LIS2023.143a Bijlage 1 Zienswijzen EWA VWM TEK op NRD voor plan-MER wind en RES provincie Gelderland
Tekst van het document
nr. LIS2023.143a | Cat. B GÉÉN INDUSTRIËLE WINDTURBINES DICHT BIJ WONINGEN ! Ede Waait Anders I Veenendaal Waait Mee I Tegenwind Ederveen-De Klomp
Aan het College van Gedeputeerde Staten van Gelderland Postbus 9090 6800GX Arnhem Per email verzonden aan post@gelderland.nl
Ede, 18 maart 2023 Betreft: Zienswijze Onderzoeksagenda Milieu voor windbeleid en RES Zaaknummer 2022-005244 Geacht College van Gedeputeerde Staten van Gelderland, Hiermee dienen wij, drie samenwerkende actiegroepen Ede Waait Anders, Veenendaal Waait Mee en Tegenwind Ederveen-De Klomp onze zienswijzen in met betrekking tot uw Onderzoeksagenda Milieu voor windbeleid en RES. Wij vertegenwoordigen ruim 5.000 omwonenden van zoekgebieden voor industriële windturbines. Concreet betreffen onze zienswijzen de Concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau plan-MER voor windbeleid en RES provincie Gelderland dd. 2 februari 2023 ref. 132826/23-002.157 projectcode 132826 zoals opgesteld in uw opdracht door het adviesbureau Witteveen + Bos Raadgevend Ingenieurs B.V. uit Deventer. Onze zienswijzen zijn verwoord in de navolgende pagina’s 2 t/m 11 die onderdeel uitmaken van dit schrijven. Feitelijk betreft het niet één zienswijze maar een groot aantal zienswijzen en opmerkingen. Wij verzoeken deze te betrekken in uw reactienota en in aanpassingen van het concept voor de genoemde NRD, leidend tot het vaststellen van de definitieve versie betreffende de Notitie Reikwijdte en Detailniveau plan-MER voor windbeleid en RES provincie Gelderland. Mochten er onduidelijkheden zijn geslopen in de formulering van onze zienswijzen dan zijn wij graag tot het verduidelijken daarvan bereid.
U kunt daarvoor contact opnemen met ondergetekende. Een ontvangstbevestiging van dit schrijven zien wij gaarne tegemoet. Namens de samenwerkende actiegroepen Ede Waait Anders, Veenendaal Waait Mee en Tegenwind Ederveen-De Klomp, H.A. in ’t Veld Voorzitter
1
GÉÉN INDUSTRIËLE WINDTURBINES DICHT BIJ WONINGEN ! Ede Waait Anders I Veenendaal Waait Mee I Tegenwind Ederveen-De Klomp
Zienswijzen van de samenwerkende actiegroepen Ede Waait Anders, Veenendaal Waait Mee en Tegenwind Ederveen-De Klomp met betrekking tot het document “Plan-MER voor windbeleid en RES provincie Gelderland” Concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau plan-MER voor windbeleid en RES provincie Gelderland dd. 2 februari 2023 ref. 132826/23-002.157 projectcode 132826 Hiermee berichten wij u onze zienswijzen met betrekking tot bovengenoemd document. Wij beperken ons in onze reactie tot die zaken die direct of indirect betrekking hebben op Industriële Windturbines (IWT’s of WT’s) en/of -parken daarvan en de nabijheid ten opzichte van woningen en de gezondheid van omwonenden. Vooraf gaan wij evenwel in op een paar meer algemene en procedurele thema’s. 1. Algemene en procedurele thema’s ten aanzien van de titel op de omslag en uw Hoofdstukken 1, 2 en 3 1.1 De titel van deze Notitie doet vermoeden dat het een plan-MER voor windbeleid betreft dat tevens dient als plan-MER voor de RES provincie Gelderland. De inhoud betreft ook het onderwerp zonnevelden. Het lijkt ons duidelijker als de vlag de lading dekt. Onze zienswijze is dat dit duidelijker moet worden.
1.2 Of en in hoeverre de Notitie een voldoende invulling geeft aan de wettelijke verplichting om alle milieu-effecten inzake het beleid voor wind en zon van Gelderland in beeld te brengen teneinde ervoor te bewerkstellingen dat beleidsbepalende overheden op basis daarvan voldoen aan de wettelijke vereisten in het kader van de SMB richtlijn, betwijfelen wij. Onze zienswijze is dat dit duidelijker moet worden. 1.3 Procedureel is het ons onduidelijk of de RES procedure hiermee correct wordt gevolgd. Onduidelijk is of de RES 1.0 zal worden vervangen door de RES 2.0 of alleen een update zal krijgen. En indien de RES 2.0 de vervanging zal zijn van de RES 1.0, welke procedurele stappen vereist zijn. Onze zienswijze is dat dit duidelijker moet worden. 1.4 Onduidelijk is wat het t.z.t. definitief worden van door de landelijke overheid vastgestelde criteria, normen en regels in de te verwachten AMVB gaat betekenen voor de status van de voorliggende NRD en het daaruit voortvloeiende plan-MER en de RES. Onze zienswijze is dat dit duidelijker moet worden. 1.5.1 Onduidelijk is of en in hoeverre de provincie bij het doen opstellen van een plan-MER in de bestuurlijke bevoegdheden treedt van de gemeenten en welke de daarvoor geldende juridische basis is. Onze zienswijze is dat dit duidelijker moet worden.
1.5.2 Onduidelijk is of en in hoeverre het toekomstige plan-MER harde kaders stelt aan het beleid van gemeenten en evt. andere overheden. Onze zienswijze is dat dit duidelijker moet worden.
2
GÉÉN INDUSTRIËLE WINDTURBINES DICHT BIJ WONINGEN ! Ede Waait Anders I Veenendaal Waait Mee I Tegenwind Ederveen-De Klomp
1.5.3 Onduidelijk is ook wat de wettelijke basis daarvoor is, in welke wettelijke regels dit zal worden vastgelegd. Onze zienswijze is dat dit duidelijker moet worden. 1.5.4 Onduidelijk is onder welke voorwaarden lagere overheden, al dan niet in RES verband, mogen afwijken van hetgeen in het plan-MER van de provincie is vastgelegd. Onze zienswijze is dat dit duidelijker moet worden. 1.5.5 Onduidelijk is of en in hoeverre gemeenten, gegeven het bestaan t.z.t. van een plan-MER van de provincie, zelf ook een plan-MER procedure dienen te volgen als voortvloeisel van de SMB richtlijn ten aanzien van door de gemeenten op te stellen beleid ter zake. Onze zienswijze is dat dit duidelijker moet worden. 1.6 Onduidelijk is in hoeverre hetgeen in het plan-MER van de provincie Gelderland zal zijn vastgelegd zich verhoudt met hetgeen in overeenkomstige documenten in andere, mogelijk aanpalende provincies zal zijn vastgelegd en wat dit betekent voor de rechtsgelijkheid van burgers in Nederland. Onze zienswijze is dat dit duidelijker moet worden. 1.7.1 Bij het vormen van beleid dienen niet alleen de permanente effecten meegewogen te worden maar ook de incidentele.
Meer in bijzonder alle effecten op het milieu en de gezondheid van mensen: - bij het delven van materialen, het bewerken en het samenstellen ervan teneinde WT’s op te richten - bij het aanleggen van infrastructuur teneinde de beoogde effecten van de WT’s te effectueren. - bij onderhoud en herstel van WT’s en degenen die daar toezicht op houden - bij ontmanteling en verwerking van afkomende materialen en het hergebruik daarvan - bij de realisatie, exploitatie en ontmanteling van complementaire voorzieningen zoals infrastructuur en die teneinde de specifieke eigenschap van discontinuïteit in de opwekking van stroom te realiseren - als gevolg van de verminderde efficiëntie van complementaire voorzieningen zoals bestaande energiecentrales. Genoemde effecten zijn niet beperkt tot het milieu en de gezondheid van mensen. Ook andere aspecten zoals kostenefficiëntie, afhankelijkheid van grondstoffen (uranium en neodymium) en lange termijn veiligheidsaspecten (zoals opslag van kernafval en wieken van WT’s) dienen daarbij meegewogen te worden. Onze zienswijze is dat deze aspecten in het plan-MER mee onderwerp van de beschrijving van de milieueffecten moeten zijn. 1.7.2 Wij wijzen erop dat het voorzorgsbeginsel door beleidsbepalende instanties in acht genomen dient te worden.
Volgens de SMB richtlijn betreft dit alle zaken waarvan voorzien kan worden dat door het beleid ter zake effecten te verwachten zijn op het gebied van milieu en gezondheid. Onze zienswijze is dat in de voorliggende concept NRD vanwege het voorzorgsbeginsel het onderzoek niet beperkt kan worden tot slechts enkele te verwachten effecten, maar dat dit alle effecten dient te beschrijven.
3
GÉÉN INDUSTRIËLE WINDTURBINES DICHT BIJ WONINGEN ! Ede Waait Anders I Veenendaal Waait Mee I Tegenwind Ederveen-De Klomp
1.7.3 Daarnaast wijzen wij u op het wetsvoorstel dat Nederlandse bedrijven en overheden medeverantwoordelijk worden voor misstanden in de keten. Dus ook voor de milieuramp die zich momenteel voltrekt in China bij het delven van “rare earth”, waaronder neodymium. Onze zienswijze is dat om claims naar de overheden te voorkomen terdege gekeken moet worden naar effecten in de keten. 2. Zienswijzen ten aanzien van uw Hoofdstuk 2: Participatie 2.1 Op bladzijde 9 lezen wij dat u streeft naar een objectieve studie naar (potentiële) milieu-effecten. Wij zijn het daar graag mee eens, maar verbazen ons (als gezegd) dan wel over de sterke inperking daarvan tot de effecten die kunnen ontstaan in de gebruiksfase en met betrekking tot slechts een paar milieu- en gezondheidsaspecten, die ook nog sterk ingeperkt zijn. Onze zienswijze is dat het dienstig is dat in de NRD wordt aangegeven op welke grond de keuze van de onderwerpen en de beoogde diepgang is bepaald, op basis waarvan op voorhand al afwegingen of keuzes zijn gemaakt en hoe u de objectiviteit van de studie gegarandeerd wil zien. 2.2 Bezwaar maken wij tegen het onder 2.3 gestelde dat de NRD alleen bij grote wijzigingen zal worden aangepast.
Dit doet geen recht aan degenen, veelal actiegroepen (waaronder Ede Waait Anders, Veenendaal Waait Mee en Tegenwind Ederveen-De Klomp) en onze achterbannen van duizenden omwonenden, die zienswijzen indienen. Immers zal het NRD en het plan-MER daarmee alleen maar aan kwaliteit kunnen winnen. Ook het relatieve begrip “grote” wijzigingen achten wij een te subjectief gegeven en is daarmee in volstrekte tegenspraak met uw streven naar een objectief onderzoek. Onze zienswijze is dat ook in het concept NRD aanpassingen moeten worden doorgevoerd en dat dit niet kan worden overgelaten aan een subjectieve interpretatie van de “grootte” ervan. 3. Zienswijze ten aanzien van uw Hoofdstuk 3: Kaders vanuit wetgeving, beleid en richtlijnen 3.1 Op bladzijde 17 lezen wij dat gebruik maakt is van de “Koers Ruimte en Leefomgeving” (provincie Gelderland 2021). Het is u ongetwijfeld bekend dat de provincie Gelderland een aantal opgaves heeft in het kader van woningbouw. Een deel daarvan, 40.000 woningen, wordt beoogd gerealiseerd te worden in de regio Food Valley. Grote delen daarvan in en rond de gemeente Ede. Ook in een deel direct aanpalend aan waar in uw kaartjes “onderzoekgebieden” gelegen zijn. Op bladzijde 23 lezen wij dat voor een “zuivere analyse” omgevingsvisies van gemeenten in het plan-MER niet mee genomen worden. Wij vinden dit apert onjuist.
WT-parken bepalen voor tenminste 25 jaar het landschap. De woningbouwopgave betreft het komend decennium. Alle reden dus om dit juist wel op elkaar af te stemmen. In Ede is in de “Omgevingsvisie 2040” door de gemeente nog uit gegaan van een uitbreiding met 15.000 huishoudens. Dit was al strijdig met de toen opgestelde plannen voor windturbines. Maar met de huidige plannen, op initiatief van de provincie Gelderland, voor 40.000 woningen is de strijdigheid WT park en woonwijken, des te meer het geval. Onze zienswijze is dat het noodzakelijk is, met het oog op een zuivere analyse, de locaties voor WT’s af te stemmen op die voor toekomstige woningen en woonwijken en dit derhalve in kaart te doen brengen.
4
GÉÉN INDUSTRIËLE WINDTURBINES DICHT BIJ WONINGEN ! Ede Waait Anders I Veenendaal Waait Mee I Tegenwind Ederveen-De Klomp
4. Zienswijzen ten aanzien van uw Hoofdstuk 4: Onderzoeksaanpak effectonderzoeken 4.1 Op bladzijde 27 lezen wij dat u onderzoeksgebieden wilt vergelijken op basis van bijvoorbeeld het aantal geluidgehinderden binnen 47 dBa. We kunnen ons een dergelijke ratio wel voorstellen maar geheel niet binnen 47 dBa. De redenatie zou omgekeerd moeten zijn. Waar kunnen we welke WT’s toepassen zodat er geen geluidgehinderden zullen zijn. In de literatuur is een veilige grens voor het maximale geluidsniveau daarbij 35 dBa! Onze zienswijze is dat het veel meer inzicht verschaft aan de provincie en aan gemeenten wanneer in de onderzoeksopdracht voor het plan-MER de vraagstelling omgekeerd wordt en dit in kaartmateriaal wordt weergegeven. 4.2.1 Op bladzijde 27 lezen wij dat er mogelijk kennisleemten zijn en dat middels monitoring beoordeeld wordt of aanvullende maatregelen mogelijk zijn. Wij wijzen erop dat er heel veel kennis en ervaringsgegevens beschikbaar zijn. In bijzonder de ervaringen van omwonenden van bestaande WT’s dienen daarbij uiterst serieus genomen te worden.
Ook al voldoen die niet altijd aan “wetenschappelijke” maatstaven, het is wel degelijk zeer relevante, op empirische waarneming gebaseerde kennis! Onze zienswijze is dat het, vanwege een goede naar burgers toe verantwoordelijke invulling van het beleid, noodzakelijk is om de ervaringskennis van omwonenden van bestaande WT’s te doen onderzoeken en deze mee te doen nemen in het plan-MER. 4.2.2 Monitoring en de beoordeling of aanvullende maatregelen mogelijk zijn, blijken, na de vergunningsfase, meestal niet uitvoerbaar en maatregelen leiden dikwijls tot gerechtelijke procedures met gemeenten en/of exploitanten waarbij de omwonenden als minst financieel draagkrachtigen het nakijken hebben. Bestuurlijke verantwoordelijkheid mag niet vooruitgeschoven worden. Het is de uitvoering van het wettelijk verplichte voorzorgsprincipe! Onze zienswijze is dat het noodzakelijk is in de onderzoeksopdracht voor het plan-MER de mogelijkheden van monitoring, de beoordeling of aanvullende maatregelen mogelijk zijn, afdwingbaar en handhaafbaar zijn, te doen onderzoeken en mee te doen nemen in het plan-MER. 4.3. Op bladzijde 27 lezen wij over de afstemming met de provincie Utrecht voor wat betreft de regio Food Valley. Dit mag geen open kwestie blijven. Het leidt tot onzekerheid voor de hele regio en in bijzonder voor de inwoners van Veenendaal, Renswoude en Rhenen.
Onze zienswijze is dat het noodzakelijk is hierover duidelijke afspraken te maken met de provincie Utrecht en het RES verband Food Valley en dit op te nemen in het op te stellen plan-MER. 4.4 Op bladzijde 30 lezen we dat autonome ruimtelijke ontwikkelingen zoveel mogelijk worden betrokken als fysieke beperking voor de zoekgebieden. Dit geldt ook voor gebouwen. We wijzen hierbij op de doelstellingen in het kader van woningbouw als besproken op bij punt 2.7.5. 4.5
Op bladzijde 31 wordt het hanteren van een geluidsnorm van 47 db Lden genoemd.
Onze zienswijze is dat dit volstrekt onaanvaardbaar is. Het hanteren van een jaargemiddelde over de dag en de nacht is door velen en ook door ons als zeer onacceptabel en onwerkbaar gezien. Als eerste vanwege het feit dat het uitsluitend een gemiddeld gegeven is. Hiermee wordt volstrekt voorbij gegaan aan het al dan niet aanvaardbaar zijn van maximale geluidswaarden in de nacht en voor op de dag, de mate waarin dit verwacht kan worden gegeven de windrichting ten opzichte van geluidsgevoelige objecten zoals woningen en woonwijken en het aantal of percentage geluidgehinderde omwonenden op te onderscheiden afstanden ten opzichte van de WT’s. Juist dit zou onderwerp van studie moeten zijn. 5
GÉÉN INDUSTRIËLE WINDTURBINES DICHT BIJ WONINGEN ! Ede Waait Anders I Veenendaal Waait Mee I Tegenwind Ederveen-De Klomp
Wij benadrukken dat met name het geluid in de nacht door omwonenden als zeer storend wordt ervaren. Studies zouden derhalve zeker ook expliciet de situatie in de nacht moeten omvatten. 4.6 Onze zienswijze is dat de geluidsniveaus in de nacht in kaartjes in de NRD of het plan-MER verwerkt moeten worden. 4.7 Onze zienswijze is ook dat in de hantering van een al dan niet gemiddeld en/of maximaal geluidsniveau expliciet dient te worden aangegeven of dit aan de buitenzijde of aan de binnenzijde van de woningen op zal treden. 4.8 Onze zienswijze is dat het voor het inzicht noodzakelijk is dat uit wordt gegaan van een geluidsnorm van 35 dBa voor woningen al of niet in woonwijken en deze in de overzichtskaarten op te nemen. Daarnaast speelt nog dat regelgeving handhaafbaar moet zijn. Een jaargemiddelde zal dit nooit kunnen zijn. Wie zou die metingen op de geluidscontour moeten doen? Dit non-stop, jaar na jaar, en wat zou de wettelijke grond kunnen zijn om de exploitant zich aan zijn verplichtingen te laten houden? Een onuitvoerbare regel zal door rechters niet worden opgelegd. 4.9 Onze zienswijze is dat in het plan-MER onderzocht moet worden op welke wijze de (door u om beleidsmatige reden) gekozen geluidsnorm handhaafbaar en afdwingbaar gemaakt kan worden.
4.10 Op bladzijde 32 lezen we in de tabel dat bij Rijkswegen en provinciale wegen een afstand aangehouden dient te worden van object + 15 meter. Dit lijkt ons formeel onjuist, praktisch zeer gevaarlijk en dus ongewenst. Rijkswaterstaat hanteert in artikel 3 lid 1 van de “Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over rijkswaterstaatwerken” een afstandseis: · voor turbines met een rotordiameter van 60 meter of kleiner: ten minste 30 meter uit de rand van de verharding · voor turbines met een rotordiameter groter dan 60 meter: ten minste een halve rotordiameter. Onze zienswijze is dat in de tabel de afstand bij Rijkswegen en provinciale wegen aangepast moet worden naar ½ rotordiameter. 4.11 Op bladzijde 33 lezen wij uw overwegingen met betrekking tot zogenaamde molenaarswoningen. Dit zijn woningen waarvan de bewoners ook initiatiefnemer en mede-eigenaar van een windpark zijn. Het wordt gepresenteerd als een oplossing voor woningen op kortere afstand dan de 47dBa geluidcontour. Wij zijn van mening dat met het begrip “molenaarswoning” bedoeld is geweest: de woning die gebruikt wordt door de molenaar in traditionele zin. Degene die noodzakelijkerwijze woont bij de molen ten behoeve van het goed functioneren van de molen en het maalproces. Dit is bij windparken niet aan de orde.
Het begrip molenaarswoning kan derhalve niet van toepassing verklaard worden op woningen op kortere afstand dan de 47dBa contour. Onze zienswijze is dat het begrip “molenaarswoning” in relatie tot WT’s of WT-parken niet van toepassing is. Het lijkt ons evident dat het noodzakelijk is juridisch duidelijkheid te verschaffen over de correctheid van het accepteren van het begrip “molenaarswoning” in relatie toe WT’s of WT-parken. 4.12 Op bladzijde 36 lezen wij dat windturbines met een hogere ashoogte niet in kaartmateriaal vertaald zijn, omdat dit “onnodig zoekruimte voor windenergie uitsluit”. Wij zijn het daar niet mee eens. Uitgangspunt van deze studie in het kader van de MER is volgens hoofdstuk 9 een ”objectieve studie naar potentiële milieueffecten”. Er wordt gesteld dat windturbines met een grotere ashoogte dan 120 meter wellicht “stiller” maar mogelijk ook niet stiller zijn dan die van 120 meter. Dit zou naar onze mening juist onderwerp van onderzoek moeten zijn. Daarnaast kan het heel goed zijn dat hogere windturbines over een 6
GÉÉN INDUSTRIËLE WINDTURBINES DICHT BIJ WONINGEN ! Ede Waait Anders I Veenendaal Waait Mee I Tegenwind Ederveen-De Klomp
veel groter gebied tot geluidsoverlast leiden. Vergelijk de geluidsoverlast van de bron in relatie tot de afstand van de ontvanger van heteluchtballonnen. Die ook op grote hoogte over een groot gebied goed hoorbaar zijn, terwijl zij bij het opstijgen alleen hoorbaar zijn in de nabije omgeving van de ballon. Daarnaast speelt ook dat de luchtsnelheid in hogere luchtlagen vaak hoger is. Ook dit gegeven kan het gebied waarin overlast optreedt aanzienlijk vergroten aan de lijzijde van de windturbine. Onze zienswijze is dat het noodzakelijk is dat in de NRD wordt vast gelegd dat in het plan-MER onderzoek wordt gedaan en wetenschappelijk onderbouwd wordt, dat voor WT’s hoger dan 120 meter geen andere niveaus van geluidsbelasting en van andere effecten te verwachten zijn dan bij die van 120 meter. 4.13
Op bladzijde 37 zien wij het kaartje afbeelding 4.4 “Belemmeringen voor windturbines (120m)”
Daarbij is een afstand tot geluidgevoelige objecten gehanteerd van 385 meter. Wij zijn van mening dat deze afstand veel te klein is om te veronderstellen dat omwonenden dan geen geluidhinder meer zullen ervaren. TNO heeft onderzocht dat deze geluidsnorm leidt tot 7% ernstig gehinderden binnenshuis en 20% ernstig gehinderden buitenshuis. Daarnaast wordt een slaapverstoring verwacht bij ongeveer 25% van de omwonenden. Wij wijzen erop dat het bijvoorbeeld in het geval van WT’s in de gemeente Ede woonwijken betreft in de gemeente Ede en in Veenendaal met honderden omwonenden. De verwachting is dat de nieuwe landelijke regelgeving strenger zal zijn en derhalve veel meer gebieden binnen het belemmeringsgebied vallen. Het lijkt ons verstandig daarop te anticiperen, zodat de NRD en het plan-MER vooral die gebieden aanwijst waar met de grootst mogelijke waarschijnlijkheid, het Nevele arrest eist wetenschappelijke zekerheid, geen geluidhinder voor omwonenden zal optreden. Onze zienswijze is dat het noodzakelijk is dat in het plan-MER onderzocht wordt welke gebieden met wetenschappelijke zekerheid geen geluidhinder voor omwonenden zullen opleveren. 4.14 Op bladzijde 8 lezen wij dat daar waar “het plan dichter dan 5 km van de grens ligt er de mogelijkheid bestaat dat er belangrijke nadelige milieugevolgen in Duitsland ontstaan”.
Daarom moeten de relevante bevoegde gezagen in Duitsland geïnformeerd worden. Onze zienswijze is dat het inzichtelijk maken van welke de belangrijke nadelige milieugevolgen zijn, die er in Duitsland zouden kunnen worden voorkomen bij het hanteren van de 5 km zone, van belang is voor dit plan-MER, opdat deze vertaald kunnen worden naar de effecten voor omwonenden binnen deze straal rondom WT’s en WT-parken in Nederland en in bijzonder in de provincie Gelderland. 4.15 Op bladzijde 44 lezen wij dat beide alternatieven , 120 meter en 166 meter ashoogte in kaart zullen worden gebracht. Wij zijn het daarmee graag eens. En benadrukken dit ook voor het aspect slagschaduw te doen. 5. Zienswijzen ten aanzien van uw Hoofdstuk 5: Alternatieven voor wind en zon 5.1 Opmerking: Hierin worden feitelijk niet de alternatieven voor wind en zon beschreven, maar het onderzoeksgebied voor windturbineparken en/of zonnevelden. 5.2 Vooraf constateren wij dat bij de bepaling van mogelijke locaties voor WT’s geen rekening is gehouden met wel bekende uitbreidingsplannen van gemeenten voor woningbouw. Voorbeelden daarvan zijn in de gemeente Ede de reeds gerealiseerde en voorziene uitbreiding van de wijk Kernhem, woningen in het gebied van Ederveen-De Klomp en een woonwijk in Veenendaal Oost. 7
GÉÉN INDUSTRIËLE WINDTURBINES DICHT BIJ WONINGEN ! Ede Waait Anders I Veenendaal Waait Mee I Tegenwind Ederveen-De Klomp
Daar ook de provincie aandringt op omvangrijke woningbouw en er ook in de omgevingsvisies van de gemeenten sprake moet zijn van een goede samenhang van alle daarin te benoemen onderdelen, waaronder woonwijken en WT-parken, zijn wij van mening dat voorziene nieuwe woonwijken opgenomen moeten worden in de kaartjes van de provincie Gelderland. Onze zienswijze is dat het noodzakelijk is dat u de door u aan de gemeenten gevraagde uitbreiding van woonwijken in de komende decennia, meeneemt in de kaartjes voor potentiële locaties voor WT’s of WTparken in de provincie Gelderland. 5.3 Op bladzijde 43 lezen we onder punt 10 nogmaals uw keuze om de windturbines met een ashoogte van 120 meter, ook voor turbines van 166 meter ashoogte als uitgangspunt voor de zoekruimte te nemen. Als eerder genoemd zien wij daarmee een grote onvolkomenheid in de NRD en in vervolg daarop het planMER. De milieueffecten van een turbine van 166 meter ashoogte zullen naar onze inschatting drastisch afwijken van die van een turbine van 120 meter. We verwijzen naar ons verzoek bij punt 4.12. 5.4 In het alternatief RES 1.0 zijn gebieden opgenomen waarvoor geen draagvlak bij de omwonenden bestaat. Wij menen dat het hebben van draagvlak bij omwonenden een vereiste is bij de RES procedure. Onze zienswijze is dat het noodzakelijk is dat dit wordt nagegaan en dat wordt bezien wat de consequenties daarvan zijn.
Wij constateren dat de RES 1.0 gebieden niet overeenkomen met criteria die zijn gehanteerd bij WT’s van 120 meter en dat dit nog minder zal zijn in geval van WT’s van 166 meter ashoogte. 5.5 Op bladzijde 46 lezen we dat in de alternatieven geen rekening gehouden wordt met slagschaduw. Wij zijn het daarmee niet eens. Naast geluidshinder kan er ook hinder door slagschaduw ontstaan. De rotordiameter bepaalt daarbij zowel de diepte van het gebied waarin slagschaduw zal ontstaan als ook de breedte en dus ook de duur waarin overlast zal optreden. Dit geldt in bijzonder voor woningen aan de schaduwzijde van de WT’s en de hinder zal daarbij afhangen van de locatie van de WT t.o.v. de woningen zowel qua kompasrichting als afstand en het jaargetij. Wij zijn van mening dat het optreden van hinder door slagschaduw zowel voor WT’s van 120 meter als die van 166 meter (een WT van 166 meter heeft immers een rotoroppervlak dat ca 1,75 maal dat van rotor van een WT van 120 meter is) helder in kaart moet worden gebracht. Onze zienswijze is dat slagschaduw een ernstig nadelig effect heeft voor omwonenden. Wij zijn van mening dat de effecten van slagschaduw gerelateerd aan de rotordiameter, de ashoogte van de WT, situering t.o.v.
zonnestand in bepaalde jaargetijden en de rotorsnelheid in termen van hinder gerelateerd aan het aantal omwonenden dat hinder ondervindt bij een bepaalde afstand, dient te worden onderzocht en dat de consequenties daarvan in termen van hinder bij solitaire molens en bij windparken in cumulatieve zin, voor omwonenden meegewogen moeten worden bij het bepalen van geschikte locaties voor WT’s. 5.6 Uw opmerking op deze bladzijde dat hinder door slagschaduw goed te mitigeren zou zijn door een stilstandsvoorziening, lijkt ons meer een technische mogelijkheid dan een praktisch haalbare. Ook hier geldt de vraag wie dit gaat bewaken, aan de hand van welke criteria dit zal zijn en wat de reële mogelijkheden zijn om mitigerende voorzieningen te effectueren. Denk aan zon- en feestdagen, waarbij niemand aanwezig zal blijken te zijn om de WT’s stil te zetten en evenmin iemand om dit te controleren en te handhaven. Uw opmerking dat dit goed te mitigeren zou zijn is ons inziens dus onjuist.
8
GÉÉN INDUSTRIËLE WINDTURBINES DICHT BIJ WONINGEN ! Ede Waait Anders I Veenendaal Waait Mee I Tegenwind Ederveen-De Klomp
Onze zienswijze is dat het noodzakelijk is dat in het plan-MER onderzocht en duidelijk gemaakt wordt hoe de in de NRD gedane bewering m.b.t. mitigerende maatregelen praktisch haalbaar en handhaafbaar kan zijn. 5.7 Uw constatering dat de provincie Gelderland ontwikkelaars verzoekt altijd om nul uur slagschaduw te hanteren, herkennen wij niet als effectief beleid toegepast bij bestaande WT’s. Wij bepleiten dat een kennelijk verzoek omgezet wordt in een handhaafbare verplichting. Onze zienswijze is dat het noodzakelijk is dat in het plan-MER wordt onderzocht en duidelijk wordt gemaakt hoe het verzoek aan ontwikkelaars om altijd nul uur slagschaduw te hanteren zou moeten worden vormgegeven en hoe dit effectief zou kunnen worden gehandhaafd. Dit is temeer noodzakelijk omdat het in bepaalde gebieden makkelijk kan optreden dat zowel van geluidshinder als ook van hinder door slagschaduw sprake is. Dergelijke gebieden zouden naar onze mening uitgesloten moeten worden als zoekgebied. 5.8 Onze zienswijze is eveneens dat het noodzakelijk is dat hinder door slagschaduw als negatief effect op de gezondheid van omwonenden ook dient te worden vertaald in de kaartjes voor potentiële zoekgebieden. 5.9 In het alternatief Gezonde en Veilige leefomgeving wordt uitgegaan van een 2 dB strengere norm. Dit zou leiden tot een afstand van 530 meter t.o.v. geluidgevoelige objecten.
Wij maken u erop attent dat in de afbeelding 5.5 een aantal zoekgebieden niet aan dit criterium voldoen. Wij wijzen in dezen op de zoekgebieden rondom de aansluiting van de A30 op de A12 en de zoekgebieden rondom de aansluiting van de N224 op de A30 en de zoekgebieden meer westelijk aan de N224 . Onze zienswijze is dat de kaart van afbeelding 5.5 daarop dient te worden aangepast. 5.10 In het alternatief landschap worden mogelijkheden geschetst, rekening houdend met min of meer formele waarderingen zoals “panorama Landschap” en landschapstypen, zoals gedefinieerd door het Compendium voor de Leefomgeving. Onze zienswijze is dat dit weliswaar mee moet wegen als uitsluitende criteria, maar dat daarenboven ook de mening gevraagd moet worden van gerenommeerde landschapskundigen teneinde te beoordelen welke gebieden binnen het resterende gebied vanuit het landschappelijk oogpunt een grotere geschiktheid hebben dan andere. 6. Zienswijzen ten aanzien van uw Hoofdstuk 6: Beoordelingswijze wind- en zonne-energie Wij onderschrijven de methodiek van ingreep- effectrelaties. 6.1 Wij missen evenwel het “aspect” gezondheid van mensen. “Effecten” zijn er door geluid, slagschaduw en emissie van carcinogene stoffen door erosie. Criteria dienen te zijn: de invloed van geluidhinder, slagschaduw en emissies op de gezondheid van mensen. Gezondheid dient daarbij breed gezien te worden.
Fysiek en geestelijk. Direct en indirect. Onmiddellijk optredend of op termijn optredend wanneer bepaalde doses overschreden worden. Onze zienswijze is dat een studie naar de effecten van geluid in termen van de mate van hinder en gezondheidsklachten die optreden bij omwonenden, onder invloed van een bepaalde afstand tot woningen, de overheersende windrichting, de ashoogte en de frequentie (o.a. laagfrequent geluid), de duur en het moment van optreden ervan (dag/avond/nacht situatie), niet mag ontbreken. Wij zijn van mening dat dit dient te worden onderzocht en dat dit in de kaartjes inzichtelijk gemaakt moet worden. 9
GÉÉN INDUSTRIËLE WINDTURBINES DICHT BIJ WONINGEN ! Ede Waait Anders I Veenendaal Waait Mee I Tegenwind Ederveen-De Klomp
6.2 Bijzondere aandacht behoeven woon- en verblijfsvoorzieningen voor mensen die langdurige zorg behoeven. Deze mensen kunnen veelal niet even ergens anders heen als er van hinder sprake is. Onze zienswijze is dat dit een aanscherping van het begrip “kwetsbare objecten” vereist. 6.3 Naar onze mening kan er ook sprake zijn van invloed op niet genoemde kwetsbare objecten. Bijvoorbeeld recreatieve voorzieningen zoals horeca en campings. De aantrekkelijkheid van deze voorzieningen kan ernstig lijden onder de hindereffecten zoals deze genoemd zijn. Onze zienswijze is dat het aanbeveling verdient om dergelijke recreatieve voorzieningen met een zone, tenminste vergelijkbaar met die voor woningen, op te nemen in de kaartjes van de plan-MER. 6.4 Wij constateren op bladzijde 55 dat terecht rekening zal worden gehouden met cumulatieve effecten door meerdere WT’s en/of WT’s i.c.m. verkeerslawaai. Wij begrijpen echter niet op basis van welke afweging opstellers van de Notitie van mening zijn dat dit “niet maatgevend” zou zijn (bladzijde 57). Onze zienswijze is dat daar waar van cumulatieve effecten spraken kan zijn en dit van invloed kan zijn op een gezonde en veilige leefomgeving, dit moet worden vertaald in de kaartjes betreffende de gebieden, die vanwege dit cumulatieve effect als negatief maatgevend criterium gezien moeten worden voor een gezonde en veilige leefomgeving.
6.5 Evenmin begrijpen wij waarom de opstellers van het concept NRD van mening zijn dat slagschaduw als “niet maatgevend” beoordeeld moet worden. Zoals eerder omschreven zijn wij van mening dat dit een ernstig hindereffect is, dat mede bepalend dient te zijn bij de bepaling van wel of niet geschikte locaties voor WT’s. Onze zienswijze is dat slagschaduw wel degelijk als “maatgevend” dient te worden aangemerkt. 7. Overige zienswijzen ten aanzien van de gehele Notitie 7.1 Getoetst wordt aan een Lden van 47dB (al of niet – 2dB.) Dit criterium staat, zoals u wellicht bekend is, ter discussie: - vanwege de wettelijke (on-)geldigheid ervan - vanwege het feit dat dit een gemiddelde over de dag en nacht is over een heel jaar, waarmee dit een niet toetsbaar en niet handhaafbaar criterium is - vanwege het gegeven dat dit een niet cumulatief gegeven is dat evenwel cumulatief optreedt. Onze zienswijze is dat het uitgaan van een gegeven dat zozeer ter discussie staat, een uiterst en naar ons inzien onvoldoende randvoorwaarde is voor het opstellen van een per saldo zinvol plan-MER. Geluidseffecten dienen zeker mee gewogen te worden, maar niet te worden gerelateerd aan een arbitrair gekozen geluidsniveau in casu een Lden. 7.2 Getoetst wordt aan een afstand tot woningen van 532 meter. Dit is gebaseerd op een WT met een ashoogte van 120 meter en een rotordiameter van 117m2.
Niet duidelijk is wat de afstand zou zijn bij een grotere ashoogte en dito rotordiameter. Onze zienswijze is dat een verkenning van de effecten op WT’s met een ashoogte hoger dan 120 meter de bruikbaarheid van de kaartjes aanzienlijk zal verhogen. 7.3 De effecten van erosie van de WT, in bijzonder van de rotorbladen, in termen van de mate van hinder gerelateerd aan het aantal omwonenden dat hinder ondervindt bij een bepaalde ashoogte, afstand tot woningen en overheersende windrichting worden niet onderzocht. 10
GÉÉN INDUSTRIËLE WINDTURBINES DICHT BIJ WONINGEN ! Ede Waait Anders I Veenendaal Waait Mee I Tegenwind Ederveen-De Klomp
Onze zienswijze is dat een studie naar mogelijke lange termijn gevolgen niet mag ontbreken. Vergelijk het optreden van ernstige gezondheidsschade bij langdurig roken, alcoholgebruik of blootstelling aan röntgenstraling. 7.4 De gevolgen van waardevermindering van woningen op de psychische gezondheid van omwonenden wordt niet onderzocht. Dit in relatie tot afstand, zichtbaarheid en hinder door WT’s. Onze zienswijze is dat ook waardevermindering van woningen een grote stressfactor voor omwonenden is. Het is daarom noodzakelijk ook deze in kaart te laten brengen en te bezien of en in hoeverre compensatie op deze stressfactor effect kan hebben. 7.5 We constateren dat de maatschappelijke kosten, als gevolg van hinder en gezondheidsklachten bij omwonenden vanwege WT’s, niet zullen worden onderzocht. Onze zienswijze is dat dit wel het geval zou moet zijn. Immers ook bij de baten van WT’s, worden de positieve effecten van WT’s bestudeerd. De maatschappelijke kosten van gezondheidszorg, uitval op het werk en verhuiskosten dienen mee in beschouwing te worden genomen. 7.6 Wij constateren eveneens dat de NRD niets beschrijft in termen van financiële kosten en baten.
Niet in beperkte zin over de levensduur van de WT-parken en evenmin in uitgebreide zin over het totaal van alle met de keuze voor windturbines en complementaire voorzieningen samenhangende kosten en baten, ook voor die voorzieningen die na afloop van de levensduur van de WT’s resteren. Wij begrijpen dat de financiële afwegingen niet vallen binnen de vanuit de EU opgelegde wet- en regelgeving vanuit de SMB richtlijn. Onze zienswijze is dat, indien de verwachte baten in termen van CO2 reductie en daarmee de positieve milieu-effecten van WT’s in het plan-MER becijferd gaan worden, dat het dan ook zo moet zijn dat negatieve milieu-effecten van het windbeleid in termen van CO2 uitstoot moeten worden meegenomen. Negatieve effecten van de initiële voorzieningen en van de activiteiten voor en na de gebruiksfase, wanneer afkomende materialen verwerkt moeten worden tot bruikbare grondstoffen. Ook de effecten op het rendement van de huidige complementaire energiecentrales, met nog weer lagere rendementen dan vandaag al het geval is, zullen daarbij betrokken moeten worden. Effecten dus waardoor juist meer CO2 uitstoot zal optreden. En dit over nagenoeg de gehele levensduur van de WT’s. U zult zich immers realiseren dat de bouw van bijvoorbeeld een kerncentrale even lang duurt als de levensduur van WT’s . Tot zover onze zienswijzen.
Tenslotte wijzen wij u nog op dat nieuwe WT’s op land, ook volgens Urgenda, tot 2030 niet beslist noodzakelijk zijn. Er is tijd voor een terdege studie naar de effecten van WT’s op land in onze provincie! Wij vragen u dringend in de definiëring van de kwaliteit van de effectstudie in de Notitie Reikwijdte en Detailniveau plan-MER voor windbeleid en RES daar goed gebruik van te maken.
BETER TEN HALVE GEKEERD DAN TEN HELE GEDWAALD!
Ede, 18 maart 2023
11