LIS2026.57 2g TB 6 Weging van het waterbelang (tb6) Geanonimiseerd
Tekst van het document
Zienswijze ontwerp TAM-omgevingsplan Franse Gat deelgebied 3 – uitsluitend gericht op aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling (tb7)Zienswijze ontwerp TAM-omgevingsplan Franse Gat deelgebied 3 – uitsluitend gericht op aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling (tb7)
Geacht college van burgemeester en wethouders van Veenendaal, Ondergetekende, 5.1.2e , bewoner 5.1.2e
, 5.1.2e Veenendaal,
maakt hierbij, op grond van artikel 16.62 van de Omgevingswet, een zienswijze kenbaar tegen het ontwerp TAM-omgevingsplan ‘Franse Gat deelgebied 3’ (IMRO-id: NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01), uitsluitend voor zover dit plan wordt onderbouwd met de aanmeldingsnotitie milieueffectrapportage (rapport tb7), opgesteld door Sweco Nederland B.V. d.d. 19 november 2025. Ondergetekende is eigenaar en bewoner binnen het plangebied en wordt rechtstreeks geraakt door de voorgenomen ontwikkeling.
1. Afbakening van deze zienswijze Deze zienswijze heeft uitsluitend betrekking op: •
de aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling Franse Gat deelgebied 3 (tb7);
•
de conclusie dat geen milieueffectrapport (MER) noodzakelijk zou zijn;
•
de wijze waarop deze conclusie wordt gebruikt ter onderbouwing van het ontwerp-omgevingsplan.
Andere milieu- of planaspecten blijven uitdrukkelijk buiten beschouwing.
2. Juridisch kader: “nee, tenzij” vereist volledige zekerheid De aanmeldingsnotitie stelt dat sprake is van een project-mer-beoordelingsplichtig project (categorie J11 Bijlage V Omgevingsbesluit). Dit betekent dat het bevoegd gezag moet toetsen of aanzienlijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Het rapport benadrukt zelf het uitgangspunt: “Nee, tenzij… er sprake is van mogelijke ‘aanzienlijke milieugevolgen’.” (tb7, par. 1.4) Dit vereist:
•
een volledige, samenhangende en verifieerbare beoordeling;
•
dat onzekerheden niet in het nadeel van milieubescherming mogen worden uitgelegd;
•
dat twijfel leidt tot het doorlopen van een MER-procedure.
3. Interne tegenstrijdigheid: significante effecten eerst niet uitgesloten, later wel In hoofdstuk 4.3 wordt expliciet vastgesteld: “Negatieve effecten op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden kunnen niet op voorhand volledig worden uitgesloten.” (tb7, par. 4.3) Dit is juridisch beslissend. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State betekent dit dat: •
aanzienlijke milieugevolgen niet zijn uitgesloten;
•
een plan niet zonder MER kan worden vastgesteld.
Desondanks concludeert het rapport in hoofdstuk 5 dat: “significante effecten zijn uitgesloten en stikstof geen belemmering vormt.” Deze conclusie is innerlijk tegenstrijdig met de eerdere vaststelling en ontbeert een nieuwe, zelfstandige onderbouwing.
4. Onvoldoende onafhankelijke beoordeling: doorschuiven naar voortoets De uitsluiting van significante effecten is volledig gebaseerd op een ecologische voortoets. Daarmee wordt: •
een inhoudelijk doorslaggevende beoordeling buiten de m.e.r.-beoordeling zelf geplaatst;
•
de m.e.r.-beoordeling afhankelijk gemaakt van een afzonderlijk rapport;
•
het integrale karakter van de m.e.r.-beoordeling doorbroken.
Volgens het Europese m.e.r.-recht moet de m.e.r.-beoordeling zelfstandig en integraal beoordelen of aanzienlijke milieugevolgen zijn uitgesloten. Dat gebeurt hier niet.
5. Cumulatie structureel onderschat Het rapport stelt dat:
“geen sprake is van significante cumulatieve effecten” (tb7, par. 2.1 en 4.1) Daarbij wordt echter: •
uitsluitend gekeken naar gefaseerde uitvoering in de tijd;
•
uitgegaan van beperkte woningtoevoeging per deelgebied;
•
geen integrale beoordeling gemaakt van gebiedsbrede herstructurering (Zuid + toekomstig Noord).
De herontwikkeling van meerdere deelgebieden binnen één wijk, met in totaal honderden woningen, vormt naar aard en schaal één samenhangend stedelijk ontwikkelingsproject, waarvoor cumulatie niet zonder meer kan worden uitgesloten.
6. Behandeling milieuthema’s grotendeels beschrijvend Voor meerdere milieuthema’s (bodem, water, geluid, verkeer, archeologie) geldt dat: •
risico’s expliciet worden benoemd;
•
maatregelen noodzakelijk worden geacht;
•
maar de effecten desalniettemin als “niet aanzienlijk” worden gekwalificeerd zonder kwantitatieve onderbouwing.
Het rapport vermeldt zelf: “Voor een aanmeldingsnotitie bestaan geen vereisten voor de diepgang van het onderzoek.” (tb7, kader 1.2) Dit ontslaat het bevoegd gezag echter niet van de verplichting om bij bestaande onzekerheden te kiezen voor het veiligheids- en voorzorgsbeginsel.
7. MER-beoordeling feitelijk gebruikt als legitimering De aanmeldingsnotitie lijkt primair gericht op het rechtvaardigen van het niet doorlopen van een MER, in plaats van het objectief toetsen daarvan. Dat blijkt uit: •
het structureel bagatelliseren van risico’s;
•
het doorschuiven van nadere uitwerking naar latere fases;
•
het ontbreken van scenario-analyses bij ongunstige aannames.
Hiermee verwordt de m.e.r.-beoordeling tot een procedureel instrument, hetgeen strijdig is met doel en strekking van de Omgevingswet en de Europese m.e.r.-richtlijn.
8. Conclusie: MER-plicht onvoldoende gemotiveerd uitgesloten De aanmeldingsnotitie tb7 toont aan dat: •
significante effecten niet op voorhand zijn uitgesloten;
•
meerdere milieuthema’s onzekerheden bevatten;
•
cumulatie onvoldoende integraal is beoordeeld;
•
conclusies niet consistent zijn met eerdere vaststellingen.
Daarmee is niet voldaan aan de vereisten om een MER-procedure achterwege te laten.
9. Verzoek Ondergetekende verzoekt het college het ontwerp TAM-omgevingsplan niet vast te stellen, althans niet voordat: 1. alsnog een volwaardige MER-procedure wordt doorlopen; 2. alle milieueffecten integraal, cumulatief en scenario-gewijs zijn beoordeeld; 3. onzekerheden niet langer worden doorgeschoven naar uitvoerings- of vergunningfase. Hoogachtend, 5.1.2e 5.1.2e
Veenendaal
Legenda toegepaste uitzonderingsgrondslagen In dit document zijn gegevens definitief geanonimiseerd op grond van: Wet
Artikel
Omschrijving
Pagina's
Wet open overheid
Art. 5.1 lid 2 sub e
De eerbiediging van de persoonlijke levenss feer
1, 4