CConstaterende datVeenendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

LIS2026.57 2c TB 2 verkennend bodemonderzoek (tb2) Geanonimiseerd

Gemeenteraad 26 februari 2026, gemeente VeenendaalBij agendapunt: Ingekomen stukken690 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Zienswijze ontwerp TAM-omgevingsplan Franse Gat deelgebied 3 – uitsluitend gericht op verkennend bodemonderzoek (tb2)Zienswijze ontwerp TAM-omgevingsplan Franse Gat deelgebied 3 – uitsluitend gericht op verkennend bodemonderzoek (tb2)

Geacht college van burgemeester en wethouders van Veenendaal, Ondergetekende, 5.1.2e , bewoner 5.1.2e

, 5.1.2e Veenendaal,

maakt hierbij, op grond van artikel 16.62 van de Omgevingswet, een zienswijze kenbaar tegen het ontwerp TAM-omgevingsplan ‘Franse Gat deelgebied 3’ (IMRO-id: NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01), uitsluitend voor zover dit plan is gebaseerd op het verkennend bodemonderzoek (rapport tb2). Ondergetekende is eigenaar en bewoner binnen het plangebied en wordt rechtstreeks geraakt door de voorgenomen ontwikkeling.

1. Afbakening van deze zienswijze Deze zienswijze richt zich uitsluitend op: •

het verkennend bodemonderzoek, inclusief asbest en PFAS (rapport tb2);

•

de wijze waarop dit onderzoek is gebruikt ter onderbouwing van de bodemgeschiktheid voor wonen.

Andere milieu- of planaspecten blijven in deze zienswijze buiten beschouwing.

2. Locatie expliciet aangemerkt als ‘verdacht’ In het verkennend bodemonderzoek wordt geconcludeerd: “Op basis van de gegevens van het historisch vooronderzoek wordt de locatie als verdacht gekarakteriseerd met betrekking tot de aanwezigheid van verontreinigde stoffen in de bodem.” (Verkennend bodemonderzoek, p. 8) Dit betekent dat niet kan worden uitgegaan van een ongestoorde of schone bodem. Juist in dat geval vereist de Omgevingswet een zorgvuldige, volledige en onvoorwaardelijke onderbouwing dat de bodem geschikt is voor een gevoelige functie als wonen.

3. Asbest: reëel risico, onvoldoende onderzocht

Het rapport stelt expliciet: “Gezien de aanlegperiode van de bebouwing (1950–1960) kan de bouw indirect geleid hebben tot een bodemverontreiniging met asbesthoudend materiaal.” (p. 8) Daarnaast wordt vastgesteld: “Aangezien de woningen momenteel bewoond zijn, kan er geen onderzoek in de gebouwen plaatsvinden.” (p. 9) Hieruit volgt dat: •

asbestrisico’s niet zijn uitgesloten;

•

delen van de locatie niet onderzocht konden worden;

•

onzekerheden blijven bestaan over de bodemkwaliteit onder en nabij bestaande bebouwing.

Desondanks wordt geconcludeerd dat de bodem geen belemmering vormt. Deze conclusie is onvoldoende gemotiveerd, nu niet is uitgesloten dat bij sloop en grondverzet gezondheidsrisico’s ontstaan voor bewoners en omwonenden.

4. PFAS: aanvullend onderzoek vereist, maar niet afgerond Het rapport vermeldt: “Vanwege het landelijk ‘Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond’ dient de grond van de gehele locatie aanvullend onderzocht te worden op PFAS.” (p. 8) Dit betekent dat: •

het bodemonderzoek niet compleet is;

•

essentiële gegevens over PFAS ontbreken;

•

nog niet vaststaat of hergebruik of afvoer van grond mogelijk is.

Het ontwerp-omgevingsplan gaat hieraan voorbij en baseert zich op een onvolledig onderzoek, hetgeen in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel.

5. Voorwaardelijke conclusies en doorschuiven naar uitvoeringsfase

Hoewel het rapport meerdere onzekerheden benoemt, wordt geconcludeerd dat de bodem geen belemmering vormt voor woningbouw. Deze conclusie is echter voorwaardelijk en afhankelijk van: •

aanvullend onderzoek;

•

eventuele sanering;

•

naleving van uitvoeringsmaatregelen.

Deze voorwaarden zijn niet juridisch bindend vastgelegd in het omgevingsplan. Daarmee wordt de beoordeling van bodemgeschiktheid feitelijk doorgeschoven naar de uitvoeringsfase, terwijl deze planologisch moet zijn verzekerd.

6. Strijd met zorgvuldigheids- en rechtszekerheidsbeginsel Gelet op: •

de kwalificatie van de locatie als ‘verdacht’;

•

het ontbreken van volledig asbest- en PFAS-onderzoek;

•

het feit dat niet alle gronden onderzocht konden worden;

•

het ontbreken van planologische borging van vervolgmaatregelen,

is het verkennend bodemonderzoek onvoldoende basis voor de vaststelling van het ontwerp TAM-omgevingsplan. Dit is in strijd met: •

het zorgvuldigheidsbeginsel;

•

het motiveringsbeginsel;

•

het vereiste van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7. Conclusie: bodemgeschiktheid onvoldoende aangetoond Op basis van het rapport tb2 kan niet onvoorwaardelijk worden vastgesteld dat: •

de bodem geschikt is voor wonen;

•

geen gezondheidsrisico’s bestaan voor (toekomstige) bewoners;

•

sanerings- en beheersmaatregelen niet noodzakelijk zijn.

Daarmee ontbreekt een deugdelijke planologische onderbouwing.

8. Verzoek

Ondergetekende verzoekt het college het ontwerp TAM-omgevingsplan niet vast te stellen, althans niet voordat: 1. het bodemonderzoek volledig is afgerond, inclusief PFAS en asbest; 2. eventuele sanerings- en beheersmaatregelen planologisch bindend zijn vastgelegd; 3. is aangetoond dat de bodem onvoorwaardelijk geschikt is voor een woonfunctie. Hoogachtend, 5.1.2e

26-1-26 Veenendaal

Legenda toegepaste uitzonderingsgrondslagen In dit document zijn gegevens definitief geanonimiseerd op grond van: Wet

Artikel

Omschrijving

Pagina's

Wet open overheid

Art. 5.1 lid 2 sub e

De eerbiediging van de persoonlijke levenss feer

1, 4

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16631969/1