LIS2025.211a Advies
Tekst van het document
nr. LIS2025.211a cat. C
Omgevingsvisie Veenendaal Toetsingsadvies over het milieueffectrapport 4 november 2025 / projectnummer: 3973
Advies over het OER in het kort De gemeente Veenendaal stelt een omgevingsvisie op. Daarin bepaalt ze de koers voor de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente tot 2040. In de ontwerp-omgevingsvisie1 gaat de gemeente onder andere in op de onderwerpen wonen, werken, mobiliteit en groen. Voor het besluit over de omgevingsvisie is een omgevingseffectrapport (OER) 2 opgesteld.3 De gemeente heeft de Commissie voor de milieueffectrapportage (hierna: de Commissie) gevraagd te adviseren over het OER. In dit advies spreekt de Commissie zich uit over de kwaliteit en de volledigheid van het OER.
Wat staat in het OER? Het OER bestaat uit drie hoofdonderdelen: 1.
een foto van de leefomgeving;
2.
een ontwerpend onderzoek;
3.
een beoordeling van de milieueffecten van de ambities uit de omgevingsvisie.
De foto van de leefomgeving brengt de huidige staat van de leefomgeving in beeld en laat zien hoe deze zich ontwikkelt als hierop niet wordt bijgestuurd met de omgevingsvisie (de referentiesituatie). Uit de leefomgevingsfoto komen vooral verbeterpunten naar voren op het gebied van het voorzieningenniveau, het woningaanbod, klimaatadaptatie4, duurzame energie, luchtkwaliteit, overgewicht en de voedselomgeving. Daarnaast concludeert het OER dat er kansen zijn om opgaven gezamenlijk aan te pakken (synergie), bijvoorbeeld door woningbouw te koppelen aan energieneutrale bouw en klimaatadaptieve maatregelen. In het zogenoemde ontwerpend onderzoek zijn negen nieuwe woningbouwlocaties (in het OER ‘groeipotentielocaties’ genoemd) beoordeeld op kansen en risico’s. Uit de analyse blijkt dat binnenstedelijke verdichting positieve effecten heeft op duurzaamheid en voorzieningen, terwijl uitbreidingslocaties vaker leiden tot hogere druk op natuur en infrastructuur. De ambities uit de ontwerp-omgevingsvisie zijn beoordeeld op milieueffecten. Hieruit blijkt dat de ambities uit de visie bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving. Het OER stelt dat het daarbij wel belangrijk is om aandacht te besteden aan knelpunten op het gebied van voornamelijk milieu, bodem en ruimtelijke kwaliteit.
Wat is het advies van de Commissie? Hoewel het OER in korte tijd is opgesteld, geeft het rapport veel relevante informatie. Daarnaast doet het OER waardevolle aanbevelingen voor het vervolg. Ook waardeert de Commissie dat het OER is benut bij het aanscherpen van de ontwerp-omgevingsvisie. Tegelijkertijd constateert de Commissie dat op een aantal onderdelen nog informatie
1
Omgevingsvisie Veenendaal 2040, Veenendaal vitaal, duurzaam, veilig, gemeente Veenendaal.
2
Het OER is formeel een milieueffectrapport (MER), maar gaat ook in op sociale en economische aspecten. Daarom is, in aansluiting op de Omgevingswet, de term ‘omgevingseffectrapportage’ gekozen.
3
Omgevingseffectrapport Omgevingsvisie Veenendaal, 21 augustus 2025. Antea Group.
4
Klimaatadaptatie is het aanpassen van de omgeving aan klimaatverandering.
-1-
ontbreekt.5 Het aanvullen van die informatie is essentieel om het belang van de leefomgeving volwaardig mee te kunnen wegen bij het besluit van de gemeenteraad over de omgevingsvisie. Het gaat om de volgende punten: •
Eerder gemaakte keuzes zijn niet onderbouwd vanuit milieuoogpunt. In het eerder opgestelde koersdocument zijn onder andere keuzes gemaakt over het aantal te bouwen woningen en de locaties daarvoor. In het document zijn bij deze keuzes milieuoverwegingen niet aantoonbaar betrokken. Ook in het OER zijn de eerder gemaakte keuzes niet toegelicht en is niet onderbouwd in hoeverre er alternatieve mogelijkheden zijn voor de invulling van met name de woningbouwopgave.
•
In de leefomgevingsfoto lopen de bestaande (en toekomstige) situatie en beleidsambities door elkaar. Ook mist essentiële informatie over onder meer het water- en bodemsysteem. Hierdoor is de leefomgevingsfoto geen goede basis voor de effectbepaling.
•
De ambities en randvoorwaarden vanuit water, bodem en natuur zijn onvoldoende navolgbaar sturend geweest bij locatiekeuzes. Het grond- en oppervlaktewatersysteem heeft invloed op het behoud en herstel van natuurgebieden, waaronder het Natura 2000gebied het Binnenveld. Het OER moet aannemelijk maken dat de ambities uit de omgevingsvisie uitvoerbaar zijn binnen de kaders van de natuurwetgeving en welke maatregelen hiervoor (op hoofdlijnen) nodig zijn.
•
Verkeersonderzoek. In het OER zijn de effecten op mobiliteit en infrastructuur beperkt in beeld gebracht. De gemeente is zich hiervan bewust en voert nog een verkeersonderzoek uit. Belangrijk is om in dit onderzoek de effecten van de (mobiliteits)maatregelen en het doelbereik van het mobiliteitsbeleid uit de omgevingsvisie in beeld te brengen. Deze informatie moet beschikbaar zijn voorafgaand aan het besluit over de visie.
De Commissie adviseert de hiervoor bovenstaande informatie in een aanvulling op het OER op te nemen, en dan pas een besluit te nemen over de omgevingsvisie. In hoofdstuk 2 licht de Commissie haar beoordeling toe. Naast deze adviezen over de aanvulling van het OER, doet de Commissie ook een aantal aanbevelingen voor het vervolg, namelijk: •
Prioritering van woningbouwlocaties. Geef aan welke groeipotentielocaties prioriteit hebben qua ontwikkeling.
•
Onderzoeken van alternatieven voor de woningbouwopgave. Houd daarbij rekening met de bredere context (o.a. water, bodem, leefkwaliteit, gezondheid, mobiliteit, voorzieningen). Voer botsproeven uit om conflicten tussen ambities zichtbaar te maken.
•
Concretisering van ambities. Maak ambities concreter in de uitwerking van de visie, zodat doelbereik en effecten beoordeeld en gemonitord kunnen worden.
•
Inrichtingsmaatregelen water en bodem. Werk inrichtingsmaatregelen uit om problemen met het oppervlaktewatersysteem te voorkomen en structuren te versterken.
•
Gezondheid. Breng ernstige hinder van geluid bij de verdere uitwerking van de groeipotentielocaties in beeld. Werk in vervolgprocedures ook concrete maatregelen uit voor gezondheid, zoals luchtkwaliteit, geluid, rookvrije gebieden, vergroening en gezonde voedselomgeving.
•
Monitoring. Werk het monitoringsprogramma verder uit. Richt zowel een toestandsmonitor als een beleidseffectmonitor in.
5
Uit gesprekken met de gemeente (tijdens het locatiebezoek op 2 oktober 2025 en tijdens het adviesgesprek op vrijdag 31 oktober 2025), maakt de Commissie op dat er al veel is gebeurd (bijvoorbeeld op gebied van water, bodem en natuur), maar dat dit niet duidelijk terug te lezen is in het OER en de omgevingsvisie.
-2-
Aanleiding OER De omgevingsvisie beschrijft het samenhangende beleid van de gemeente voor de fysieke leefomgeving voor de lange termijn (2040). Omdat de omgevingsvisie kaderstellend is voor mer(beoordelings)plichtige projecten zoals stedelijke ontwikkelingsprojecten is het nodig om een plan-MER (OER) op te stellen. Een mer-plicht geldt ook omdat effecten op Natura 2000-gebieden niet op voorhand kunnen worden uitgesloten en hiervoor een Passende beoordeling nodig is. Rol van de Commissie De Commissie is onafhankelijk, bij wet ingesteld en adviseert over de inhoud en de kwaliteit van het OER. Zij stelt voor ieder project een werkgroep samen van onafhankelijke deskundigen. Ze schrijft geen effectrapporten, dat doet de initiatiefnemer. Het bevoegd gezag – in dit geval de gemeenteraad van Veenendaal- besluit over de omgevingsvisie. De samenstelling en de werkwijze van de werkgroep van de Commissie en verdere projectgegevens staan in bijlage 1 van dit advies. De projectstukken die bij het advies zijn gebruikt staan op de website. Deze zijn te vinden door nummer 3973 op www.commissiemer.nl in te vullen in het zoekvak.
Figuur 1 – Integrale visiekaart (bron: ontwerp-Omgevingsvisie 2040).
-3-
Toelichting op het advies In dit hoofdstuk licht de Commissie haar oordeel toe en geeft zij adviezen voor de op te stellen aanvulling. Deze adviezen zijn opgenomen in een tekstkader. Naar het oordeel van de Commissie is het uitvoeren ervan essentieel om het milieubelang volwaardig mee te wegen bij de besluitvorming door de gemeenteraad. In de tekst wordt ook een aantal aanbevelingen gedaan. Deze zijn bedoeld om de kwaliteit van de besluitvorming, nu en in de toekomst, te verbeteren.
Voorgeschiedenis en ambities 2.1.1
Voorgeschiedenis De gemeente Veenendaal wil de omgevingsvisie 2030 actualiseren omdat de huidige omgevingsvisie te weinig richting geeft. De nieuwe omgevingsvisie kijkt vooruit naar 2040. Ter voorbereiding van de nieuwe omgevingsvisie heeft de gemeente een koersdocument opgesteld waarin (woningbouw) opgaven, nieuwe inzichten en prognoses voor de toekomst zijn opgenomen. Het koersdocument is daarmee belangrijke input voor de omgevingsvisie. In het koersdocument zijn al keuzes gemaakt over vier belangrijke thema’s: groen, groei, duurzaamheid en mobiliteit. Ook zijn voor elk van deze thema’s dilemma’s in beeld gebracht in de vorm van nog te beantwoorden vragen zoals ‘Willen we inzetten op de auto of op
schoon en gezond vervoer?’ en ‘Hoe combineren we deze opgave [voor groen] met andere opgaven zoals wonen en werkgelegenheid?’ In het OER wordt niet teruggekomen op deze dilemma’s. In het OER wordt alleen benoemd dat het opstellen van het koersdocument een stap was in het ontwikkelingsproces van de omgevingsvisie. Het OER bevat geen inhoudelijke analyse van de inzichten uit het koersdocument. De Commissie constateert dat in het koersdocument alternatieven zijn afgewogen zonder dat daarbij de omgevingseffecten in beeld zijn gebracht. Ook de inzichten uit het participatieproces zijn in het OER niet beschreven. Daardoor krijgen de gemeenteraad en belanghebbenden onvoldoende inzicht in de rol die omgevingsaspecten (en participatie) hebben gespeeld bij de gemaakte keuzes in het koersdocument en voorafgaand aan het OER en de omgevingsvisie. De Commissie gaat hieronder nader in op belangrijke keuzes en uitgangspunten uit het OER die nog onvoldoende navolgbaar zijn onderbouwd.
Onderbouwing van het aantal nieuwe woningen In het OER is veel aandacht besteed aan de woningbouwopgave. De gemeente wil 10.700 nieuwe woningen bouwen in de periode tot 2040. Voor de onderbouwing van de opgave wordt verwezen naar regionale beleidsdocumenten van de regio Food Valley. Uit het OER blijkt niet hoe de verdeling van de regionale opgave over de verschillende gemeenten heeft plaatsgevonden. Hierdoor is onduidelijk hoe de omvang van de opgave voor Veenendaal tot
-4-
stand is gekomen. Omdat het totale aantal woningen en de verdeling over de locaties van invloed is op de milieueffecten, is het belangrijk om deze uitgangspunten te onderbouwen.
Selectie van groeipotentielocaties In een ontwerpend onderzoek zijn negen groeipotentielocaties voor woningbouw beoordeeld. De selectie van deze locaties is niet te herleiden uit het OER. Daarbij mist informatie over welke (delen van) locaties tot de referentiesituatie6 behoren.
Verdeling opgave over in- en uitbreidingslocaties Volgens de ontwerp-omgevingsvisie worden 5.500 tot 6.000 woningen gerealiseerd op inbreidingslocaties binnen de gemeentegrenzen. De overige ongeveer 5.000 woningen moeten buiten de gemeentegrenzen een plek krijgen op uitbreidingslocaties, maar wel invulling gaan geven aan de woningbouwopgave van Veenendaal. Uit de stukken blijkt niet hoe de verdeling van aantallen woningen tussen de in- en uitbreidingslocaties is bepaald. Deze informatie is belangrijk voor het besluit over de omgevingsvisie waarin de locaties worden vastgelegd, maar ook voor vervolgbesluiten. Ook mist een stedenbouwkundige en planologische analyse van de herontwikkelingsmogelijkheden van locaties. Door te schuiven met voorzieningen en door optoppen7 kunnen wellicht substantiële aantallen woningen worden gerealiseerd op inbreidingslocaties binnen de gemeentegrenzen. Samenvattend is het dus onduidelijk of gevarieerd kan worden in de verdeling tussen in- en uitbreidingslocaties en hoe daarbij kan worden omgegaan met voorzieningen. De gemeente is geen bevoegd gezag voor de locaties buiten haar gemeentegrenzen. Een goede samenwerking met de buurgemeentes en regio Food Valley is dan ook belangrijk voor vervolgprocedures, zoals (regionale) woningbouwprogramma’s.
De verdeling van de opgave over de in- en uitbreidingslocaties en de onderbouwing daarvan is dan ook een belangrijk uitgangspunt voor deze procedures en de samenwerking met buurgemeentes.
De Commissie adviseert om in aanvulling op het OER, voorafgaand aan de besluitvorming, aan te geven welke inzichten volgen uit eerdere (proces)stappen en documenten, zoals het koersdocument. Onderbouw eerder gemaakte keuzes, waaronder de ambitie om 10.700 woningen te realiseren, de selectie van groeipotentielocaties en de verdeling van de woningbouwopgave over inbreidingslocaties binnen de gemeente en uitbreidingslocaties buiten de gemeentegrenzen. Geef aan hoe in het OER op eerder gemaakte keuzes is voortgebouwd.
Prioritering van groeipotentielocaties Gezien de beperkte ruimte in Veenendaal en de grote woningbouwopgave, vindt de Commissie het verstandig dat de gemeente in de omgevingsvisie al een analyse heeft uitgevoerd voor in- en uitbreidingslocaties voor nieuwe woningen. Wel constateert ze dat de analyse nog weinig richting geeft. Zo is niet gekwantificeerd hoeveel woningen gebouwd kunnen worden binnen de onderzochte locaties. Hierdoor is onduidelijk of het noodzakelijk
6
Het gaat daarbij om vastgesteld beleid.
7
Dit is het bouwen van één of meerdere verdiepingen bovenop een bestaand gebouw.
-5-
is om alle locaties te ontwikkelen. Uit een mondelinge toelichting8 van de gemeente blijkt dit wel het geval te zijn. Uit het OER blijkt dat de milieueffecten verschillen tussen de locaties, maar op basis daarvan is geen richting gegeven over de gewenste volgorde van ontwikkeling van locaties. De Commissie beveelt aan om in het vervolg, bijvoorbeeld in een (regionaal) woningbouwprogramma, aan te geven welke locaties prioriteit hebben qua ontwikkeling. Benut hiervoor de informatie uit het OER.
2.1.2 OER en Omgevingsvisie Het OER is gelijktijdig met de ontwerp-omgevingsvisie opgesteld. De Commissie vindt het positief dat het OER is gebruikt bij de aanscherping van de ontwerp-omgevingsvisie. Wel constateert ze dat het OER relatief laat in het proces is uitgevoerd, waardoor al belangrijke keuzes waren gemaakt (zie paragraaf 2.1.1 van dit advies) en geen alternatieven meer zijn onderzocht. Het onderzoeken van alternatieven is van meerwaarde omdat het nieuwe inzichten kan geven over keuzemogelijkheden en de gevolgen daarvan. Ook helpt het om eventuele conflicten tussen ambities in beeld te brengen. De Commissie beveelt daarom aan om in het vervolg alternatieven met betrekking tot de woningbouwopgave in een bredere context te onderzoeken. Houd daarbij rekening met de bredere opgaven op gebied van het water- en bodemsysteem, leefkwaliteit en gezondheid, mobiliteit en voorzieningen. De alternatieven moeten samen een goed beeld geven van de ontwikkelmogelijkheden. De Commissie beveelt aan om deze alternatieven te onderzoeken op milieueffecten en doelbereik en om botsproeven uit te voeren waarmee eventuele spanningen tussen de ambities uit de omgevingsvisie alsnog in beeld komen. Dit helpt de gemeente in het vervolg bij het maken van transparante keuzes.
2.1.3 Concretisering ambities In het OER en in de omgevingsvisie heeft de gemeente drie Veenendaalse principes gedefinieerd: vitaal, duurzaam en veilig. Uit de Veenendaalse principes volgen ambities over verschillende ruimtelijke aspecten. Een aantal ambities is voldoende concreet om te kunnen beoordelen op doelbereik. Het gaat bijvoorbeeld om de ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn, de ambitie om in 2040 circulair te zijn en de ambitie om 10.700 nieuwe woningen te realiseren. Een groot aantal van de andere ambities die zijn beschreven in paragraaf 5.1 van het OER, is minder concreet. Onduidelijk is bijvoorbeeld wanneer inwoners van Veenendaal voldoende veerkrachtig zijn en wanneer Veenendaal economisch vitaal is. Alleen als duidelijk wordt aangegeven wanneer de gemeente tevreden is, kan worden beoordeeld in hoeverre de omgevingsvisie voldoende bijdraagt aan het behalen van deze ambities. Dit inzicht is
8
Op 2 oktober 2025 bracht de Commissie een bezoek aan gemeente Veenendaal. Tijdens dit locatiebezoek heeft de gemeente onder andere een toelichting geven op de omgevingsvisie en het OER.
-6-
belangrijk om (bijvoorbeeld op basis van monitoringsdata) tijdig bij te kunnen sturen als een ambitie (mogelijk) niet wordt gehaald. De Commissie beveelt aan om in het vervolg (bijvoorbeeld bij thematische of gebiedsgerichte uitwerkingen van de visie of toekomstige herzieningen van de visie zelf), de ambities te concretiseren. Dit is nodig om de effecten en het doelbereik te kunnen beoordelen en om te kunnen monitoren in hoeverre de omgevingsvisie daadwerkelijk invulling geeft aan de ambities.
Huidige situatie en beleid in leefomgevingsfoto In de leefomgevingsfoto (bijlage 1 van het OER) wordt eerst de huidige situatie beoordeeld. Opvallend is dat de figuren allemaal een volledig gelijkblijvende trend tussen 2000 en 2025 laten zien. Dit suggereert ten onrechte dat er in 25 jaar niets is veranderd. In de scores wordt gebruik gemaakt van diverse vergelijkingen: met Nederland, met de Randstad, met de provincie of met de regio. Dit is niet onderbouwd en maakt het lastig om de resultaten op waarde te schatten. Verder lijkt wisselend te zijn omgegaan met de beschrijving van de referentiesituatie. In een aantal gevallen is uitgegaan van de huidige situatie, terwijl in andere gevallen het staande beleid van de gemeente is meegenomen. Een paar voorbeelden: •
Bij de voorzieningen wordt het oordeel matig gegeven, terwijl het niveau van voorzieningen in Veenendaal ten opzichte van andere gemeenten niet laag ligt. Hier lijkt meer de doelstelling om te zorgen voor voldoende voorzieningen in wijken als kader te zijn gebruikt.
•
Bij toerisme en recreatie wordt het oordeel matig gegeven vanwege het beperkte aantal toeristische overnachtingen. Dat is de huidige situatie. De doelstelling om een aantrekkelijke omgeving voor recreatie en toerisme te creëren, wordt hierin (terecht) niet gewogen.
•
Bij archeologie wordt het oordeel ‘goed’ gegeven omdat de (juridische) bescherming van de archeologische waarden op een goed niveau ligt. Dat zegt weinig over de kwaliteit of de omvang van het archeologisch erfgoed in de huidige situatie, maar meer over de doelstelling om rekening te houden met archeologie.
•
Bij CO2 uitstoot wordt het oordeel matig gegeven vanwege de te hoge CO2-uitstoot. Dat is de huidige situatie. De doelstelling om actief te werken aan de energietransitie is daarin (terecht) niet verdisconteerd.
•
Bij natuurgebieden wordt het oordeel redelijk tot goed gegeven, omdat de natuurgebieden rondom Veenendaal beschermd worden. Dat zegt weinig tot niets over de kwaliteit van de natuurgebieden die blijkens de natuurdoelanalyses zwaar te lijden hebben.
De referentiesituatie moet bestaan uit de huidige situatie en vastgestelde en geborgde plannen, waarover planologische zekerheid bestaat. Overige beleidsambities zijn geen onderdeel van de referentiesituatie.
-7-
De Commissie adviseert om in een aanvulling op het OER, voorafgaand aan de besluitvorming in de leefomgevingsfoto te verduidelijken hoe de huidige staat van de leefomgeving eruitziet, zonder daarbij beleidsambities te betrekken. Maak vervolgens duidelijk welke vastgestelde en geborgde plannen tot de referentiesituatie behoren.
Aandacht voor het water-, bodem- en natuursysteem De Commissie merkt dat in de leefomgevingsfoto en bij het ontwerpend onderzoek voor groeipotentielocaties beperkt aandacht is besteed aan het bodem- en watersysteem, het natuursysteem en cultureel erfgoed (bijvoorbeeld de Grebbelinie).
Water en bodem sturend In de visie is aangegeven dat de gemeente de principes van ‘water en bodem sturend’ hanteert en dit laat prevaleren boven de bouwopgave.9 In de leefomgevingsfoto is het functioneren van het grond- en oppervlaktewatersysteem echter niet zichtbaar gemaakt. Veenendaal ligt in een uniek overgangsgebied van de Utrechtse Heuvelrug en het lage deel tussen de Heuvelrug en de Veluwe. In de leefomgevingsfoto staat dat Veenendaal pas laat bewoning kende, omdat het grotendeels een veengebied was. Met de start van het turfsteken is ook Veenendaal zich gaan ontwikkelen. Het historische watersysteem is nog steeds aanwezig en voedt de Utrechtse (Natura 2000) en Gelderse (NNN) delen van het Binnenveld. Voor de natuur is het belangrijk dat de voeding met grond-/kwelwater versterkt of hersteld wordt (zie onderstaande paragraaf). De Commissie ziet dit echter niet terug op de in het OER getoetste visiekaart. In het OER is niet beoordeeld of en hoe het functioneren van het bodem- en watersysteem botst met de woningbouwopgave. Ook is niet aangegeven hoe de volgende zaken zich verhouden tot het voor het Binnenveld benodigde herstel van het grond- (en oppervlakte)watersysteem: •
de wens om de drinkwaterwinning Veenendaal in stand te houden of nog uit te breiden winning;
•
industriële winningen;
•
het beschermen van de (grond)waterkwaliteit tegen vervuilingen vanuit industrie, ondergrondse warmte-infrastructuur of landbouw.
De gemeente heeft doelen gesteld voor waterinfiltratie, maar uit het OER blijkt niet hoe wordt ingezet op vasthouden en herstellen van het grondwatersysteem. Daarnaast is onduidelijk hoe wordt omgegaan met te verwachten oppervlaktewateroverlast die ook is benoemd in de visie. Doordat bovengenoemde informatie in het OER niet in beeld is gebracht, zijn ook woningbouwlocaties gekozen waar oppervlakte- of grondwaterproblemen te verwachten zijn. Grondwaterproblemen kunnen bijvoorbeeld optreden in het gebied bij station Veenendaalcentrum en het industriegebied aan de zuidoostkant. Met het oppervlaktewatersysteem
9
Zie paragraaf 5.3, pagina 27 van de ontwerp omgevingsvisie.
-8-
kunnen verspreid over de stad problemen ontstaan, vooral bij de uitbreidingen aan de zuidgrens.
Natuur (en water) Delen van het Binnenveld zijn onderdeel van Natura 2000, andere delen vallen onder het Natuurnetwerk Nederland. De natuurdoelanalyse10 laat zien dat doelen (blauwgrasland, overgangs- en trilvenen) voor dit gebied alleen haalbaar zijn als de toestroom van water naar het gebied wordt versterkt en de stikstofdepositie wordt verlaagd. Deze samenhang tussen natuur en water- en bodemsysteem is niet zichtbaar gemaakt in het OER. Onduidelijk is of en hoe wordt ingezet op het versterken van groen-blauwe structuren en het instandhouden of bij voorkeur herstel van het (grond)watersysteem. Als deze structuren niet worden versterkt, maar wel een significant aantal woningen wordt toegevoegd, wordt de druk op de natuur rondom Veenendaal groter. Een deel van het Binnenveld wordt in de visie bijvoorbeeld ingetekend als te ontwikkelen voor recreatie en toerisme. Hierdoor zal de natuur in het gebied mogelijk verder verslechteren, maar het OER beschrijft niet hoe dit (wettelijk verboden) effect voorkomen kan worden. De Commissie kan zich dan ook niet vinden in de conclusie van de Passende beoordeling dat er op dit vlak geen risico’s zijn.
De Commissie adviseert om in aanvulling op het OER, voorafgaand aan de besluitvorming, aandacht te besteden aan de effecten van de woningbouwopgave op het grond- en oppervlaktewatersysteem. Ook moeten de effecten op Natura 2000 en NNN beter in beeld worden gebracht/onderbouwd. Daarmee moet aannemelijk worden gemaakt dat de ontwikkelingen uitvoerbaar zijn en (op hoofdlijnen) welke maatregelen daarvoor nodig zijn. Maak hierbij gebruik van de informatie uit de natuurdoelanalyse en het advies van de Ecologische Autoriteit daarover.
Inrichtingsmaatregelen water en bodem De Commissie beveelt aan om in het vervolg inrichtingsmaatregelen uit te werken. Daarmee kan de gemeente problemen met het oppervlaktewatersysteem voorkomen en waar mogelijk de structuren versterken (in lijn met de ambitie van de gemeente op gebied van water en bodem sturend). Qua inrichtingsmaatregelen kan gedacht worden aan de ontwikkeling van ruimtelijke structuren en verbindingen voor groen en blauw. Deze zouden bijvoorbeeld kunnen uitmonden in een herstelde doorlopende Grebbelinie met bijvoorbeeld een wadiachtige structuur in het centrum van Veenendaal. Een ander voorbeeld van een mogelijk relevante maatregel is het voorkomen van beïnvloeding van grondwaterstromingen door (parkeer)kelders.
10
Natuurdoelanalyse: Natuurdoelanalyse Binnenveld en advies van de Ecologische Autoriteit over de Natuurdoelanalyse: Adviezen - Ecologische Autoriteit
-9-
Mobiliteit en infrastructuur Het OER bevat een beoordeling van de ontwerp-omgevingsvisie op de aspecten bereikbaarheid, vervoerwijzen en verkeersveiligheid. De beoordeling leidt voor alle drie aspecten tot de scores ‘positief’. Deze beoordelingen zijn niet onderbouwd. Het OER bevat namelijk nog geen (kwantitatieve) analyses van de te verwachten mobiliteitsontwikkelingen en de effecten daarvan. Het OER is daardoor niet compleet, er ontbreekt informatie over de mobiliteitseffecten van de keuzes en maatregelen uit de omgevingsvisie. Het verkeersonderzoek, zoals is aangekondigd in het OER, zal informatie over die effecten en over het doelbereik van het thema mobiliteit moeten leveren, zodat een goed besluit over de omgevingsvisie kan worden genomen. Hiervoor moet het verkeeronderzoek in elk geval de volgende informatie bevatten: •
een verkeersprognose voor de referentiesituatie (2040) met toelichting op de gehanteerde uitgangspunten en aannames;
•
een verkeersprognose voor de situatie volgens de omgevingsvisie (2040) met een beschrijving van de (model)uitgangspunten en concrete maatregelen in de netwerken;
•
een vergelijking van de referentie- en de plansituatie;
•
de ontwikkeling van de modal split11;
•
de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling op de drukkere uren;
•
de barrièrewerking van hoofdroutes voor auto en openbaar vervoer;
•
knelpunten in het buitengebied (zoals bijvoorbeeld landbouwverkeer versus fietsverkeer, sluiproutes, kleinschalig openbaar vervoer, onveiligheid, bewegwijzering);
•
de ontwikkeling van slachtofferongevallen.
Ten aanzien van de sturing op duurzame mobiliteit speelt het parkeren in met name het centrum en bij nieuwe gebiedsontwikkelingen een rol van betekenis. Geef in het onderzoek een beschrijving van het huidige parkeerbeleid met toe te passen parkeernormen en een beeld van de effecten van meer sturend parkeerbeleid zoals in de omgevingsvisie wordt beoogd.
De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming, het nog uit te voeren verkeersonderzoek op te nemen, zodat de effecten van de (mobiliteits)maatregelen en het doelbereik van het mobiliteitsbeleid volgens de omgevingsvisie in beeld worden gebracht.
Gezondheid Gezondheid in ontwerpend onderzoek: inzicht in hinder van geluid De analyse van de 9 deelgebieden op basis van de gemeentelijke input, de GIS-analyses en de input van CBS is goed te volgen. Bij de GIS-analyses is voor milieu de milieugezondheidsindicator (MGR) gebruikt. Een beperking is dat (ernstige) hinder van geluid daarin ontbreekt. 11
Modal split is de verdeling van de verplaatsingen over de verschillende vervoerwijzen waaronder auto, openbaar vervoer, langzaam verkeer (fietsen en lopen).
-10-
De Commissie beveelt aan om ernstige hinder van geluid bij de verdere uitwerking van de groeipotentielocaties in beeld te brengen. De resultaten daarvan kunnen gebruikt worden bij het nemen van maatregelen om geluidhinder te beperken, bijvoorbeeld bij de situering van woningen (afstand tot wegen, situering van gebouwen), het bouwen van tweezijdig georiënteerde woningen op zwaarbelaste locaties of het aanbrengen van gevelvoorzieningen.
Gezondheid in de beoordeling van de ontwerp-omgevingsvisie Gezondheid is een van de drie kernprincipes van de omgevingsvisie. Dit is uitgewerkt in de klassieke onderwerpen luchtkwaliteit en geluid en in onderwerpen die met gezond gedrag te maken hebben. Zo staat in de visie (pagina 15) dat al in 2030 gezond gedrag logisch is in Veenendaal en dat de leefomgeving daaraan een belangrijke bijdrage levert door het “verleiden tot een gezondere leefstijl (bewegen in de openbare ruimte, ontspannen, rookvrije
gebieden).” De gemeente heeft goede intenties voor de vermindering van geluidhinder en verbetering van de luchtkwaliteit. Uit het OER blijkt echter nog onvoldoende dat de milieukwaliteit en gezondheid daadwerkelijk zullen verbeteren dankzij de omgevingsvisie. De maatregelen zijn hiervoor nog onvoldoende uitgewerkt. In de integrale beoordeling in het OER (pagina 63) wordt dit ook geconstateerd: “Op het vlak van gezondheid liggen er kansen om de
luchtkwaliteit, geluidsbelasting en omgevingsveiligheid structureel te koppelen aan ruimtelijke programmering. Dit vraagt echter om meer dan goede intenties: zonder harde normen en randvoorwaarden dreigen deze thema’s vergeten te worden .” De maatregelen die genoemd zijn, zijn mogelijk weinig effectief of kunnen zelfs een averechts effect hebben. Dit geldt bijvoorbeeld voor vergroening, waarvan de gemeente aanneemt dat dit goed is voor de luchtkwaliteit. Het planten van bomen kan juist een averechts effect hebben omdat het de luchtverontreiniging vasthoudt.12 Voor gezond gedrag ligt de focus in de omgevingsvisie op bewegen, ontspannen en ontmoeten. Het OER gaat daar ook op in. Voor de gezondheid zijn roken en voeding belangrijke determinanten. Roken is in de visie wel genoemd, maar rookvrije gebieden zijn niet uitgewerkt in het OER. Voeding en de voedselomgeving staan niet genoemd in visie en OER. De foto van de leefomgeving (pagina 101) laat zien dat het percentage overgewicht hoog is in Veenendaal. Er is daarom aanleiding om ook een gezonde voedselomgeving als belangrijke factor van gezondheid uit te werken. Op pagina 63 stelt het OER meer algemeen over gezondheid: “Om te voorkomen dat klimaat,
natuur en gezondheid bij tijdsdruk naar de achtergrond verdwijnen, is het belangrijk dat strategische principes worden vastgelegd in bindende criteria voor omgevingsplannen en gebiedsprogramma’s.” De Commissie onderschrijft dit en beveelt daarom aan om in vervolgprocedures concrete maatregelen uit te werken die effectief invulling geven aan de ambities voor gezondheid (luchtkwaliteit, geluid, groen, rookvrije gebieden, gezonde voedselomgeving).
12
Zie voor meer informatie: Het effect van vegetatie op de luchtkwaliteit
-11-
Monitoring Monitoring vormt een belangrijk onderdeel van de beleidscyclus die hoort bij de omgevingsvisie. Het belang van goede monitoring wordt vergroot doordat het gaat om een (abstracte) lange termijnvisie in een dynamische omgeving. De Commissie is daarom positief over de aanbevelingen die in het OER worden gedaan over monitoring. In aanvulling daarop geeft ze onderstaande mee. De dynamische omgeving vraagt om tussentijdse evaluaties of de doelen gehaald worden én of dit in het gewenste tempo gebeurt. Op basis van deze inzichten kan de gemeente waar nodig bijsturen. Monitoring speelt gedurende het gehele proces een belangrijke rol: •
bij de start, omdat monitoring via de leefomgevingsfoto inzicht geeft in de feitelijke uitgangssituatie en in combinatie met de autonome ontwikkelingen in de (te verwachten) opgaven;
•
gedurende de looptijd van de omgevingsvisie om te zien of bijsturing nodig is;
•
bij het slot om te kunnen zien of de doelen zijn gerealiseerd.
Het monitoren van de effectiviteit van de omgevingsvisie vraagt om twee typen monitoring. Het vraagt in de eerste plaats om een toestandsmonitor die inzicht biedt in de toestand en de veranderingen in de kwaliteit van de leefomgeving en de opgaven die spelen (bijvoorbeeld op gebied van gezondheid, water, bodem, natuur en klimaat). Belangrijk in de verdere uitwerking van de visie is dat de informatie op een zo laag mogelijk geografisch schaalniveau (liefst wijk- en buurtniveau) beschikbaar is en zo actueel mogelijk is. Naast toestandsmonitoring beveelt de Commissie aan om ook een beleids(effect)monitor in te richten. Dit is een vorm van monitoring die enerzijds antwoord geeft op de vraag of de gestelde doelen worden gehaald, maar die anderzijds juist meer lerend en reflexief/of reflectief van karakter is. Dit laatste is van belang omdat soms voor vernieuwende aanpakken gekozen moet worden gegeven de aard en de omvang van de opgaven. Bij deze vorm van monitoring gaat het er om per opgave in kaart te brengen wie: •
het initiatief voor de monitoring neemt;
•
wie partners zijn, voor welke aanpak gekozen wordt;
•
hoe financiering plaatsvindt;
•
wat de rol van de gemeente Veenendaal is;
•
tegen welke problemen men aanloopt;
•
en welke resultaten worden geboekt.
Op deze manier ontstaat niet alleen inzicht in de vraag welke vraagstukken wel worden opgepakt maar ook welke niet worden opgepakt (en waarom niet). Hierdoor kan de gemeente waar nodig bijsturen. Voor zowel de toestands- als de beleidseffectmonitoring kan worden samengewerkt met andere overheden, bijvoorbeeld in het regionale samenwerkingsverband Food Valley. De Commissie beveelt aan om het monitoringsprogramma verder uit te werken in de vervolgprocedures. Het is belangrijk dat de opzet van het monitoringsprogramma helpt om inzicht te krijgen in de omgevingstoestand en veranderingen daarin (de bovengenoemde ‘toestandsmonitor’) en in het doelbereik (de bovengenoemde ‘beleids(effect)monitor’).
-12-
BIJLAGE 1: Projectgegevens toetsing Toetsing door de Commissie De Commissie bestaat uit een werkgroep van deskundigen. Deze werkgroep beoordeelt of het MER de benodigde milieu-informatie bevat en of deze juist is. Als er informatie ontbreekt of onjuist is, beoordeelt de Commissie of zij die essentieel vindt. Dat is het geval als aanvullende informatie in haar ogen kan leiden tot andere afwegingen. Dan adviseert de Commissie de ontbrekende of gecorrigeerde informatie alsnog beschikbaar te stellen, voordat het besluit wordt genomen. Om zich goed op de hoogte te stellen van de situatie heeft de werkgroep het gebied bezocht waar milieugevolgen kunnen optreden. Meer informatie over de Commissie en over haar werkwijze vindt u op onze website. Samenstelling van de werkgroep Bij dit project bestaat de werkgroep uit: drs. Roeland van Kerkhoff Margo Meeuwissen MSc prof. dr. ir. Hans Mommaas (voorzitter) ing. Ben Peters Michelle Vanderschuren MSc (secretaris) dr. Fred Woudenberg Besluit waarvoor dit milieueffectrapport is opgesteld Omgevingsvisie. Waarom wordt hiervoor een milieueffectrapport opgesteld? Voor projecten die grote milieugevolgen kunnen hebben, kan in Nederland een milieueffectrapport (MER) vereist zijn. Uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit onder de Omgevingswet volgt om welke projecten het gaat.
Voor deze procedure gaat het in ieder geval om het project J11 “stedelijk ontwikkelingsproject”. Daarom wordt een plan -MER opgesteld. Bevoegd gezag besluit Gemeenteraad van de gemeente Veenendaal. Initiatiefnemer besluit College van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal. Heeft de Commissie ook zienswijzen en adviezen bij haar advies betrokken? Het bevoegd gezag heeft de Commissie niet in de gelegenheid gesteld om zienswijzen en adviezen bij haar advies te betrekken. Waar vind ik de stukken die de Commissie heeft beoordeeld? U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt, door op www.commissiemer.nl projectnummer 3973 in te vullen in het zoekvak.