in nadere regels wordt bepaald immers nooit strafbaar gesteld kunnen worden. Of de raad het ook wenselijk vindt dat het college nadere regels stelt met betrekking tot het gebruik van het strand, die met opneming in artikel 6:1 APV ook strafbaar worden gesteld, is een andere vraag.