2021-12-01 notitie afschrijvingstermijnen.pdf
Tekst van het document
Watermanweg 44
Postbus 4175
3067 GG Rotterdam
3006 AD Rotterdam
Nederland
Nederland
ECORYS Nederland B.V.
K.v.K. nr. 24316726
T 010 453 88 00
ABN AMRO rek. nr. 24.01.51.151
F 010 453 07 68
Btw-nr. NL8080.28.741.B08
E netherlands@ecorys.com W www.ecorys.nl
Gemeente Velsen t.a.v. de heer W. Gravemaker
Wilbert Kroesen
Postbus 465
T 06 106 15 603 M wilbert.kroesen@ecorys.com
1970 AL IJmuiden Rotterdam,
Onze referentie
2 december 2021
1002257 WK Velsen SSV
Onderwerp
Afschrijvingstermijnen kostprijsdekkende huren Stadsschouwburg Velsen
In verband met de besluitvorming van de gemeenteraad over de toekomst van de Stadsschouwburg hebt u ons gevraagd om een nadere analyse van de gevoeligheid van de berekening van de kostprijsdekkende huur (hierna: KPDH) voor een bepaalde variatie in de afschrijvingstermijn op de geraamde investeringen. Aanleiding In het rapport is de berekening van de KPDH voor de onderzochte scenario’s en varianten gebaseerd op uitgangspunten die o.a. zijn vastgelegd in de ‘Nota Investeren en Afschrijven’ (2020) van de gemeente Velsen. In deze notitie wordt bepaald hoe gevoelig de KPDH’s voor de scenario’s en centrumvarianten voor de schouwburg zijn voor een bandbreedte in de afschrijvingstermijnen die in gebruik zijn bij middelgrote gemeenten. De variatie in de KPDH die hierdoor ontstaat heeft gevolgen voor de jaarlijkse subsidie die nodig is om voor een sluitende begroting bij de schouwburg te kunnen zorgen. Algemeen: regels voor het afschrijven in het BBV Het Besluit begroting en verantwoording (BBV, artikels 51 en 64) geeft voorschriften voor het afschrijven door gemeenten, maar niet hoe moet worden afgeschreven. De uitgangspunten voor het afschrijven kan iedere gemeente zelf invullen. Het is de bevoegdheid van de raad om hier keuzes in te maken. De afschrijvingen moeten onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar zijn.
In een volgend jaar mogen de afschrijvingen alleen anders dan in het voorafgaande jaar worden berekend als daar gegronde redenen voor zijn. De methode voor de berekening van de afschrijvingen moet in de toelichting op de balans van de gemeente worden toegelicht. Afschrijvingstermijnen In tabel 1 wordt een overzicht gegeven van afschrijvingstermijnen voor soorten activa op de balans in de middelgrote gemeenten. Het is gangbaar dat de afschrijving start op de datum dat het activum in gebruik wordt genomen. Indien het activum niet in gebruik wordt genomen wordt maximaal afgeschreven over het bedrag dat voor de investeringsjaar is betaald. De afschrijving eindigt bij buitengebruikstelling, wanneer het activum van de hand wordt gedaan of een ander functioneel gebruik krijgt. Mede hierom wordt de restwaarde aan het eind van de exploitatieperiode verminderd bij de berekening van de afschrijving. De lineaire methode wordt vrijwel altijd gebruikt om de afschrijving te berekenen. Hierbij wordt elk jaar een vast percentage afgeschreven van het verschil tussen aanschafkosten en restwaarde.
BELGIË – BULGARIJE – INDIA – KROATIË - NEDERLAND – POLEN – SPANJE – TURKIJE - VERENIGD KONINKRIJK
In tabel 1 hebben wij de exploitatie- en afschrijvingstermijnen die gewoon zijn voor niet-wonen vastgoed bijeen gebracht. Grond en terrein worden niet meegenomen bij de afschrijving. De Belastingdienst is enigszins terughoudend in de afschrijvingstermijn die wordt toegestaan, hoewel de investering mag worden gecorrigeerd. Bij het afschrijven moet verschil worden gemaakt tussen de economische en de technische levensduur. De economische levensduur bepaalt de afschrijvingstermijn. Als de technische levensduur door de verbetering van gebouwen verlengd, wordt de economische levensduur langer en de restwaarde hoger. Tabel 1 Afschrijvingstermijn niet-wonen vastgoed gemeente Velsen, Belastingdienst en marktpartijen Activa Gronden en terreinen
Gemeente Velsen Geen
Belastingdienst Niet toegestaan
Marktpartijen: economische levensduur en afschrijvingstermijn Geen
Bedrijfsgebouwen 30-50 jaar1
Economische levensduur: 30-50 jaar. Als pand zelf wordt gebruikt: afschrijven tot 50% van de voor dat jaar geldende WOZ-waarde. Als een pand niet zelf gebruikt wordt gebruikt, is het een beleggingspand en stopt de afschrijving bij 100% van de WOZ-waarde.2
Geen
Economische levensduur: 45-50 jaar nieuwbouw en 25-30 jaar bij renovatie (VNG taxatiewijzer).
15 jaar installaties; 10 jaar inventaris
5 jaar3
Technische installaties kantoren, bedrijfsruimte, winkels en horeca: 6-7 jaar. Inventaris: 10 jaar. ICT: 3-5 jaar
15 jaar installaties; 10 jaar inventaris
Geen
40 jaar nieuwbouw en 15 jaar inbouw; 15 jaar renovatie Specifiek: schouwburgen
Inrichting en installaties bedrijfsgebouwen Specifiek: inrichting en installaties schouwburgen
40 jaar nieuwbouw en 15 jaar inbouw; 15 jaar renovatie
Technische installaties schouwburgen: 15-20 jaar. (VNG taxatiewijzer). Inventaris en ICT: niet bekend. .
Bron: Gemeente Velsen, Belastingdienst, Aedes, provincie Noord-Holland, VNG en NEPROM (2021), bewerking Ecorys
In het algemeen wordt aangenomen dat elke 20-25 jaar een ingrijpende renovatie van een gebouw nodig is. In de nota ‘Investeren en afschrijven’ wordt 20 jaar aangehouden. De geschiedenis van het schouwburggebouw in IJmuiden laat een wat ander ritme zien: 13 jaar na de opening uitbreiding van de bioscoop (1938-1951); 12 jaar later ombouw tot schouwburg (1951-1963); na 26 jaar uitbreiding (1963-1989) en na 32 jaar (1989-2021) besluitvorming over de toekomst van de schouwburg. In de tweede kolom van tabel 1 zijn ter vergelijking de afschrijvingstermijnen van de gemeente Velsen vermeld. De afschrijvingstermijnen van de gemeente enerzijds en de economische levensduur van de marktpartijen anderzijds komen redelijk overeen. Als alleen naar de regel over schouwburgen wordt gekeken, blijkt dat de gemeente Velsen wat voorzichtig is voor de exploitatieperiode van nieuwbouw (40 jaar versus 45-50 jaar); voor renovatie (15 jaar versus 25-30 jaar) en voor de technische installaties (5-15 jaar versus 15-20 jaar). In het rapport zijn de kosten voor nieuwbouw en renovatie voor 40 jaar gewogen en die in installaties over 10-15 jaar. Dit is in overeenstemming met de nota ‘Investeren en afschrijven’ (p. 17). Per scenario en centrumvariant valt de gewogen afschrijvingstermijn anders uit (tabel 4.1, tweede kolom), variërend tussen 35 en 37 jaar.
Het invullen van langere afschrijvingstermijnen op investeringen bij nieuwbouw en renovatie; in installaties en in inrichting en meubilering leidt tot andere KPDH’s voor de schouwburg bij de diverse scenario’s en centrumvarianten. Voordat tot deze specificatie wordt overgegaan, wordt hieronder eerst nagegaan in hoeverre de
1
2 3
Fiscaal is de volgende berekening van de afschrijving per jaar toegestaan: (aanschafwaarde ondernemingsgedeelte pand min evenredig deel restwaarde pand min evenredig deel grondwaarde) gedeeld door gebruiksduur (bv. 50 jaar). Deze worden verrekend in de gebruikskosten. Fiscaal is de volgende berekening van de afschrijving per jaar toegestaan: (aanschafwaarde min restwaarde bedrijfsmiddel) plus (gebruikskosten en installatiekosten bedrijfsmiddel) gedeeld door bedrijfsduur
2 van 8
afschrijvingstermijnen voor schouwburgen volgens de VNG taxatiewijzer worden teruggezien in de termijnen voor schouwburgen van andere middelgrote gemeenten (50.000-100.000 inwoners). NB - Bij KPDH-berekeningen geen vermindering van restwaarde Hierbij moet wel worden aangetekend dat de taxatiewijzer van het VNG voor cultuur ook uitgaat van een restwaarde van respectievelijk 25-30% op nieuwbouw; 20-25% op renovatie en 15-20% op de installaties en inventaris. Deze restwaarde moet meegenomen worden bij de berekening van de jaarlijkse afschrijving door marktpartijen, volgens de richtlijnen van de Belastingdienst. De restwaarde wordt ook gebruikt bij het vaststellen van de WOZ-waarde. De restwaarde moet niet meegenomen worden bij de berekening van de KPDH, omdat deze anders niet kostendekkend zou zijn en daarmee niet meer zou worden voldaan aan de Wet markt en overheid. Bij het berekenen van de KPDH in het rapport is zo gerekend. De restwaarde aan het eind van het termijn is daarmee nihil verondersteld. Alle kosten moeten worden terugverdiend Afschrijvingstermijnen schouwburgen gemeenten 50.000-100.000 inwoners Ecorys heeft de tabellen met afschrijvingstermijnen voor materiële vaste activa van de middelgrote gemeenten geïnventariseerd (bijlage 1).
Tot de middelgrote gemeenten zijn gerekend gemeenten met 50.000-100.000 inwoners met een theater dat door de gemeente wordt gesubsidieerd. In tabel 2 worden de afschrijvingstermijnen van de gemeente Velsen die van toepassing zijn op de schouwburg vergeleken met die van de taxatiewijzer van de VNG en met de gemiddelde afschrijvingstermijnen in de middelgrote gemeenten. Tabel 2 Afschrijvingstermijnen investeringen schouwburg gemeente Velsen, volgens VNG taxatiewijzer cultuur en gemiddelde van de afschrijvingstermijnen in de middelgrote gemeenten
Gemeente Velsen VNG schouwburgen Gemeenten 50-100.000 inw.
Inwoners 68.565 70.464
Nieuwbouw 40 45-50 42,9
Renovatie 20 25-30 22,4
Technische installaties 10-15 15-20 16,3
Inventaris & meubilair 10 n.b. 12,0
Bron: bewerking Ecorys
De tabel laat zien dat de gemeente Velsen sneller afschrijft dan alle middelgrote gemeenten, gemiddeld genomen. Deze vergelijking maakt het mogelijk om te beoordelen of de afschrijvingstermijnen die in het rapport bij de berekening van de KPDH van de scenario’s en centrumvarianten zijn toegepast (op basis van de nota ‘Investeren en afschrijven’) relatief kort uitvallen, niet alleen in vergelijking met de indicaties die de VNG geeft maar ook op basis van de inventarisatie van de afschrijvingstermijnen van de middelgrote gemeenten. 1. Afschrijvingstermijn voor investeringen in nieuwbouw Wat betreft de afschrijvingstermijn op nieuwbouw valt de afschrijvingstermijn van de nota ‘Investeren en afschrijven’ (40 jaar) wat kort uit in vergelijking met het gemiddelde van de afschrijvingstermijnen in de middelgrote gemeenten, maar de 45-50 jaar van de VNG-taxatiewijzer wordt niet gehaald. De meerderheid van de gemeenten schrijft op 40 jaar af. Het groepsgemiddelde ligt op 42,9 jaar. Enkele middelgrote gemeenten (te weten Goeree-Overflakkee, Houten (alleen voor gebouwen jonger dan 10 jaar), Purmerend, Roermond en Weert) hebben in de laatste jaren echter besloten om de afschrijvingstermijn op gebouwen te verhogen naar 50 jaar, omdat gebouwen (al dan niet maatschappelijk vastgoed) in de regel langer dan 50 jaar in gebruik blijven.
De keuze tussen 40 of 50 jaar speelt ook in enkele van de tien grootste gemeenten. De gemeente Eindhoven besloot bijvoorbeeld om gebouwen over 50 jaar af te gaan schrijven.4 Er is blijkbaar een tendens om over een langere periode te gaan afschrijven, omdat dit de werkelijke gebruiksduur beter weerspiegelt.
4
De gemeente Groningen differentieert: nieuwe gebouwen 40 jaar; gebouwen die gekocht worden 30 jaar en kernvastgoed (gebouwen voor de huisvesting van het gemeentelijk apparaat) 50 jaar.
3 van 8
De verzamelde tabellen over de afschrijvingstermijnen van de middelgrote gemeenten noemen vrijwel geen specifieke afschrijvingstermijnen voor nieuwbouw van theaters, met de volgende uitzonderingen. De waarderingstabellen vaste activa van de gemeenten Assen en Nieuwegein maken verschil tussen de afschrijvingstermijn van gebouwen in het algemeen (40 jaar) en die van theaters in het bijzonder (50 jaar). In deze gemeenten is blijkbaar besloten om de bouwinvestering in het theater over een langere periode af te schrijven. Indien de gemeente Velsen in het geval van haar schouwburg ook zou gaan besluiten om op 50 jaar af te gaan schrijven, daalt de KPDH. Hieronder rekenen we de gevoeligheid van de KPDH-berekening voor de scenario’s en centrumvarianten voor een afschrijvingstermijn op nieuwbouw van 50 jaar door. In het rapport is gerekend met een afschrijving over 40 jaar op de investeringen in nieuwbouw, conform de nota ‘Investeren en afschrijven’. 2. Afschrijvingstermijn voor investeringen in afbouw en renovatie Een deel van de investeringen voor de scenario’s en centrumvarianten bestaat uit investeringen in afbouw en renovatie. De afbouw van een gebouw vindt plaats na de ruwbouwfase, als het gebouw wind- en waterdicht is. Tijdens de afbouwfase worden scheidingswanden, inbouwverlichting, plafond- en vloerafwerking, brandwerende voorzieningen aangebracht.
Bij een renovatie wordt een bestaand gebouw in goede staat gebracht en gedeeltelijk vernieuwd of vergroot. Wat betreft de afschrijvingstermijn op afbouw en renovatie valt de afschrijvingstermijn van de nota ‘Investeren en afschrijven’ (20 jaar) wat kort uit in vergelijking met het gemiddelde van de afschrijvingstermijnen in de middelgrote gemeenten (22,4 jaar) en kort in vergelijking met de indicatie van de VNG-taxatiewijzer cultuur (25-30 jaar). Meer dan de helft van de middelgrote gemeenten met een theater schrijft afbouw en renovaties op 25 jaar of langer af. Ongeveer 25% op 20 jaar, zoals de gemeente Velsen en ongeveer 20% korter dan 20 jaar. Bij de G10 schrijven Eindhoven, Breda, Den Haag en Groningen op 25 jaar af. De andere gemeenten hanteren 20 jaar of een combinatie van 20 en 25 jaar. Steeds meer gemeenten (zoals bijvoorbeeld Heerlen en Oosterhout) maken bij afbouw en renovatie verschil tussen ingrijpende, structurele renovaties die levensduur-verlengend zijn (vernieuwbouw) en beperktere renovaties (grootschalig onderhoud). Voor grootschalig onderhoud wordt in de regel de afschrijvingstermijn gehanteerd voor afbouw en renovatie, zoals deze in de tabel afschrijvingstabel van de gemeente staat. Voor investeringen die betrekking hebben op vernieuwbouw wordt in de regel de afschrijvingstermijn gehanteerd voor nieuwbouw.
Deze principes gelden vooral voor de afschrijving op maatschappelijk vastgoed. De reden is dat het levensduur-verlengende karakter er voor zorgt dat het vernieuwde gebouw een stuk langer dan 25-30 jaar kan worden aangewend. In sommige gemeenten wordt naar een middenmaat gezocht voor de afschrijvingstermijn voor vernieuwbouw. Zeist heeft de afschrijving op renovatie daarom vooralsnog op 30 jaar gemaximeerd. In het geval van de Stadsschouwburg Velsen hebben de voorgenomen renovatiewerkzaamheden het karakter van vernieuwbouw. Daarom rekenen we hieronder de gevoeligheid van de KPDH-berekening voor de scenario’s en centrumvarianten voor investeringen in renovatie door op een afschrijvingstermijn van 50 jaar. Dit uitgangspunt is ook gevolgd bij de KPDH-berekeningen in het rapport. 3. Afschrijvingstermijn voor investeringen in technische installaties Wat betreft de afschrijvingstermijn voor investeringen in technische installaties valt de afschrijvingstermijn van de nota ‘Investeren en afschrijven’ van de gemeente Velsen (10-15 jaar) ook wat kort uit in vergelijking met het gemiddelde van de afschrijvingstermijnen in de middelgrote gemeenten (16,3 jaar) en ook met de indicatie van de VNG-taxatiewijzer cultuur (15-20 jaar).
Er bestaat een flinke spreiding onder de middelgrote gemeenten voor de afschrijvingstermijn op technische installaties, waarbij meestal types technische installatie worden onderscheiden. Grofweg schrijft een derde van de gemeenten af op minder dan 15 jaar; een derde op 15 jaar en een derde op meer dan 15 jaar. De gemeente Lelystad hanteert een afschrijvingstermijn van 30 jaar op technische installaties.
4 van 8
Bij de installaties in theaters telt de investering in de toneelhijsinstallatie door. De gemeente Houten noemt in haar tabel aparte termijnen voor theatertechniek, afhankelijk van de technische levensduur per onderdeel, variërend van 5-15 tot 30 jaar (decortrekken, toneelverlichting, toneelstoffering, orkestbak, hoogwerker, bruggen). Dit geldt bijvoorbeeld ook voor de (grotere) gemeente Zoetermeer, die verschillende afschrijvingstermijnen hanteert vanuit de technische levensduur van delen van de toneelhijsinstallatie, met een maximum van 30 jaar. Bij de installaties in theatergebouwen kan daarom van een langere levensduur worden uitgegaan, zeg: rond de 25 jaar. Hieronder (tabel 4) rekenen we de gevoeligheid van de KPDH-berekening voor de scenario’s en centrumvarianten voor een afschrijvingstermijn op technische installatie van 25 jaar. 4. Afschrijvingstermijn voor investeringen in inventaris & meubilair Wat betreft de afschrijvingstermijn voor investeringen in inrichting (inventaris & meubilair) bestaat een min of meer gelijk beeld: een grote spreiding, waarbij ongeveer 5% op minder dan 10 jaar afschrijft, de helft op 10 jaar, 10% over 10-15 jaar; een kwart op 15 jaar en de rest langer.
Wij hebben bij het bepalen van de gevoeligheid van de KPDH-berekening voor de scenario’s en centrumvarianten voor een afschrijvingstermijn op inventaris & meubilair met 15 jaar in plaats van 10 jaar gerekend. Vergelijking van de afschrijvingstermijnen in het rapport en in deze notitie Het rapport is gebaseerd op de afschrijvingstermijnen volgens het beleid van de gemeente Velsen, te weten 40 jaar (nieuwbouw en vernieuwbouw); 10-15 jaar (technische installaties) en 10 jaar (inventaris & meubilair). De langere afschrijvingstermijnen, op basis van de bovenstaande overwegingen t.a.v. de afschrijvingstermijnen in de middelgrote gemeenten, zijn 50 jaar (nieuwbouw en vernieuwbouw), 20 jaar (technische installaties) en 15 jaar (inventaris en meubilair). Tabel 3 Gewogen afschrijvingstermijnen per scenario en centrumvariant Rapport tabel 4.1 Scenario A 36,9 jaar Scenario B 35,4 jaar Scenario C 36,1 jaar Centrumvariant 1.1 (+ scenario A) 36,0 jaar Centrumvariant 1.2 34,0 jaar Centrumvariant 2 36,6 jaar
Langere termijnen 46,1 jaar 43,0 jaar 43,9 jaar 44,4 jaar 41,5 jaar 44,4 jaar
Bron: bewerking Ecorys
De langere termijnen zijn ingebracht in het rekenmodel van Ecorys voor deze opdracht om de investeringsdelen nieuwbouw en renovatie; technische installaties en inventaris & meubilair van de scenario’s en centrumvarianten te kunnen splitsen en deze investeringsdelen te kunnen wegen voor de afschrijvingstermijnen. Hieruit komen de gewogen afschrijvingstermijnen voort van de derde kolom van tabel 3. In de tweede kolom staat de op dezelfde wijze berekende gewogen afschrijvingstermijnen zoals die in het rapport staan, op grond van de nota ‘Investeren en afschrijven’ van de gemeente Velsen. In de tabellen 4 en 5 worden de KPDH’s per scenario en centrumvariant gegeven die resulteren nadat de langere afschrijvingstermijnen zijn ingebracht in het rekenmodel van Ecorys. Langere afschrijvingstermijn leidt tot verlaging KPDH’s De uitkomsten van de berekeningen laten zien wat het verschil is in de hoogte van de KPDH per scenario en centrumvariant bij beide uitgangspunten..
5 van 8
Tabel 4 KPDH zonder en met verlenging afschrijvingstermijnen mid-term jaar exploitatieperiode Rapport Langere tabel 4.4 termijnen Scenario A € 422.550 € 418.000 ( -1%) Scenario B € 830.725 € 770.300 (- 7%) Scenario C € 1.116.450 € 1.039.300 (- 7%) Centrumvariant 1.1 (+ scenario A) € 866.675 € 810.400 (- 6%) Centrumvariant 1.2 € 311.875 € 278.900 (- 11%) Centrumvariant 2 € 1.906.825 € 1.712.000 (- 10%) Bron: bewerking Ecorys
De bedragen in de tweede en derde kolom van de tabellen 4 en 5 geven de KPDH’s voor elk scenario en elke centrumvariant aan. In tabel 4 staan de KPDH’s voor het middelste jaar van de exploitatieperiode, die gelijk is aan de gewogen afschrijvingstermijn. In tabel 5 staan de KPDH’s voor het eerste jaar van de exploitatieperiode (2025). Het percentuele verschil tussen de bedragen is in de derde kolom tussen accolades vermeld. Tabel 5 KPDH zonder en met verlenging afschrijvingstermijnen in eerste jaar exploitatie (2025) Termijnen Langere Gemeente termijnen Scenario A € 310.300 € 280.300 (- 10%) Scenario B € 621.200 € 576.025 (- 7%) Scenario C € 819.850 € 709.700 (-13%) Centrumvariant 1.1 (+ scenario A) € 648.775 € 553.400 (- 15%) Centrumvariant 1.2 € 233.325 € 197.500 (- 15%) Centrumvariant 2 € 1.400.250 € 1.169.075 (- 17%) Bron: bewerking Ecorys
De diverse scenario’s en centrumvarianten voor de schouwburg zijn bij een lagere huur eerder haalbaar. De verlenging van de afschrijvingstermijnen leidt tot een bepaalde verlaging van de KPDH’s. Het absolute verschil in de KPDH is gelijk aan het verschil in toekomstig exploitatietekort. Een verlaging van de KPDH per scenario en centrumvariant leidt tot minder exploitatietekort en daarmee tot een verkleining van de toekomstige behoefte aan gemeentelijke subsidie, om tot een sluitende begroting bij de schouwburg te kunnen komen. Het is aan de gemeenteraad om te oordelen of het wenselijk is om de afschrijvingstermijnen voor deze casus aan te passen. De gemeente Velsen zou dan niet de eerste gemeente zijn die besluit tot verlenging van de afschrijvingstermijnen bij maatschappelijk vastgoed, in bijzonder voor een theater. Andere middelgrote gemeenten gingen hierin voor. Langere afschrijving leidt niet tot meer exploitatielasten (waaronder onderhoudskosten) Door de verlenging van de afschrijvingstermijn worden de kapitaallasten over een langere termijn verdeeld. De tweede component van de KPDH-berekening (de exploitatielasten, waaronder de onderhoudskosten voor rekening van de eigenaar, de gemeente) zijn niet afhankelijk van de afschrijvingstermijn, maar worden op een andere wijze geraamd.
Als er over een langere termijn exploitatielasten moet worden betaald, heeft dat een dempend effect op de verlaging van de KPDH ten gevolge van de verlenging van de afschrijvingstermijnen. De onderhoudskosten per jaar dalen of stijgen niet door de verlenging van de afschrijvingstermijnen. Indien dit het geval was geweest, was dit mogelijk van belang geweest voor de toekomstige demarcatie van de verdeling van de onderhoudskosten over de eigenaar (de gemeente Velsen) en de huurder (SSV). Afgevraagd kan worden of de verlenging van de afschrijvingstermijnen leidt tot een ongewenst grote verhoging van de onderhoudskosten, specifiek op de lange termijn. Ten slotte is de achterliggende reden voor de verlenging van de afschrijvingstermijn een langere economische levensduur dan op grond van de nota ‘Investeren en
6 van 8
afschrijven’ wordt verondersteld. Zo’n eventuele verhoging van de onderhoudskosten op lange termijn komt dan voor rekening van de gemeente. Hier bestaat echter geen oorzakelijk verband. Of de afschrijvingstermijn wel of niet wordt verlengd, heeft geen effect op de economische veroudering van het gebouw en daarmee op de jaarlijkse onderhoudskosten. In beide gevallen treedt dezelfde economische veroudering op. Als niet voorzien wordt (in het MJOP) in voldoende onderhoud, wordt het achterstallig onderhoud steeds groter en als gevolg zullen de jaarlijkse onderhoudskosten stijgen. Dat is ook in de afgelopen jaren het geval geweest. Met een goede monitoring kan dit worden voorkomen. De risico’s voor de gemeente in dit verband zijn niet gevoelig voor de verlenging van de afschrijvingstermijnen.
7 van 8
Bijlage 1: Afschrijving materiële vaste activa gemeenten met een theater tussen 50.000-100.000 inwoners
Gemeente Almelo Amstelveen Assen Barneveld Bergen op Zoom Capelle aan den IJssel Den Helder Doetinchem Goeree-Overflakkee 5 Gouda Hardenberg Heerhugowaard Heerlen Helmond Hengelo Hoorn Houten Kampen Katwijk Lelystad Meierijstad 9 Midden-Groningen 10 Nieuwegein Nissewaard 12 Oosterhout Oss Purmerend Rijswijk Roermond Roosendaal Schiedam Sittard-Geleen Smallingerland 13 Súdwest Fryslân 14 Terneuzen Veenendaal Velsen 15 Vlaardingen Weert Woerden Zeist
Inwoners 73.110 91.675 68.390 58.335 67.485 67.125 56.300 58.000 50.050 73.425 59.960 57.575 87.085 92.425 81.140 73.255 50.140 52.240 65.750 78.595 81.195 60.665 63.460 85.225 55.985 91.050 81.245 54.450 58.255 77.250 78.725 92.425 56.480 90.138 54.210 66.490 68.565 73.390 50.105 52.285 64.905
Nieuwbouw 40 40 50 40 40 40 nb nb 50 40 nb 40 40 40 40 40 40 of 50 7 40 40 40 40 40 40 11 nb 40 40 50 40 50 40 40 nb 40 40 40 40 40 40 50 40 40
Afbouw en renovatie 25 10 10-20 nb 25 nb nb nb 25 20 6 nb 15 10 (of 40) max 30 25 20 divers nb 20 8 nb 25 20 20 nb 25 (of 40) 25 20 25 25 25 25 nb 25 25 25 15 15 25 25 15-25 25
Technische installaties 15 10 15 15-20 20 nb nb nb 15 10 nb 15 10 of 20 20 10-15 10-15 11 10 10-15 30 15-20 15 10-15 nb 10-15 25 20 15-20 10 nb 15 nb 20 20 15 15 10-15 15 15 10-15 max. 30
Inventaris / meubilair 15 10 10-15 10 nb 10 nb nb 10 15 nb 10 10 10 10-15 8-15 5-20 15 5-15 10 15 10 of 20 15 nb 10 15 10 10 10 10 10 nb 15 15 10 15 5-10 10 5 of 10 10-15 10
Bron: inventarisatie Ecorys
5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15
Theater in Middelharnis 40 jaar indien renovatie levensloopverlengend is Gebouw jonger dan 10 jaar: 50 jaar; gebouw ouder dan 10 jaar: 40 jaar 30 jaar bij uitbreiding Theater in Veghel Theater in Hoogezand Theater: 50 jaar Theater in Spijkenisse Theater in Drachten Theater in Sneek Theater in IJmuiden
8 van 8