CConstaterende datVeenendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

7. Bijlage 6 Reactiebrief advies Wmo-forum

Gemeenteraad 26 februari 2026, gemeente VeenendaalBij agendapunt: 6e wijziging Integrale verordening sociaal domein3.202 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Behandeld door

Anne van den Brink

Team

MO beleid (Maatschappelijk Ondersteuning-Beleid)

Datum Onderwerp

Aan: Wmo-Forum Veenendaal T.a.v. mw. Van Zandbergen Raadhuisplein 1 3901 GA Veenendaal Per mail verzonden

8 januari 2026 Reactie op advies 6e wijziging Integrale Verordening Sociaal Domein

Geachte mevrouw J. Van Zandbergen, Op 27 november 2025 ontvingen wij uw advies inzake de Verordening sociaal domein, onderdeel Wmo. We danken u voor uw advies en de coöperatieve manier waarop u met het college meedenkt over de inhoud van het beleid en de wijze van uitvoering. U heeft uw advies puntsgewijs opgebouwd. We zullen langs die lijn antwoorden. pgb

Advies 1a Zorg voor een goede definitie van Gebruikelijke hulp in Hoofdstuk 2.1.1, die aansluit bij de WMOcriteria. Harmonisatie met de Jeugdwet is hier ons inziens niet aan de orde Antwoord 1a Dit advies nemen we niet over. Juridisch gezien is het onwenselijk om begrippen die al in de wet zijn gedefinieerd nogmaals te definiëren. Op grond van artikel 1.1.1 WMO 2015 geldt de definitie van Gebruikelijke hulp voor onze verordening. Uw verwijzing naar de harmonisatie met de jeugdwet betreft niet de inhoudelijke uitwerking van het begrip maar het opnemen in de verordening zoals ook voor jeugd geldt.

Advies 1b Zorg voor een duidelijke definitie van het begrip Mantelzorg, gebaseerd op art.1.1.1 WMO, en schrijf die uit in H.1 IVSD en in de Nadere regels Mantelzorg Antwoord 1b Dit advies nemen we niet over. Hiervoor geldt dezelfde onderbouwing als bij advies 1a. Echter wordt in hoofdstuk 4 ook mantelzorg genoemd, en is een verwijzing bij de algemene definities naar de definitie van mantelzorg in de Wmo gewenst. Omdat de Nadere regels een uitwerking vormen van de verordening, nemen wij de deze definitie niet opnieuw op. De definities uit de verordening zijn leidend en daarmee ook van toepassing op de Nadere regels. Advies 2 (2.1.1 Beschermd thuis) Maak de voorziening Beschermd thuis ook mogelijk in de situatie van wonen in het ouderlijk huis.

Brief: Reactie op advies 6e wijziging Integrale Verordening Sociaal Domein

Antwoord 2 Dit advies nemen we niet over. Beschermd thuis is een regionaal product en maakt onderdeel uit van de regionale afspraken rondom beschermd wonen. Het betreft een vorm van ondersteuning waar iemand zelfstandig woont, al dan niet in een geclusterde woonvorm, met 27/7 bereikbare ondersteuning. Beschermd thuis kan worden ontvangen als iemand zelfstandig woont of in een geclusterde woonvorm. Dit is niet van toepassing wanneer iemand bij de ouders woont. Daar volstaat de ambulante begeleiding. Advies 3 (2.1.1 Eigen kracht) Laat het tweede deel van deze definitie (inzet van gebruikelijke hulp of hulp van andere personen uit de naaste omgeving), vervallen. Antwoord 3 Dit advies nemen we deels over. U adviseert het tweede deel van de definitie van eigen kracht te laten vervallen. Dit nemen wij over omdat bij nader inzien de inzet van gebruikelijke hulp of hulp van andere personen uit de naaste omgeving niet per definitie gekoppeld kan worden aan het begrip ‘eigen kracht’. Daarnaast kiezen wij ervoor om de definitie van eigen kracht als volgt te herschrijven zodat deze de bedoeling van het begrip beter omschrijft: “het vermogen van de cliënt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie of tot een oplossing voor zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang te komen'. Hiermee baseren wij ons op de tekst in de toelichting bij art.

2.3.2, vierde lid, sub b, van de Wmo 2015.

Advies 4 (2.1.5 Onderzoek) Graag herformulering, zodat inzet van eigen kracht, gebruikelijke hulp, informele hulp vanuit het netwerk, etc, niet voorliggend is en neem de gemeentelijke zorgplicht als uitgangspunt. Doel zou ook niet moeten zijn: "zo min mogelijke beroep op maatwerkvoorziening", maar het zorgen voor maatschappelijke ondersteuning door middel van adequate voorzieningen, die aansluiten op de hulp/ondersteuningsvraag van de burger Antwoord 4 (2.1.5 Onderzoek) Dit advies nemen we deels over. Het onderzoek is nodig om vast te stellen of de cliënt al dan niet is aangewezen op een maatwerkvoorziening. De gemeente heeft op grond van de Wmo de taak om inwoners te compenseren als zij niet voldoende zelfredzaam zijn. Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening voor zover de cliënt zijn beperkingen kan oplossen op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met hulp uit het sociaal netwerk of door gebruik te maken van (andere) passende voorzieningen. Dit volgt uit de systematiek van artikel 2.3.5 Wmo 2015 en is uitgewerkt in de jurisprudentie.

Indien het college concludeert dat de betrokkene zelf dan wel met gebruikelijke hulp in zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning kan voorzien, zal aan de betrokkene worden medegedeeld dat het college niet voornemens is hem een maatwerkvoorziening aan te bieden Wij begrijpen dat de zin ‘zodat de cliënt zo min mogelijk een beroep hoeft te doen op een maatwerkvoorziening’ doet lijken dat het minimaliseren van maatwerk het doel is. Echter is niet wat wij met dit lid beogen te zeggen. We passen dit lid daarom als volgt aan: “de mogelijkheden voor de cliënt om op eigen kracht met gebruikelijke hulp, mantelzorg of hulp van andere personen uit het sociaal netwerk, het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten, algemeen gebruikelijke voorzieningen of met algemene voorzieningen de zelfredzaamheid of de participatie te handhaven of te verbeteren.”

2 van 7

Brief: Reactie op advies 6e wijziging Integrale Verordening Sociaal Domein

Advies 5 (2.1.2/2.1.5/2.1.7/2.1.9/2.1.11. Proces Melding, onderzoek, verslag, aanvraag, beschikking) Geef de burger duidelijkheid over de termijnen, die gelden voor iedere stap in het proces, en vermeldt deze expliciet in de Verordening. Antwoord 5 Dit advies nemen we niet over. In de verordening hanteren wij voor de verschillende processtappen de termijn die in de Wmo 2015 zijn vastgelegd. Dit betreft de termijn van zes weken voor het onderzoek en twee weken voor het besluit. Voor de overige stappen in het proces zijn geen afzonderlijke termijnen verplicht. We begrijpen de wens om duidelijkheid te geven aan inwoners. In de praktijk kan tussen de melding en het afronden van het onderzoek soms meer tijd zitten. Redenen hiervoor kunnen zijn dat er meerdere gesprekken nodig zijn, er advies bij een externe partij moet worden opgevraagd of dat er een aanpassing moet plaatsvinden met een specifiek hulpmiddel dat direct beschikbaar is. Deze voortgang vindt in afstemmen met de cliënt plaats. Het opnemen van aanvullende termijnen achten wij niet haalbaar en ook niet wenselijk. Dit kan leiden tot verwachtingen die in praktijk niet altijd waargemaakt kunnen worden. Dit kan juist zorgen voor onduidelijkheid en teleurstelling bij inwoners. Wij nemen dit advies daarom niet over.

Advies 6a (2.1.10b Weigeringsgronden: gebruikelijke hulp) Beperk hier de beoordeling van beschikbaarheid van gebruikelijke hulp tot de inzet van echtgenoot/partner, ouders en inwonende kinderen Antwoord 6a Dit advies nemen we niet over. De definitie van gebruikelijke hulp en de kring van huisgenoten die hieronder vallen, is vastgelegd in artikel 1.1.1 Wmo 2015. Gebruikelijke hulp is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de inwonende echtgenoot, inwonende ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. In de Memorie van Toelichting is uitgelegd dat hiermee de mensen worden bedoeld met wie de cliënt een gezamenlijk huishouden voert. Dit wordt ook nader uitgewerkt in jurisprudentie. Er zijn voorbeelden te bedenken waarin de inwoner samenwoont met een andere huisgenoot dan de echtgenoot/partner, ouders of inwonende kinderen en waarbij de persoon wel onderdeel uitmaakt van de leefeenheid. Hier is bijvoorbeeld sprake van als het hoofdverblijf in dezelfde woning is en er over en weer voor elkaar gezorgd wordt. Dit kan dus ook bijvoorbeeld een vriend/vriendin zijn, of een verder familielid. Onder 2.1.10b lid 4 van de verordening wordt nader uitgewerkt waar het college rekening mee houdt bij de beoordeling of van huisgenoten gebruikelijke hulp mag worden verwacht.

Advies 6b (Kortdurende en langdurige situaties) Laat het onderscheid kortdurend en langdurig hier vervallen of beperk deze tot 1 maand, om te zware belasting van de huisgenoten/mantelzorgers te voorkomen Antwoord 6b (Kortdurende en langdurige situaties) Dit advies nemen we niet over. U geef aan dat u de gehanteerde termijn van maximaal zes maanden voor kortdurende gebruikelijke hulp te lang vindt, zeker in situaties waarin de belasting voor huisgenoten of mantelzorgers al groot is. U pleit daarom voor het laten vervallen van het onderscheid kortdurend/langdurig, of het beperken van de kortdurende termijn tot één maand. De termijn van 6 maanden is echter een beleidsmatige richtlijn, met behoud van maatwerk. Deze richtlijn sluit ook bij de afbakening “kortdurend gebruik” in de Zorgverzekeringswet, waar hulpmiddelen bij beperkte of onzekere duur veelal voor maximaal 26 weken in leen worden verstrek.

3 van 7

Brief: Reactie op advies 6e wijziging Integrale Verordening Sociaal Domein

In de praktijk biedt de termijn van zes maanden ook voor de Wmo een goede een richtlijn voor tijdelijke situaties waarin uitzicht op herstel bestaat. Dit is geen harde grens maar geeft aan dat bij een tijdelijke situatie het redelijk is dat huisgenoten tijdelijk wat meer doen dan in langdurende situaties, mits dit daadwerkelijk haalbaar is en geen overbelasting veroorzaakt. Dat sluit aan bij wat in veel huishoudens mogelijk is in kortdurende situaties. In elke situatie beoordelen we individueel wat passend en evenredig is, en of extra inzet van huisgenoten redelijkerwijs kan worden verwacht. Een grens van één maand is te strikt voor veel tijdelijke situaties. Zo’n korte termijn kan maatwerk belemmeren en ertoe leiden dat onnodig snel langdurige ondersteuning wordt ingezet, terwijl huishoudens een kortere tijdelijke periode juist vaak wel zelf kunnen opvangen. We handhaven daarom zes maanden als beleidsmatig richtsnoer voor kortdurende gebruikelijke hulp, altijd met individuele beoordeling en zonder harde grens. Wanneer eigen of gebruikelijke inzet ontoereikend is, zorgen wij voor passende Wmo-ondersteuning. De voorgestelde grens van één maand achten wij te rigide en niet passend bij het maatwerkprincipe van de Wmo. Daarom nemen wij dit advies niet over.

Naar aanleiding van uw advies hebben wij wel artikel 2.1.10b lid 3 aangepast: “In kortdurende situatie valt een grotere inzet van huisgenoten binnen het begrip gebruikelijke hulp, zolang dat redelijk is en niet tot overbelasting leidt:” Advies 7 (2.1.10.k Financiële tegemoetkoming voor het gebruik van eigen auto of rolstoeltaxi) Laat deze tegemoetkoming voorlopig in stand en pas de uitvoeringspraktijk aan. Antwoord 7 (2.1.10.k Financiële tegemoetkoming voor het gebruik van eigen auto of rolstoeltaxi) Dit advies nemen we deels over. Wij begrijpen de opmerking over het laten vervallen van de financiële tegemoetkoming voor gebruik van de eigen auto of rolstoeltaxi, omdat het alternatief, een pgb voor vervoer, nog niet expliciet in de verordening was opgenomen. Een pgb sluit aan bij de systematiek van andere maatwerkvoorzieningen. Wij kiezen er daarom bewust voor om geen derde vorm van compensatie (financiële tegemoetkoming) in stand te houden en te werken met één helder alternatief voor het CVV: een pgb voor regionaal vervoer, wanneer het CVV voor de cliënt niet passend is. Naar aanleiding van uw advies voegen wij in artikel 2.1.14 een aanvullend lid toe waarin de hoogte van het pgb voor regionaal vervoer wordt geregeld.

Wij handhaven dus de keuze om de financiële tegemoetkoming te laten vervallen, maar verduidelijken in de verordening de mogelijkheid om ondersteuning voor regionaal vervoer in de vorm van een pgb te verstrekken. Op deze manier is duidelijk dat er voor cliënten een adequaat en passend alternatief voor het CVV beschikbaar is. We voegen hiervoor een nieuw sublid toe aan artikel 2.1.14 Hoogte pgb, lid 1: “De hoogte van het pgb voor vervoer bedraagt de netto kilometerprijs die de gemeente betaalt voor het collectief vervoer vermenigvuldigd met het aantal benodigde kilometers, waarbij het uitgangspunt geldt dat 2500 kilometer op jaarbasis binnen de eigen leef- en woonomgeving moet kunnen worden gereisd. De hoogte van het pgb voor vervoer dat wordt uitgevoerd door iemand uit het sociaal netwerk betreft een vergoeding van € 0,23 per kilometer vermenigvuldigd met het aantal benodigde kilometers, waarbij het uitgangspunt geldt dat 2500 kilometer op jaarbasis binnen de eigen leef- en woonomgeving moet kunnen worden gereisd.”

Advies 8 (PGB en vertegenwoordiging) Laat lid 5 van art. 2.1.13 vervallen. De leden 1 t/m 4 geven voldoende waarborgen en voor de wettelijk vertegenwoordigers zijn voldoende controles op onafhankelijkheid en goede belangenbehartiging.

4 van 7

Brief: Reactie op advies 6e wijziging Integrale Verordening Sociaal Domein

Antwoord 8 (PGB en vertegenwoordiging) Dit advies nemen we deels over. Artikel 2.3.6, tweede lid, onder a, van de Wmo 2015 bepaalt dat een persoonsgebonden budget uitsluitend kan worden verstrekt als de cliënt, al dan niet met hulp van zijn vertegenwoordiger, in staat wordt geacht om de taken die bij een pgb horen op verantwoorde wijze uit te voeren. Daarbij hoort onder meer het kunnen aansturen, aanspreken en controleren van de zorgverlener. De Centrale Raad van Beroep heeft herhaaldelijk geoordeeld dat wanneer een vertegenwoordiger tevens optreedt als zorgverlener, of in een positie verkeert waarin sprake is van rolvermenging, niet wordt voldaan aan deze wettelijke voorwaarde (o.a. ECLI:NL:CRVB:2019:3761 en ECLI:NL:CRVB:2025:1486). In die situaties kunnen de aan een pgb verbonden beheerstaken niet met voldoende afstand, onafhankelijkheid en kritisch vermogen worden uitgevoerd. Het volledig schrappen van lid 5 zou ertoe leiden dat deze belangrijke waarborgen ontbreken. Daarmee zou het risico ontstaan dat een pgb wordt verstrekt in situaties waarin de onafhankelijkheid van de vertegenwoordiger onvoldoende is geborgd, wat in strijd is met de wettelijke opdracht en vaste jurisprudentie. Wel erkennen wij dat onderdeel b, de op voorhand uitsluiting van iedere familiaire of zakelijke relatie, te ruim is geformuleerd.

Of een bepaalde relatie problematisch is, moet in de individuele situatie worden beoordeeld. Daarom passen wij artikel 2.1.13 lid 5 als volgt aan:, 5. “Indien de cliënt gebruik maakt van een vertegenwoordiger bij het beheer van het pgb wordt het pgb slechts verstrekt indien naar oordeel van het college: a. de vertegenwoordiger in staat is tot een redelijke waardering van de belangen van de cliënt; en b. de vertegenwoordiger in staat is de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren.” Daarbij voegen we lid 6 toe: 6. “De vertegenwoordiger van de cliënt, bedoeld in het vijfde lid, die tevens de zorgverlener is wordt geacht niet in staat te zijn de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren.”

Advies 9 Laat de mogelijkheid om middels een PGB de dagbesteding te laten verzorgen door een nietprofessional, in stand. Antwoord 9 Dit advies nemen we niet over. Voor deze vorm van ondersteuning gelden hoge kwaliteitseisen die in een informele setting niet, of slechts zeer beperkt, te borgen zijn, zeker wanneer het gaat om groepsdynamiek of de begeleiding van kwetsbare inwoners. Vanuit het oogpunt van cliëntveiligheid en doeltreffende ondersteuning achten wij informele dagbesteding daarom niet passend. Dat betekent niet dat informele inzet wordt uitgesloten. In bepaalde situaties kan een cliënt bijvoorbeeld ondersteuning krijgen bij deelname aan een activiteit die regelmatig wordt georganiseerd, zoals via een vereniging of buurtinitiatief. Hierbij gaat het om individuele begeleiding binnen een kleine groep, gericht op het behouden van vaardigheden en participatie. Als de kwaliteit voldoende is geborgd, kan deze informele begeleiding eventueel met een pgb worden gefinancierd. Hierbij wordt in redelijkheid gekeken naar de benodigde begeleiding tijdens deze activiteit. Dit dan onder individuele begeleiding en niet onder dagbesteding. We handhaven daarom dagbesteding als een professionele groepsvoorziening, en bieden in situaties waar informele inzet passend en veilig is de mogelijkheid voor pgb individuele begeleiding.

5 van 7

Brief: Reactie op advies 6e wijziging Integrale Verordening Sociaal Domein

Advies 10. Neem in de begripsbepalingen van artikel 1 van de Nadere regels ook de begripsbepaling van Mantelzorg op en sluit daarbij aan op de definitie van art. 1.1.1 WMO Antwoord 10 Dit advies nemen we niet over, zie hiervoor de beantwoording bij 1a. Omdat nadere regels een uitwerking zijn van de verordening is het niet nodig en niet wenselijk om definities opnieuw op te nemen. Omdat in Hoofdstuk 4 (Participatiewet) ook mantelzorg wordt benoemd, kiezen we ervoor om de verwijzing naar art. 1.1.1 WMO in de algemene definities onder 1.1.1 te laten staan.. Advies 11. Pas de criteria voor de jonge mantelzorger aan Antwoord 11 Wij nemen uw advies deels over. In artikel 1, de begripsbepaling van de nadere regels voegen we de definitie van jonge mantelzorger toe. “Een persoon tot 20 jaar die opgroeit met een gezinslid met een chronische ziekte, een beperking of een psychische aandoening, en die hierdoor zorg of ondersteuning verleent of extra taken op zich neemt.” Het klopt dat we een ruimere definitie hanteren voor een jonge mantelzorger dan een mantelzorger ouder dan 21 jaar. Ook wanneer de jonge mantelzorger zich zorgen maakt over het gezinslid met een chronische ziekte, een beperking of een psychische aandoening, heeft die persoon recht op ene mantelzorgcompliment. Zowel artikel 3 lid 3 sub a, b en c blijft daarom van toepassing.

We passen dit lid aan op de definitie van jonge mantelzorger.

Advies 12. Zorg voor een goed mandaat voor het MEC Antwoord 12 Dit advies nemen we over. De komende periode zullen we onderzoeken hoe we dit mandaat zullen regelen. Dit zal niet van invloed zijn op de nadere regels of de verordening. Daarnaast nemen we uw aandachtspunt mee om te blijven bewaken dat de uitvoering zorgvuldig, transparant en volgens afspraak plaatsvindt. Advies 13. Neem in artikel 4 ook de mogelijkheid op dat de zorgvrager zelf voor zijn/haar mantelzorger een aanvraag kan indienen Antwoord 13 Dit advies nemen we niet over. Voor het mantelzorgcompliment geldt dat de mantelzorger zich eerst moet registeren als mantelzorger. Deze registratie is noodzakelijk voorwaarde om te kunnen beoordelen of er sprake is van mantelzorg volgens de criteria in de nadere regels. Omdat dit door de mantelzorgers zelf wordt gedaan en niet door de zorgvrager, is het ook niet mogelijk dat de zorgvrager de aanvraag indient. Dit advies nemen we daarom niet over. Advies 14. Maak bij gebleken intensieve mantelzorg door meerdere mantelzorgers, royaal gebruik van de hardheidsclausule in artikel 5 en ken dan meerdere complimenten op 1 adres toe.

6 van 7

Brief: Reactie op advies 6e wijziging Integrale Verordening Sociaal Domein

Antwoord 14 Dit advies nemen wij niet over. Het mantelzorgcompliment is gekoppeld aan het adres van de mantelzorger. Dit betekent dat voor ieder adres maximaal één mantelzorgcompliment per jaar wordt toegekend. Het is dus wel mogelijk dat meerdere mantelzorgers een aanvraag kunnen doen, mits zij individueel voldoen aan de criteria voor mantelzorg. De beoordeling vindt per mantelzorger plaats. Per zorgvrager kunnen dus wel meerder complimenten worden verstrekt. Uiteraard voeren we hierover het gesprek met Veens Welzijn en bespreken we signalen. Bij uitzonderlijke situaties kijken we wat passend is.

Proces Uw advies en de reactie van het college worden meegezonden met het raadsvoorstel en concept raadsbesluit. Behandeling van het raadsvoorstel is voorzien op 26 februari 2026. Vragen? Hebben jullie nog vragen, neem dan contact op met Anne van den Brink, bereikbaar op 06 21 92 43 56. Ook kunt u een e-mail sturen naar anne.van.den.brink@veenendaal.nl

Met vriendelijke groet, namens burgemeester en wethouders van Veenendaal,

Sjoukje Deelstra gemeentesecretaris

Gert-Jan Kats burgemeester

7 van 7

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16429693/2