CConstaterende datVelsen
Koppel je AI →
Document · PDF

B.A. Economisch daklozen met kinderen

Raadsvergadering 23 december 2021, gemeente VelsenBij agendapunt: Huisvestingsverordening Zuid-Kennemerland/IJmond, gemeente Velsen 20223.608 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Het economisch daklozen vraagstuk

1. Aanleiding Het aantal inwoners dat niet zelf kan voorziening in (tijdelijke) huisvesting is de afgelopen jaren sterk toegenomen in de gemeente. In 2015 ging het om 1 á 2 gezinnen die we tijdelijk hebben gehuisvest. In 2020 waren dit er ongeveer 10 (zowel alleenstaanden als gezinnen). Het aantal (dreigend) dakloze gezinnen of gezinnen in een moeilijke thuissituatie is naar verwachting veel hoger. De coronacrisis en de situatie op de woningmarkt hebben hieraan bijgedragen. We kunnen binnen deze groep onderscheid maken op tenminste twee manieren, namelijk naar gezinssituatie en naar oorzaak. We hebben te maken met alleenstaanden en eenoudergezinnen met kind(eren). Ze zijn dakloos geworden of dreigend dakloos door een scheiding, financiële problemen en/of complexe problematiek (verslaving, psychiatrische problemen etc.) In de praktijk bewandelt elke groep een andere weg richting het einddoel: zelfstandig wonen in een reguliere woning. Huisvestingsverordening In de uitgangspuntennotitie van de Huisvestingsverordening is opgenomen dat we onderzoeken of we (gescheiden) woningzoekenden met minderjarige kinderen een vorm van urgentie kunnen geven – naar Haarlems voorbeeld. In de raadssessie is kort ingegaan op dit onderwerp. In deze notitie volgt een nadere verkenning van de implicaties van het voorstel.

Daarbij beschrijven we de achtergrond, het huidige Velsense stelsel, de mogelijke effecten van deze maatregel en alternatieven.

2. Het speelveld 2.1 Dakloos, en nu? Dakloos met psychiatrische problemen en/of verslavingsproblemen Op grond van artikel 1.2.1c van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015 komt een persoon in aanmerking voor opvang ‘indien hij de thuissituatie heeft verlaten (…) en niet in staat is zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te handhaven in de samenleving.’ In de praktijk1 wordt er in de uitleg onderscheid gemaakt tussen personen met ernstige psychiatrische en verslavingsproblemen en personen die deze niet hebben. De groep die naast het ‘woonprobleem’ ook nog andere problemen heeft, wordt daarbij onvoldoende in staat geacht om zich op eigen kracht maatschappelijk te handhaven. Zij komen op grond van de Wmo in aanmerking voor hulp. Zij kunnen daarom terecht in de Maatschappelijke Opvang, waar een trajectplan wordt gemaakt. Dit plan adresseert de problemen en moet leiden naar een passend perspectief op maat. Dat kan zelfstandig wonen met of zonder ambulante begeleiding zijn (bijvoorbeeld via een kanscontract), maar ook een verblijf in een Beschermd Wonen instelling. De verblijfsduur in de Maatschappelijke Opvang is in principe drie maanden, maar kan verlengd worden tot zes maanden.

In de praktijk blijkt dat de gemiddelde verblijfsduur van deze groep gezien de situatie op de woningmarkt ook de zes maanden geregeld overschrijdt. Dakloos zónder psychiatrische problemen en/of verslavingsproblemen

1 Trimbos Instituut (2015) Dakloze personen zonder OGGz-problematiek en hun ondersteuning

https://www.trimbos.nl/docs/54113984-2048-41d7-960a-8a4c9dd99c5f.pdf 2

De groep daklozen zónder OGGz-problematiek wordt op grond van de Wmo door veel gemeenten zelfredzaam geacht, alleen niet op het gebied van huisvesting2. Ze hebben geen eigen woning, kunnen niet terugvallen op voorliggende (doorstroom)voorzieningen en/of het eigen sociale netwerk. De oorzaak daarvan kan liggen in bijvoorbeeld een scheiding, werkloosheid of een faillissement. Voor de Maatschappelijke Opvang komen ze door het ontbreken van aanvullende problematiek niet in aanmerking. De conclusie vanuit de sociale hoek is dan ook: ze hebben een woning nodig. Lang werd gedacht dat een economisch dakloze zelf binnen onafzienbare tijd een (al dan niet eerst tijdelijke) woonoplossing kon vinden. Dit gebeurt ook. De groep die niet direct een nieuwe woning vindt, woont in bij familie en vrienden of woont bijvoorbeeld antikraak of tijdelijk in een kamer. Inmiddels is er landelijk echter ook steeds meer bewijs dat het niet altijd zelf lukt. De situatie op de woningmarkt hangt daar natuurlijk sterk mee samen. Van ‘reguliere’ woning overstappen naar een andere reguliere woning is lastig. De koopprijzen zijn hoog, particuliere huurwoningen zijn er weinig en/of zijn te duur. Voor een sociale huurwoning moet een woningzoekende in Velsen steeds langer ingeschreven staan. Een tussenstap, vóór een permanente woonoplossing, is echter ook niet altijd mogelijk.

Dat heeft voor een deel ook te maken met aanbod, maar ook met bijvoorbeeld regelgeving. Gezinnen met kinderen komen bijvoorbeeld vaak niet in aanmerking voor antikraak wonen. Wanneer iemand daarnaast niet bij iemand in het eigen netwerk kan inwonen, ontstaat een probleem: dakloosheid. Is iemand dakloos, dan is de kans aanwezig dat er meer problemen bijkomen. Het risico bestaat dat men in een negatieve spiraal belandt. Schulden, een woonprobleem, stress, psychische problemen versterken elkaar hierbij.

3. Het huidige stelsel in Velsen 3.1 Het stelsel Als een economisch dakloze zich momenteel bij de gemeente meldt, wordt allereerst gekeken of een inwoner zelfredzaam is. In sommige gevallen kan een inwoner bijvoorbeeld in het netwerk opgevangen worden. Als dat niet het geval is, zijn er een paar mogelijkheden. • In uitzonderlijke gevallen is het mogelijk om urgentie te krijgen. In dit geval is er sprake van aanvullende redenen. Een (aanstaande) scheiding is op zichzelf bijvoorbeeld geen reden voor urgentie. Gaat dit gepaard met ernstige intimidatie en bedreigingen, dan kan er een andere afweging worden gemaakt. • Er wordt tijdelijke woonruimte betrokken in de tussenwoningen. Er zijn vier appartementen in Oud-IJmuiden beschikbaar gesteld voor de tijdelijke huisvesting van economisch daklozen (maximaal twee huishoudens per appartement voor een periode van maximaal 2 jaar). In deze periode vindt er ondersteuning plaats bij het vinden van nieuwe (permanente) huisvesting. • Wanneer de tussenwoningen vol zitten, er sprake is van een dringende situatie en er echt geen opvangmogelijkheden zijn, is plaatsing in een hotel of vakantiepark de enige optie. Genoeg is het momenteel echter niet. Het aantal urgentieaanvragen neemt toe, de tussenwoningen zijn vol. Net als veel andere gemeenten worstelt ook Velsen dus met het ‘economisch daklozen vraagstuk’.

3.2 Knelpunten Het is in de gemeente door de groei van de doelgroep de laatste paar jaar een relatief nieuw onderwerp. Er is met het project van de tussenwoningen een stap gezet, maar het stelsel kent zijn beperkingen.

2 Uit een pilot in Haarlem bleek dat er geregeld tóch sprake was van aanvullende problematiek.

3

(1) Aantal Dat het stelsel beperkingen kent, is allereerst, en waarschijnlijk ook grotendeels, te wijten aan het aantal economisch daklozen. Het feit dat meer dan één op de drie huwelijken eindigt in een scheiding is een belangrijke oorzaak. De coronacrisis heeft tot nog meer spanningen geleid. Inwoners zijn niet in alle gevallen voldoende voorbereid. Dat kan ook niet altijd. Er kan een ongelukkige samenloop van omstandigheden zijn. Soms is het ook een achteraf wat te rooskleurige inschatting van de situatie. Denk aan financiële afhankelijkheid van de partner, niet op het koopcontract staan, niet ingeschreven staan bij Woonservice. Geen back-up plan hebben wanneer de zaken anders verlopen dan gedacht. Zoals vermeld redden sommige inwoners zich met behulp van hun netwerk. Zij trekken als zogenaamde ‘bankslaper’ van familielid naar familielid. Met name voor kinderen is een rondtrekkend bestaan geen wenselijke situatie.3 (2) Tijd tussen beoordeling urgentieaanvragen en aanvragen tussenwoningen Voor de tijd die verstrijkt tussen de aanvraag en de beschikking zijn geen voorzieningen beschikbaar. De tussenwoningen zitten immers vol. Indien er in dit geval dus geen oplossingen in het netwerk zijn, zal moeten worden verwezen naar vakantieparken en hotels. Afhankelijk van de tijd in het jaar is de beschikbaarheid van ruimte een issue, daarnaast zijn de kosten hoog.

Gaat het om verblijf van een langere periode dan is het ook niet in lijn met het gemeentelijk beleid (geen bewoning op vakantieparken). Voor de dakloze gaat vooral het gebrek aan perspectief op. (3) Capaciteit tussenwoningen De capaciteit van de tussenwoningen is onvoldoende om in het groeiend aantal daklozen te voorzien. Na een langzame start zijn de woningen inmiddels vol. De maximale capaciteit van 8 huishoudens wordt hierbij niet gehaald. In de praktijk blijkt dat de combinatie tussen een eenoudergezin met kinderen en een onbekend ander huishouden in één woning moeizaam verloopt. (4) Gebruik tussenwoningen Het doel van de tussenwoningen was het aanbieden van tijdelijke woonruimte om de situatie weer op orde te krijgen. Dit is in een enkel geval gelukt. Bewust is gekozen voor een huurcontract van maximaal 2 jaar. Op het moment van ingaan van het contract was al duidelijk dat als de nieuwe bewoner zich dan pas in zou schrijven in Woonservice, doorstroming naar een sociale huurwoning een moeilijk verhaal zou zijn. Aangegeven is daarom ook dat naar een breed pallet van woonmogelijkheden gekeken moest worden, waarbij ook een nieuwe tijdelijke situatie of een vorm van onzelfstandige bewoning niet uitgesloten hoefde te zijn. Dat is wellicht niet ideaal, maar in de huidige tijd zijn er weinig andere mogelijkheden.

De doorstroming komt desondanks om verklaarbare redenen niet snel genoeg op gang om de nieuwe aanvragen te faciliteren. (5) Doorstroming Doorstroming vanuit de tussenwoningen (door eigen inspanning) is er dus tot zover in beperkte mate, ondanks de inzet van begeleiding op dit vlak. Kanttekening is wel dat bij de start ingezet is op een huurcontract van twee jaar. Deze termijn is nog niet verlopen.

4. Het spanningsveld De Wmo Het uitbreiden van de verblijfmogelijkheden voor de groep economisch daklozen zou kunnen door opvang te realiseren (denk aan de gezinsopvang in Haarlem, het scheidingshotel en passantenhotel in Amsterdam). Dit om de eerste golf op te vangen. Het Rijk zet hier echter niet op in, al staat het gemeenten vrij om zelf oplossingen te vinden. Een belangrijke ambitie van het kabinet is namelijk om

3 Smedes, L. & Prooijen, E. van (2021) Woningnood na scheiding een enorm probleem, maar urgentie is er vaak

niet. https://eenvandaag.avrotros.nl/item/woningnood-na-scheiding-enorm-probleem-maar-urgentie-is-ervaak-niet/ 4

de Maatschappelijke Opvang te vernieuwen en te verkleinen. Daarbij gaat het zowel om het kleinschaliger organiseren van opvang, als om het afschalen van het aantal plekken. Uitbreiding van andere typen opvang past hier dus niet bij. Het kabinet gaat uit van een huisvestingsstrategie die bestaat uit een optelsom van het toevoegen van extra tijdelijke en permanente woonplekken (flexwonen), prestatieafspraken met woningcorporaties, inzet van leegstaand (maatschappelijk) vastgoed, het bevorderen van woningdelen en passende nieuwbouw4. Tevens vermelden ze de mogelijkheid om bestaande vrijkomende woonruimte met voorrang toe te wijzen aan de doelgroep. De Huisvestingsverordening De aanbevelingen van het Rijk betekenen daarmee een verdere opvoering van de druk op de (sociale) woningmarkt, zowel op de korte als op de langere termijn (van flexwoning naar reguliere woning). De realisatie van flexwoningen, van nieuwe woningen en het gebruiken van leegstaand maatschappelijk vastgoed (waar vrijwel altijd al een claim op ligt) is geen kortetermijnoplossing. Realisatie neemt, ook bij flexwonen, veel tijd in beslag. De in theorie snelste oplossing is het verlenen van voorrang aan de doelgroep. Wanneer er kinderen in het spel zijn, wordt dit in verschillende gemeenten, onder strikte voorwaarden, dan ook gedaan. Toch blijven gemeenten terughoudend met het verlenen van urgentie: 1.

In beginsel is het verlenen van urgentie een woonruimteverdelingsvraagstuk. De achterliggende vraag is immers welke groepen voorrang moeten krijgen ten opzichte van regulier woningzoekenden. Dat is altijd een gevoelige kwestie, maar nu met de huidige krapte op de woningmarkt zeker. Regulier woningzoekenden zien zich momenteel geconfronteerd met stijgende wachttijden. Deze wachttijd hangt samen met de hoeveelheid woningen die jaarlijks vrijkomen voor verhuur (aan de regulier woningzoekende). In de huisvestingsverordening is opgenomen dat maximaal 25% van de woningen via maatwerk kan worden aangeboden. In 2020 werd regionaal 20,9% op deze wijze aangeboden (24% in 2019). In de prestatieafspraken is de afspraak opgenomen dat maximaal 35% van de woningen in Velsen bemiddeld wordt (in 2020 29%, in 2019 31%). Het is niet voor niets een maximum. Wanneer het percentage lager is, worden meer woningen aan regulier woningzoekenden aangeboden, wat de wachttijd verlaagd. 2. Belangrijk is daarom de gedachte achter urgentie: rechtvaardigt de reden van het ontstaan van het probleem dat een inwoner niet gemiddeld zes jaar hoeft te wachten op een woning? Een belangrijk criterium dat gemeenten hanteren is daarom dat de inwoner het woonprobleem niet zelf heeft veroorzaakt (of dat het hem/haar niet te verwijten is).

Groep5 Slachtoffers van huiselijk geweld (Blijfvan-mijn-lijf)* Mantelzorgontvanger en -verlener* Vergunninghouder Lichamelijke en/of sociaal-psychische gezondheid (max. 3 maanden) Herstructureringskandidaat

Waarom urgentie? Wettelijk bepaald Wettelijk bepaald -Huisvesting verplicht (niet per se via de urgentieregeling). -Het voordeel van huisvesting via urgentie is dat er controle is op waar statushouders gehuisvest worden. Noodsituatie. Denk aan het niet meer bij de voordeur kunnen komen na lichamelijk ongemak. Noodsituatie. Door sloop of grootschalige renovatie komt een huurder op straat te staan. Deze heeft buiten zijn schuld om geen woning meer. (Verbetering van de woning is tevens ook in het voordeel van de gemeente).

4 Blokhuis, P. (2020) De aanpak van dak- en thuisloosheid – een (t)huis, een toekomst

https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/moties/detail?id=2020Z09945&did=2020D21555 5 Woningzoekenden die verhuizen als gevolg van betalingsproblemen vallen hier niet binnen. De corporaties leveren hiervoor maatwerk. 5

Slachtoffer natuurgeweld of niet door eigen opzet ontstane calamiteiten (e.g. brand) Zorgcliënt (uitstromers uit instellingen)

Noodsituatie. Door een overstroming, brand buiten de eigen schuld om is de woning onbewoonbaar geworden. Een nieuwe woning is dus nodig. -Een cliënt komt na de behandeling op straat te staan. -Urgentieverlening is een manier om spreiding van de doelgroep te bewerkstelligen. Hieraan is ook de uistroomregeling gekoppeld. -(Te) lang verblijf in een instelling is voor zowel cliënt, zorgpartij als gemeente niet wenselijk (wachtlijsten, financiën).

Tabel 1 – Huidige urgentiedoelgroepen

3. Een urgentiebeschikking heeft betrekking op een beperkt aantal woningen. Zeker wanneer het gaat om een sobere oplossing, zoals bij deze doelgroep het geval is. Er bestaat een risico op ‘filevorming’, wat afbreuk doet aan het doel van urgentie: een snelle oplossing voor een dringend woonprobleem. 4. Een belangrijke voorwaarde in het beleidsplan van het Rijk is dat de wijk het aankan. Er dient draagvlak te zijn. In de praktijk is de goedkope voorraad geconcentreerd. Vandaar ook het project ‘Veerkrachtige wijken’ wat we met onder meer de woningcorporaties en huurders momenteel uitvoeren. Spanningsveld Op grond van de Wmo wordt opvang afgeraden (ondanks dat een woningzoekende ook bij urgentie niet stante pede een woning heeft en dus opvang nodig kan hebben), tegelijkertijd is de druk op de reguliere woningen hoog en vindt er daarom bescherming plaats van de beschikbare sociale huurwoningen in de huisvestingsverordening. Dit verklaart de druk op de tussenvoorzieningen. Uitbreiding is daarmee gewenst, alleen: een tussenvoorziening is alleen een tussenvoorziening wanneer er doorstroming plaats kan vinden. Een woning kan met een tijdelijk huurcontract maximaal twee jaar verhuurd worden. Daarna zal doorstroming plaats moeten vinden. De gedachte zal zijn dat een bewoner in de tussentijd zelf een vaste oplossing zal hebben gevonden. Het is de vraag of dit haalbaar is.

Met twee jaar zijn de problemen op de woningmarkt niet opgelost. Daarmee bestaat in het ergste geval een verschuiving van dakloosheid met twee jaar. Het probleem wordt uitgesteld.

5. Theoretisch oplossingsrichtingen In de uitgangspuntennotitie is opgenomen dat we onderzoeken of de werkwijze in Haarlem ook in Velsen kan gelden. Hierbij merken we op dat het stelsel in Haarlem anders is ingericht dan in onze gemeente. Dit heeft gevolgen voor de werking van de bepalingen in de huisvestingsverordening. 5.1 Het Haarlems model Het stelsel in Haarlem is grotendeels gebaseerd op eigen initiatief en zelfredzaamheid. Haarlem kent weliswaar verschillende voorzieningen, de maatschappelijke opvang en een opvang voor economisch dakloze gezinnen (ten overvloede, die heeft Velsen dus niet), maar deze zijn grotendeels beperkt tot tijdelijke opvang, kortdurend. Doorstroming met hulp van de gemeente (urgentie) vindt beperkt plaats wanneer er geen sprake is van aanvullende problematiek waarmee een kanscontract gerechtvaardigd is. In de andere gevallen moet er zelf een nieuwe (tijdelijke) woonplek gezocht worden. Voor urgentie (inschrijftijdverlenging) komen in Haarlem in aanmerking: - Huishoudens met kinderen die zes maanden inwonen bij een ander huishouden - Gezinnen die verblijven in de gezinsopvang, met de contingentregeling (alleen bij aanvullende problematiek) Zoals in veel gemeenten gebruikelijk, komen alleenstaanden dus niet in aanmerking voor urgentie. Zij worden geacht zelfredzaam te zijn.

Ze zijn bijvoorbeeld flexibeler om hun leven (tijdelijk) aan te passen en komen voor meer woonoplossingen in aanmerking (kamerverhuur, antikraak etc.). 5.2 Het doorstroommodel

6

Wat tegen het Haarlems model spreekt, is dat het weinig raakvlakken kent met het huidige Velsense stelsel met tussenwoningen. Een belangrijk knelpunt in het Velsense model is dat de capaciteit van de tussenwoningen overschreden wordt. Het Haarlems model zorgt niet voor een verminderde instroom of een vergrote uitstroom. Het loont de moeite om alternatieve modellen te bekijken die beter aansluiten bij de situatie in Velsen. Een soort doorstroommodel zou op basis van voorgaande wenselijk kunnen zijn, waarin feitelijk de tussenwoningen centraal staan. Het idee kan dan zijn dat een dakloze die niet in aanmerking komt (of moet wachten op) urgentie, wacht in een tussenwoning en vanuit daar door kan stromen naar een permanente woning. Dit kunnen zowel alleenstaanden als eenoudergezinnen met kinderen zijn. Wat namelijk vooral tegen het doorstroommodel pleit, is dat de uitgangssituatie niet gelijk is voor woningzoekenden. Iemand kan in dezelfde schrijnende situatie zitten als een tussenwoningbewoner zat, maar omdat de tussenwoningen vol zitten geen urgentie krijgen. De bewoner van de tussenwoning wordt tegelijkertijd dubbel geholpen, met eerst opvang en daarna urgentie. Hier de urgentieregels op aanpassen botst met de rechtszekerheid (er zit een zekere willekeur in) en het gelijkheidsbeginsel (gelijke situaties gelijk beoordeeld).

Voor urgentie zouden in aanmerking komen: - Gezinnen met kinderen urgentie - Urgentie na 6 maanden voor iedereen uit de tussenwoningen, zowel gezinnen als alleenstaanden. 5.3 Het Eindhovens model Het Eindhovens model is in dat opzicht veel zuiverder, maar daarmee worden ook gelijk de voorwaarden veel verder verruimd. De gemeente Eindhoven kiest voor een benadering die wellicht het dichtst bij de beleidsambities van het kabinet komt. Hoewel ook zij een tijdelijke opvang hebben voor economisch daklozen, zijn er ook in de huisvestingsverordening een reeks bepalingen opgenomen om perspectief op een permanente woonplek te bieden. Ze gaan hier vrij ver in. Voor zowel gezinnen met kinderen als alleenstaanden zijn er mogelijkheden om urgentie te verkrijgen. Wat sterk terugkomt in het Eindhovense model is dat er sterk ingezet wordt op het voorkomen van ‘afglijden’. Er wordt niet gewacht tot iemand de bodem van de put raakt, voordat er middels een urgentieverklaring wordt ingegrepen. Dat brengt risico’s met zich mee. De gemeente had oorspronkelijk nog ruimere regels voor urgentie dan nu het geval is, met name voor alleenstaanden, maar deze hebben ze verscherpt. Ze twijfelden aan de échte noodzaak voor urgentie in sommige gevallen. Een benadering als in Eindhoven heeft uiteraard gevolgen voor het aantal urgenties, dit loopt sterk op.

Doelgroep voor urgentie: - Gezinnen met kinderen urgentie - Alleenstaanden die hun huis verliezen door financiële problemen (te hoge woonlasten). Echtscheiding an sich is geen reden voor urgentie. In de praktijk is er een reële kans dat er sprake is van een combinatie van factoren voor dakloosheid, waaronder echtscheiding.

5.4 Het voorgestelde model De regels in Eindhoven zijn dus uitzonderlijk ruim. Het risico hiervan is dat er een wachtlijst kan ontstaan van inwoners met een urgentiebewijs, voor zover deze er al niet is. De benodigde woningen komen bijvoorbeeld voor een deel overeen met de woningen die uitstromers uit instellingen nodig hebben, of statushouders. Urgentiebewijzen zonder woningen zijn geen oplossing. Een tweede vraag die gesteld kan worden is wat de rol van de tussenwoningen zou zijn in het Eindhovens model. Dit zouden een soort tijdelijke opvangplekken kunnen worden in afwachting van een urgentiebeschikking. Dit past niet bij de aard van de huidige tussenwoningen.

7

Voorgesteld wordt om elementen uit het Eindhovens model te combineren met de in Velsen bestaande voorzieningen. Het idee blijft dat urgentie (onder voorwaarden) mogelijk is voor gezinnen met kinderen die dakloos zijn of dreigen te worden. De voorwaarden worden dusdanig aangepast (ruimer dan Haarlem, dat uitgaat van een bepaalde periode van inwoning, maar minder ruim dan in Eindhoven), dat de instroom in de tussenwoningen beperkt wordt en er een meer permanente oplossing voor de groep met kinderen gevonden kan worden. Voor alleenstaanden wordt de huidige lijn voortgezet. Deze kunnen in aanmerking komen voor verblijf in een tussenwoning, waar zij maximaal twee jaar kunnen verblijven. Op deze manier wordt op termijn de capaciteit vergroot (van vier naar acht huishoudens). De verwachting is nu dat er zo’n vijf alleenstaanden per jaar aanspraak willen maken op een tussenwoning. In een periode van twee jaar zou het voor alleenstaanden mogelijk moeten zijn om een vervolgstap te maken. Het uitgangspunt daarbij is dan wel dat dit geen permanente woning in Velsen hoeft te zijn. Dat betekent dat we niet inzetten op een begeleide doorstroming middels urgentie, tenzij er sprake is van aanvullende problematiek (kanscontract). In de begeleidingsperiode in de tussenwoningen liggen kansen om de doorstroming te versnellen.

Er is behoefte aan tijdelijke opvangplekken als eerste noodopvang of als wachtlocatie op een urgentiebeschikking. Een voorstel is om te bezien of het project rond de flexwoningen hiervoor ook kansen biedt. Flexwoningen kunnen tevens de druk op de reguliere woningvoorraad verzachten. Voor de langere termijn (want realisatie kost tijd) is dit een wenselijke oplossing, al dan niet aanvullend. Doelgroep voor urgentie - Gezinnen met kinderen urgentie - Wijziging inzet van de tussenwoningen (focus op alleenstaanden) om de capaciteit te verhogen voor tijdelijke (maximaal 2 jaar) opvang. Geen urgentie. 2.5 Conclusie Model 4 is als het meest geschikte en uitvoerbare model voor Velsen beoordeeld. Ook dit lost niet direct alle problemen op, maar sluit wel het beste aan bij de Velsense praktijk, de ambities van een evenwichtige woonruimteverdeling, de balans tussen hulp en zelfredzaamheid en de voorzieningen die we bieden. Aanpakken van het grootste risico Het grootste risico is dat het aantal urgentieaanvragen en toekennen sterk stijgt. De uitdaging is om de regels in te kaderen zodat ook alleen in urgente situaties een urgentiebewijs wordt verstrekt. De precieze voorwaarden zullen in de beleidsregel Woonurgentie opgenomen moeten worden.

8

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Velsen&id=8e4c6cde-0936-4d41-bbf5-2dc0b2e5ca27