RIB2024 08a Brief tbv gemeenteraad inzake parkeergarages Fiscaliade
Tekst van het document
Gemeente Veenendaal T.a.v. de gemeenteraad
Betreft: BTW en parkeergarages Datum: 19 januari 2024 Geachte leden van de gemeenteraad, U heeft verzocht om u blijvend te informeren over de voortgang van de problematiek omtrent de btw positie van de parkeergarages in de gemeente Veenendaal. Inleiding De afgelopen tijd is intensief met de Belastingdienst gesproken over de btw positie van de parkeergarages van de gemeente Veenendaal. Hierbij informeren wij u over de huidige stand van zaken. In het verleden heeft de gemeente Veenendaal besloten om een andere wijze van parkeren toe te passen in gemeentelijke parkeergarages. Een ander parkeerregime kan ook tot een andere btw positie leiden aangaande deze parkeergarages. Daarom heeft de gemeente bij de belastingdienst in maart 2022 een vooroverleg ingediend. In september 2023 heeft de belastingdienst hier zijn algemene standpunt over weergegeven. Dit standpunt komt niet overeen met de zienswijze van de gemeente. Daarom overweegt de gemeente een bezwaarprocedure. Waar gaat de discussie over? De gemeente Veenendaal heeft zoals in de inleiding aangegeven voor drie gemeentelijke parkeergarages de parkeersystematiek veranderd.
Dat betekent: - De slagbomen zijn verwijderd; - Betaling vindt plaats door middel van een parkeerapp (vooraf) of achteraf bij een parkeerautomaat; - De garages zijn meegenomen in het gemeentelijke parkeerbeleid en de parkeerbelastingverordening; - Handhaving vindt plaats door de BOA’s die door de parkeergarages rijden. De gemeente is van mening dat er sterke argumentatie aanwezig is dat er sprake is van overheidshandelen. Dat betekent dat er geen sprake is van btw-ondernemerschap door de gemeente voor deze activiteit. Immers, er wordt een vergelijkbaar beleid gevoerd als voor ‘straatparkeren’ waarvoor de gemeente ook niet als btw belast ondernemer wordt aangemerkt. In de Wet op de Omzetbelasting 1968 is bij het btw ondernemersbegrip een zogenaamde wetsfictie opgenomen. Deze wetsfictie geeft aan dat sprake is van btw-belast parkeren als: 1) de overheid betaald parkeren toepast waarbij een fysieke barrière is geplaatst; of 2) een registratie bij de in- of uitrit ter verzekering van betaling van het parkeergeld aanwezig is.
Omdat er een camera is geplaatst aan het begin van de parkeergarage, is de belastingdienst van mening dat de fictie van toepassing is. Daarmee zou dan sprake zijn van btw-belaste dienstverlening. Waarom is de gemeente dan toch van mening dat hier geen sprake is van btw-belaste dienstverlening? Er zijn naar onze mening goede argumenten om te stellen dat de belastingdienst de camera’s een verkeerde functie toedicht. De camera’s zijn naar de mening van de gemeente niet ter verzekering van betaling van het parkeergeld, maar faciliteren deze de betaling van de mensen die parkeren in de parkeergarages. De camerafunctie zorgt voor kentekenherkenning waardoor mensen op basis van kenteken het parkeergeld voor het juiste bedrag kunnen voldoen. De camera heeft geen controlefunctie voor de betalingsverzekering. Uitrijden zonder betalen wordt enkel beboet als gedurende de parkeertijd controle heeft plaatsgevonden door de BOA’s in de parkeergarage. Dit betekent dat er dus geen doorlopende registratie aanwezig is waarmee het parkeergeld wordt verzekerd. De camera’s dienen enkel een faciliterend doel voor de mensen die er parkeren om makkelijk te kunnen betalen. Wij zien daarom goede kansen in de argumentatie om te kunnen spreken van een kwalificatie als openbare parkeergarage. Overleg met de belastingdienst In dit kader is ook overleg geweest met de belastingdienst.
De casuïstiek is in alle openheid met de Belastingdienst besproken in een prettige sfeer. De belastingdienst heeft in deze gesprekken aangegeven dat de pareergarages in dit specifieke geval een ‘grijs’ gebied zijn. Er is niet eerder een juridisch oordeel gegeven over een vergelijkbare kwestie, waardoor er ruimte is voor meerdere interpretaties. De belastingdienst heeft ook aangegeven dat als de gemeente bezwaar overweegt dat dit geen enkele belemmering betekent in de professionele relatie met de belastingdienst. De belastingdienst stelde het vraagstuk een interessante casus te vinden om eventueel verder voor te leggen in een procedure. Wij zien daarom geen aanleiding om te twijfelen aan de relatie met de Belastingdienst als besloten zou worden om de2 procedure voort te zetten. Hoe nu verder? Er zijn drie routes te bewandelen: 1. Het standpunt van de belastingdienst wordt gevolgd en de gemeente verwerkt in de administratie de dienstverlening voor de parkeergarages als btw-belast. 2. Het standpunt van de belastingdienst wordt niet gevolgd en de gemeente verwerkt in de administratie de dienstverlening voor de parkeergarages als niet belast met btw (handelen als overheid). 3. Het standpunt van de belastingdienst wordt gevolgd (btw-belast), maar de gemeente maakt bezwaar tegen de eigen aangifte.
Het spreekt vanzelf dat in het kader van de open relatie die de gemeente heeft met de belastingdienst standpunt 2 geen voorkeur heeft. Wij hebben geadviseerd om route 3 te volgen (volgen standpunt belastingdienst, bezwaar tegen eigen aangifte). Hierdoor wordt het standpunt van de belastingdienst erkent, maar wordt achteraf hierover een nadere discussie gevoerd. Dit is verstandig omdat we daarmee recht doen aan de door de belastingdienst aangedragen argumenten op het standpunt van de gemeente. Daarnaast is dit vanuit het financiële belang wenselijk omdat het later corrigeren van onjuiste aangiften leidt tot een aanvullende correctie met eventuele te betalen belastingrente tot gevolg. Het is ook een defensievere methode die past bij de situatie waarin geen andere relevante rechtspraak aanwezig is. In een bezwaartraject wordt door een andere inspecteur eerst de argumentatie van de belastingdienst heroverwogen. Na de uitspraak op bezwaar kan bij een afwijzende uitspraak op bezwaar opnieuw overwogen worden of tegen deze beslissing in beroep gegaan zal worden bij de rechtbank. Kort samengevat 2
raden wij aan verder te gaan met de procedure gezien de inhoudelijke kansen voor een positieve uitkomst. Er zijn geen aanvullende financiële risico’s aan het standpunt verbonden omdat bij keuze voor het voorgestelde scenario administratief het standpunt van de Belastingdienst gevolgd wordt om vervolgens in bezwaar te gaan. Op basis van de gevoerde gesprekken met belastingdienst zien wij geen aanleiding om te veronderstellen dat een eventuele bezwaar- en/of beroepsprocedure de relatie met de belastingdienst negatief beïnvloed. Met vriendelijke groet,
Mr. Nikita Brameijer Fiscaal jurist overheid btw en BCF Nikita.Brameijer@fiscaliade.nl Tel: 088 - 3745501 of 06 – 21934361
3