6. Regionaal Risicoprofiel 2025-2028
Tekst van het document
Rapport
Crisisbeheersing Datum
Status
Regionaal Risicoprofiel 2025-2028
concept Versie
1.0
Regionaal Risicoprofiel 2025-2028
Colofon Opdrachtgever Directie VRBZO
Versie: 1.0
Inhoudsopgave Samenvatting
5
1
Inleiding
7
1.1
Doel
7
1.2
Scope
7
1.3
Totstandkoming
7
1.4
Samenhang planfiguren
8
1.5
Doorontwikkeling
8
1.6
Leeswijzer
9
2
Terugblik beleidsperiode 2019-2024
10
3
Trends en maatschappelijke ontwikkelingen
11
3.1
Trendthema’s
12
3.2
Overkoepelende constateringen
13
4
Ligging en typering regio Zuidoost-Brabant
15
5
Methodiek
17
5.1
Ontwikkelingen landelijke methodiek
17
5.2
Risico-inventarisatie
17
5.3
6
7
8
Risicoanalyse
18
5.3.1
Eigenschappen risico’s
18
5.3.2
Gevolgen en waarschijnlijkheid
18
5.3.3
Illustratief scenario
19
Risico-inventarisatie
20
6.1
Landgrensoverschrijdende risico’s
20
6.2
Risicobeeld en duiding
20
Risicoanalyse
27
7.1
Natuur en klimaat
27
7.2
Gezondheid
30
7.3
Vitale voorzieningen
31
7.4
Fysieke leefomgeving en milieu
34
7.5
Maatschappij
40
Conclusie
43
3
9
Bijlagen
45
9.1
Impactcriteria vitale belangen
45
9.2
Landgrensoverschrijdende risico’s
46
9.3
Uitwerking crisistypen
50
9.3.1
Wateroverlast als gevolg van hoge rivierwaterstanden
50
9.3.2
Wateroverlast als gevolg van extreme neerslag
55
9.3.3
Dijkdoorbraak
62
9.3.4
Natuurbranden
67
9.3.5
Koudegolf, sneeuw en ijzel
74
9.3.6
Hittegolf
80
9.3.7
Storm en windhozen
87
9.3.8
Humane infectieziekten
93
9.3.9
Dierziekten
101
9.3.10
Uitval / verstoring elektriciteitsvoorziening
107
9.3.11
Uitval / verstoring gas- / warmtevoorziening
113
9.3.12
Uitval / verstoring data en telecommunicatie
119
9.3.13
Uitval / verstoring drinkwatervoorziening
125
9.3.14
Uitval / verstoring rioolwaterzuiveringsvoorziening
131
9.3.15
Ongevallen chemische stoffen (stationair)
138
9.3.16
Ongevallen biologische agentia (stationair en verkeer)
145
9.3.17
Stralingsongevallen (stationair en verkeer)
150
9.3.18
Verkeersongevallen weg (o.a. chemische stoffen)
158
9.3.19
Verkeersongevallen water (o.a. chemische stoffen)
163
9.3.20
Verkeersongevallen lucht
168
9.3.21
Verkeersongevallen spoor (o.a. chemische stoffen)
176
9.3.22
Incidenten in tunnels
183
9.3.23
Ongeval buisleidingen
188
9.3.24
Branden gebouwde omgeving
194
9.3.25
Instortingen gebouw
202
9.3.26
Explosie
208
9.3.27
Verstoring publieksveiligheid evenementen
213
9.3.28
Openbare orde verstoringen
218
9.3.29
Extreem geweld in openbare ruimte
223
9.3.30
Cyberaanvallen
228
9.3.31
Ramp op afstand
235
4
Samenvatting Op basis van de Wet veiligheidsregio’s (Wvr) is elke veiligheidsregio verplicht om een regionaal risicoprofiel op te stellen. Dit profiel, dat een inventarisatie en analyse bevat van de aanwezige risico’s in een regio en de aangrenzende gebieden, vormt een essentieel instrument om zicht te houden op relevante bedreigingen. Hierdoor kan het bestuur van de veiligheidsregio strategisch beleid ontwikkelen om risico’s te verkleinen of beter te beheersen. Dit gebeurt onder meer door de crisisbeheersingsorganisatie en brandweer voor te bereiden op specifieke dreigingen en door risicobeperkende maatregelen en gerichte risicocommunicatie naar inwoners te ontwikkelen. Het regionaal risicoprofiel heeft een statisch karakter, wat minder goed aansluit bij de steeds sneller veranderende aard en omvang van risico’s. Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost (VRBZO) gaat hier deels op inspelen door risico’s en ontwikkelingen tussentijds te doorleven met experts, in plaats van na een vaste periode van vier jaar. Nieuwe crises en veranderende bekende risico’s vragen verder om aandacht op zowel strategisch, tactisch als operationeel niveau. De komende jaren wordt eraan gewerkt om de verschillende niveaus steeds meer met elkaar in verbinding te brengen. Diverse trends en maatschappelijke ontwikkelingen zorgen ervoor dat bestaande risico’s worden versterkt of dat er nieuwe risico’s ontstaan.
De Toekomstverkenning Crisisbeheersing (NIPV, 2022), die voortborduurt op de Toekomstverkenning Brandweer (NIPV, 2022), benoemt vier hoofdthema’s met grote impact: data en technologie, sociaal-maatschappelijke veranderingen, politiek en geopolitiek, en duurzaamheid en klimaat. Het toenemende belang van flexibiliteit en voorbereiding op onvoorspelbare ontwikkelingen wordt in deze verkenningen onderstreept, zeker nu onbekende risico’s, langdurige en gelijktijdige crises steeds vaker voorkomen. Een toenemende crisisdruk wordt verwacht door een combinatie van flitsrampen en langdurige, met elkaar verweven crises. Ook de ‘inflatie’ van het begrip crisis leidt ertoe dat veiligheidsregio’s vaker betrokken worden bij maatschappelijke vraagstukken, wat de druk op hun kerntaken verhoogt en de noodzaak tot samenwerking met crisispartners verder benadrukt. De methodiek voor het regionaal risicoprofiel is vernieuwd om beter aan te sluiten bij actuele landelijke ontwikkelingen en veranderende eisen rondom risicobeoordeling. Hoewel de Handreiking Regionaal Risicoprofiel uit 2009 deels als basis dient, is deze achterhaald en onvoldoende geschikt voor de huidige maatschappelijke en technologische context.
Een verkenning door veiligheidsregio’s en het Analistennetwerk Nationale Veiligheid (ANV) heeft geleid tot een advies voor een uniforme, actuele methodiek, vastgelegd door het NIPV in een nieuwe handreiking. Dit risicoprofiel is opgesteld op basis van de nieuwste uitgangspunten, waarbij een inventarisatie van relevante risico’s – zoals risico’s uit eerdere risicoprofielen, de Rijksbrede Risicoanalyse Nationale Veiligheid (RbRa), GRIP-incidenten en grensoverschrijdende risico’s – resulteerde in een risicobeeld geclassificeerd naar vijf thema’s: natuur en klimaat, gezondheid, vitale voorzieningen, fysieke leefomgeving en milieu en maatschappij. Door een verdiepende risicoanalyse, waarin risico’s kwalitatief worden beschreven op basis van eigenschappen, gevolgen en waarschijnlijkheid, ontstaat een completer beeld van de (ernst van de) dreigingen. VRBZO heeft verschillende belangrijke focusgebieden in het risicoprofiel geïdentificeerd. Klimaatverandering is één van de meest urgente dreigingen. Het veranderende klimaat leidt tot extremer weer, zoals hittegolven, droogte en zware regenval, wat de kans op natuurbranden en overstromingen vergroot. Daarnaast nemen verstoringen van vitale processen toe door keteneffecten die ontstaan uit wederzijdse afhankelijkheden. Deze nieuwe risico’s vragen om zowel
5
preventieve als reactieve maatregelen, zoals investeringen in brandweermaterieel om effectief op natuurbranden te kunnen reageren. Naast klimaatverandering wordt cyberveiligheid gezien als een belangrijk focusgebied. De toename in digitalisering brengt kwetsbaarheden met zich mee; aanvallen kunnen zich snel door de maatschappij verspreiden en grote gevolgen hebben. Door een groter aanvalsoppervlak, geopolitieke spanningen en nieuwe aanvalstechnieken worden cyberdreigingen steeds complexer. Hoewel de veiligheidsregio’s niet direct verantwoordelijk zijn voor het aanpakken van cyberaanvallen, is het van groot belang dat zij voorbereid zijn op de maatschappelijke ontwrichting die dit soort aanvallen kan veroorzaken. Geopolitieke spanningen en internationale gebeurtenissen, zoals de oorlog in Oekraïne, verhogen de kans op hybride dreigingen, waaronder cyberaanvallen, economische verstoringen en sabotage van vitale processen. Ook sociaalmaatschappelijke ontwikkelingen zorgen voor een veranderend risicoprofiel. Door de aantrekkingskracht van de Brainportregio neemt het aantal internationale kenniswerkers toe, wat de diversiteit van de bevolking vergroot. Daarnaast speelt vergrijzing een belangrijke rol, wat leidt tot hogere bevolkingsdichtheid en verstedelijking.
Deze ontwikkelingen zetten de infrastructuur onder druk en vragen om aangepaste bestrijdingsmethoden en werkwijzen bij de brandweer. Tegelijkertijd neemt de polarisatie in de samenleving toe, wat een extra dimensie toevoegt aan de uitdaging om de veiligheid te waarborgen. Een ander focusgebied betreft de opkomst van complexe langdurige crises. Naast de klassieke flitsrampen komen steeds vaker langdurige crises voor, zoals de coronacrisis en de vluchtelingencrisis. Deze crises hebben een langdurig en verweven karakter en beïnvloeden vaak meerdere beleidsdomeinen tegelijkertijd. Tot slot speelt ook het afnemende vertrouwen in de overheid een belangrijke rol. Uit de voorjaarsmeting 2023 van de Risico- en Crisisbarometer blijkt dat bijna de helft van de Nederlandse bevolking weinig tot geen vertrouwen heeft in de overheid, mede door opeenvolgende crises. Dit afgenomen vertrouwen kan de effectiviteit van crisisbeheersing ondermijnen, omdat een succesvolle aanpak afhankelijk is van een goede samenwerking tussen de overheid en de bevolking. VRBZO staat voor de uitdaging om met al deze complexe en verweven risico’s om te gaan en daar samen met haar partners effectief op in te spelen.
6
1
Inleiding
1.1
Doel
Een complexe samenleving als de Nederlandse moet adequaat kunnen inspelen op diverse veiligheidsrisico's. Onder meer natuurbranden, overstromingen, infectieziekten en uitval van nutsvoorzieningen vormen een voortdurende bedreiging voor de vitale belangen in de samenleving. Om deze bedreigingen het hoofd te bieden, is nauwe samenwerking tussen overheidsinstanties, bedrijfsleven en inwoners essentieel. Een overzicht van dreigingen die de nationale veiligheid in gevaar brengen wordt gegeven in de Rijksbrede Risicoanalyse Nationale Veiligheid (RbRa), terwijl veiligheidsregio’s regionale risicoprofielen opstellen die inzoomen op de risico’s die een bepaalde regio bedreigen. Elke regio herbergt unieke risico's waarvoor gericht beleid van de veiligheidsregio en haar partners noodzakelijk is. Het is dan ook van groot belang om zicht te hebben op deze risico’s. Het regionaal risicoprofiel is hiervoor een belangrijk instrument. Het regionaal risicoprofiel betreft een inventarisatie en analyse van de in een veiligheidsregio aanwezige risico’s, inclusief relevante risico’s uit aangrenzende gebieden. De risico-inventarisatie omvat een overzicht van de aanwezige risicovolle situaties, die in de risicoanalyse nader worden geïnterpreteerd en geanalyseerd.
Op basis van dit inzicht kan het bestuur van de veiligheidsregio strategisch beleid voeren om de aanwezige risico’s bijvoorbeeld te verkleinen of beter te beheersen, onder andere door de crisisbeheersingsorganisatie en de brandweer op deze risico's voor te bereiden. Daarnaast biedt het risicoprofiel een basis voor risicobeperkende maatregelen en bijvoorbeeld risicocommunicatie naar de inwoners.
1.2
Scope
Op basis van de Wet veiligheidsregio’s (Wvr) is iedere veiligheidsregio verplicht een regionaal risicoprofiel op te stellen. Dit profiel richt zich op risico’s die kunnen leiden tot branden, rampen en crises. De Wvr definieert een ramp als “een zwaar ongeval of een andere gebeurtenis waarbij het leven en de gezondheid van veel personen, het milieu of grote materiële belangen in ernstige mate zijn geschaad of worden bedreigd en waarbij een gecoördineerde inzet van diensten of organisaties van verschillende disciplines is vereist om de dreiging weg te nemen of de schadelijke gevolgen te beperken”. Een crisis conform de Wvr betreft “een situatie waarin een vitaal belang van de samenleving is aangetast of dreigt te worden aangetast”. Als vitale belangen zijn gedefinieerd: territoriale integriteit, economische veiligheid, fysieke veiligheid, ecologische veiligheid, politieke en sociale stabiliteit. Het beschrijven van de risico’s in dit regionaal risicoprofiel betekent overigens niet dat Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost (VRBZO) per definitie een (leidende) rol heeft in de aanpak van deze risico's.
1.3
Totstandkoming
Het voorliggende regionaal risicoprofiel is tot stand gekomen door samenwerking tussen experts van VRBZO en diverse partners. De expertgroep bestond uit vertegenwoordigers van VRBZO vanuit de domeinen Crisisbeheersing, Brandweerzorg, GHOR en Bevolkingszorg. Maar ook partners zoals gemeenten, Politie Eenheid Oost-Brabant, Waterschappen De Dommel en Aa en Maas, Enexis, KPN, Brabant Water en Rijkswaterstaat zijn betrokken.
7
1.4
Samenhang planfiguren
Het regionaal risicoprofiel biedt inzicht in de risico’s die kunnen leiden tot onder meer rampen en crises. Conform artikel 15, lid 2 van de Wvr dient het regionaal risicoprofiel ook een overzicht te bevatten van situaties die tot brand kunnen leiden en van de soorten branden die zich in de regio kunnen voordoen. Dit overzicht moet ook terugkomen in het risicoprofiel brandweerzorg. In het regionaal risicoprofiel worden uitsluitend rampen en crises opgenomen, waaronder ook branden kunnen vallen wanneer deze een flinke omvang of impact hebben. Het risicoprofiel brandweerzorg geeft invulling aan de brandweerzorg binnen de bredere context van de risico’s, onder andere die in het regionaal risicoprofiel zijn geïdentificeerd. Naast het regionaal risicoprofiel en het risicoprofiel brandweerzorg is er ook een zorgrisicoprofiel, dat de risico’s verder verdiept met specifieke aandacht voor de impact op de zorgsector en publieke gezondheidszorg. De maatregelen die VRBZO neemt om de in het regionaal risicoprofiel geïdentificeerde risico’s te beperken, worden uitgewerkt in het regionaal beleidsplan. Volgens artikel 14, lid 1 van de Wvr stelt het bestuur van de veiligheidsregio een regionaal beleidsplan vast met een looptijd van vier jaar. Dit beleidsplan is mede gebaseerd op het regionaal risicoprofiel.
Hoewel het strategische beleid van VRBZO grotendeels wordt bepaald door de in het regionaal risicoprofiel opgenomen risico’s, omvat het beleidsplan ook generiek beleid voor de ontwikkeling van VRBZO. Verder bepaalt de Wvr dat het regionaal beleidsplan onder meer een oefenbeleidsplan en dekkingsplan moet bevatten. Het oefenbeleidsplan vormt de basis voor het trainen en oefenen van de crisisfunctionarissen, terwijl het dekkingsplan de opkomsttijden voor de brandweer beschrijft en de maatregelen aangeeft die worden genomen om aan deze opkomsttijden te voldoen. Het beleidsplan bevat daarmee een noodzakelijke duidelijke visie op welke wijze VRBZO bijdraagt om de komende risico’s op branden, rampen en crises zoveel als mogelijk (mee te helpen) te voorkomen en zo nodig (de effecten) te bestrijden, realiserende dat er altijd sprake is van restrisico’s. Het gaat dus onder meer om een visie op crisisbeheersing en ook om een visie op brandweerzorg. Wat dit laatste betreft, zijn inmiddels zes speerpunten benoemd die allemaal in min of meerdere mate relatie hebben met het regionaal risicoprofiel: Complexiteit infrastructuur, Risicogerichte brandweerzorg, Vakbekwaamheid, Paraat & vrijwilligheid, Natuurbrandbeheersing en Duurzame inzetbaarheid.
De relatie tussen het regionaal beleidsplan en het gemeentelijke integrale veiligheidsbeleid wordt geconcretiseerd door thema’s uit het regionaal beleidsplan van de veiligheidsregio waar mogelijk op te nemen in het gemeentelijke beleid en vice versa. Om deze reden wordt bij de totstandkoming van zowel het regionaal risicoprofiel als het regionaal beleidsplan samengewerkt met (vertegenwoordigers van) de gemeenten. Op basis van het regionaal beleidsplan wordt ook het regionaal crisisplan opgesteld. Dit plan beschrijft de organisatie, verantwoordelijkheden, taken en bevoegdheden met betrekking tot de maatregelen en voorzieningen voor rampenbestrijding en crisisbeheersing. Daarnaast geeft het aan welke afspraken zijn gemaakt met ketenpartners.
1.5
Doorontwikkeling
Het regionaal risicoprofiel wordt voorafgaand aan het regionaal beleidsplan vierjaarlijks geactualiseerd. Hoewel deze periode voor het vaststellen van het regionaal beleidsplan logisch is, kent het regionaal risicoprofiel hiermee een statisch karakter. De praktijk leert echter dat risico’s steeds sneller veranderen in aard en omvang waardoor de behoefte bestaat om te komen tot een dynamische aanpak van het regionaal risicoprofiel. Daardoor kan sneller ingespeeld worden op
8
veranderingen in de omgeving. VRBZO start hiermee door tussentijds de risico’s uit het regionaal risicoprofiel en relevante ontwikkelingen tegen het licht te houden en nader te doorleven met partners, bijvoorbeeld via periodieke werkbijeenkomsten met experts. Er is namelijk ook in de praktijk een toenemend risico van het steeds sneller gaan van ontwikkelingen. Enerzijds komt dit doordat wet- en regelgeving achterloopt waardoor bijvoorbeeld het voorschrijven van veiligheidsvoorzieningen pas volgt na de invoer van diverse technische systemen (en daarmee nadat er al diverse ongevallen en incidenten zijn gebeurd). Anderzijds zijn de hulpdiensten zoals de brandweer ook niet in staat om tijdig te voorzien in vereiste middelen en werkwijzen om nieuwsoortige incidenten effectief en veilig te bestrijden. Dit levert dus zowel risico’s op voor de omgeving als voor het eigen personeel. Daarom zal VRBZO (crisisbeheersing en ook brandweer) stevig moeten investeren in personeel en materieel. De afgelopen jaren zijn de veiligheidsregio’s geconfronteerd met ‘nieuwe’ crises die niet werden genoemd in de regionale risicoprofielen, zoals de crisis rondom vluchtelingen en asielzoekers. Ook ontwikkelden ‘bekende’ risico’s zich anders dan verwacht. Crises kunnen zich bovendien grenzeloos en sluimerend ontwikkelen.
De benadering hiervan was traditioneel gericht op flitscrises die zich plotseling voordoen, zoals branden, incidenten met gevaarlijke stoffen of een treinontsporing. Gelet op deze ontwikkeling is het nodig dat kwetsbaarheden, dreigingen en risico's op verschillende niveaus (vroegtijdig) in kaart worden gebracht. Dit betekent dat er naast het inventariseren en analyseren van risico’s op strategisch niveau in het regionale risicoprofiel ook aandacht dient te zijn voor risico’s op tactisch en operationeel niveau. VRBZO doet dit door sinds enkele jaren steeds meer invulling te geven aan ‘informatiegestuurde veiligheid’. Deze werkwijze waarbij allerlei nieuwe processen en systemen worden ingezet heeft als doel om operationele en tactische risico's op een dynamische en structurele manier in kaart te brengen, zodat in een vroeg(er) stadium maatregelen kunnen worden getroffen. De komende jaren wordt eraan gewerkt om de verschillende niveaus steeds meer met elkaar in verbinding te brengen. Dit gebeurt zowel op het gebied van crisisbeheersing als binnen de brandweer, waar het thema ‘risicogerichte brandweerzorg’ een van de speerpunten voor de komende jaren is.
1.6
Leeswijzer
Voorliggend regionaal risicoprofiel bestaat uit verschillende onderdelen. Allereerst wordt in hoofdstuk 2 een terugblik gegeven van de afgelopen beleidsperiode. In hoofdstuk 3 wordt stilgestaan bij trends en maatschappelijke ontwikkelingen in relatie tot crisisbeheersing en brandweerzorg. Hoofdstuk 4 geeft een beschrijving van de ligging en typering van de regio Zuidoost-Brabant. Vervolgens wordt in hoofdstuk 5 de gehanteerde methodiek toegelicht. De hoofdstukken 6 en 7 staan in het teken van de risico-inventarisatie en -analyse en omvatten een uitgebreide omschrijving van de resultaten. Tot slot zijn in hoofdstuk 8 de bijlagen opgenomen.
9
2
Terugblik beleidsperiode 2019-2024
Bij de vaststelling van het regionaal beleidsplan voor de periode van 2020-2023 eind 2019 zijn prioritaire risico’s voor de beleidsperiode 2020-2021 vastgesteld. Vanuit de zienswijzen van gemeenten, politie en waterschappen is breed onderschreven om ‘gevolgen van extreem weer' en ‘gevolgen van aantasting van de cybersecurity op de continuïteit van maatschappelijke processen’ op te nemen als prioritaire risico’s. Hieronder wordt ingegaan op de opvolging die daaraan is en wordt gegeven. De intentie was om voor de tweede helft van de looptijd van het beleidsplan nieuwe prioritaire risico’s te laten vaststellen, door de Coronacrisis heeft dat geen opvolging gekregen. Gevolgen van extreem weer Met betrekking tot het prioritaire risico ‘gevolgen van extreem weer’ heeft een analyse plaatsgevonden waaruit is op te maken dat gevolgen van klimaatverandering steeds duidelijker en merkbaarder zijn in de samenleving. Ook de regio Zuidoost-Brabant wordt steeds vaker geconfronteerd met extreme weersituaties, zoals droogte, hittestress en (extreme) wateroverlast, wat het risico op onder andere overstromingen en natuurbranden vergroot. Ondanks dat veel van deze risico’s niet nieuw zijn kunnen ze als gevolg van klimaatverandering wel frequenter en heviger voorkomen. VRBZO kan zich voorbereiden door mogelijke scenario’s, risico’s en aandachtspunten te duiden.
Samen met Veiligheidsregio Brabant-Noord is daarom een multi-coördinatiekaart ontwikkeld voor extreem weer. Deze coördinatiekaart dient als hulpmiddel voor de crisisfunctionarissen in geval van (dreigend) extreem weer. Het geeft een overzicht van de mogelijke gevolgen en risico's van verschillende soorten extreem weer, zoals hitte, kou, wind, neerslag, droogte en mist. De weerswaarschuwingen die worden afgegeven door het KNMI dienen hierbij als basis. Met de coördinatiekaart zijn de crisisfunctionarissen in staat om effectiever en efficiënter op te treden indien de situatie zich voordoet. Daarnaast is er een communicatie-toolkit voor extreem weer opgeleverd, bedoeld voor gemeenten. In de toolkit zijn onder andere berichten opgenomen die gemeenten kunnen gebruiken voor de communicatie via de eigen kanalen voorzien van uitleg over wanneer deze te gebruiken. Dit draagt bij aan betere zorg voor de bevolking. Tot slot is in 2024 op provinciaal niveau het programma ‘Hoogwater en extreem weer Brabant’ gestart. Dit mede naar aanleiding van de hoogwateroefening van 29 september 2022. Tijdens het Veiligheidsoverleg Brabantstad op 20 juni 2023 is bestuurlijk ingestemd met het instellen van een interregionale Brabant brede commissie (bestuurlijk en ambtelijk) op dit thema.
Ook die is bedoeld om te onderzoeken hoe de hulpdiensten effectiever op kunnen treden en de bevolking betere zorg krijgt. Deze aandacht volstaat niet om ook de komende periode het hoofd te bieden aan natuurbranden. Zowel preventief als repressief zal er in toenemende mate aandacht voor moeten zijn. Het gaat daarbij onder meer in de investering in ander materieel voor de brandweer voor natuurbrandbestrijding. Gevolgen van aantasting van de cybersecurity op de continuïteit van maatschappelijke processen Ook voor het prioritaire risico ‘gevolgen van aantasting van de cybersecurity op de continuïteit van maatschappelijke processen’ heeft een analyse plaatsgevonden wat heeft geresulteerd in de multi-coördinatiekaart ‘Digitale ontwrichting en cybergevolgbestrijding’. Deze coördinatiekaart dient als hulpmiddel voor de crisisfunctionarissen bij de bestrijding van een extern cyberincident met maatschappelijke impact. Daarnaast is dit risico opgenomen als één van de te kiezen scenario’s voor de GBT-oefeningen. Verschillende gemeenten hebben daar ook gebruik van gemaakt.
10
3
Trends en maatschappelijke ontwikkelingen
Diverse trends en maatschappelijke ontwikkelingen versterken bestaande risico’s of introduceren nieuwe risico’s. Ook de perceptie van risico’s verandert, mede door media-aandacht en gebeurtenissen elders in de wereld. In de Toekomstverkenning Crisisbeheersing (2022), uitgevoerd door het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid (NIPV), zijn vier trendthema’s geïdentificeerd die naar verwachting grote impact zullen hebben op crisisbeheersing, te weten: data en technologie, sociaalmaatschappelijke ontwikkelingen, politiek en geopolitiek en duurzaamheid en klimaat. Deze thema’s en enkele overkoepelende constateringen over de veranderende eisen aan crisisbeheersing worden in dit hoofdstuk beknopt beschreven. Hierbij is ook gebruikgemaakt van informatie afkomstig uit de Trendanalyse Nationale Veiligheid 2024. Het beschrijven van deze trends en ontwikkelingen is essentieel vanwege hun verwevenheid met de risico’s in het regionaal risicoprofiel. In de risicoanalyse wordt nader ingezoomd op specifieke ontwikkelingen voor de crisistypen die zich kunnen voordoen in de regio Zuidoost-Brabant, veelal terug te herleiden naar de trendthema’s. Er zal waar mogelijk ook duiding van deze trends naar de impact op onze regio gegeven worden.
Voor het opstellen van de hierboven genoemde Toekomstverkenning Crisisbeheersing, is gebruik gemaakt van de Toekomstverkenning Brandweer (2022, ook uitgevoerd door het NIPV). De Toekomstverkenning Brandweer is daarmee impliciet, maar ook expliciet, input voor het RRP. De focus in de Toekomstverkenning Brandweer lag op de inventarisatie en beoordeling van nieuwe (te verwachten) ontwikkelingen in de samenleving, de mogelijke impact hiervan op eerder geformuleerde trendbreuken / toekomstbeelden, en de kansen, risico’s en strategische vraagstukken die dit oplevert voor een toekomstbestendige brandweer. Uit de verkenning kwamen zeven verschillende samenlevingen naar voren, met daarbij ook nog het besef van de zwarte zwaan. In alle gesignaleerde samenlevingen liggen kansen en uitdagingen voor de brandweer. De gevolgen van klimaatverandering, mogelijke onbekende risico’s en crises, de fragmentatie in de samenleving, het vervagen van grenzen tussen fysieke en sociale veiligheid en de toenemende complexiteit en verdichting in de samenleving kunnen potentieel groot zijn, terwijl het vertrouwen in de overheid afneemt en mensen steeds actiever in ad-hoc netwerken samenwerken. De onbekende risico’s en crises, waaronder de dreiging van een gewapend conflict, vragen flexibiliteit en veerkracht in de samenleving en van de brandweerorganisatie.
Dit heeft geleid tot de volgende strategische thema’s voor de brandweer: 1) Maatschappelijke opgave en breedte van de taakopvatting, 2) Samenwerking, professioneel gezag en positie in de keten, netwerken en ecosystemen, 3) Veerkracht, weerbaarheid, wendbaarheid, stimuleren en organiseren (intern en extern), 4) Kennis, innovatie, (datagedreven) technologie vanuit balans systeem- en leefwereld, 5) Goed werkgeverschap, leiderschap, duurzaam en inclusief. Uit de Toekomstverkenning Brandweer is, vanuit het perspectief van crisisbeheersing en met behulp van aanvullende literatuur, een selectie van trends en ontwikkelingen gemaakt. De focus lag daarbij op die trends waarvan de opstellers verwachten dat ze juist impact op crisisbeheersing hebben. Dat resulteerde in de vier overkoepelende trendthema’s die in dit hoofdstuk nader worden beschreven.
11
3.1
Trendthema’s
Data en technologie Ontwikkelingen op het gebied van data en technologie bieden veel kansen voor de samenleving, maar brengen tegelijkertijd een grotere kans op ontwrichting met zich mee. Door toenemende digitalisering wordt de Nederlandse maatschappij in toenemende mate afhankelijk van digitale systemen, wat ook geldt voor vitale processen. Cyberaanvallen en uitval van systemen en (vitale) infrastructuur laten deze afhankelijkheid nu al zien. Belangrijke ontwikkelingen voor crisisbeheersing op het gebied van data en technologie zijn onder andere de toenemende rol van kunstmatige intelligentie (AI) en machine learning in het voorspellen en beheersen van crises. Deze technologieën kunnen grote hoeveelheden data analyseren om patronen te identificeren en vroege waarschuwingen te geven, wat helpt bij preventie en snelle respons. Daarnaast spelen sensornetwerken en Internet of Things (IoT)-apparaten een steeds grotere rol in real-time monitoring en vroegtijdige signalering van dreigingen, zoals natuurrampen of technische storingen. Uitdagingen liggen onder andere in de afhankelijkheid van technologie en (andermans) data en het ontbreken van voldoende data-expertise binnen VRBZO. Dit gebrek aan expertise kan leiden tot inefficiënte dataverwerking en verkeerde interpretaties tijdens een crisis.
Tegelijkertijd bieden ontwikkelingen op het gebied van vroegtijdig signaleren en real-time monitoring aanzienlijke kansen. Digitale informatie draagt bij aan betere beeldvorming over het verloop van crises en ondersteunt crisisfunctionarissen in hun besluitvorming. Sociaalmaatschappelijke ontwikkelingen De Nederlandse bevolking blijft groeien, voornamelijk door immigratie en een hogere levensverwachting. Vergrijzing neemt toe. Nederland verstedelijkt en de sociale verhoudingen binnen de samenleving veranderen. De Nederlandse samenleving wordt steeds diverser, sociale media spelen hierbij een grote rol door het ontstaan van 'bubbels' waarin groepen mensen voornamelijk in hun eigen informatie- en meningencirkel leven. Dit bevordert polarisatie en kan leiden tot een toename van het aantal protesten en maatschappelijke spanningen. Crisisbeheersing zal zich moeten verhouden tot deze veranderingen. Sociale media kunnen zowel een hulpmiddel zijn bij het vormen van een situatiebeeld als een bron van desinformatie, wat het beheer van crises bemoeilijkt. De verspreiding van verkeerde informatie kan paniek veroorzaken of crisissituaties verergeren. Daarnaast wordt de maatschappelijke veerkracht bedreigd door afnemend vertrouwen in de overheid, vluchtigere sociale verbindingen en verminderde sociale cohesie.
Dit maakt herstel na een crisis complexer en trager, aangezien de bereidheid om samen te werken en wederzijds steun te bieden, kan afnemen. Om effectief te blijven, moet daarom niet alleen rekening worden gehouden met deze demografische en sociale veranderingen, maar ook met de noodzaak om vertrouwen op te bouwen en te onderhouden binnen diverse bevolkingsgroepen, en om effectief gebruik te maken van sociale media om betrouwbare informatie te verspreiden. Politiek en geopolitiek Een van de meest opvallende trends op politiek gebied is de groeiende vertrouwenskloof tussen de overheid en de inwoners. Uit de voorjaarsmeting 2023 van de Risico- en Crisisbarometer blijkt dat bijna de helft van de bevolking weinig tot geen vertrouwen heeft in de overheid. Tegelijkertijd wordt de samenleving steeds diverser en horizontaler, waarbij relaties tussen burgers en autoriteiten steeds meer egalitair worden in plaats van hiërarchisch, en inwoners zich meer organiseren in netwerken buiten de traditionele hiërarchieën om. Daarnaast speelt de geopolitieke situatie, met name de oorlog tussen Rusland en Oekraïne, een cruciale rol. Deze oorlog benadrukt diverse geopolitieke ontwikkelingen, zoals de veranderende internationale orde, de sterke verwevenheid en afhankelijkheid tussen landen en sectoren, en het
12
gebruik van hybride tactieken in conflicten. Voor de crisisbeheersing in Nederland hebben deze politieke ontwikkelingen belangrijke implicaties. Het afnemende vertrouwen in de overheid kan de effectiviteit van crisisbeheersing ondermijnen, aangezien samenwerking tussen overheid en inwoners essentieel is in crisissituaties. Dit biedt echter ook een kans: door de bevolking actief te betrekken bij crisisbeheersing kan de overheid niet alleen beter aansluiten bij de behoeften van de inwoners, maar ook het vertrouwen herwinnen. Ten slotte maakt de oorlog tussen Rusland en Oekraïne duidelijk dat de grens tussen binnenlandse en buitenlandse veiligheid steeds diffuser wordt. Voor een effectieve crisisbeheersing is het daarom van groot belang om de afhankelijkheden, zowel nationaal als internationaal, in kaart te brengen en mee te nemen in de crisisvoorbereiding en -respons. Duurzaamheid en klimaat In de Trendanalyse Nationale Veiligheid 2024 wordt klimaatverandering aangemerkt als een van de belangrijkste fenomenen om aandacht aan te besteden. De analyse onderstreept dat klimaatverandering sneller verloopt en ernstigere gevolgen heeft dan eerder werd gedacht. Het KNMI waarschuwt dat hittegolven frequenter en extremer zullen worden, dat perioden van droogte toenemen, en dat de kans op extreme neerslag groter wordt.
Deze ontwikkelingen vergroten het risico op extreem weer en natuurrampen, zoals overstromingen en natuurbranden, alsook op grootschalige ziekteuitbraken en de verstoring van vitale infrastructuur. Met andere woorden, de versnelling van klimaatverandering is direct verbonden met een verslechtering van het dreigingsbeeld voor diverse risico’s. Daarnaast leidt de toenemende complexiteit van de gevolgen en risico’s van klimaatverandering tot een situatie waarin voorbereiding op tegenstrijdige extremen noodzakelijk zal zijn (droogte versus extreme neerslag). Voor de crisisbeheersing in Nederland hebben extreme weersomstandigheden aanzienlijke gevolgen. Hoewel de veiligheidsregio’s de klimaatproblemen niet kunnen oplossen, ondervinden zij wel de impact ervan. De klimaatcrisis wordt gezien als een complex en moeilijk oplosbaar probleem, waarbij regie, verantwoordelijkheid en kennis versnipperd zijn. Dit stelt hoge eisen aan zowel regulier beleid als crisisbeheersing. Klimaatverandering en -adaptatie en extreme weersomstandigheden zijn grote opgaven die door regulier beleid maar ook door risico- en crisisbeheersing aangepakt moeten worden. Desondanks wordt de urgentie van deze opgave soms niet volledig erkend, aangezien de klimaatcrisis vaak wordt ervaren als een sluimerend en allesomvattend probleem.
Ook de snelle elektrificatie van de maatschappij introduceert daarnaast nieuwe risico’s. Bovendien roepen de maatregelen om klimaatverandering tegen te gaan weerstand op bij verschillende groepen in de samenleving, wat kan leiden tot polarisatie rond klimaatvraagstukken. Los van deze trendthema’s zijn voor het domein Brandweerzorg zes relevante speerpunten vastgesteld, die bij de betreffende crisistypen verder worden toegelicht: complexiteit van infrastructuur, duurzame inzetbaarheid, natuurbrandbeheersing, paraatheid en vrijwilligheid, risicogerichte brandweerzorg en vakbekwaamheid.
3.2
Overkoepelende constateringen
Onzekerheid: anticiperen op onvoorziene wendingen Veiligheidsregio’s, gemeenten en andere organisaties moeten zich voorbereiden op onvoorziene gebeurtenissen, zoals wild cards (zeer onwaarschijnlijke, maar bekende gebeurtenissen met grote gevolgen) en unknown unknowns (onbekende risico’s die niet te voorzien zijn). Deze kunnen zich voordoen op uiteenlopende terreinen zoals gezondheidszorg, klimaat, cyberveiligheid en migratie. Steeds vaker worden extremen, zoals gebeurtenissen met een lage kans maar grote impact, de norm. Daarnaast vervagen de grenzen, zowel tussen de fasen koud, lauw en warm van
13
een ramp of crisis, maar ook tussen verschillende beleidsterreinen. Dit vraagt om meer flexibiliteit en een doorbreking van traditionele structuren. Naarmate crises langer aanhouden wordt de kans op onvoorziene wendingen groter. Nieuwe, meer langdurige crises Naast flitsrampen manifesteren zich inmiddels andersoortige crises, zoals de coronacrisis en de crisis rondom vluchtelingen. Deze grenzeloze en/of sluimerende crises hebben eigen uitingsvormen, maar ook terugkerende patronen: lange duur, gelijktijdig optredende effecten op meerdere beleidsdomeinen, een wisselend tijdtempo en meer complexiteit door versnipperde regie, kennis en verantwoordelijkheid. Een ander kenmerk is het bestuurlijke, meer beleidsmatige karakter. Het zijn deze crisis zonder duidelijk begin en eindpunt, die van veiligheidsregio’s (en andere betrokken partijen zoals vakdepartementen en gemeenten) een andere aanpak vergen; een meer proces- of projectmatige en pragmatische aanpak. Stapeling van crises: flitsrampen én nieuwe crises Van belang is op te merken dat deze nieuwe crises niet in de plaats komen van flitsrampen en ‘minicrises’: zij komen bovenop de reguliere rampen en (mini)crises. Zulke crises kunnen eveneens gevaarlijk zijn en vragen de komende periode evenzeer de aandacht van de hulpdiensten. Er dient ook rekening te worden gehouden met stapeling van crises.
Tijdens de coronacrisis speelde bijvoorbeeld ook de crisis rondom vluchtelingen. Verder heeft de regio Zuidoost-Brabant ten tijde van de coronacrisis ook te maken gehad met een langdurige grootschalige natuurbrand, waarbij coronamaatregelen belemmerend werkten in de reguliere aanpak. Naast de stapeling van crises, zijn crises steeds meer onderling verweven. Deze zogenaamde ‘verknoopte crises’ vergroten de complexiteit. Voor gemeenten en veiligheidsregio’s leidt dit tot een vrijwel permanent hoge crisisdruk. Los van de stapeling van crises, is er ook sprake van stapeling van gebruiksfuncties. Ook dit werkt risicoverhogend. Het exceptionele karakter van een crisis De term crisis, oorspronkelijk bedoeld om een exceptionele, uitzonderlijke situatie aan te duiden, is de afgelopen jaren aan inflatie onderhevig. Een veelheid aan maatschappelijke problemen wordt als crisis betiteld. Door deze tendens tot crisisdevaluatie bestaat het risico dat er gemakkelijk naar de veiligheidsregio’s wordt gekeken. Als veiligheidsregio’s in elke crisis stappen, vraagt dat van regio’s veel capaciteit en aandacht. Het gevaar bestaat dat het veiligheidsregio’s afleidt van kerntaken. Veiligheidsregio’s zijn niet van alle crises; zij hebben niettemin instrumenten tot hun beschikking die in de aanpak van meer beleidsmatige crises ondersteunend kunnen werken.
Veiligheidsregio’s zijn bij uitstek de organisaties die in het domein van crisisbeheersing als netwerkorganisatie kunnen optreden en informatie van en over crisispartners kunnen redigeren en duiden, zodat elke partner in staat is regie te nemen op zijn eigen uitvoeringsorganisatie en verantwoordelijkheid. In een landelijk netwerk van crisisorganisaties zijn veiligheidsregio’s hierin een onmisbare schakel.
14
4
Ligging en typering regio Zuidoost-Brabant
VRBZO is een samenwerkingsverband op basis van de Wet Gemeenschappelijke regelingen. Het samenwerkingsverband bestaat uit 21 gemeenten: Asten, Bergeijk, Best, Bladel, Cranendonck, Deurne, Eersel, Eindhoven, Geldrop-Mierlo, Gemert-Bakel, Heeze-Leende, Helmond, Laarbeek, Nuenen, Oirschot, Reusel-De Mierden, Son en Breugel, Someren, Valkenswaard, Veldhoven en Waalre. De regio Zuidoost-Brabant telt circa 800.000 inwoners op een grondgebied van 1.440 km². De regio Zuidoost-Brabant is in en rondom de steden Eindhoven en Helmond bovengemiddeld verstedelijkt. De bevolkingsdichtheid van de gemeenten Eindhoven en Helmond staan met respectievelijk 2769 en 1785 inwoners per km² grondgebied ver boven het Nederlandse gemiddelde. Met name de binnenstad van Eindhoven kent een sterke verdichting en de ontwikkeling van woningbouw leidt steeds meer tot hoogbouw. De rest van de regio Zuidoost-Brabant bestaat hoofdzakelijk uit landelijk gebied. Vergrijzing is een andere belangrijke demografische ontwikkeling in de regio Zuidoost-Brabant. Zowel het aantal ouderen als het aantal kwetsbare ouderen ligt in de regio Zuidoost-Brabant hoger dan het landelijk gemiddelde. De regio Zuidoost-Brabant ontwikkelt zich snel op economisch gebied. Uniek hierin is de Brainportregio; een nationale mainport, net als de Rotterdamse haven en Schiphol.
Deze kenmerkt zich door innovatieve toptechnologie en door intensieve samenwerking tussen bedrijfsleven, kennis- en onderwijsinstellingen en overheid. Dat schept een gunstig ondernemersklimaat voor zowel grote internationale ondernemingen als voor het midden- en kleinbedrijf en is daarmee een van de belangrijkste economische motoren van Nederland. De Brainportregio maakt een enorme groeispurt door (schaalsprong) en trekt nieuwe inwoners aan zowel uit binnen – als buitenland. De huidige prognoses en afspraken gaan uit van een groei van ongeveer 73.000 woningen, in de periode tot 2040. Het grootste deel van deze woningen wordt in het stedelijk gebied voorzien, wat neer zou kunnen komen op een groei van de regio Zuidoost-Brabant van grofweg 200.000 inwoners. Maar niet alleen de kruisbestuiving tussen technologie en wetenschap zorgt voor grote aantrekkingskracht naar de regio Zuidoost-Brabant, ook kunst en cultuur spelen een belangrijke rol. Grote evenementen zoals bijvoorbeeld Koningsdag, Dominator, WiSH Outdoor, GLOW en de Marathon trekken jaarlijks veel bezoekers. Dit alles heeft ook z’n impact op de meer landelijke gebieden, doordat er meer behoefte ontstaat aan recreatie, wat tot gevolg heeft dat er sprake is van functiestapeling (de schaarse ruimte wordt opnieuw verdeeld tussen natuur, landbouw, recreatie, transport en woningbouw).
De regio Zuidoost-Brabant heeft verder een belangrijke logistieke doorgangsfunctie voor het Europese achterland. Zo ligt de regio Zuidoost-Brabant op de doorvoerroute vanuit de havens van Antwerpen en Rotterdam naar het Ruhrgebied en verder. Er zijn zowel spoorverbindingen als autosnelwegen. Brabantspoor is een belangrijke doorvoerroute van transport van grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen van de havens naar het Europese achterland. Deze spoorroute loopt deels door binnenstedelijk gebied. Daarnaast zorgen belangrijke verkeersaders zoals de A2, A50, A58 en A67 voor intensieve verkeersstromen. Ook herbergt de regio Zuidoost-Brabant een vliegveld van noemenswaardige grootte, Vliegbasis Eindhoven. Vliegbasis Eindhoven is van origine een militaire basis maar het civiel medegebruik dat wordt uitgevoerd door Eindhoven Airport neemt de meest intensieve rol in. Deze luchthaven is de grootste regionale luchthaven van Nederland. Met 6,3 miljoen passagiers en ruim 40.000 vliegbewegingen in 2022 is Eindhoven Airport de tweede luchthaven van Nederland. Naast Eindhoven Airport kent de regio Zuidoost-Brabant Kempen Airport. Dit is een relatief klein vliegveld gelegen bij Budel in de gemeente Cranendonck vlakbij de Belgische grens en wordt voornamelijk gebruikt voor recreatieen zakenvluchten.
15
Mede door de uitstekende infrastructuur kent de regio Zuidoost-Brabant veel economische bedrijvigheid. De economische impact bij risico’s zoals uitval energievoorziening, ICT, of telecom is daarom relatief groot. De regio Zuidoost-Brabant kent zeven Seveso Hogedrempelinrichtingen en zes Seveso Lagedrempelinrichtingen. De regio Zuidoost-Brabant kenmerkt zich verder met een hoog aandeel aan intensieve veehouderij. Verder kenmerkt de regio Zuidoost-Brabant zich door veel bos- en heidegebieden. Natuurbranden zijn daarmee een reëel risico. De Kempen en de Peel zijn grote gebieden met bossen en landerijen, afgewisseld met omvangrijke heidegebieden zoals de Groote Heide en de Strabrechtse Heide. De Groote Peel is een nationaal park op de grens met Limburg. In 2020 woedde in dit natuurgebied de grootste natuurbrand ooit in Nederland. De impact van natuurbranden wordt mede beïnvloed door de combinatie met recreatie. Door de relatief hoge ligging van de regio Zuidoost-Brabant is er geen direct overstromingsgevaar. Wel valt de regio Zuidoost-Brabant binnen de invloedssfeer van de effecten van een eventuele dijkdoorbraak van (overstroming vanuit) de grote rivieren ten noorden van Zuidoost-Brabant.
Op het moment dat grote delen van het noordelijke deel van NoordBrabant als gevolg van een dergelijke overstroming onder water staan, is afvoer van water vanuit het zuiden van Brabant niet langer mogelijk. De regio Zuidoost-Brabant grenst aan de veiligheidsregio's Brabant-Noord, Midden- en West-Brabant, en Limburg-Noord. De politieregio Oost-Brabant omvat geografisch zowel de veiligheidsregio's Brabant-Noord als Brabant-Zuidoost, wat resulteert in een nauwe samenwerking tussen deze regio’s. Er is een gezamenlijke meldkamer voor Oost-Brabant gevestigd in ’s-Hertogenbosch en worden diverse brandweerzorg-, crisisbeheersings- en bedrijfsvoeringstaken gezamenlijk opgepakt. Tevens grenst Zuidoost-Brabant aan de Belgische provincies Limburg en Antwerpen, waar drie Hulpverleningszones (Limburg, De Kempen en Taxandria) actief zijn.
16
5
Methodiek
In dit hoofdstuk wordt de methodiek toegelicht die is gehanteerd bij het opstellen van dit regionaal risicoprofiel. De toegepaste methode is deels gebaseerd op de landelijke Handreiking Regionaal Risicoprofiel 2009, maar sluit voornamelijk aan op recente landelijke ontwikkelingen en inzichten. De methodiek omvat twee hoofdfasen: de eerste fase betreft de inventarisatie van relevante risico’s voor het regionaal risicoprofiel, de tweede fase is gericht op de analyse hiervan. In de volgende paragrafen wordt nader toegelicht hoe beide fasen zijn doorlopen.
5.1
Ontwikkelingen landelijke methodiek
De landelijke methodiek voor het opstellen van een regionaal risicoprofiel, zoals beschreven in de landelijke Handreiking Regionaal Risicoprofiel 2009, is op bepaalde punten verouderd en vraagt om aanpassing. Er is behoefte aan een methodiek die beter aansluit bij de actuele beleidsmatige, maatschappelijke en technologische ontwikkelingen met betrekking tot risico-inventarisatie en -analyse. Inmiddels is de transitie naar een vernieuwde aanpak in gang gezet. Een verkenning bij alle 25 veiligheidsregio’s, het Analistennetwerk Nationale Veiligheid (ANV, verantwoordelijk voor de RbRa) en diverse crisispartners heeft geresulteerd in een adviesrapport waarin een uniform proces voor risico-inventarisatie en analyse wordt aanbevolen. Naar verwachting zal het NIPV in samenwerking met de veiligheidsregio’s en netwerkpartners eind 2024 een nieuwe handreiking presenteren. Er is reeds een document opgesteld met uitgangspunten voor de nieuwe methodiek, inclusief een eerste opzet van een landelijke groslijst met maatschappelijke thema’s en crisistypen. Dit regionaal risicoprofiel is zoveel mogelijk conform deze uitgangspunten opgesteld, wat inhoudt dat op verschillende punten is afgeweken van de landelijke Handreiking Regionaal Risicoprofiel 2009.
5.2
Risico-inventarisatie
De methodiek begint met de risico-inventarisatie, waarbij de vraag "Wat bedreigt Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost?" centraal staat. Voor het opstellen van dit risicobeeld zijn de risico’s uit het Regionaal Risicoprofiel 2019-2022 en de RbRa als uitgangspunt genomen, conform het document met uitgangspunten voor de nieuwe methodiek. Ter ondersteuning van de risico-inventarisatie zijn daarnaast diverse bronnen geraadpleegd, waaronder het overzicht van GRIP-incidenten in de periode 2019-2024 binnen de regio Zuidoost-Brabant, de landelijke Handreiking Regionaal Risicoprofiel 2009 en de Atlas Leefomgeving. Ook is er expliciet gekeken naar de risico’s in aangrenzende veiligheidsregio’s en grensoverschrijdende risico’s. Hiervoor is informatie ingewonnen bij de provincies Antwerpen en Limburg (BE), waarbij een reikwijdte van 15 kilometer vanaf de landsgrens is gehanteerd, conform het Verdrag van Helsinki 1. Deze initiële inventarisatie resulteerde in een uitgebreid overzicht van mogelijke risico’s. Voor de benaming van crisistypen en de indeling in maatschappelijke thema’s is aansluiting gezocht bij de eerste opzet van de landelijke groslijst. Door deze aansluiting is het aantal thema's teruggebracht van acht naar vijf, wat tevens heeft geleid tot enkele aanpassingen in de naamgeving van crisistypen ten opzichte van het vorige risicoprofiel.
Het betreft de volgende vijf thema's: natuur en klimaat, gezondheid, vitale voorzieningen, fysieke leefomgeving en milieu en maatschappij. De thema’s interne bedrijfsvoering en continuïteit, economie en handel, bestuur en rechtsorde, en internationale positie en geopolitiek zijn 1
Het Verdrag van Helsinki heeft als doel het beschermen van de mens en het milieu tegen industriële ongevallen die grensoverschrijdende gevolgen kunnen hebben en het bevorderen van een actieve internationale samenwerking tussen de verdragspartijen bij het voorkomen en de bestrijding van dergelijke ongevallen.
17
niet opgenomen in dit overzicht. Deze thema’s vallen ofwel onder de verantwoordelijkheid van de Rijksoverheid, of, in het geval van interne bedrijfsvoering, kunnen zij op regionaal niveau in een afzonderlijk document worden behandeld. Vervolgens is beoordeeld welke van deze crisistypen relevant zijn voor de regio Zuidoost-Brabant, op basis van landelijk gedefinieerde variabelen uit de landelijke Handreiking Regionaal Risicoprofiel 2009 en inschattingen van de expertgroep. In het risicobeeld is tevens opgenomen welke risico’s niet of in mindere mate van toepassing zijn op de regio ZuidoostBrabant.
5.3
Risicoanalyse
De risicoanalyse bouwt voort op de risico-inventarisatie door niet alleen vast te stellen welke risico's de regio ZuidoostBrabant bedreigen, maar ook door te onderzoeken hoe ernstig deze bedreigingen zijn. De risicoanalyse zoals beschreven in de Landelijke Handreiking Regionaal Risicoprofiel 2009, richtte zich voornamelijk op het inschatten van de gevolgen en waarschijnlijkheid van risico’s op een vijfpuntsschaal, wat resulteerde in een risicomatrix waarin de coördinaten van elk beschouwd risico werden weergegeven. De risicoanalyse volgens de uitgangspunten van de nieuwe methodiek legt echter de nadruk op het inzichtelijk maken van de eigenschappen die bepalen hoe een risico zich in de regio kan manifesteren. Met andere woorden, eigenschappen die voorheen impliciet werden meegenomen, zijn nu expliciet gemaakt. In de nieuwe methodiek ligt meer nadruk op fenomeenanalyse in plaats van risicoschatting. Hierdoor is afgestapt van het kwantificeren van risico’s in een risicomatrix. In plaats daarvan is voor elk crisistype een kwalitatieve beschrijving opgesteld. Conform de uitgangspunten van de nieuwe methodiek is deze beschrijving gebaseerd op drie elementen: de eigenschappen van de risico’s, de gevolgen en waarschijnlijkheid en een illustratief scenario. Deze elementen worden in de volgende paragrafen nader toegelicht.
5.3.1
Eigenschappen risico’s
De risicoanalyse volgens de nieuwe methodiek vereist inzicht in de specifieke eigenschappen van verschillende risico's. In tegenstelling tot de eerdere aanpak, waarbij veel van deze eigenschappen impliciet werden meegenomen bij het beoordelen van gevolgen en waarschijnlijkheid, wordt nu expliciet aandacht besteed aan de factoren die bepalen hoe een risico zich binnen een regio kan manifesteren. Deze eigenschappen worden in eerste instantie geïdentificeerd en geanalyseerd op het niveau van de crisistypen. Het doel hiervan is een duidelijk beeld te krijgen van de regionale kenmerken die bepalen hoe risico's zich kunnen voordoen. Hierbij worden diverse aspecten in kaart gebracht, zoals geografische en temporele kenmerken, demografische en sociaaleconomische eigenschappen, eerdere casuïstiek, mogelijke oorzaken en relevante betrokken objecten. Daarnaast wordt er rekening gehouden met ontwikkelingen die in de komende jaren van invloed kunnen zijn op de manifestatie van deze risico's, waarbij veel van deze ontwikkelingen terug te herleiden zijn naar de trendthema's die eerder in het hoofdstuk trends en ontwikkelingen zijn beschreven.
5.3.2
Gevolgen en waarschijnlijkheid
Op basis van de specifieke eigenschappen van het risico is vervolgens in kaart gebracht of en welke gevolgen te verwachten zijn wanneer deze risico’s zich manifesteren binnen de regio Zuidoost-Brabant en hoe waarschijnlijk dit is. De nieuwe methodiek voor risico-inventarisatie en -analyse legt nadrukkelijk de focus op een kwalitatieve beoordeling van de gevolgen van risico's, in tegenstelling tot de kwantitatieve benadering uit de eerdere methodiek. In plaats van het
18
toekennen van scores op een vijfpuntsschaal, wordt nu een kwalitatieve beschrijving gegeven van de gevolgen, met bijzondere aandacht voor de effecten op vitale veiligheidsbelangen zoals benoemd in de landelijke Handreiking Regionaal Risicoprofiel 2009; territoriale veiligheid, fysieke veiligheid, economische veiligheid, ecologische veiligheid, sociale en politieke stabiliteit, en de bescherming van cultureel erfgoed. Voor een gedetailleerdere uiteenzetting van deze vitale veiligheidsbelangen wordt verwezen naar bijlage 2. Bij de duiding van de gevolgen wordt per risico vastgesteld welke impactcriteria van toepassing zijn en in welke mate deze relevant zijn. Naast een kwalitatieve beschrijving van de gevolgen wordt ook een stoplichtindeling gehanteerd op de vitale belangen: ‘niet van toepassing’ (groen), ‘van toepassing’ (oranje) en ‘van toepassing in ernstige mate’ (rood). Op het gebied van waarschijnlijkheid wordt eveneens afgezien van kwantitatieve inschaling. In plaats daarvan wordt een onderbouwde redenering gegeven waarom bepaalde risico’s al dan niet als waarschijnlijk worden beschouwd, ondersteund door beschikbare gegevens, zoals relevante casuïstiek, recente ontwikkelingen of landelijke statistieken. Indien kwantitatieve data beschikbaar zijn, worden deze vermeld, maar niet langer omgezet in een score.
Deze benadering benadrukt de contextuele en kwalitatieve aspecten van de risico’s, waardoor beter inzicht wordt verkregen in de factoren die de manifestatie van risico's in de regio Zuidoost-Brabant kunnen beïnvloeden.
5.3.3
Illustratief scenario
In tegenstelling tot de benadering in de Landelijke Handreiking Regionaal Risicoprofiel 2009, waarin het scenario voornamelijk werd gebruikt om gevolgen en waarschijnlijkheid te beoordelen, vervult het scenario in het huidige risicoprofiel een andere functie. Conform de uitgangspunten van de nieuwe methodiek speelt het illustratieve scenario een essentiële rol in het tastbaar maken van de geïdentificeerde risico’s. Het scenario wordt primair ingezet om een concreet beeld te schetsen van hoe een risico zich in de praktijk zou kunnen manifesteren binnen de regio ZuidoostBrabant. Dit gebeurt op basis van de specifieke eigenschappen van het risico en de regionale context. Het doel is om het risico levendig en begrijpelijk te maken voor de lezers en gebruikers van het risicoprofiel, zonder dat het scenario als basis dient voor een kwantitatieve beoordeling. De methodiek voorziet tevens in de mogelijkheid om, waar relevant, scenario's geheel of gedeeltelijk over te nemen uit de RbRa of andere bestaande bronnen. Voor sommige crisistypen is dan ook gebruikgemaakt van scenario’s uit de RbRa.
19
6
Risico-inventarisatie
In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de resultaten van de uitgevoerde risico-inventarisatie. Deze inventarisatie heeft geleid tot een risicobeeld met de bijbehorende crisistypen die voor de regio Zuidoost-Brabant relevant zijn. Voordat het risicobeeld wordt gepresenteerd volgt eerst in het bijzonder nog een beknopte beschrijving van de landgrensoverschrijdende risico’s die invloed kunnen hebben op de regio Zuidoost-Brabant.
6.1
Landgrensoverschrijdende risico’s
In de regio Zuidoost-Brabant worden enkele belangrijke grensoverschrijdende risico's geïdentificeerd die hun oorsprong vinden in België en een potentieel gevaar vormen voor de regio Zuidoost-Brabant. De risico’s betreffen met name overstromingen, natuurbranden en het vervoer van gevaarlijke stoffen. In de Belgische gemeente Pelt kan het gebruik van een wachtbekken voor hoogwater, zonder adequate afstemming met Waterschap De Dommel, leiden tot wateroverlast in de regio Zuidoost-Brabant. Daarnaast vormen de uitgestrekte bos- en heidegebieden op de BelgischNederlandse grens, zoals Bosland en De Liereman, een risico op grensoverschrijdende natuurbranden. Wat betreft het vervoer van gevaarlijke stoffen, zijn de snelwegen A67 (NL) en A21 (BE), evenals provinciale wegen zoals de N69, belangrijke transportroutes die chemieclusters verbinden en daarmee risico's op incidenten vergroten. Verder worden de spoortrajecten en buisleidingen in de 15-kilometerzone in België, zoals die tussen Turnhout en Lier, ook beschouwd als mogelijke bronnen van risico's, met name voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Daarnaast zijn er meerdere Seveso-bedrijven in België, zoals Nyrstar in Balen en Pelt, die chemicaliën produceren en opslaan, waardoor incidenten bij deze bedrijven directe gevolgen kunnen hebben voor de regio Zuidoost-Brabant.
Tot slot is er een verhoogd risico op stralingsongevallen door de aanwezigheid van nucleaire installaties in Mol/Dessel, op 14 kilometer van de Nederlandse grens. Deze installaties omvatten onder andere het Studiecentrum voor Kernenergie en het verwerkingsbedrijf voor radioactief afval Belgoprocess. Een uitgebreide omschrijving van de landgrensoverschrijdende risico’s is te vinden in bijlage 2.
6.2
Risicobeeld en duiding
Op de volgende pagina is het risicobeeld weergegeven. Voor de benaming van crisistypen en de indeling in maatschappelijke thema’s is, zoals eerder vermeld in het hoofdstuk methodiek, aansluiting gezocht bij de eerste opzet van de landelijke groslijst. Op basis van landelijk gedefinieerde variabelen uit de landelijke Handreiking Regionaal Risicoprofiel 2009 en de inzichten van de expertgroep is beoordeeld welke crisistypen relevant zijn voor de regio Zuidoost-Brabant. Hierbij gaat het specifiek om rampen of crises binnen de definitie van de Wvr, zoals eerder beschreven in het hoofdstuk inleiding. De crisistypen die niet doorgaan naar de fase van risicoanalyse, zijn weergegeven in grijs. Voor deze uitgesloten crisistypen wordt een onderbouwing gegeven voor de keuze om deze niet verder te analyseren. Daarnaast zijn een aantal crisistypen samengevoegd, terwijl andere verder zijn uitgesplitst. Ook voor deze keuzes wordt een onderbouwing gegeven.
20
Onderbouwing
Overstromingen
Landelijke Handreiking Regionaal Risicoprofiel 2009
thema
Maatschappelijk 1
Crisistype
1
De landelijke Handreiking Regionaal Risicoprofiel 2009 geeft voor het crisistype ‘overstromingen’ de volgende variabelen aan: 1) gebieden waar de overschrijdingskans op overstroming 1/4000 bedraagt; 2) gebieden die in 1995 en 1997 zijn overstroomd/ dreigden te overstromen; 3) door bestuur aangewezen overloopgebieden. Beoordeling expertgroep Op basis van de variabelen kan worden gesteld dat het crisistype ‘overstromingen’ niet nader geanalyseerd hoeft te worden. Gelet op de hoge en topografische ligging valt de regio Zuidoost-Brabant buiten de directe invloedssfeer van een eventuele overstroming
Natuur en klimaat
vanuit zee of de grote rivieren. Desondanks is er wel een risico op wateroverlast als gevolg van hoge rivierwaterstanden of extreme neerslag. En ook bestaat het risico op een dijkdoorbraak. Het verschil in de aard en impact van deze incidenttypen maakt dat zij afzonderlijk worden uitgewerkt in de risicoanalyse. 2
Natuurbranden
3
Extreem weer
Landelijke Handreiking Regionaal Risicoprofiel 2009 De landelijke Handreiking Regionaal Risicoprofiel 2009 geeft geen variabelen over de ondergrens. Beoordeling expertgroep Met betrekking tot het crisistype ‘Extreem weer’ wordt in de landelijke Handreiking Regionaal Risicoprofiel 2009 een onderscheid gemaakt tussen de incidenttypen ‘koudegolf, sneeuw en ijzel’, ‘hittegolf’, ‘storm en windhozen’ en ‘aanhoudende laaghangende mist’. Op ‘aanhoudende laaghangende mist’ na zijn voor de regio Zuidoost-Brabant alle incidenttypen van toepassing. Uit onderzoek is namelijk niet gebleken dat dit incidenttype tot grootschalige problemen leidt. Het verschil in de aard en impact van deze incidenttypen maakt dat zij afzonderlijk worden uitgewerkt in de risicoanalyse.
21
4
Aardbevingen
Landelijke Handreiking Regionaal Risicoprofiel 2009 De landelijke Handreiking Regionaal Risicoprofiel 2009 hanteert als ondergrens gebieden c.q. plaatsen waar bevingen kunnen optreden met een intensiteit van VI of hoger op de Europese Macroseismische Schaal (EMS). Beoordeling expertgroep In Nederland treden zowel geïnduceerde als natuurlijke aardbevingen op. Geïnduceerde aardbevingen zijn het gevolg van menselijk handelen. Deze aardbevingen vinden voornamelijk plaats in het noorden van Nederland ten gevolge van de gaswinning. Natuurlijke aardbevingen zijn het gevolg van de platentektoniek en treden op in het zuiden van Nederland. Er waren in 2023 in totaal 12 natuurlijke aardbevingen, in 2022 waren dit er 7. Deze aardbevingen vonden plaats in Limburg en NoordBrabant. Op basis van de risicokaart blijkt dat in de regio ZuidoostBrabant natuurlijke aardbevingen kunnen optreden met een intensiteit van VI (kans op lichte tot matige schade aan gebouwen). Weliswaar is dit crisistype niet opgenomen in het Regionaal Risicoprofiel 2019-2022 met de onderbouwing dat er volgens seismologen in Nederland één keer op elke duizend jaar een aardbeving met een sterkte van VI of hoger is te verwachten. Vanwege de vele eisen en voorschriften is de Nederlandse huizenbouw in het algemeen degelijk van constructie en daarmee redelijk bestand tegen aardbevingen met een intensiteit van VI.
Er zijn geen veranderende inzichten ten opzichte van het Regionaal Risicoprofiel 2019-2022 die maken dat dit crisistype in dit regionaal risicoprofiel nader geanalyseerd zou moeten worden.
Gezondheid
2
1
Humane infectieziekten
2
Dierziekten
3
Chronische blootstellingen
Landelijke Handreiking Regionaal Risicoprofiel 2009 Dit crisistype is niet opgenomen in de landelijke Handreiking Regionaal Risicoprofiel 2009. Er zijn geen variabelen over de ondergrens. Beoordeling expertgroep Onder chronische blootstelling wordt verstaan: een langdurige constante of periodieke blootstelling aan een stof die in de loop van de tijd gevolgen kan hebben voor de gezondheid. Chronische