CConstaterende datVeenendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

RIB2021.47a Raadsinformatiebrief inzake stand van zaken corona in Veenendaal (brief nr 10) - bijlage regionale rapportage

Raadscommissie 19 april 2021, gemeente VeenendaalBij agendapunt: Raadsinformatiebrief inzake stand van zaken corona in Veenendaal, nr 10 (RIB2021.47) (door Lokaal Veenendaal)7.444 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Regionale rapportage COVID-19 24 maart 2021

Inhoudsopgave

INLEIDING ........................................................................................................................................................ 3 1.

VIRUSVERSPREIDING ................................................................................................................................ 4 1.1. 1.2. 1.3.

2.

KWETSBAREN BESCHERMEN................................................................................................................... 23 2.1 2.2.

3.

AANTAL POSITIEF GETESTE PERSONEN ............................................................................................................... 4 TESTEN .................................................................................................................................................... 18 AANTAL OVERLEDENEN COVID-19 ............................................................................................................... 21

MONITORING VERSPREIDING VIRUS BINNEN ZORGINSTELLINGEN .......................................................................... 23 MELD- EN ADVIESPUNT BEZORGD ................................................................................................................. 25

ZORGCONTINUÏTEIT ................................................................................................................................ 26 3.1 ZIEKENHUIZEN ........................................................................................................................................... 26 3.1.1 Aantal ziekenhuisopnames landelijk ............................................................................................. 26 3.1.2 Verloop IC-capaciteit regio ............................................................................................................ 27 3.1.3 Verloop kliniek-capaciteit regio ..................................................................................................... 27 3.2 ZORGINSTELLINGEN (NIET-ZIEKENHUIZEN) ....................................................................................................... 27 3.2.1 Beddencapaciteit zorginstellingen ................................................................................................ 28 3.3 OPVANGLOCATIES BUITEN HET ZIEKENHUIS ...................................................................................................... 29 3.4 BEELD PERSOONLIJKE BESCHERMINGSMIDDELEN ............................................................................................... 30

BIJLAGE 1. LANDELIJKE PANELONDERZOEK .................................................................................................... 31

Inleiding Voor u ligt de regionale rapportage COVID-19 van de regio Utrecht. De regionale rapportage is ter informatie. De Directeur Publieke Gezondheid (DPG) draagt in crisistijd de verantwoordelijkheid voor de coördinatie van de geneeskundige hulpverlening en draagt zorg voor een regionale gecoördineerde aanpak. De regionale integrale rapportage is een hulpmiddel om zo goed mogelijk overzicht te krijgen in de COVID-19 ontwikkelingen in de zorg (acuut en niet acuut) in de regio en daar waar nodig tijdig bij te sturen en maatregelen te nemen. Zodat een veilige en efficiënte zorgverlening wordt gewaarborgd en de zorg beheersbaar blijft. De regionale rapportage wordt één keer per week opgesteld. De gepresenteerde informatie uit de rapportage kan worden ingehaald door actuele ontwikkelingen en kan op details soms niet synchroon lopen met de door het RIVM gepresenteerde cijfers vanwege het moment van peiling. Aan de inhoud van de rapportage kunnen geen verdere conclusies worden verbonden.

1.

Virusverspreiding

1.1.

Aantal positief geteste personen

Figuur 1 presenteert het landelijke beeld ten aanzien van de bij de GGD gemelde patiënten COVID-19 vanaf 30 november. Vanaf eind november is het aantal besmettingen opnieuw fors gestegen naar zo’n 12.000 besmettingen per dag, na het instellen van de lockdown is het aantal besmettingen per dag geleidelijk afgenomen. Sinds januari bleef het aantal stabiel rond de 4000 per dag. Vanaf eind februari was er weer sprake van lichte toename, die de laatste week verder is toegenomen. Landelijk is het aantal besmettingen in de afgelopen week ruim 6600 besmettingen hoger ten opzichte van de voorgaande week.

Figuur 1. Landelijk bij de GGD gemelde patiënten COVID-19 vanaf 30 november. Peildatum: 23 maart 2021 10:00. Bron RIVM

Een vergelijkbaar beeld zien we in de regio. Tot en met 24 maart 08:35 uur zijn in totaal 95.859 personen positief op COVID-19 getest in de regio Utrecht. Het verloop van de aantallen is per week weergeven in figuur 2. Na een flinke afname sinds half december nam het aantal besmettingen in de laatste paar weken weer toe. In de afgelopen week steeg het aantal geregistreerde positieven naar 3.289.

Figuur 2. Aantal COVID-19 positief gemelde personen per week GGD in regio Utrecht. Peildatum: 22 maart.

De infectiedruk blijft hoog Na maandenlange afname in het aantal besmettingen, was er vanaf medio juli (week 28 2020) weer een stijging in het aantal COVID-19 positieve personen. De stijging zette door tot half augustus. Deze stijging in het aantal besmettingen leek een direct gevolg van de verregaande versoepelingen die vanaf 1 juli zijn doorgevoerd. Na het aanscherpen van maatregelen en aandacht in de media stabiliseerde het aantal besmettingen, tot week 36. Vanaf week 37 was er opnieuw een zorgelijke grote stijgende trend in het aantal besmettingen waar te nemen. Deze toename heeft de overheid doen besluiten tot het instellen van strengere maatregelen. De effecten van de maatregelen genomen begin en medio oktober waren na enkele weken zichtbaar in de besmettingsaantallen. Begin november zagen we op week- en dagbasis een daling in het aantal besmettingen. Deze daling heeft zich niet doorgezet en ging ook landelijk over in een stabilisatie gevolgd door een toename in besmettingen. Deze toename was aanleiding voor het instellen van strengere maatregelen, zoals de lockdown en later ook de avondklok. De effecten van deze strengere maatregelen waren in de eerste 5 weken in 2021 zichtbaar. Sinds de laatste paar weken is er opnieuw een zorgelijke stijgende trend in het aantal besmettingen waar te nemen. Deze toename wordt ook landelijk gezien en geduid als derde golf.

Nieuwe varianten Afgelopen weken zagen we een lichte toename in het aantal registraties in de regio. Vanaf begin januari zijn de besmettelijkere nieuwe varianten waaronder de Britse- en Zuid Afrika mutatie in Nederland aangetroffen. Door middel van modellering van het RIVM wordt geschat dat de nieuwe varianten inmiddels ruim 50% van alle nieuwe besmettingen betreft. Vanuit het RIVM wordt onderzoek gedaan naar de nieuwe varianten. Het in kaart brengen van de contacten (BCO) wijkt niet af ten opzichte van besmettingen met de standaard variant. Verlenging lockdown en avondklok tot in ieder geval 20 april Op maandag 14 december jl. is een lockdown aangekondigd naast andere maatregelen en zijn ingegaan op 15 december om 00:00. Daarnaast geldt vanaf 13 januari dat de afstandsmaatregel van anderhalve meter ook van toepassing is op middelbare scholen. De eerste effecten van de lockdown zagen we in januari in de besmettingscijfers, hoewel het aantal uitgevoerde testen veel lager was dan in de periode ervoor. Door het steeds vaker aantreffen van de besmettelijkere Britse variant in Nederland zijn op 19 januari jl. extra maatregelen aangekondigd waaronder beperkingen op ontvangen van bezoek en een reisverbod vanuit Verenigd Koninkrijk, Zuid Afrika en Zuid Amerika. Daarnaast is op 23 januari jl. de avondklok toegevoegd in dit maatregelenpakket.

Dit houdt in dat tussen 21:00 en 4:30 uur niemand op straat mag zijn, mits een geldende uitzonderingsregel. In de persconferentie van 23 maart jl. is een verlenging van de lockdown en avondklok tot in ieder geval 20 april 04:30 aangekondigd. Vanaf woensdag 31 maart gaat de avondklok wel 1 uur later in. Het aanhouden van de avondklok heeft het mogelijk gemaakt om ondanks de toename in besmettingen toch versoepelingen door te voeren. Basisscholen en kinderopvang zijn vanaf 8 februari weer open. Middelbare scholen en het MBO zijn vanaf 1 maart weer open (minimaal 1 dag in de week). Per 9 maart mogen bewoners in een verpleeghuis 2 bezoekers per dag ontvangen (mits bewoners zijn gevaccineerd). Vanaf 16 maart mogen onder andere mensen vanaf 27 jaar met max. 4 personen weer samen buiten sporten en zijn de regels voor niet-essentiële winkels verruimd afhankelijk van de grootte van de winkel. Aantal COVID-19 positieve patienten naar eerste ziektedag In figuur 3 staan de COVID-19 positieve patiënten vanaf 1 september uitgezet naar de dag dat deze personen voor het eerst klachten hebben ontwikkeld. Nadat iemand klachten ontwikkelt, zit er enige tijd tussen totdat iemand zich laat testen en gemeld wordt bij de GGD. Dit betekent dat het te verwachten is dat aantal mensen met een eerste ziektedag <1 week geleden nog aangevuld zal worden.

Het figuur geeft een overzicht van het verloop van de COVID-19 infecties in de regio Utrecht. Onderin het

figuur staat met pijltjes aangegeven wanneer aanscherping of versoepelingen van de maatregelen hebben plaatsgevonden. Als er een effect te verwachten is van de maatregelen, wordt dit effect na ongeveer 2 weken verwacht. Eerste effecten huidige lockdown zichtbaar, maar nog niet voldoende Voor de maatregelen aangekondigd op 14 december jl. hebben we effecten teruggezien in het aantal besmettingen en ook in de ziekenhuisopnames en overlijdsaantallen waren de eerste effecten zichtbaar, maar dit was onvoldoende voor een afname tot een acceptabel niveau. Na ruim twee weken na het ingaan van de harde lockdown zagen we een voorzichtige afname van het aantal positief getesten. Inmiddels zien we het aantal besmettingen landelijk weer toenemen, inmiddels ook gevolgd door een kleine stijging in de IC- en kliniekbezetting met COVID-19-patiënten. Er blijft een afname te zien in aantal besmettingen in verzorgingstehuizen. Dit wordt zeer waarschijnlijk veroorzaakt doordat de meeste inwoners en hun verzorgers inmiddels gevaccineerd zijn. In Nederland zitten we echter nog steeds in een zeer ernstig situatie. Inschaling ‘zeer ernstig’ De regio Utrecht is sinds 13 oktober volgens de landelijke richtlijnen van inschaling door de minister van VWS ingeschaald als risiconiveau ‘zeer ernstig’.

Het beeld was in eerste instantie dat met name in stedelijk gebied het aantal besmettingen fors opliep, waarna de rest van de regio volgde met besmettingen in alle leeftijdsgroepen, in alle settings, in alle gemeenten. De infectiedruk is nog steeds hoog. De wekelijkse incidentie is toegenomen naar 239 per 100.000 (week 10: 206 per 100.000). Daarmee blijft de situatie in de regio Utrecht zeer ernstig. De aanhoudende infectiedruk is op dit moment het sterkst buiten de grote steden. Binnen de regio worden relatief gezien de meeste ziektegevallen gezien in Bunschoten, wat ook grotendeels verklaard kan worden door het ruime testbeleid in het kader van het onderzoek ‘Grootschalig risicogericht testen’. Ook met het huidige vindpercentage blijft de infectiedruk nog steeds erg hoog. Het bronen contactonderzoek (BCO) wordt in Utrecht volledig uitgevoerd. Wel wordt de monitoring alleen uitgevoerd bij positief getesten en hun huishoudcontacten. In veel andere GGD-regio’s is de werkdruk dermate hoog, dat het BCO daar in veel minder uitgebreide vorm wordt uitgevoerd. Alleen samen krijgen we corona onder controle Om verdere verspreiding van het virus te voorkomen, blijft het belangrijk dat mensen zich aan de maatregelen houden. Afstand houden, drukke plaatsen vermijden, handen wassen, niezen en hoesten in de elleboog en het gebruik van papieren zakdoekjes.

Dat geldt ook voor zoveel mogelijk thuiswerken en testen bij de eerste klachten.

Figuur 3. Totaal aantal positieve registraties naar begin van de klachten, indien niet aanwezig dan meldingsdag – 3 kalenderdagen. Peildatum 23 maart

Vaccinaties Sinds 8 januari is GGDrU gestart met het vaccineren zorgmedewerkers van verzorgingsinstellingen. Inmiddels zijn sinds 8 januari in totaal (eerste en tweede doses) ruim 93.000 (d.d. 24 maart om 09:00 uur) mensen door GGDrU gevaccineerd (figuur 4). Vanaf 2 februari is er in een tweede priklocatie in de Jaarbeurs door GGDrU begonnen met het vaccineren van ouderen. Sinds maandag 15 februari is een locatie in Amersfoort operationeel. Vanaf 1 maart is locatie Veenendaal geopend en per 22 maart ook in Driebergen een locatie geopend. Alle geleverde vaccins worden gebruikt. Per maandag 15 maart was er voor 2 weken een stop afgekondigd op het geven van vaccins van AstraZeneca vanwege mogelijke bijwerkingen. Hierdoor valt het aantal gegeven vaccinaties sindsdien lager uit, per dag scheelde dit ruim 500 vaccinaties. Op 18 maart heeft het ministerie van VWS besloten op basis advies van het Europees Medicijnagentschap (EMA) en de Nederlandse Medicijnautoriteit (CBG) op korte termijn te hervatten. Per 24 maart zijn de vaccinaties met Astrazeneca hervat in de regio Utrecht. Beschikbaarheid van vaccins en prioritering van doelgroepen wordt landelijk bepaald en afhankelijk van toelating en levering vaccins. Naast de GGD’en vaccineren de ziekenhuizen hun eigen personeel op de acute zorg afdelingen.

En ook de huisartsen in de regio Utrecht beginnen op zeer korte termijn met het vaccineren van de groep 60-64 jarigen. Meer informatie over de te vaccineren doelgroepen is te vinden in het Stroomschema landelijke vaccinatiestrategie.

Figuur 4. Aantal vaccinaties (eerste en tweede dosis) gegeven door GGD regio Utrecht. Peildatum 24 maart 09:00 uur. Door code rood was de priklocaties op 7 februari 2021 gesloten en op 15 februari ‘s ochtend gesloten. Door landelijke vaccines levering problemen was locatie Houten 26 februari t/m 1 maart gesloten. Uit voorzorg was vaccinatie met Astrazeneca 15 t/m 23 maart tijdelijk gestopt.

Effect van vaccinatie steeds duidelijker zichtbaar onder bewoners verpleeghuizen Vanaf 26 januari is er door GGDrU ook begonnen met het vaccineren van thuiswonende 90-plussers in de regio. Acht weken na de eerste toegediende vaccinatie is het effect van vaccinatie in de verpleeghuizen duidelijk zichtbaar, zoals blijkt uit onderzoek van het RIVM (figuur 5). Inmiddels hebben bijna alle verpleeghuisbewoners een eerste vaccinatie gehad, een deel van de bewoners heeft de ook tweede vaccinatie ontvangen. Bij

thuiswonende ouderen, waarvan de eerste mensen eind januari gevaccineerd zijn, is ook een daling zichtbaar in besmettingen. Het is nog te vroeg om te zeggen of dit een effect van de vaccinaties is. Onder 80-plussers neemt verder het aantal ziekenhuisopnames af, waarschijnlijk als gevolg van het starten van vaccineren in deze groep (figuur 6).

Figuur 5. Aantal gemelde COVID-19 infecties per 100.000 inwoners per leeftijdgroep en week, bij thuiswonenden en verpleeghuisbewoners, week 1 t/m 10 van 2021. Bron RIVM.

Figuur 6- Procentueel aandeel van leeftijdsgroepen aan het totaal van nieuwe ziekenhuisopname per week. Bron: NICE.

Pilot gemeente Bunschoten Vanaf maandag 8 februari is de gemeente Bunschoten in samenwerking met de GGD regio Utrecht gestart met de pilot ‘Grootschalig testen, traceren en isoleren’. De pilot duurt 6 weken en eindigde op vrijdag 19 maart 2021. Inwoners van Bunschoten vanaf 6 jaar kan zich laagdrempelig laten testen, met of zonder coronagerelateerde klachten. Als ze positief testen op het virus, dan krijgen ze ondersteuning om de isolatieperiode goed vol te kunnen houden. Ook is er ondersteuning voor degenen rondom de besmette

personen om zich goed aan de quarantainemaatregelen te kunnen houden. In de eerste week hebben een kleine 3000 inwoners zich laten testen. Aantal afgenomen testen in week 11 t/m 19 maart is 1853. Met deze pilot, die wordt uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VWS, willen de gemeente Bunschoten en de GGD meer inzicht krijgen in de verspreiding van het virus binnen de gemeente. Ook wordt onderzocht hoe ondersteuning van mensen om zich te houden aan quarantaine en isolatie adviezen helpt als het wordt toegepast in een lokale setting. Zo draagt de pilot bij aan het landelijke doel: het virus opsporen en bestrijden. De bevindingen van deze pilot zullen gebruikt worden om te kijken of deze aanpak ook voor meer gemeenten kan gaan gelden. De komende tijd zal er vanuit het Rijk onverminderd aandacht zijn voor het testen, de maatregelen en het vaccineren. Alleen met volledige inzet op alle drie deze pijlers kan de verspreiding van het virus beperkt worden, kunnen de huidige maatregelen snel versoepelen en kunnen zware maatregelen in de maanden daarna voorkomen worden. Aantal positief geteste COVID-19 inwoners per gemeente in de regio Figuur 7 presenteert het aantal positief geteste COVID-19 personen per gemeente van de afgelopen week. In absolute aantallen zijn de meeste nieuwe gevallen in de afgelopen week gemeld in de gemeente Utrecht.

In figuur 8 zijn de besmettingen per 100.000 inwoners weergeven per gemeenten van de regio Utrecht de laatste 4 weken. De afgelopen week is het aantal besmettingen per 100.000 inwoners in de vrijwel alle gemeenten gestegen. In gemeente Bunschoten en Oudewater is het aantal besmettingen per 100.000 het hoogst. In Bunschoten is dit te verklaren door het onderzoek naar grootschalig testen, waardoor ook veel inwoners zonder klachten worden getest, die anders niet waren getest. In Oudewater is het relatief hoge aantal deels te verklaren doordat het een kleine gemeente is, waardoor een paar extra besmettingen als een uitschieter kunnen geven. De meeste besmettingen worden vooral verklaard door uitbraken in gezinssituaties (1 positief geval betekent meteen 3 of 4 positieven), ook zijn er verspreid over de regio clusters van besmettingen in werkplekken en op basis onderwijs. Daarbij geldt voor de weergave in relatieve cijfers dat hoe lager het inwonersaantal des te grilliger het verloop zal zijn (zie vergelijking figuur 7 en 8). Enkele besmettingen meer of minder geven een relatief grote toename of afname.

Figuur 7. Aantal positief geteste personen per gemeente tussen 15 t/m 21 maart 2021. Peildatum: 22 maart

Figuur 8. Aantal positief geteste personen per 100.000 inwoners per gemeente tussen 22 februari t/m 21 maart 2021. Peildatum: 22 maart.

Figuur 9 laat in een kaart van Nederland het aantal positief geteste COVID-19 patiënten per 100.000 inwoners per gemeente zien. Dit is het cumulatieve aantal van de afgelopen twee weken. Het aantal besmettingen in de gemeenten Bunschoten is door het grootschalig testen sterk gestegen naar >400 op 100.000 inwoners in afgelopen week en zit daardoor landelijk weer hoog in de top 12 van de gemeenten met de hoogste relatieve aantal COVID-19 besmettingen. Met 239 besmettingen per 100.000 inwoners zit de regio Utrecht landelijk gezien in de middenmoot qua aantal besmettingen. Het huidige aantal betekent een toename van 17% vergeleken met vorige week, en is daarmee net iets minder gestegen dan landelijk. De regio zit ook nog steeds ruim onder het landelijke gemiddelde van 261 besmettingen per 100.000 inwoners. Kijkend naar de regionale en landelijke verspreiding valt op dat de grootste toename meer wordt gezien buiten de sterk verstedelijkte gebieden. De gemeente Utrecht heeft bijvoorbeeld absoluut gezien weliswaar het hoogste aantal besmettingen binnen de regio, maar behoort relatief gezien tot de gemeenten met het laagste aantal besmettingen. Vorige week 15 t/m 22 maart 10:00 uur, bron RIVM) waren het de gemeenten Bunschoten, Oudewater, Lopik, Woudenberg, en Oudewater met relatief gezien het grootste aantal meldingen in de regio Utrecht.

Figuur 9. Aantal in de afgelopen twee weken bij de GGD’en gemelde COVID-19 patiënten per 100.000 inwoners per gemeente met GGD-meldingsdatum van 8 t/m 21 maart 10:00 uur (Bron: RIVM). Peildatum: 23 maart 2021.

Verschuiving in leeftijdsverdeling In figuur 10 staat het aantal positieve meldingen de laatste 4 weken weergeven, onderverdeeld naar leeftijdscategorie. Het aantal besmettingen van 80-plussers nam de afgelopen week licht toe van 1,7% naar 1,9% afgelopen week. Vanaf begin februari is er een grote toename te zien wat betreft de leeftijdscategorieën 0-19, wat waarschijnlijk het effect is van het weer opengaan van basisscholen en kinderopvang. Afgelopen week is het aandeel van deze leeftijdscategorie gestegen van 22% in week 10 naar ruim 26% van het totaal aantal besmettingen. Figuur 11 geeft het percentage positief getesten weer waarbij een uitsplitsing is gedaan voor basisschoolleeftijd (0-12), voortgezet onderwijs onderbouw (13-15), voortgezet onderwijs bovenbouw (16-18) en studenten (19-27), vergeleken met de andere leeftijdsgroepen. Hieruit valt op te maken dat de toename in de leeftijdsgroep 0-19 vooral wordt veroorzaakt door een grote toename van de groep 0-12 jaar. Sinds begin januari is het aandeel van de groep 0-12 jaar gestegen van 5% van alle infecties, tot ruim 14% van alle infecties in week 11.

Figuur 10. Leeftijdsverdeling COVID-19 registraties per week. Peildatum 23 maart.

Figuur 11. Leeftijdsverdeling COVID-19 registraties per week met uitsplitsing 012, 13-15, 16-18, en 19-27 t.o.v. alle andere leeftijden. Peildatum 23 maart.

Deze stijging kan niet los gezien worden van de enorme toename van het aantal afgenomen testen in deze leeftijdsgroep. In figuur 12 en figuur 13 staat de staaandard en tussen de jongeren leeftijdsverdeling van de teststraatbezoekers. In week 10 was de groep 0-19 voor het eerst de groep met het grootste aandeel testen. In week 11 nam aantal testen in deze groep 0-19 toe. In figuur 13 is te zien dat deze toename ook hier vooral komt door een enorme toename in de groep 0-12 jaar, een direct gevolg van het opengaan van basisscholen en kinderopvang, en het verruimde testbeleid in deze leeftijdsgroep. Vergeleken met andere leeftijdsgroepen is het vindpercentage in de groep 0-12 jaar laag, maar wel gestegen van 3,5 % in week 10 naar 4,4% in week 11.

Figuur 12. Leeftijdsverdeling COVID-19 teststraatbezoekers per week. Peildatum 22 maart.

Figuur 13. COVID-19 teststraatbezoekers per week met uitgesplitsing 0-12, 13-15, 16-18, en 19-27 t.o.v. alle andere leeftijden. Peildatum 22 maart.

In figuur 14 en figuur 15 worden de besmettingen per gemeente uitgezet naar leeftijdscategorie voor de periode van 15 februari t/m 23 maart. De gemeenten Amersfoort, De Bilt, IJsselstein, en Utrechtse Heuvelrug hebben de meeste besmettingen onder de leeftijd van 80+, vaak wordt dit veroorzaakt door een (grote) uitbraak in een woonzorgcentrum. Een aantal gemeenten heeft relatief gezien een groter aandeel jongeren, zoals Bunschoten, De Bilt, en Oudewater. Bij de interpretatie van de figuren moet altijd rekening worden gehouden met het aantal totaal besmettingen van de gemeenten (zie figuur 16). Ook moet rekening worden gehouden met de leeftijdsverdeling van alle inwoners binnen een gemeente. De gemeente Utrecht heeft naar verhouding veel meer inwoners onder de 40 jaar als belangrijke studentenstad (ruim 60% op 1 januari 2020), en dat is ook terug te zien in het aantal besmettingen.

Figuur 14. Aantal besmettingen per gemeente verdeeld over leeftijdscategorieën, periode 22 februari t/m 21 maart 2021, peildatum 22 maart.

Figuur 15. Tabel met aantal besmettingen per gemeente per leeftijdscategorieën, periode 22 februari t/m 21 maart 2021, peildatum 22 maart.

Bron van besmetting Tijdens het bron- en contactonderzoek wordt gevraagd naar de mogelijke bron van besmetting. In figuur 16 is het aantal COVID-19 registraties uitgezet naar de waarschijnlijke setting van besmetting uitgevraagd in het bron- en contactonderzoek in periode 22 februari t/m 21 maart 2021. De meeste besmettingen afgelopen week waren te herleiden tot de gezinssituatie, werk, en basis onderwijs.

Figuur 16. Aantal COVID-19 registrateis in de regio Utrecht uitgezet naar bron van besmetting. Periode 22 februari t/m 21 maart 2021, peildatum 22 maart.

1.2.

Testen

Vanaf 1 juni 2020 kunnen alle volwassenen met ziekteverschijnselen van COVID-19 zich aanmelden voor een test bij de GGD. Om de epidemie te volgen en te controleren is het belangrijk dat mensen met COVID-19 gerelateerde klachten zich direct laten testen. Naast vier regionale testlocaties (in Amersfoort, Veenendaal, Woerden en Utrecht) en het XL testpaviljoen in Utrecht, zet GGDrU mobiele testbussen en lokale teststraten in zodat meer inwoners zich dichterbij huis kunnen laten testen. De mobiele testbussen staan op diverse standplaatsen in de regio. Actuele informatie over de standplaatsen is te vinden op de website van GGDrU. Hiermee spelen we in op fijnmazig testen: dichter bij alle inwoners, en nog makkelijker en sneller testen. Met ingang van 1 december kunnen mensen van wie uit bron- en contactonderzoek of de CoronaMelder app is gebleken dat zij in nauw contact zijn geweest met een besmet persoon en in quarantaine zitten, zich op corona laten testen. Ook als ze geen klachten hebben. Dit kan op de 5e dag na het laatste risicovolle contact met die persoon. Op deze dag is het virus ook bij mensen zonder klachten goed aan te tonen met een PCR-test. Is de uitslag negatief, dan hoeft de quarantaineperiode van 10 dagen niet afgemaakt te worden.

Belangrijke voorwaarde is wel dat mensen tot de 10e dag contact met kwetsbare personen vermijden, alert blijven op klachten en zich opnieuw laten testen als zij toch klachten krijgen. Met ingang van 3 februari jl. is het testbeleid verder uitgebreid door eerder en vaker te testen met als doel infecties sneller op te sporen. Huisgenoten en overige nauwe contacten (categorie 1 en 2) worden geadviseerd zich zo snel mogelijk te laten testen, ook als zij geen klachten hebben. De quarantaine van 10 dagen na de laatste blootstelling kan alleen worden opgeheven bij een negatieve testuitslag van de test op of na dag 5. Overige, niet nauwe contacten (categorie 3) wordt geadviseerd om zich te laten testen op (of rond) dag 5 na blootstelling, ook als zij geen klachten hebben. Deze contacten krijgen geen quarantaine-advies. In figuur 17 is het aantal uitgevoerde testen, inclusief de thuisbemonsteringen in de teststraat weergeven vanaf 1 augustus en de maximale testcapaciteit van de GGD regio Utrecht. Tot begin oktober was het maximaal aantal beschikbare testplaatsen op de testlocaties van GGD regio Utrecht vastgesteld op 3000 per dag, vanwege het landelijke gebrek aan laboratoriumcapaciteit. Op dit moment hebben we ruim voldoende testcapaciteit. De dagelijkse testcapaciteit in de regio Utrecht is ongeveer 11.000 testen per dag.

Er kan op korte termijn opgeschaald worden naar 12.000-13.000 testen per dag. Het aantal testen is afgelopen week gestegen en schommelt tussen de 6.000 naar 8.000 testen per dag. Daarnaast zien we sinds oktober ook weer een weekendeffect. Op zondag 7 februari en maandagochend 15 februari waren door de weersomstandigheden (code rood) de teststraten tijdelijk gesloten.

Figuur 17. Overzicht testen in teststraten en thuisbemonstering GGDrU vanaf 1 augustus met vanaf begin september de maximale testcapaciteit weergeven. Peildatum: 24 maart.

Het aantal afgenomen testen in week 11 is 46.461 (week 10: 40.861). In totaal zijn sinds 2 juni ruim 917.586 testen door de GGD regio Utrecht afgenomen (stand van zaken 24 maart 09:00 uur), dat is 8,9% van alle testen die door GGD’en in Nederland zijn uitgevoerd. Vindpercentage per week In figuur 18 is het totaal aantal testen uitgevoerd door GGDrU per week uitgezet, inclusief het percentage positieve COVID-19 uitslagen uit deze testen. Het vindpercentage in regio Utrecht in week 11 was met 6,6%, licht toegenomen vergeleken met week 10 van 6,2%. Hiermee zit de regio ver onder het landelijke gemiddelde van 8%. Het project grootschalig testen Bunschoten heeft nauwelijks impact op het regionale vindpercentage.

De hoogste vindpercentages in Nederland worden gezien in de regio’s Zandstreek-Waterland en Zuid-Holland-Zuid met 10,6%, en NoordHolland-Noord met 10,4%.

Figuur 18. Overzicht trends in aantallen uitgevoerde testen in teststraten regio Utrecht en percentage. Peildatum 22 maart.

1.3.

Aantal overledenen COVID-19

In totaal zijn in de regio Utrecht 1221 personen aan een bevestigde besmetting met COVID-19 overleden (peildatum: 24 maart), waarvan 11 inwoners die officieel elders woonachtig is maar tijdelijk in de regio verbleef. De piek in het aantal overledenen was eind maart-begin april, ongeveer een maand na de eerste piek in besmettingen. Vanaf oktober is er weer sprake van een twee piek in overlijdens, maar deze is (nog) niet vergelijkbaar met de aantallen in de eerste golf. Omdat er tijd zit tussen het overlijden, het melden en de registratie is het mogelijk dat de laatste dagen overlijdens nog niet aan de GGD zijn gemeld. Personen die overleden zijn in deze periode en die niet getest zijn op COVID-19, zijn niet in deze registratie meegenomen. Hierdoor zal het werkelijke aantal personen dat aan COVID-19 overleden is, hoger zijn. In de gemeenten Utrecht, Amersfoort, De Bilt, en Zeist is het aantal overledenen als gevolg van COVID-19 sinds het begin van de epidemie het hoogste (zie figuur 19).

Figuur 19. Aantal personen overleden aan COVID-19 per gemeente in de regio Utrecht. Peildatum: 24 maart.

Net zoals het landelijk beeld laat zien, neemt ook in de regio Utrecht het risico op overlijden toe met de leeftijd (zie figuur 20 voor het totaal aantal overleden patiënten). Het overgrote deel van de overleden patiënten met een COVID-19 infectie was ouder dan 60 jaar.

Figuur 20. Aantal overledenen met een bevestigde COVID-19 infectie per leeftijdscategorie.

21

Peildatum: 24 maart.

Voor zover bekend bij het RIVM zijn er in de periode 16 t/m 23 maart 2021 om 10:00 uur landelijk 223 mensen overleden aan een COVID-19 besmetting (Bron: RIVM). In de regio Utrecht zijn in deze periode (16 t/m 23 maart 2021) 7 overlijdens van COVID-19 bevestigde patiënten gemeld aan GGDrU. Landelijk en regionaal neemt deze week het aantal overlijdens verder af. Deze daling werd ook verwacht door onder andere minder (grote) clusters in verzorgingscentra waar de bewoners een hoge kans hebben te overlijden aan het virus. Echter, in vergelijking tot het aantal besmettingen is het aantal overledenen nog klein. Dit komt waarschijnlijk doordat het grootste deel van de positief getesten relatief jong is, die over het algemeen geen risicogroep zijn voor een ernstiger beloop. Ook zit er een vertraging tussen een eerste vaststelling van de ziekte en het verergeren van de ziekte. Een belangrijke kanttekening bij het bij de GGD bekende aantal overlijdens, is dat dit beeld niet compleet is doordat de GGD niet alle overlijdens krijgt gemeld. Vanuit zorginstellingen (ziekenhuizen en woonzorgcentra) krijgt de GGD op ons verzoek actief meldingen, maar overlijdens thuis komen niet meer in beeld door de afgeschaalde monitoring. Naar verwachting is dit nog steeds een klein aantal.

22

2. Kwetsbaren beschermen 2.1 Monitoring verspreiding virus binnen zorginstellingen GGDrU monitort de verspreiding van het coronavirus binnen zorginstellingen in de regio Utrecht. Voor een aantal van de individuele locaties, is op basis van een risico inschatting, extra aandacht. Deze risico inschatting vindt plaats op basis een aantal indicatoren: • Isolatiemogelijkheden • Beschikbaarheid PBM • Verzuim zorgmedewerkers • Beschikbare kennis/informatie bij medewerkers • Coördinatie van de isolatie • Aanwezigheid crisisteam • Cohortmogelijkheden • Plannen voor opschaling • Onrust onder het personeel • Of kritische processen noodgedwongen moeten stoppen Organisaties waar de risico inschatting hoog is, worden met regelmaat nagebeld door GGDrU. Deze instellingen krijgen extra begeleiding vanuit GGDrU, bestaande uit regelmatig contact, gerichte advisering en zo nodig bezoek. De reden voor extra ondersteuning vanuit GGD regio Utrecht wisselt per locatie. Landelijke aantal covid-19 besmettingen in woonzorgcentra Het landelijk aantal verpleeghuis- en woonzorgcentrumbewoners met COVID-19 uitgezet naar dag van melding aan de GGD’en is weergeven in figuur 21.

Figuur 21. Aantal positief geteste bewoner van woonzorgcentra in Nederland vanaf 30 november 2020, naar meldingsdag. Bron: RIVM. Peildatum: 23 maart 2021 10:00 uur.

In figuur 22 is het aantal meldingen gerelateerd aan zorginstellingen voor 24-uurs zorg weergegeven, uitgezet naar eerste ziektedag voor de regio Utrecht. Deze grafiek bevat alleen de door laboratoriumonderzoek bevestigde gevallen woonachtig of werkend in deze instellingen en die gekoppeld zijn aan een zorginstelling. Dit figuur zal waarschijnlijk een onderrapportage zijn van de daadwerkelijke aantallen. Vanaf begin januari is een gestaagde afname te zien in het aantal besmettingen zowel landelijk als regionaal. Dit wordt zeer waarschijnlijk veroorzaakt doordat er vanaf begin januari gevaccineerd wordt in deze kwetsbare groep.

23

Figuur 22. Aantal positief geteste personen van woonzorgcentra in de regio Utrecht, naar eerste ziektedag. Peildatum: 24 maart.

Vanuit het bron- en contactonderzoek komen locaties in beeld waar besmettingen voorkomen of waar er besmettingen worden opgelopen (bron). De bijzondere locaties zoals zorginstellingen, scholen, kinderdagverblijven, horeca, werkplekken en verenigingen worden vervolgens geregistreerd en gemonitord, om te bepalen of er verdere acties nodig zijn. Als er op een bijzondere locatie sprake is van 1 besmetting spreken wij van een issue. Indien er 3 of meer besmettingen aan elkaar gelinkt zijn wordt er gesproken van een cluster.

Figuur 23. Aantal Covid-19 clustergerelateerd aan 24 uurszorg in de regio Utrecht die onder monitoring staan van de GGD. Peildatum: 24 maart.

24

In figuur 23 is het aantal actieve clusters bij instellingen met openstaande monitoring in de afgelopen 14 dagen die gerelateerd zijn 24 uurszorg uitgezet naar gemeente. 2.2.

Meld- en Adviespunt Bezorgd

Het Meld- en Adviespunt Bezorgd (MAB), uitgevoerd door GGDrU, heeft een vraagbaak-, consultatie- en vangnetfunctie waar ketenpartners en bezorgde burgers terecht kunnen met zorgen en vragen over personen met verward gedrag. Daarnaast wordt uitvoering gegeven aan de taken uit de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz): ‘Meldfunctie’ en/of ‘Verkennend Onderzoek (VO)’. Wanneer een inwoner denkt dat een persoon in zijn omgeving misschien verplichte geestelijke gezondheidszorg nodig heeft, kan hij/zij hiervan een melding doen bij GGDrU. Het MAB is een regionaal meldpunt voor 17 van de 26 gemeenten binnen de Veiligheidsregio Utrecht. Door de coronacrisis en quarantaine maatregelen, zowel in de eerste als in de tweede golf, is de druk op de groep mensen met verward gedrag toegenomen en is er risico dat meer mensen in kwetsbare situaties terechtkomen. In het jaarverslag 2020 van het MAB worden deze zorgwekkende ontwikkelingen benoemd. Zo nam het aantal meldingen met bijna een verdubbeling toe. In 2019 ontving het MAB gemiddeld 9,4 meldingen per week, in 2020 waren dit 17,6 meldingen. Mensen met verward gedrag hebben vaak complexe problematiek op meerdere levensgebieden. Tijdens de coronaperiode is een toename te zien in meldingen die betrekking hebben op overlast, huiselijk geweld en suïcidaal gedrag.

Niet alleen de quarantaine maatregelen tegen verdere verspreiding van het coronavirus hebben gezorgd voor een stijging in het aantal meldingen (zie figuur 24), ook heeft de invoering van de Wvggz, vanaf januari 2020, gezorgd voor extra bekendheid van het MAB. Daarnaast is vanaf oktober 2020 een nieuw landelijk meldpunt Zorgwekkend gedrag (tel: 0800-1205) gelanceerd. Dit meldpunt schakelt door naar desbetreffende regionale meldpunten en heeft ook bijgedragen aan een toename van het aantal meldingen in regio Utrecht. Gemiddeld worden ruim 50 meldingen per maand vanuit het landelijk meldpunt doorgezet naar het MAB

Figuur 24. Meldingen MAB en Wvggz in de regio Utrecht in 2021, peildatum 23 maart.

25

3. Zorgcontinuïteit 3.1 Ziekenhuizen De regionale continuïteit van de (acute) zorg staat onder druk (continuïteitsfase oranje). Huidige fase is oranje. Inzetbaarheid van personeel (ziek, wacht op test-uitslag, zit in quarantaine) heeft gevolgen voor de zorgcontinuïteit in de gehele zorgsector. Geen knelpunten v.w.b. persoonlijke beschermingsmiddelen. Aantal in IC-bezetting COVID is de afgelopen week gelijk gebleven. Aantal in kliniek bezetting COVID is de afgelopen week licht gestegen. Voldoende COVID capaciteit op de IC’s en kliniek. 3.1.1 Aantal ziekenhuisopnames landelijk

Figuur 25. Landelijk aantal nieuwe COVID-19 patiënten opgenomen op verpleegafdelingen. De gegevens van de laatste week zijn nog niet volledig. Bron NICE. Peildatum: 23 maart 11:28 uur

Het aantal landelijke ziekenhuisopnames voor COVID-19 was het hoogst rond eind maart en begin april. In de maanden mei en juni nam het aantal opnames gestaag af. De ziekenhuisopnames waren door een beperkte testcapaciteit een redelijke graadmeter voor de toe- of afname van het aantal besmettingen COVID-19 in Nederland tijdens de eerste golf. Sinds begin september zagen we de ziekenhuisopnames stijgen gevolgd door begin november een afname in aantal ziekenhuisopnames te zien en daarna een stabilisatie van het aantal opgenomen patiënten op de verpleegafdelingen. Sinds medio december nam het echter weer toe (figuur 25). Vanaf begin januari was er een voorzichtige daling te zien in het aantal ziekenhuisopnames met een stabilisatie in februari. De afgelopen week zien we sinds lange tijd weer een lichte stijging.

26

3.1.2 Verloop IC-capaciteit regio Onderstaand wordt het verloop van de IC-capaciteit in de tijd (figuur 26) weergegeven in de vier ziekenhuizen in de regio Utrecht. Aantal in IC-bezetting COVID is de afgelopen week gelijk gebleven.

Figuur 26. Verloop IC-capaciteit ziekenhuizen. Peildatum: 23 maart.

3.1.3 Verloop kliniek-capaciteit regio Onderstaand wordt het verloop van kliniek-capaciteit COVID in de tijd (figuur 25) weergegeven in de vier ziekenhuizen in de regio Utrecht. Aantal in kliniek bezetting COVID is de afgelopen week licht gestegen.

Figuur 27. Verloop Kliniek-capaciteit ziekenhuizen in de tijd. Peildatum: 23 maart.

3.2 Zorginstellingen (niet-ziekenhuizen) In de regio Utrecht zijn zo’n 265 zorgorganisaties met meer dan 1400 zorglocaties. Het uitgangspunt is dat zorginstellingen zelf verantwoordelijk zijn voor de continuïteit en kwaliteit van zorg voor hun cliënten. • Momenteel zijn er 24 zorglocaties bij de GHOR bekend waarbij de bewoners in quarantaine of isolatie zijn (ten opzichte van 23 vorige week). Een deel van de zorglocaties past cohortverpleging toe i.v.m. meerdere besmettingen binnen de locatie.

27

•

Vanuit de zorgorganisaties komen signalen dat personele krapte nu de grootste uitdaging is. Voornamelijk door uitval van personeel met klachten of door het in isolatie of quarantaine moeten blijven vanwege een positieve test of een positief geteste huisgenoot.

3.2.1 Beddencapaciteit zorginstellingen De GHOR vraagt wekelijks aan zorginstellingen in de regio Utrecht de beddencapaciteit door te geven. Onderstaande tabellen geven de stand op basis van de uitvraag van peildatum 22 maart 2021. Van de 90 instellingen in de verpleging en verzorging heeft 78% het aantal bedden doorgegeven. Van de in totaal 36 GGZ instellingen was dit 50% en van de 75 instellingen in de gehandicaptenzorg was dit 33%. De onderstaande grafieken zijn bedoeld om een trend aan te geven. De gepresenteerde aantallen betreft enkel het resultaat van de uitvraag. Vanaf week 41 worden de positief geteste COVID-19 patiënten en de verdachte COVID-19 patiënten apart uitgevraagd en weergeven. Daarnaast wordt data ouder dan 14 dagen niet mee genomen in de totalen. Druk op de V&V sector is beperkt. De afname in het aantal bedden bezet met COVID-19 patiënten in de V&V van de afgelopen weken, is de afgelopen week verder voortgezet. Belasting op de GGZ en GHZ is beperkt. Wel zorgt de dagbesteding in de GHZ voor risico op extra besmettingen.

Figuur 28. Beddenbezetting in verpleeg- en verzorgingshuis. Peildatum: 23 maart. Bron GHOR.

Figuur 29. Beddencapaciteit GGZ. Peildatum: 23 maart. Bron GHOR.

28

Figuur 30. Beddencapaciteit gehandicaptenzorg. Peildatum: 16 maart. Bron GHOR.

3.3

Opvanglocaties buiten het ziekenhuis

De verpleeg- en verzorgingshuizen, Gehandicaptenzorg en de Geestelijke Gezondheidzorg, in het ROAZ regio Utrecht, hebben de opdracht gekregen van de DPG, in navolging van de opdracht van de minister van VWS (april’20), om permanente COVID-19 zorg buiten het ziekenhuis te organiseren. Binnen de care sector is capaciteit georganiseerd voor mensen die meer zorg nodig hebben dan thuis geboden kan worden, maar geen ziekenhuis indicatie hebben en voor mensen die ontslagen worden uit het ziekenhuis, maar nog onvoldoende hersteld zijn om naar huis te gaan. Verder is er capaciteit georganiseerd binnen de geestelijke gezondheidszorg en de gehandicapten zorg om personen op te vangen die gezien hun corona besmetting, niet in hun reguliere woonomgeving kunnen blijven en tijdelijk elders opgevangen moeten worden. Momenteel is er in onze regio het aantal bedden in opvanglocaties buiten het ziekenhuis opgeschaald naar 81 bedden (incl. hospice). We blijven in elk geval tot 23 maart 2021 in opschalingsniveau hoog. Na die datum wordt er afgeschaald naar 68 bedden (incl. hospice), opschalingsniveau midden.

Figuur 31. Opvanglocaties buiten het ziekenhuis. Peildatum: 23 maart. Bron GHOR.

29

Figuur 32. Schema opvanglocaties buiten het ziekenhuis. Peildatum: 23 maart. Bron GHOR.

3.4 Beeld persoonlijke beschermingsmiddelen Binnen de Veiligheidsregio Utrecht en Traumazorg Netwerk Midden Nederland is de (her)verdeling van persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) belegd bij de DPG en wordt uitgevoerd door enkele medewerkers van de GHOR en ondersteund door de brandweer. Zorgorganisaties dienen hun PBM aan te schaffen via de “eigen” leveranciers. Indien dit niet lukt, is het “noodkanaal” LCH (Landelijk Consortium Hulpmiddelen) de gewezen route. Wekelijks doet de GHOR een inventarisatie bij V&V, GGZ en GHZ zorginstellingen. Indien er knelpunten zijn wat betreft PBM, hebben zorginstellingen via een persoonlijke link de mogelijkheid om knelpunten via deze weg aan te geven.

30

Bijlage 1. Landelijke panelonderzoek Momenteel vindt er een grootschalig landelijk onderzoek plaats van het RIVM en GGD-en in Nederland. Dit onderzoek heeft meerdere peilingen, die ongeveer elke twee/drie weken plaatsvinden. Van 17 tot 24 april 2020 vond de eerste peiling plaats, de tweede peiling heeft plaats gevonden van 7 mei tot 12 mei, de derde peiling heeft plaats gevonden van 26 mei tot 1 juni, de vierde peiling van 17 juni tot 21 juni, de vijfde peiling van 8 juli tot 12 juli, de zesde peiling van 19 tot 23 augustus, de zevende peiling van 30 september tot 4 oktober, de achtste peiling van 11 november tot 15 november, de negende peiling van 30 december tot 3 januari 2021 en de tiende peiling van 10 februari tot 14 februari. Het onderzoek staat stil bij hoe mensen in Nederland de coronacrisis beleven en hoe zij hierop reageren. In deze bijlage wordt ingegaan op de beleving en het effect van de avondklok. De avondklok in Nederland geldt vanaf zaterdag 23 januari 2021 tussen 21.00 uur ’s avonds en 04.30 uur ’s ochtends. Dit betekent dat iedereen in principe tussen deze tijdstippen binnenblijft, uitzonderingen daargelaten (werk, mantelzorg, hond uitlaten etc.) 70 procent van de deelnemers staat achter de avondklok Wanneer er gekeken wordt naar verschillen tussen leeftijden, valt te zien dat het draagvlak voor de avondklok toeneemt naarmate de leeftijd stijgt (Figuur 1).

Van de 1639 jarigen staat slechts 54% erachter, terwijl de 55-69 jarigen en 70 plussers meer overtuigd zijn (77 en 89%).

Draagvlak voor de avondklok 100% 80% 60% 40% 20% 0% 16-39

40-54 (Helemaal) niet

55-69 Neutraal

70+

(Helemaal) wel

Figuur 1 Draagvlak voor de avondklok gemeten in meetronde 10 (10 februari – 14 februari).

Zes op de tien deelnemers staan niet meer achter de avondklok als de maatregel nog zes maanden zou duren Wanneer er wordt gevraagd naar de mening over de avondklok als deze maatregel nog zes maanden zou duren, verschilt dit beeld per leeftijdsgroep (Figuur 2). Bijna twee derde van de 16-39 jarigen staat niet meer achter de maatregel als deze nog een half jaar duurt. Het draagvlak neemt toe naarmate de leeftijd stijgt. Wat opvalt is dat bijna de helft van de 70 plussers achter de maatregel zal blijven staan.

31

Draagvlak voor avondklok als deze langer duurt 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% 16-39

40-54 (Helemaal) niet

55-69 Neutraal

70+

(Helemaal) wel

Figuur 2 Draagvlak voor de avondklok over zes maanden gemeten in meetronde 10 (10 februari – 14 februari).

Bijna alle deelnemers houden zich aan de avondklok 92% van de deelnemers geeft aan geen enkele keer naar buiten te zijn geweest tussen 21.00 uur en 04.30 uur (uitzonderingssituaties niet meegeteld). Dit percentage neemt toe naarmate de leeftijd stijgt (Figuur 3). 90% van de deelnemers tussen de 16 en 54 is binnen gebleven, waar zelfs 96% van de 70 plussers zich aan de maatregel hebben gehouden.

Buiten geweest ondanks avondklok (zonder reden) 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% 16-39

40-54 Geen enkele keer

55-69 1 keer

70+

> 1 keer

Figuur 3 Percentage ondervraagden dat ondanks avondklok toch buiten is geweest zonder geldige uitzonderingssituatie, gemeten in meetronde 10 (10 februari – 14 februari).

32

Ruim driekwart van de deelnemers ziet dat naasten zich aan de avondklok houden 77% van de deelnemers rapporteert dat ze naasten zich aan de avondklok zien houden (Figuur 4). Hierbij zijn verschillen tussen leeftijdsgroepen te zien. 84% van de 16-39 jarigen geeft aan dat naasten binnenblijven tussen 21.00 uur en 04.30 uur. Dit percentage neemt af naarmate de leeftijd stijgt. Wat hierbij opvalt is dat 70% van de 70 plussers dit weet. Een mogelijke verklaring is het feit dat 16-39 jarigen meer in contact staan of vaker contact hebben met elkaar dan de 70 plussers.

Naasten houden zich aan de avondklok 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% 16-39

40-54

(Helemaal) niet

Neutraal

55-69 (Helemaal) wel

70+ Weet ik niet

Figuur 4 Naasten houden zich aan de avondklok gemeten in meetronde 10 (10 februari – 14 februari).

De meeste deelnemers hebben geen moeite met de avondklok 81% van de deelnemers vindt het (heel) makkelijk om binnen te blijven tussen 21.00 uur en 04.30 uur. Er zijn kleine verschillen tussen leeftijdsgroepen te zien (Figuur 5). Ruim twee derde van de 16-39 jarigen heeft er geen moeite mee, waar 83 en zelfs 88% van de 55-69 jarigen en 70 plussers dit makkelijk vinden.

33

Hoe makkelijk het is om de avondklok in acht te nemen 100% 80% 60% 40% 20% 0% 16-39

40-54 (Heel) moeilijk

55-69 Neutraal

70+

(Heel) makkelijk

Figuur 5 Hoe makkelijk het is om de avondklok in acht te nemen gemeten in meetronde 10 (10 februari – 14 februari).

20% van de deelnemers ontvangt minder bezoek door de avondklok In figuur 6 staan de percentages deelnemers weergeven die minder bezoek ontvangen per leeftijdsgroep. Hieruit blijkt dat 26% van de 16-39 jarigen minder bezoek ontvangt, terwijl dit percentage lager ligt voor de andere leeftijdsgroepen (rond de 18%).

Door avondklok minder bezoek ontvangen 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% 16-39

40-54

55-69

70+

Figuur 6 Minder bezoek ontvangen door avondklok gemeten in meetronde 10 (10 februari – 14 februari).

Het overgrote deel van de deelnemers gaat sinds de avondklok nog even vaak op bezoek als daarvoor 81% van de deelnemers gaat nog even vaak op bezoek sinds dat de avondklok geldt als daarvoor. Wat opvalt is dat de 16-39 jarigen minder op bezoek gaan bij anderen dan de deelnemers uit andere leeftijdsgroepen (Figuur 7). Het verschil tussen de 16-39 jarigen en 70 plussers is zelfs 17%.

34

Door avondklok minder op bezoek gaan 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% 16-39

40-54

55-69

70+

Figuur 7 Minder op bezoek gaan door avondklok gemeten in meetronde 10 (10 februari – 14 februari).

Driekwart van de deelnemers ziet nog evenveel mensen sinds de avondklok is ingevoerd 75% van de deelnemers is sinds de avondklok niet minder mensen gaan zien vergeleken met een typische week voordat de avondklok was ingevoerd (Figuur 8). Wat opvalt is dat mensen boven de 40 meer mensen zijn blijven zien (76-79%) dan de 16-39 jarigen (67%).

Ondanks avondklok evenveel mensen zien 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% 16-39

40-54

55-69

70+

Figuur 8 Percentage ondervraagden dat ondanks avondklok nog evenveel mensen ziet, gemeten in meetronde 10 (10 februari – 14 februari).

35

36

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9933122/2