RIB2023.6 Raadsinformatiebrief inzake Visie Bedrijventerreinen - vragen vanuit de raadscommissie
Tekst van het document
RAADSINFORMATIEBRIEF Documentnummer 2023/45744 Aan Van
Datum Onderwerp
Gemeenteraad College van burgemeester en wethouders 24 januari 2023 Visie Bedrijventerreinen - Beantwoording van vragen van de raadscommissie d.d. 17 januari 2023
Inleiding In de raadscommissie van 17 januari 2023 is een tweetal vragen gesteld over de Visie Bedrijventerreinen. In deze raadsinformatiebrief willen we daar graag antwoord op geven. Tijdelijk vergunde bedrijven De vraag betrof globaal het volgende: Wat is de historie rond een aantal bedrijven met tijdelijke vergunning voor detailhandel op bedrijventerrein Nijverkamp en wat is de huidige en feitelijke situatie? Het betreft hier zes bedrijven met een tijdelijke vergunning op het bedrijventerrein Nijverkamp met (deels) detailhandel, zonder dat dit definitief vergund is. Hierover bleek in de raadscommissie enige onduidelijkheid. Hieronder geven wij de historie aan en de feitelijke situatie op dit moment. In 2017 heeft een controle plaatsgevonden op het bedrijventerrein Nijverkamp. Daaruit bleek dat acht bedrijven detailhandel voerden zonder de hiervoor benodigde vergunning. Detailhandel op de bedrijventerreinen is in principe niet toegestaan. Daar moet een vergunning voor worden aangevraagd en het moet voldoen aan de randvoorwaarden. Er is destijds besloten bij deze bedrijven niet handhavend op te treden en hen tijdelijk te vergunnen omdat er uitzicht bestond op uitbreiding van de woonboulevard aan de westzijde van de Groeneveldselaan en wellicht ook verruiming in het Detailhandelsbeleid. Als dit niet het geval was geweest zou er handhavend zijn opgetreden.
Aan de bedrijven is meegegeven vooral uit te kijken naar een andere locatie of hun businessmodel aan te passen. Van legalisatie op locatie is nooit sprake geweest. In 2021 werd duidelijk dat de PDV-locatie aan de westzijde Groeneveldselaan niet gerealiseerd zou gaan worden en het Detailhandelsbeleid bood ook geen opening voor de branches waarin deze bedrijven opereren. Er is destijds intensief met de bedrijven gesproken om samen naar een oplossing te zoeken. Inmiddels hadden reeds twee bedrijven een andere locatie gevonden. De tijdelijke vergunning van de overige zes bedrijven is komen te vervallen per 1 januari 2023. Wij zijn tijdig met de ondernemers in gesprek gegaan om met ze mee te denken, te werken naar een permanente oplossing en indien mogelijk, om ze de gelegenheid te bieden een permanente omgevingsvergunning te regelen (als aan het geldende beleid wordt voldaan). Inmiddels zijn twee situaties opgelost, één bedrijf ging failliet en het is aannemelijk dat nog twee of drie situaties op korte termijn kunnen worden opgelost. Dit kunnen zij doen door of de situatie aan te passen conform het bestemmingsplan of een omgevingsvergunning aan te vragen om af te wijken van het bestemmingsplan, overeenkomstig het detailhandelsbeleid. Daarbij zal dan ook de werkelijke situatie in overeenstemming met de vergunning moeten worden gebracht.
Eén bedrijf blijft van mening dat er in het verleden een toezegging is gedaan en onderneemt daarom geen actie. Het
Raadhuisplein 1 • 3901 GA Veenendaal • Postbus 1100 • 3900 BC Veenendaal Tel. (0318) 538 538 • Fax (0318) 510 414 • www.veenendaal.nl • www.veenendaal.nl/vraag
college is een andere mening toegedaan. Binnenkort volgt op bestuurlijk niveau een gesprek met deze ondernemer. Wijzigen Bestemmingsplan Bij de technische vragen t.a.v. de Visie Bedrijventerreinen werd reeds een vraag gesteld inzake de benodigde bestemmingsplanwijziging voor een duurzame mobiliteitsboulevard (bijlage 1): RHO geeft in haar rapport aan dat een duurzame mobiliteitsboulevard goed past bij de strategische mobiliteitsdoelen van de gemeente, regio en provincie. Is het dan niet verstandig dat de gemeente zelf de bestemmingsplanwijziging doorvoert in plaats van ondernemersinitiatieven af te wachten? Bij de beantwoording van de technische vragen is deze vraag reeds beantwoord, maar gezien de vragen in de raadscommissie lijkt het ons goed om dit onderwerp verder toe te lichten. De discussie rond een duurzame mobiliteitsboulevard is, zoals beantwoord in de TV-deel 2 van januari j.l., ontstaan naar aanleiding van de wens om duurzame mobiliteit te bevorderen en de aanvraag van een individuele ondernemer om fietsen te verkopen aan particulieren op het bedrijventerrein. Afgezien van het feit dat wij als overheid duurzame mobiliteit willen stimuleren is in principe alleen fietsenverkoop en andere duurzame mobiliteit zoals LEV’s aan particulieren niet mogelijk op bedrijventerreinen.
Overige duurzame mobiliteit zoals elektrische auto’s zijn via ontheffing mogelijk en aanverwante artikelen zoals bv verkoop van laadpalen en andere duurzame artikelen, zoals warmtepompen en zonnepanelen, zijn sowieso toegestaan op alle bedrijventerreinen. Uit het onderzoek van RHO blijkt verkoop van fietsen en LEV’s mogelijk, mits er een bepaald gebied wordt aangewezen waar dit in de toekomst mogelijk is. Op verzoek van een ondernemers kan hieraan dan medewerking worden verleend. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) geeft de gemeente de bevoegdheid om een bestemmingsplan te maken of aan te passen voor haar grondgebied. In een visie legt de gemeente de stip op de horizon vast waarna het mogelijk is om op basis daarvan initiatieven te ontplooien. Het bestemmingsplan is het instrument om vorm te geven aan een visie die de gemeente heeft vastgesteld, Het is standaard in Veenendaal, maar ook in de rest van de gemeenten in Nederland, dat de ambities (die genoemd staan in een structuurvisie of bepaalde sectorale visies) op een organische manier vorm krijgen. Een gemeente kiest om mee te werken aan initiatieven die bijdragen aan een ambitie, waardoor uiteindelijk die ambitie wordt bereikt. Deze werkwijze wordt ook gehanteerd bij ambities uit de Omgevingsvisie.
Bijvoorbeeld de maximale bouwhoogte vervalt pas nadat daadwerkelijk een concreet verzoek is ontvangen van een initiatiefnemer, waarna wijziging van het bestemmingsplan door de raad plaatsvindt. Het idee erachter is dat de initiatieven voordeel geven voor een eigenaar of ontwikkelaar, waardoor de financieringsvraag en het risico bij die partij kan worden gelegd, De keuze of je als gemeente zelf een bestemmingsplanwijziging start of op verzoek van een initiatiefnemer ligt in het onderscheid tussen enerzijds of er sprake is van een (groot) maatschappelijk belang en anderzijds individueel belang van een ondernemer die door een bestemmingsplanwijziging financieel voordeel krijgt.
2
Als de gemeente de keuze maakt voor zelf bestemmingsplanwijziging te starten zijn de kosten voor het opstellen van de stukken, de bijbehorende onderzoeksplicht, eventuele beroepsgang en planschadeverhaal allemaal voor rekening van de gemeente.
Consequenties bestemmingsplanwijziging Als de gemeente ervoor kiest om zelf het bestemmingsplan aan te passen om een Duurzame mobiliteitsboulevard mogelijk te maken is een aantal zaken van belang. 1. Precedentwerking: in wezen gaat het hier om de situatie dat er een algemeen belang zou kunnen zijn, zoals duurzame mobiliteit, en de vraag daarbij hoe dit zich verhoudt tot een individuele initiatiefnemer. De consistente lijn is dat de lokale overheid het beleid vaststelt, en dat dit individueel kan worden uitgewerkt in een bestemmingsplanwijziging, op aanvraag en op kosten van deze initiatiefnemer. Als wij in de situatie die nu voorligt, de duurzame mobiliteitsboulevard, dit vanuit algemeen belang vanuit de overheid vertalen in de aanpassing van het bestemmingsplan, dan ligt de precedentwerking erin dat elke toekomstige initiatiefnemer zich kan beroepen op een algemeen belang en daarmee zich erop kan beroepen dat de overheid de kosten van de aanpassing van het bestemmingsplan draagt. De initiatiefnemer beroept zich dan op het gelijkheidsbeginsel.Als voorbeeld van de gebruikelijke route kan genoemd worden: De aanvraag voor hoogbouw op de oude locatie van garage Van Jaarsveld. De ontwikkelaar vraagt aan, betaalt de kosten en draagt het risico en de gemeente past vervolgens het bestemmingsplan aan. 2.
In het kader van het gelijkheidsbeginsel moet het goed uitlegbaar zijn waarom in dit geval voor percelen in privaat eigendom wordt gekozen voor een verbreding van de mogelijkheden. Deze verbreding levert (financiële) voordelen op voor de eigenaren van deze percelen. Zoals hierboven gesteld is het gebruikelijk dat wij bij voordeel voor de eigenaar de kosten en het risico van ruimtelijke procedures bij de eigenaren leggen. Het moet uitlegbaar zijn naar initiatiefnemers van andere ontwikkelingen in de gemeente waarom wij bij deze specifieke ambitie kiezen om zelf de planologische procedure uit te voeren, in plaats van deze bij individuele initiatiefnemers te leggen. Wij willen als gemeente een betrouwbare en consistente overheid zijn en zien als college niet de motivatie om voor deze afwijking te kiezen. 3. Aan een bestemmingsplan ligt meestal een structuurvisie ten grondslag, waarin vast een globale ruimtelijke verkenning is gedaan of een ontwikkeling op een bepaalde locatie passend is of niet. De Visie Bedrijventerreinen 2030 is meer een sectorale visie die de basis legt voor eventuele aanpassing van het bestemmingsplan.
Er zijn nog vragen onbeantwoord, zoals wat betekent deze ontwikkeling voor bedrijven in de omgeving die niet binnen de boulevard vallen? Wat betekent dit voor de verkeerssituatie? Zijn er regels vanuit hogere overheden of de regio waar rekening mee moet worden gehouden? Zo zijn er nog wat meer vragen te bedenken waar goed naar gekeken moet worden bij het opstellen van een aanpassing van het bestemmingsplan op deze schaal. 4. Rekening moet worden gehouden dat, indien er besloten wordt de bestemmingsplanwijziging op initiatief van de gemeente te starten: - de kosten volledig voor rekening van de gemeente komen. Aangezien dit een complexe wijziging is, mede omdat we hier rekening moeten houden met de Dienstenrichtlijn, is deze wijziging kostbaarder en intensiever dan een normale wijziging. De ambtelijke uren, kosten voor het opstellen van het bestemmingsplan, het uitvoeren van eventuele onderzoeken en kosten voor een eventuele rechtsgang en planschade zijn niet te verhalen op derden. Voor het opstellen van een bestemmingsplan en het begeleiden van de procedure worden grofweg 100 tot 150 ambtelijke uren gerekend. Het uitvoeren van onderzoeken en de kosten van het laten toetsen daarvan is afhankelijk van de precieze wijziging van het bestemmingsplan ten
3
-
opzichte van de huidige mogelijkheden. Hiervoor is niet de legesverordening van toepassing maar de exacte exploitatiekosten; uitlegbaar moet zijn wat de maatschappelijke en financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is; aangetoond moet worden dat de nieuwe functies die mogelijk worden gemaakt op elk perceel binnen tien jaar ook als zodanig kunnen worden gebruikt. Als dit niet goed is gemotiveerd in het bestemmingsplan, loopt het plan risico in een eventuele rechtsprocedure;
4