CConstaterende datVeenendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

6.d Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Hofje Zandstraat - bijlage 3

Raadscommissie 16 maart 2021, gemeente VeenendaalBij agendapunt: Raadsvoorstel Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Hofje Zandstraat8.494 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Transect-rapport 3010 Veenendaal, Zandstraat 39 Gemeente Veenendaal (Ut)

Een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (IVO-P), karterende en waarderende fase

Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein

T: 030-7620705 F: 030-7620706 E: informatie@transect.nl

Colofon Titel

Rapportnummer

Veenendaal, Zandstraat 39. Gemeente Veenendaal (Ut). Een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (IVO-P), karterende en waarderende fase. Transect-rapport 3010

Auteurs

E. Mol MA / A. Pels-Ouweneel MA

Versie

Concept, versie 1.0

Datum

06-10-2020

Projectnummer Onderzoeksmelding

20070070 4893927100

Opdrachtgever

Ingenious Tomorrow B.V.

Contactpersoon

L. Arends, Buro SRO

Uitvoerder

Transect b.v. Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein

Bevoegde overheid Adviseur bevoegde overheid Toetsing bevoegde overheid

Gemeente Veenendaal P. Fijma, Omgevingsdienst Regio Utrecht In aanvraag

Beheer en plaats documentatie

Transect b.v., Nieuwegein

Omslagafbeelding

Foto van het plangebied

Autorisatie Naam Drs. A.A. Kerkhoven Senior KNA Archeoloog

Datum 20-10-2020

Paraaf

ISSN: 2211-7067 © Transect b.v., Nieuwegein Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein

T: 030-7620705 F: 030-7620706 E: informatie@transect.nl

Samenvatting In opdracht van Ingenious Tomorrow B.V. heeft Transect b.v. op 1 oktober 2020 een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Zandstraat 39 te Veenendaal (gemeente Veenendaal). De aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen sloop van bebouwing, waarna nieuwe woningen gebouwd zullen worden met een oppervlakte van circa 450 m2. Het plangebied is in totaal 850 m2 groot. Voor deze werkzaamheden moest een omgevingsvergunning worden aangevraagd. Aangezien met de voorgenomen bodemingrepen de afmetingen in het bestemmingsplan worden overschreden, bleek archeologisch onderzoek noodzakelijk. Aan de hand van de resultaten van het vooronderzoek (Rap 2020) werd een vervolgonderzoek nodig geacht, mede omdat de bodemopbouw niet voldoende bestudeerd kon worden (telkens werd in de boringen op ondoordringbaar puin gestuit). Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn twee werkputten in het plangebied aangelegd, waarin 21 paalkuilen en zes kuilen zijn gevonden.

Op basis van de aard van de vullingen (losse tot zeer losse grond, scherpe spoorcontouren en een zwarte, humeuze vulling gelijk aan S.1000 (een bouwvoor die aan de basis plastic bevatte)), informatie uit het vooronderzoek en kaarten, is geconcludeerd dat de sporen voornamelijk gerelateerd zijn aan een schuur / (bij-) gebouw uit 1931 - 1976 (Nieuwe tijd C), ter hoogte van werkput 2 in het westelijk deel van het plangebied. Ter hoogte van werkput 1 heeft nooit bebouwing gestaan. Vanuit het kadastrale Minuutplan uit 1811 - 1832 is bekend dat het plangebied zich destijds bevond op het achtererf van een noordelijk gelegen gebouw / woonhuis aan de huidige Zandstraat. De zes paalkuilen gevonden in werkput 1 zijn daarmee geïnterpreteerd als sporen van landgebruik en / of erfgerelateerde sporen, eveneens uit de Nieuwe tijd C. Het proefsleuvenonderzoek heeft slechts drie vondsten opgeleverd, namelijk een baksteenbrokje uit paalkuil S.3 in werkput 1 en twee scherven (roodbakkend aardewerk uit de Nieuwe tijd en industrieel wit uit de 18e - 20e eeuw) uit een kuil (S.22 in werkput 2). Het magere vondstmateriaal ondersteunt de jonge datering van de sporen, in ieder geval voor wat betreft het fragment industrieel wit. Verder heeft het vondstmateriaal weinig tot geen informatie opgeleverd over het gebruik van het plangebied in het verleden.

Het ontbreken van oudere resten kan mogelijk verklaard worden door de afwezigheid van een archeologisch relevant niveau in de top van het dekzand. Dit niveau was namelijk ofwel verstoord, of er was überhaupt geen dekzand meer aanwezig. De top van de onderliggende stuwwalafzettingen bleek voor het grootste deel intact te zijn, maar dit niveau leverde geen sporen en / of vondsten op. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek gold in het plangebied een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum - Mesolithicum en Late-Middeleeuwen - Nieuwe tijd. Deze verwachting mag, met uitzondering van de Nieuwe tijd C, worden bijgesteld naar laag op basis van het proefsleuvenonderzoek. Uit de waardering van de vindplaats bleek dat de fysieke kwaliteit ervan hoog is, omdat de sporen goed geconserveerd en gaaf zijn; de sporen bleken dan ook niet ouder te zijn dan de Nieuwe tijd C. De inhoudelijke kwaliteit echter is laag, omdat de sporen zeker niet zeldzaam zijn en weinig tot geen informatiewaarde en ensemblewaarde hebben. Daarmee is in het plangebied geen behoudenswaardige vindplaats aanwezig.

Selectieadvies voor het plangebied In het onderzochte deel van het plangebied is geen behoudenswaardige vindplaats aangetroffen. Er zijn geen aanwijzingen voor een oudere en/of behoudenswaardige vindplaats dan de aangetroffen vindplaats uit de Nieuwe tijd C. Wij adviseren dan ook dat het plangebied wordt vrijgegeven voor verdere ontwikkeling. Het bevoegd gezag heeft beslissingsbevoegdheid in deze en zal al dan niet instemmen met de vrijgave van het plangebied. Tot slot wordt vermeld dat het proefsleuvenonderzoek een steekproef betreft. Wij attenderen erop, dat ondanks het uitgevoerde onderzoek bij grondwerkzaamheden alsnog archeologische resten kunnen worden aangetroffen. Hiervoor geldt vanuit de Erfgoedwet een wettelijke verplichting om archeologische resten te melden. Dit kan via de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) te Amersfoort, dan wel via de gemeente.

Inhoud 1.

Aanleiding.............................................................................................................................. 7

2.

Vooronderzoek ...................................................................................................................... 9

3.

Doel en onderzoeksvragen .................................................................................................. 13

4.

Methodiek ........................................................................................................................... 14

5.

Resultaten ........................................................................................................................... 19

6.

Waardestelling .................................................................................................................... 25

7.

Conclusie en advies ............................................................................................................. 27

Geraadpleegde bronnen ......................................................................................................................... 28

Bijlage 1.

Archeologische periode-indeling voor Nederland .............................................................. 30

Bijlage 2.

Allesporenkaart en overzichtskaarten ................................................................................ 31

Bijlage 3.

Vlaktekeningen .................................................................................................................... 34

Bijlage 4.

Sporen- en lagenlijst ............................................................................................................ 36

Bijlage 5.

Vondstenlijst........................................................................................................................ 39

Bijlage 6.

Beantwoording van de onderzoeksvragen .......................................................................... 40

1.

Aanleiding

Provincie

Utrecht

Gemeente

Veenendaal

Plaats

Veenendaal

Toponiem

Zandstraat 39

Kaartblad

39E

Perceelnummers

VND00 D-1804, D-3910, D-3911 en D-3912 (deels)

Centrumcoördinaten

166.470 / 448.938

CMA/AMK-status

Nee

Oppervlakte plangebied

Ca. 850 m2

Oppervlakte onderzoeksgebied

Ca. 850 m2

Huidig grondgebruik

Bebouwd, braakliggend

In opdracht van Ingenious Tomorrow B.V. heeft Transect b.v. 1 op 1 oktober 2020 een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Zandstraat 39 te Veenendaal (gemeente Veenendaal). De aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen sloop van bebouwing in het plangebied, waarna nieuwe woningen gebouwd zullen worden met een oppervlakte van circa 450 m2. Het plangebied is in totaal 850 m2 groot. Voor deze werkzaamheden is een omgevingsvergunning aangevraagd. In het bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan Centrum’ (2014) heeft het plangebied een ‘waarde archeologie 1’. Volgens de planregels is het bij een dergelijke waarde verplicht bij ingrepen met een oppervlakte van meer dan 100 m² en dieper dan 30 cm -Mv een archeologisch onderzoek uit te voeren. Aangezien met de voorgenomen bodemingrepen de afmetingen in het bestemmingsplan worden overschreven, was archeologisch onderzoek dan ook noodzakelijk. In juli 2020 is een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd (Rap 2020, Transect-rapport 2873). In het bureauonderzoek is voor het plangebied een hoge verwachting vastgesteld op het aantreffen van archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum en het Mesolithicum op het dekzand of gestuwde afzettingen, alsook de Late-Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd.

Deze verwachting is gebaseerd op de ligging van het plangebied ter plaatse van een welving van gestuwde afzettingen of een dekzandwelving, die gedurende het Laat-Paleolithicum en het Mesolithicum door de hoge ligging gunstige omstandigheden voor bewoning heeft gehad. Vanaf de Late-Middeleeuwen werd het gebied opnieuw in gebruik genomen, aanvankelijk uitsluitend voor turfwinning vanuit de Grift. Gedurende de Nieuwe tijd is direct ten noorden van het plangebied een erf ingericht, dat op kaarten uit de vroege 19e eeuw nog zichtbaar is.

1

Transect b.v. voldoet aan de eisen zoals gesteld in de kwaliteitsnorm ‘BRL SIKB 4000’, versie 4.1, en is gecertificeerd door middel van een procescertificaat. Transect b.v. is certificaathouder van de volgende protocollen: ‘KNA Protocol 4001 Programma van Eisen’, ‘KNA Protocol 4002 Bureauonderzoek’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Overig’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Proefsleuven’ en ‘Protocol 4004 Opgraven’, en staat geregistreerd bij het RCE en de SIKB.

7

In het booronderzoek is een puinhoudende ophooglaag uit de Nieuwe tijd aangetroffen, die ondoordringbaar is gebleken vanaf een diepte van 40 - 100 cm -Mv (6,4 - 6,9 m +NAP). De natuurlijke ondergrond (dekzand of de gestuwde afzettingen) zijn daardoor niet bereikt in de boringen. Op basis hiervan heeft de bevoegde overheid besloten dat een vervolgonderzoek moest worden uitgevoerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. In onderhavig rapport zijn de resultaten van het proefsleuvenonderzoek beschreven en wordt een advies geformuleerd over de al dan niet te nemen vervolgstappen.

Figuur 1. Topografische kaart met de locatie van het plangebied.

8

2.

Vooronderzoek

Eerder uitgevoerd onderzoek Bureau- en booronderzoek Uitvoerder Uitvoeringsperiode Uitvoeringsmethode Rapportage

Onderzoeksmeldingsnummer Vondsten/monsters/documentatie

2.1

Transect b.v. 2020 Bureauonderzoek en boringen Rap, J., 2020. Veenendaal, Zandstraat 39, Gemeente Veenendaal (UT), Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase, Nieuwegein (Transect-rapport 2873). 4876399100 Digitaal: E-depot, Archis3 Vondstdocumentatie: geen vondsten

Landschap en landschapsgenese2

Het plangebied bevindt zich in het dekzandlandschap als onderdeel van de Gelderse Vallei, dat direct achter de Utrechtse Heuvelrug gelegen is. Dit landschap is tot stand gekomen in de voorlaatste ijstijd (het Saalien, ca. 370.000 tot 130.000 jaar geleden), toen grote ijsmassa’s vanuit het noorden zand en grind hebben opgestuwd en zo de stuwwallen van de Utrechtse Heuvelrug hebben gevormd. Onder de bebouwde kom van Veenendaal bevindt zich een kleine uitloper van deze stuwwal. De Gelderse Vallei, net achter deze stuwwallen, betreft een diep glaciaal bekken dat als gevolg van de aanwezigheid van landijs is uitgesleten. Toen het landijs verdwenen was, vulde het bekken zich geleidelijk op met glaciolacustriene afzettingen en brakwaterafzettingen gedurende het opvolgende warmere interstadiaal Eemien (tussen 130.000 en 120.000 jaar geleden). In de laatste ijstijd (het Weichselien, ca. 120.000 tot 10.000 jaar geleden) was er geen sprake van de aanwezigheid van landijs, maar kende Nederland wel een zeer koud en droog klimaat. Hierdoor werden vanuit drooggevallen rivierbeddingen en (in veel geringere mate) de drooggevallen Noordzeebodem als gevolg van het ontbreken van vegetatie grote hoeveelheden zand weggeblazen om verder afgezet te worden als dekzand. Dekzand is ook achter de stuwwallen in de Gelderse Vallei afgezet, die zich hierdoor verder kon opvullen.

Zo ontstond onder invloed van een overheersende zuidwestelijke wind in de Vallei een landschap van dekzandruggen, die veelal uit langgerekte oostwest georiënteerde paraboolduinen bestonden (Berendsen 2005). Een dergelijke duin bevindt zich ten zuidwesten van het plangebied. Met het veranderen van het klimaat aan het eind van het Weichselien raakte het dekzand begroeid en werd het reliëf gedurende het Holoceen (de huidige geologische periode) als het ware vastgelegd. Hierdoor veranderde er weinig meer aan het landschappelijk reliëf in de Gelderse Vallei. Vanwege het onregelmatig reliëf in het gebied was er sprake van een slechte afwatering, waardoor veenvorming op kon treden. De veengroei bedekte het dekzand of de gestuwde afzettingen vanaf het Laat-Neolithicum tot en met de 14e eeuw. Daarna begon men met de winning van turf, waarbij veen werd afgegraven en sloten systematisch werden aangelegd om het gebied te ontwateren. Met name dit laatste heeft geleid tot veel lagere grondwaterstanden in het gebied, waardoor ook degradatie van veen kon optreden als gevolg van oxidatie.

2

Teksten (deels) overgenomen uit het Programma van Eisen (Rendering 2020) en vooronderzoek (Rap 2020).

9

2.2

Geomorfologie, bodem en grondwater

Op de geomorfologische kaart staat het plangebied gekarteerd als bebouwd gebied (Alterra 2017). Vanuit omliggende kaarteenheden wordt verwacht dat de ondergrond van het plangebied bestaat uit lage gordeldekzandruggen met of zonder oud bouwlanddek en verspoelde dekzandvlaktes, al dan niet afgedekt met een veenlaag. Het maaiveld in het plangebied ligt volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland tussen ongeveer 7,0 en 7,4 m +NAP. Op de bodemkaart is in het plangebied geen bodemtype gekarteerd, vanwege de ligging in de bebouwde kom. Rondom de bebouwde kom zijn op 800 m ten westen van het plangebied gooreerdgronden in zwak siltig, fijn zand aanwezig. Ten oosten van het bebouwde gebied zijn moerige eerdgronden met een zanddek en een moerige tussenlaag op zand gekarteerd. Uit grondwatermonitoringgegevens blijkt dat op 100 m ten noordoosten van het plangebied het grondwater kan worden aangetroffen tussen 70 en 100 cm -Mv (www.dinoloket.nl). Op basis van deze grondwaterstanden kan vastgesteld worden dat het plangebied regelmatig onder vochtige omstandigheden verkeerd. Door sterke fluctuatie en oxidatie kunnen onverbrande organische archeologische resten aangetast zijn. 2.3

Archeologische waarden

Het plangebied heeft volgens het centraal archeologisch informatiesysteem (Archis3) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geen archeologisch wettelijk beschermde status en is ook niet opgenomen op de Archeologische MonumentenKaart (AMK). Ten oosten van het plangebied is een AMK-terrein aanwezig. Er zijn tot nu toe binnen het plangebied geen vondsten bekend en er heeft nog niet eerder archeologisch onderzoek binnen het plangebied plaatsgevonden. In de omgeving van het plangebied (in een straal van 500 m) is wel informatie voorhanden: •

•

•

Op ongeveer 50 m ten oosten van het plangebied ligt AMK-terrein 12205, dat is aangemerkt wegens de historische dorpskern van Veenendaal (Archis3). De stichting van Veenendaal is sterk gerelateerd aan het graven van de Bisschop Davidsgrift tussen 1473 en 1481. In 1566 werden de kerk en de markt op ongeveer 250 m ten zuiden van het plangebied in gebruik genomen (bron: Archis3 en Blijdenstijn 2015). Op het AMK-terrein is, op ongeveer 200 m ten oosten van het plangebied, aan de Hoofdstraat 108 een muntschat aangetroffen, bestaande uit bronzen, zilveren en gouden munten uit de 16e eeuw. Deze munten zijn van sterk variërende oorsprong, indicatief voor wijdverbreide handel (vondstlocatie 1057276). Op ongeveer 250 m ten zuiden van het plangebied zijn op het AMK-terrein ter plaatse van de Markt, diverse sporen en vondsten uit de Vroege- en Midden-Nieuwe tijd aangetroffen. Vondstmateriaal bestaat onder andere uit majolicaen roodbakkend geglazuurd aardewerk (vondstlocatie 1056866). Vrijwel direct ten noorden van het plangebied, in het tracé van de Zandstraat, is een bureauonderzoek en een archeologische begeleiding van rioleringswerkzaamheden uitgevoerd. Tijdens de archeologische begeleiding zijn houten beschoeiingen aangetroffen, bestaande uit een balklaag en palen.

Hoewel er geen dateerbaar vondstmateriaal is aangetroffen, dateren deze beschoeiingen waarschijnlijk in de Nieuwe tijd (Groot 2019; onderzoeksmelding 4631972100; vondstlocatie 1206845). Op ongeveer 200 m ten oosten van het plangebied is een reeks onderzoeken uitgevoerd in het kader van de vernieuwing van riolering aan de Hoofdstraat. Hier is een archeologische begeleiding uitgevoerd, waarbij drie bakstenen bruggenhoofden zijn aangetroffen. Ook zijn bakstenen kademuren, houten kademuren en beschoeiingen en dempingslagen aangetroffen. De aanleg van dit deel van de Grift dateert waarschijnlijk uit de late 16e eeuw.

10

•

2.4

Gebaseerd op historische kaarten en bronnen is de demping van de gracht en het ontmantelen van de steenbouw waarschijnlijk in de periode 1845 - 1846 gebeurd (Bex 2011; onderzoeksmelding 2306550100). Op ongeveer 300 m ten oosten van het plangebied is een archeologische begeleiding uitgevoerd ter plaatse van het plangebied Brouwerspoort. Tijdens de werkzaamheden is een humeuze puinlaag aangetroffen op een zandige veenlaag en een zwak grindige dekzandlaag. Direct onder de puinlaag zijn verschillende waterputten, muren, kademuren en vloeren aangetroffen uit de periode 1500 - 1900. Hoewel op basis van het vooronderzoek tevens resten van een 19e eeuwse synagoge of een mikwe verwacht werden, zijn deze niet aangetroffen (Marinelli / Spoelstra 2008; onderzoeksmelding 2137860100 – vondstlocaties 1083550, 1083549 en 1083548). Historische achtergronden

Veenendaal is ontstaan vanaf de late 15e eeuw, aan aftakkingen van de Bisschop Jacobsgrift, die is aangelegd tussen 1473 en 1481. In de tweede helft van de 16e eeuw wordt de ligging van het dorp geconsolideerd met de bouw van de Oude Kerk (1566) en het verkrijgen van markrechten. Veenendaal bleef lange tijd gering van omvang, aangezien conflicten tussen het Sticht en Gelre (later Utrecht en Gelderland) zorgden voor onzekere omstandigheden (Blijdenstijn 2015; Cultuurhistorische Atlas Provincie Utrecht). Op het kadastrale Minuutplan uit 1811 - 1832 is te zien dat het plangebied ten zuiden van de Grift ligt. Direct grenzend aan de noordzijde van het plangebied is een gebouw zichtbaar, dit betreft een ‘huis met schuur en bouwland’ van de familie Van Rootselaar, op basis van de bijlage OAT. Het plangebied maakt dus onderdeel uit van het achtererf van een 19e eeuwse boerderij, dat gezien de ligging aan de Grift mogelijk ook oudere bebouwingsfase gehad kan hebben. Bebouwing in het plangebied is op het kadastrale Minuutplan niet opgetekend. Gedurende de 19e en de vroege 20e eeuw verandert er weinig aan het beeld in de directe omgeving van het plangebied. De bebouwing direct te noorden van het plangebied verandert van vorm in de late 19e en de vroege 20e eeuw, gelijktijdig met het aanleggen van de Zandstraat en de gedeeltelijke (later volledige) demping van de Grift.

In het plangebied worden continu gebouwen ingetekend of weggelaten gedurende de 20e eeuw, het is onduidelijk of er ook daadwerkelijk gesloopt en gebouwd wordt of dat dit een verschil in invullen is door de makers van de kaarten. Het pand dat nu aan de westzijde van het plangebied staat, is op basis van kadastrale gegevens tot stand gekomen in 1920 (bron: bagviewer.kadaster.nl). Volgens de opdrachtgever is deze schuur gefundeerd tot een diepte van ca. 70 cm -Mv. Het bestaande winkel-woonhuis ten noorden van het plangebied zou eveneens in 1920 tot stand moeten zijn gekomen. De bebouwing direct ten oosten van het plangebied, de Eben Haëzer kerk, zou op basis van kadastrale gegevens in 1932 zijn gebouwd, maar is op basis van de gemeentelijke monumentenlijst reeds in 1865 gebouwd (bron: gemeentearchief Veenendaal). In de 21e eeuw is het plangebied hoofdzakelijk gebruikt als parkeer- en opslagterrein bij winkels aan de Zandstraat. 2.5

Verkennend booronderzoek

In het plangebied zijn vijf boringen gezet met een Edelmanboor (diameter 7 cm) tot een maximale diepte van 100 cm -Mv. In het hele plangebied bleek vanaf maaiveld of de onderzijde van de bestrating (in boring 3) een laag sterk puinhoudend zwak siltig matig fijn tot zeer fijn zand aanwezig te zijn. Dit zand is bruingrijs tot grijsbruin van kleur. Het puin varieert in grootte van fijn tot grof en in kleur van roodbruin tot oranjerood en is voorzien van kalkmortel. De laag met puin bleek zodanig stevig dat het in geen van de boringen mogelijk is geweest de natuurlijke ondergrond te bereiken.

11

Figuur 2. Uitsnede uit het kadastrale Minuutplan uit 1811 - 1832 (uit: Rap 2020).

Voor alle boringen zijn drie pogingen ondernomen, ze zijn gestaakt op dieptes uiteenlopend van 40 - 100 cm -Mv (6,4 - 6,9 m +NAP). Deze lagen zijn geïnterpreteerd als ophoog- en stabilisatielagen. Archeologische indicatoren in de boringen bestond enkel uit bouwpuin, wat een indicator is voor de Nieuwe tijd. Het eventueel onderliggende dekzandpakket, waarin archeologische resten uit de periode LaatPaleolithicum B en het Mesolithicum aanwezig kunnen zijn, is niet aangetroffen tijdens het veldonderzoek vanwege het afdekkende puinpakket. 2.6

Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek

Op basis van de resultaten van het vooronderzoek geldt in het plangebied een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum - Mesolithicum en LateMiddeleeuwen - Nieuwe tijd. Een lage verwachting geldt voor de perioden Neolithicum - VroegeMiddeleeuwen. De verwachte complextypen zijn nederzettingen, sporen van landgebruik en terreininrichting. De archeologische resten worden verwacht in de top van de gestuwde afzettingen, het dekzand en in ophoogpakketten vanaf de onderzijde van een puinpakket.

12

3.

Doel en onderzoeksvragen

Het doel van dit onderzoek is het toetsen en aanvullen van de archeologische verwachting door het opsporen en het waarderen van eventueel aanwezige archeologische resten. Het onderzoek moet, voor zover mogelijk, inzicht geven in de aard, datering, omvang, gaafheid, conservering en begrenzing van de mogelijk aanwezige archeologische resten. De vraagstelling uit het Programma van Eisen (Rendering 2020) luidt: Het onderzoek moet de vraag beantwoorden of in het plangebied archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, of deze behoudenswaardig zijn en onder welke randvoorwaarden behoud mogelijk is. Deze vraagstelling wordt onderzocht aan de hand van de volgende onderzoeksvragen, die in bijlage 6 worden beantwoord: 1.

Zijn er in het plangebied archeologische resten aanwezig in de vorm van grondsporen, en/of vondsten? 2. Hoe ziet de bodemopbouw in het plangebied eruit en in hoeverre is deze intact? 3. Wat is de aard, diepteligging, samenhang en spreiding van de aanwezige archeologische resten, grondsporen en structuren (horizontaal en verticaal)? 4. Wat is de datering van de archeologische resten op basis van (chrono-)stratigrafie en typochronologie? En in hoeverre is er sprake van (dis-)continuïteit in gebruik/bewoning? 5. Welke categorieën vondstmateriaal zijn aanwezig en in welke mate (ook in relatie tot elkaar)? Wat zegt de aard en mate van voorkomen van het vondstmateriaal over het gebruik van het plangebied in het verleden? 6. Welke depositionele en post-depositionele processen zijn te onderscheiden en in hoeverre hebben deze invloed gehad op de bewoningsgeschiedenis en vondstcontexten? 7. Hoe verhouden de onderzoeksresultaten zich tot de resultaten uit het vooronderzoek? 8. Wat is de relatie met omliggende historische/archeologische resten? 9. Wat is de fysieke en inhoudelijke kwaliteit van de aangetroffen archeologische resten (gaafheid en conserveringsgraad)? Is sprake van (een) behoudenswaardige archeologische vindplaats(en)? (Maak voor het beantwoorden van deze vraag gebruik van de KNA-waarderingssystematiek). 10.

Kan op basis van de resultaten een advies geformuleerd worden t.a.v. het vervolg in de archeologische monumentenzorg (vrijgeven/behoud in situ/opgraven). Zo ja, hoe luidt deze? 11. Zijn er vanuit de toestand van de archeologische resten, bodemcondities en toekomstig gebruik mogelijkheden voor behoud in situ? 12. Bij afwezigheid van een vindplaats; wat is hier de verklaring voor (verstoord, ander landschap dan verwacht, e.d.)?

13

4.

Methodiek

Het veldwerk heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2020 en is uitgevoerd door Ewan Mol (senior KNA archeoloog MA) en Hélène Lepage (archeoloog MSc) van Transect b.v. Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd conform het Programma van Eisen (Rendering 2020). Figuren 3 t/m 8 geven een impressie van het plangebied en de werkzaamheden. De werkputten 1 en 2 zijn laagsgewijs verdiept tot in de top van stuwafzettingen, op ca 1,25 m -Mv. Dekzand was nauwelijks aanwezig. Bij het aanleggen is bij iedere haal van de kraan het vlak geïnspecteerd op archeologische resten. Hierbij is tevens gebruik gemaakt van een metaaldetector. In het eerste vak van werkput 1 is met de kraan een dieper profielgat gemaakt om het archeologisch niveau te controleren, want het vlak was vlekkerig van aard. Met het profielgat werd bevestigd dat tot op het archeologisch relevante niveau werd gegraven. Sporen zijn selectief gecoupeerd en niet afgewerkt. Per werkput zijn twee profielkolommen geregistreerd. Na het proefsleuvenonderzoek zijn de twee werkputten weer dichtgedraaid met behulp van de graafmachine.

Figuur 3. Impressie van het plangebied voor aanvang van de werkzaamheden.

14

Figuur 4. Impressie van een ander deel van het plangebied voor aanvang van de werkzaamheden.

Figuur 5. Sporen 1, 2 en 3 in werkput 1, vlak 1.

15

Figuur 6. Diverse sporen in vlak 1 van werkput 2.

16

Figuur 7. Overzichtsfoto van vlak 1 in werkput 2.

17

Figuur 8. Aan het einde van de werkzaamheden zijn de proefsleuven weer dichtgedraaid.

18

5.

Resultaten

5.1

Bodemopbouw

De bodemopbouw is grotendeels eenduidig in het plangebied. Van boven naar beneden zijn de volgende lagen aangetroffen: • • • • •

S.999: moderne laag puinverharding. S.1000: bouwvoor; recente laag tot globaal 100 cm -Mv, bevestigd door het aantreffen van plastic aan de basis. Opgebouwd uit zeer siltig en humeus zand. S.1500: geroerde laag in de top van de natuurlijke afzettingen, bestaande uit siltig en gevlekt dekzand. S.3000: natuurlijke ondergrond, dunne laag siltig dekzand. S.4000: natuurlijke ondergrond van gestuwde afzettingen; grindrijk, slecht gesorteerd, licht siltig zand.

De top van S.4000, de stuwwalafzettingen, is aanwezig op het niveau van 6.10 m +NAP in profiel 1-1 en loopt op richting het noorden naar 6,70 m +NAP ter hoogte van profiel 2-2. De top van het dekzand is verstoord geraakt, getuige de geroerde laag S.1500 in de profielen 1-1, 1-2 en 2-1, ofwel in zijn geheel verdwenen ter hoogte van profiel 2-2.

Figuur 9. Profiel 1-1, vlak 102 in werkput 1.

19

Figuur 10. Profiel 1-2 in vlak 101, werkput 1.

Bekend is in ieder geval, vanuit het vooronderzoek (Rap 2020) en bestudering van historisch kaartmateriaal (topotijdreis.nl en het kadastrale Minuutplan uit 1811 - 1832), dat het plangebied in de vroeg-19e eeuw de functie had van een achtererf van een ten noorden gelegen woonhuis aan de straatkant en was het onbebouwd. Na die tijd stond er ofwel een schuur of ander bijgebouw, of was het wederom onbebouwd. Vermoedelijk door landgebruik, bouw en sloop van schuren / bijgebouwen is de bodemopbouw in het plangebied deels verstoord geraakt, getuige het ontbreken van een dekzandlaag of de verstoringslaag (S.1500) in de top van het dekzand. Daar waar het dekzand nog aanwezig is, is de top van de stuwwalafzettingen (S.4000) wel intact gebleven, iets dat geldt voor het grootste deel van het onderzochte plangebied. Enkel in profiel 2-2 is de top van S.4000 niet meer aanwezig. Ter plekke is het niveau van de top van S.4000 dan ook het hoogst (6,70 m +NAP, tegenover 6,10 - 6,36 m +NAP elders). Indien ooit aanwezig geweest, zijn archeologische sporen in de top van het dekzand verdwenen met latere / laatnieuwetijdse grondverstoringen. De top van de stuwwalafzettingen (S.4000) lijken nooit actief in gebruik te zijn geweest in het plangebied, op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek. 20

5.2

Sporen

In totaal zijn 27 sporen aangetroffen, waaronder 21 paalkuilen en zes kuilen (tabel 1). Werkput 1 in het (zuid-)oostelijk deel van het plangebied bevatte zes paalkuilen, waarvan er vijf werden gecoupeerd. De overige sporen zijn in werkput 2 aangetroffen, die zich bevindt in het westelijk deel van het plangebied.

Tabel 1. Aantal sporen per spooraard. spooraard

aantal

paalkuil (PK)

21

kuil (KL)

6

totaal

27

De allesporenkaart is te vinden in bijlage 2 en de gedetailleerde vlaktekeningen zijn in bijlage 3 opgenomen. Een sporen- en vullingenlijst is te vinden in bijlage 4. De paalkuilen hebben dieptes variërend tussen de 10 - 42 cm vanaf het vlakniveau (gelegen op gemiddeld ca. 6,10 m +NAP in werkput 1 en 6,40 m +NAP in werkput 2). Eén van de gecoupeerde paalkuilen (S.3) bevatte een baksteenbrokje. Van de zes kuilen in werkput 2 is er één gecoupeerd en heeft een diepte van 58 cm beneden vlakniveau. Deze kuil bevatte twee scherven aardewerk, namelijk roodbakkend aardewerk en industrieel wit (18e - 20e eeuw). De vullingen van de 27 sporen bestonden allemaal uit losse tot zeer losse grond, wat een aanwijzing is voor een jonge datering van de grondsporen. Op basis van uiterlijke kenmerken (zwarte vulling - gelijk aan de afdekkende, aan de basis plastic bevattende bodemlaag S.1000 - en scherpe spoorcontouren) kunnen de sporen in de Late-Nieuwe tijd c.q. (sub-)recente tijd worden geplaatst. Vondstmateriaal anders dan de hierboven genoemde drie vondsten - is niet aangetroffen om de jonge datering te kunnen ondersteunen. Op topotijdreis.nl is te zien dat ter hoogte van de sporen in werkput 2 een gebouw heeft gestaan t/m 1976 (figuur 18 in bijlage 2). In de jaren daarna is dit gebouw verdwenen.

Dit gebouw is voor het eerst op een kaart opgetekend in 1958 of zelfs 1931 (de locatie is nagenoeg, maar mogelijk niet geheel, hetzelfde, omdat het een andere kaart / projectie betreft), waarmee de sporen van het proefsleuvenonderzoek in werkput 2 te relateren zijn aan een gebouw dat dateert vanaf de Nieuwe tijd C (Late-Nieuwe tijd). Ter hoogte van werkput 1 heeft nooit een gebouw gestaan, waarmee wordt aangenomen dat de paalkuilen in werkput 1 geïnterpreteerd kunnen worden als erfgerelateerde sporen / sporen van landgebruik. Sporen en vondsten uit andere (oudere) periodes dan de Nieuwe tijd, zijn niet aangetroffen.

21

Figuur 11. Coupe door paalkuil S.1 in werkput 1.

Figuur 12. Coupe door paalkuil S.3 in werkput 1.

Figuur 13. Coupe door paalkuilen S.4, S.5 en S.6 in werkput 1.

22

Figuur 14. Coupe door paalkuilen S.19 en S.20 in werkput 2.

Figuur 15. Coupe door paalkuil S.24 in werkput 2.

Figuur 16. Coupe door kuil S.22 in werkput 2.

23

5.3

Vondsten

Slechts drie vondsten zijn aangetroffen tijdens het proefsleuvenonderzoek. Deze zijn onderverdeeld in de categorieën aardewerk en bouwmateriaal (tabel 2) en zijn gedetermineerd door auteurs van dit rapport.

Tabel 2. Aantal vondsten per materiaalsoort. materiaalcategorie

aantal (N)

percentage

aardewerk (KER)

2

67 %

bouwkeramiek (KBW)

1

33 %

totaal

3

100 %

Aardewerk Een wandfragmentje industrieel wit en een wandfragmentje roodbakkend aardewerk zijn gevonden in spoor 22 (kuil) en zijn beide verweerd (glazuur afgesleten). Bouwkeramiek Een klein brokje hardgebakken, roodoranje baksteen werd gevonden in spoor 3 (paalkuil) en kon niet nader worden gedateerd dan de Nieuwe tijd.

24

6.

Waardestelling

Concluderend zijn in het plangebied 21 paalkuilen en zes kuilen gevonden, die zijn geïnterpreteerd als 20e eeuwse nederzettingsresten en sporen van landgebruik. Ter hoogte van werkput 1 heeft nooit bebouwing gestaan, terwijl ter hoogte van werkput 2 een schuur / bijgebouw heeft gestaan tussen ca. 1931 en 1976. Van oorsprong ligt het plangebied op een achtererf, zoals is gekarteerd op het kadastrale Minuutplan uit 1811 - 1832 en was in die periode onbebouwd. De sporen die dateren vanaf de Late-Nieuwe tijd kunnen beschouwd worden als vindplaats en wordt als zodanig gewaardeerd. Dit gebeurt volgens een vaste systematiek, vastgelegd in KNA-protocol 4003 (Specificatie VS06) en KNA-Bijlage IV ‘Waarderen van vindplaatsen’. Hierbij wordt de vindplaats op verschillende kwaliteitscriteria beoordeeld. Vervolgens wordt dit afgezet tegen wat reeds bekend is over vergelijkbare vindplaatsen in de regio en in de betreffende periode. De waardestelling is dus gerelateerd aan de archeoregio waarin de vindplaats zich bevindt. Beleving Voor wat betreft beleving kan de vindplaats niet gescoord worden, omdat deze niet bovengronds zichtbaar is of kan worden. Fysieke kwaliteit De vindplaats is goed geconserveerd, maar de sporen zijn dan ook relatief jong gebleken (daterend in de Late-Nieuwe tijd / Nieuwe tijd C en / of daarna).

De sporen zijn voornamelijk gerelateerd aan een gebouw / schuur op een achtererf en werd gedateerd tussen ca. 1931 en 1976 op basis van topografische kaarten. Overige sporen zijn erfgerelateerde sporen / sporen van landgebruik uit de Late-Nieuwe tijd. Aan de fysieke kwaliteit zijn in totaal zes van de zes punten toegekend (tabel 3). Inhoudelijke kwaliteit De vindplaats scoort laag op de kwaliteitscriteria zeldzaamheid, informatiewaarde en ensemblewaarde. Een gebouw / schuur uit de Nieuwe tijd C, gedateerd tussen ca. 1931 en 1976, en overige sporen van landgebruik / erfgerelateerde sporen uit de Nieuwe tijd C, zijn niet bepaald zeldzaam en hebben nauwelijks toto geen informatiewaarde en ensemblewaarde. In totaal zijn drie van de negen punten gegeven aan de inhoudelijke kwaliteit van de vindplaats. Voor representativiteit geldt tenslotte ‘Nee’ (zie ook figuur 17).

Tabel 3. Waardestelling. Waarden

Criteria

Beleving

Schoonheid Herinneringswaarde

Fysieke kwaliteit

Gaafheid Conservering

Inhoudelijke kwaliteit

Zeldzaamheid Informatiewaarde

Score – hoog

Score - middelhoog

Score - laag

Wordt niet gescoord Wordt niet gescoord 3 3

-

-

-

1 1

Ensemblewaarde

-

1

Representativiteit

Nee

-

25

Figuur 17. Waarderingscriteria (bron: www.sikb.nl).

Op basis van de waarderingstabel (tabel 3) en het stroomdiagram in figuur 17 is geconcludeerd dat in het plangebied geen sprake is van een behoudenswaardige vindplaats. De hoge verwachting op archeologische resten vanuit het vooronderzoek (Rap 2020) kan enkel bevestigd worden voor de Nieuwe tijd C (Late-Nieuwe tijd) en kan op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek voor de overige archeologische perioden (Laat-Paleolithicum t/m Nieuwe tijd B / Midden-Nieuwe tijd) worden bijgesteld naar ‘laag’.

26

7.

Conclusie en advies

Conclusie Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn twee werkputten in het plangebied aangelegd, waarin 21 paalkuilen en zes kuilen zijn gevonden. Op basis van de aard van de vullingen (losse tot zeer losse grond, scherpe spoorcontouren en een zwarte, humeuze vulling gelijk aan S.1000 (een bouwvoor die aan de basis plastic bevatte)), informatie uit het vooronderzoek en kaarten, is geconcludeerd dat de sporen voornamelijk gerelateerd zijn aan een schuur / (bij-)gebouw uit 1931 - 1976 (Nieuwe tijd C), ter hoogte van werkput 2 in het westelijk deel van het plangebied. Ter hoogte van werkput 1 heeft nooit bebouwing gestaan. Vanuit het kadastrale Minuutplan uit 1811 - 1832 is bekend dat het plangebied zich destijds bevond op het achtererf van een noordelijk gelegen gebouw / woonhuis aan de huidige Zandstraat. De zes paalkuilen gevonden in werkput 1 zijn daarmee geïnterpreteerd als sporen van landgebruik en / of erfgerelateerde sporen, eveneens uit de Nieuwe tijd C. Het proefsleuvenonderzoek heeft slechts drie vondsten opgeleverd, namelijk een baksteenbrokje uit paalkuil S.3 in werkput 1 en twee scherven (roodbakkend aardewerk uit de Nieuwe tijd en industrieel wit uit de 18e - 20e eeuw) uit een kuil (S.22 in werkput 2). Het magere vondstmateriaal ondersteunt de jonge datering van de sporen, in ieder geval voor wat betreft het fragment industrieel wit.

Verder heeft het vondstmateriaal weinig tot geen informatie geleverd over het gebruik van het plangebied in het verleden. Het ontbreken van oudere resten kan mogelijk verklaard worden door de afwezigheid van een archeologisch relevant niveau in de top van het dekzand. Dit niveau was namelijk ofwel verstoord, of er was überhaupt geen dekzand meer aanwezig. Dit kon niet vastgesteld worden ten tijde van het voorafgaande booronderzoek, omdat elke boring staakte in een ondoordringbaar puinpakket. De top van de onderliggende stuwwalafzettingen bleek voor het grootste deel intact te zijn, maar dit niveau leverde geen sporen en / of vondsten op. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek gold in het plangebied een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit het LaatPaleolithicum - Mesolithicum en Late-Middeleeuwen - Nieuwe tijd. Deze verwachting mag, met uitzondering van de Nieuwe tijd C, worden bijgesteld naar laag op basis van het proefsleuvenonderzoek. Uit de waardering van de vindplaats bleek dat de fysieke kwaliteit ervan hoog is, omdat de sporen goed geconserveerd en gaaf zijn; de sporen bleken dan ook niet ouder te zijn dan de Nieuwe tijd C. De inhoudelijke kwaliteit echter is laag, omdat de sporen zeker niet zeldzaam zijn en weinig tot geen informatiewaarde en ensemblewaarde hebben.

Daarmee is in het plangebied geen behoudenswaardige vindplaats aanwezig. Selectieadvies voor het plangebied In het onderzochte deel van het plangebied is geen behoudenswaardige vindplaats aangetroffen. Wij adviseren dan ook dat het plangebied wordt vrijgegeven voor verdere ontwikkeling. Het bevoegd gezag heeft beslissingsbevoegdheid in deze en zal al dan niet instemmen met de vrijgave van het plangebied. Tot slot wordt vermeld dat het proefsleuvenonderzoek een steekproef betreft. Wij attenderen erop, dat ondanks het uitgevoerde onderzoek bij grondwerkzaamheden alsnog archeologische resten kunnen worden aangetroffen. Hiervoor geldt vanuit de Erfgoedwet een wettelijke verplichting om archeologische resten te melden. Dit kan via de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) te Amersfoort, dan wel via de gemeente.

27

Geraadpleegde bronnen Archeologische kaarten en databestanden • • • • • • •

Archeologisch Informatie Systeem III (Archis3), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2016. www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl www.bodemloket.nl www.dinoloket.nl www.edugis.nl www.sikb.nl www.topotijdreis.nl

Literatuur • • • • • • • •

•

Alterra, 2017. De Geomorfologische kaart van Nederland, Wageningen Berendsen, H.J.A., 2005. De vorming van het land, Assen (Fysische Geografie van Nederland). ‘Bestemmingsplan Centrum’ Gemeente Veenendaal, bestemmingsplan onherroepelijk (2014-0626). Bex, J., 2011. Archeologisch onderzoek kernwinkelgebied Veenendaal, archeologische begeleiding, Houten (Grontmij/Sweco-rapport 1055) Blijdenstijn, R., 2015. Tastbare Tijd 2.0, Cultuurhistorische atlas van de Provincie Utrecht, vierde geheel herziene en uitgebreide druk, Utrecht Groot, R.W. de, 2019. Rioolvervanging in de Zandstraat, gemeente Veenendaal. Een opgraving Variant archeologische begeleiding, Weesp (RAAP-rapport 3944). Marinella, M. en A. Spoelstra, 2008. Archeologische begeleiding van de saneringswerkzaamheden op de locatie Brouwerspoort te Veenendaal, Heerenveen (Oranjewoud/Antea-rapport 2006/109). Rap, J., 2020. Veenendaal, Zandstraat 39, Gemeente Veenendaal (UT), Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase, Nieuwegein (Transect-rapport 2873). Rap, J., 2020. Plan van Aanpak Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase Veenendaal, Zandstraat 39, gemeente Veenendaal, Nieuwegein. Transect, Nieuwegein.

Figuren en tabellen • • • • • • • • • • • • •

Figuur 1. Topografische kaart met de locatie van het plangebied. Figuur 2. Uitsnede uit het kadastrale Minuutplan uit 1811 - 1832 (uit: Rap 2020). Figuur 3. Impressie van het plangebied voor aanvang van de werkzaamheden. Figuur 4. Impressie van een ander deel van het plangebied voor aanvang van de werkzaamheden. Figuur 5. Sporen 1, 2 en 3 in werkput 1, vlak 1. Figuur 6. Diverse sporen in vlak 1 van werkput 2. Figuur 7. Overzichtsfoto van vlak 1 in werkput 2. Figuur 8. Aan het einde van de werkzaamheden zijn de proefsleuven weer dichtgedraaid. Figuur 9. Profiel 1-1, vlak 102 in werkput 1. Figuur 10. Profiel 1-2 in vlak 101, werkput 1. Tabel 1. Aantal sporen per spooraard. Figuur 11. Coupe door paalkuil S.1 in werkput 1. Figuur 12. Coupe door paalkuil S.3 in werkput 1. 28

• • • • • • • •

Figuur 13. Coupe door paalkuilen S.4, S.5 en S.6 in werkput 1. Figuur 14. Coupe door paalkuilen S.19 en S.20 in werkput 2. Figuur 15. Coupe door paalkuil S.24 in werkput 2. Figuur 16. Coupe door kuil S.22 in werkput 2. Tabel 2. Aantal vondsten per materiaalsoort. Tabel 3. Waardestelling. Figuur 17. Waarderingscriteria (bron: www.sikb.nl). Figuur 18. Sporen van de allesporenkaart geprojecteerd op een topografische kaart uit 1970.

29

Bijlage 1. Periode

Archeologische periode-indeling voor Nederland Deel-/subperiode

Recent

Van

Tot

1945 na Chr.

2050 na Chr.

Nieuwe tijd

Nieuwe tijd C Nieuwe tijd B Nieuwe tijd A

1850 na Chr. 1650 na Chr. 1500 na Chr.

1945 na Chr. 1850 na Chr. 1650 na Chr.

Middeleeuwen

Late-Middeleeuwen B Late-Middeleeuwen A Vroege-Middeleeuwen D Vroege-Middeleeuwen C Vroege-Middeleeuwen B Vroege-Middeleeuwen A

1250 na Chr. 1050 na Chr. 900 na Chr. 725 na Chr. 525 na Chr. 450 na Chr.

1500 na Chr. 1250 na Chr. 1050 na Chr. 900 na Chr. 725 na Chr. 525 na Chr.

Romeinse tijd

Laat-Romeinse tijd B Laat-Romeinse tijd A Midden-Romeinse tijd B Midden-Romeinse tijd A Vroeg-Romeinse tijd B Vroeg-Romeinse tijd A

350 na Chr. 270 na Chr. 150 na Chr. 70 na Chr. 25 na Chr. 12 voor Chr.

450 na Chr. 350 na Chr. 270 na Chr. 150 na Chr. 70 na Chr. 25 na Chr.

IJzertijd

Late-IJzertijd Midden-IJzertijd Vroege-IJzertijd

250 voor Chr. 500 voor Chr. 800 voor Chr.

12 voor Chr. 250 voor Chr. 500 voor Chr.

Bronstijd

Late-Bronstijd Midden-Bronstijd B Midden-Bronstijd A Vroege-Bronstijd

1100 voor Chr. 1500 voor Chr. 1800 voor Chr. 2000 voor Chr.

800 voor Chr. 1100 voor Chr. 1500 voor Chr. 1800 voor Chr.

Neolithicum

Laat-Neolithicum B Laat-Neolithicum A Midden-Neolithicum B Midden-Neolithicum A Vroeg-Neolithicum B Vroeg-Neolithicum A

2450 voor Chr. 2850 voor Chr. 3400 voor Chr. 4200 voor Chr. 4900 voor Chr. 5300 voor Chr.

2000 voor Chr. 2450 voor Chr. 2850 voor Chr. 3400 voor Chr. 4200 voor Chr. 4900 voor Chr.

Mesolithicum

Laat-Mesolithicum Midden-Mesolithicum Vroeg-Mesolithicum

6450 voor Chr. 7100 voor Chr. 8800 voor Chr.

4900 voor Chr. 6450 voor Chr. 7100 voor Chr.

Paleolithicum

Laat-Paleolithicum B Laat-Paleolithicum A Midden-Paleolithicum Vroeg-Paleolithicum

18.000 BP 35.000 BP 300.000 BP -

8.800 voor Chr. 18.000 BP 35.000 BP 300.000 BP

30

Bijlage 2.

Allesporenkaart en overzichtskaarten

31

32

Figuur 18. Sporen van de allesporenkaart geprojecteerd op een topografische kaart uit 1970.

33

Bijlage 3.

Vlaktekeningen

34

35

Bijlage 4.

Sporen- en lagenlijst

Spoor

Put Vlak

Spooraard

Spoordiepte in cm

0001

01

001

PK

10

0002

01

001

PK

0003

01

001

PK

28

0004

01

001

PK

18

0005

01

001

PK

12

0006

01

001

PK

22

0007

02

001

PK

0008

02

001

PK

0009

02

001

PK

0010

02

001

PK

0011

02

001

PK

0012

02

001

KL

0013

02

001

PK

0014

02

001

KL

0015

02

001

PK

0016

02

001

PK

0017

02

001

PK

0018

02

001

PK

0019

02

001

PK

34

0020

02

001

PK

32

0021

02

001

PK

0022

02

001

KL

0023

02

001

PK

0024

02

001

PK

0025

02

001

KL

0026

02

001

KL

42 16

58 18

36

Spoor

Put Vlak

Spooraard

0027

02

001

KL

1000

01

101

BV

1500

01

101

LG

3000

01

101

C-hor

4000

01

101

C-hor

Spoordiepte in cm

Vullingenlijst

Spoor

Put

Vulling

Kleur

Kleurstruc

Textuur

Organische stof

Vullingaard

Opmerking

0001

01

1

BRGE

heterogeen

zs2

H1

INS

losse grond

0001

01

2

BR

homogeen

zs2

H2

KRN

losse grond

0002

01

1

GEBR

heterogeen

zs2

H1

INS

losse grond

0002

01

2

BR

homogeen

zs2

H1

INS

losse grond

0003

01

1

GEBR

heterogeen

zs2

H1

losse grond

0004

01

1

DGEBR

heterogeen

zs2

H2

losse grond

0005

01

1

DGEBR

heterogeen

zs3

H2

losse grond

0005

01

2

BR

homogeen

zs2

H2

0006

01

1

DGEBR

heterogeen

zs2

H2

0006

01

2

DBR

homogeen

zs3

H2

0007

02

1

DBRZW

homogeen

zs2

H2

zeer losse grond

0008

02

1

DBRZW

homogeen

zs2

H2

zeer losse grond

0009

02

1

DBRZW

homogeen

zs2

H2

zeer losse grond

0010

02

1

DBRZW

homogeen

zs2

H2

zeer losse grond

0011

02

1

DBRZW

homogeen

zs2

H2

zeer losse grond

0012

02

1

DBRZW

homogeen

zs2

H2

zeer losse grond

0013

02

1

DGRZW

heterogeen

zs2

H2

zeer losse grond

0014

02

1

DBRZW

homogeen

zs2

H2

zeer losse grond

KRN

losse grond zeer losse grond

KRN

zeer losse grond

37

Spoor

Put

Vulling

Kleur

Kleurstruc

Textuur

Organische stof

Vullingaard

Opmerking

0015

02

1

DBRZW

homogeen

zs2

H1

losse grond

0016

02

1

DBRZW

homogeen

zs2

H2

losse grond

0017

02

1

DBRZW

homogeen

zs2

H2

losse grond

0018

02

1

DBRZW

homogeen

zs2

H2

losse grond

0019

02

1

DBRZW

homogeen

zs2

H2

losse grond

0019

02

2

BRGE

heterogeen

zs2

H2

losse grond

0020

02

1

DBRZW

homogeen

zs2

H2

losse grond

0021

02

1

DBRZW

homogeen

zs2

H2

losse grond

0022

02

1

DBRZW

homogeen

zs2

H2

losse grond

0022

02

2

LGEBR

heterogeen

zs2

H1

losse grond

0023

02

1

DBRZW

homogeen

zs2

H2

losse grond

0024

02

1

DBRZW

homogeen

zs2

H2

zeer losse grond

0025

02

1

DBRZW

homogeen

zs2

H2

losse grond

0026

02

1

DBRZW

homogeen

zs2

H2

losse grond

0027

02

1

DBRZW

homogeen

zs3

H2

losse grond

1000

01

1

DBR

homogeen

zs3

H2

plastic

1500

01

1

BRGE

heterogeen

zs2

H1

gr1

3000

01

1

GE

homogeen

zs2

gr1

4000

01

1

GEGR

heterogeen

zs1

gr2

38

Bijlage 5.

Vondstenlijst

Veldvondst

Put

Vlak

Spoor

Spooraard

Vulling

Categorie

Aantal

Verzamelwijze

Opmerking

0001

01

001

0003

paalkuil

1

KBW

1

MAA

- 1x klein brokje baksteen, roodoranje, hard gebakken. Nieuwe tijd.

0002

02

001

0022

kuil

1

KER

2

COUP

- 1x klein wandfragmentje industrieel wit, verweerd, 18e - 20e eeuw. - 1x klein wandfragmentje roodbakkend aardewerk, in- en uitwendig glazuur, maar sterk verweerd; 15e - 19e eeuw.

39

Bijlage 6.

Beantwoording van de onderzoeksvragen

1.

Zijn er in het plangebied archeologische resten aanwezig in de vorm van grondsporen, en/of vondsten? Ja. Er zijn 21 paalkuilen, zes kuilen en drie vondsten aangetroffen tijdens het proefsleuvenonderzoek.

2.

Hoe ziet de bodemopbouw in het plangebied eruit en in hoeverre is deze intact? De bodemopbouw is grotendeels eenduidig in het plangebied. Van boven naar beneden zijn de volgende lagen aangetroffen: • • • •

•

S.999: moderne laag puinverharding. S.1000: bouwvoor; recente laag tot globaal 100 cm -Mv, bevestigd door het aantreffen van plastic aan de basis. Opgebouwd uit zeer siltig en humeus zand. S.1500: geroerde laag in de top van de natuurlijke afzettingen, bestaande uit siltig en gevlekt dekzand. S.3000: natuurlijke ondergrond, dunne laag siltig dekzand. De top van het dekzand is ofwel verstoord geraakt, of is niet meer aanwezig in het onderzochte deel van het plangebied, veroorzaakt door de bouw en sloop van (bij-)gebouwen en andere grondwerkzaamheden. S.4000: natuurlijke ondergrond van gestuwde afzettingen; grindrijk, slecht gesorteerd, licht siltig zand. De top ligt tussen de 6,10 - 6,70 m +NAP (loopt op richting het noorden) en is op de meeste plekken nog intact (daar waar dekzand aanwezig is).

3.

Wat is de aard, diepteligging, samenhang en spreiding van de aanwezige archeologische resten, grondsporen en structuren (horizontaal en verticaal)? De sporen zijn gevonden op het niveau van vlak 1 (werkput 1: gemiddeld ca. 6,10 m +NAP; werkput 2: 6,40 m +NAP) en zijn onderverdeeld in paalkuilen (21 stuks) en kuilen (6 stuks). De meeste sporen hangen samen met een schuur / (bij-)gebouw die op basis van topografische kaarten gebouwd is in 1931, of in ieder geval 1958 (zie hoofdstuk 5.2) en is na 1976 weer afgebroken. Het plangebied ligt van oudsher op een achtererf, zoals bepaald werd aan de hand van het kadastrale Minuutplan uit de vroeg-19e eeuw, waarmee de overige sporen zullen behoren tot ‘sporen van landgebruik’, ‘nederzettingssporen’ en / of ‘erfgerelateerde sporen’. Zes van de 27 sporen liggen in werkput 1 in het (zuid-)oostelijk deel van het plangebied, terwijl de overige sporen zijn aangetroffen in werkput 2 (westelijk deel van het plangebied).

4.

Wat is de datering van de archeologische resten op basis van (chrono-)stratigrafie en typochronologie? En in hoeverre is er sprake van (dis-)continuïteit in gebruik/bewoning? Op basis van uiterlijke kenmerken van de vullingen van de sporen (bestaande uit losse tot zeer losse grond, wat een aanwijzing is voor een jonge datering van de grondsporen; een zwarte vulling - gelijk aan de afdekkende, aan de basis plastic bevattende bodemlaag S.1000 - en scherpe spoorcontouren) kunnen de sporen in de Late-Nieuwe tijd c.q. (sub-)recente tijd worden geplaatst. Omdat enkel sporen uit de LateNieuwe tijd (Nieuwe tijd C) zijn gevonden, kan alleen gezegd worden dat het plangebied vanaf deze tijd bebouwd is geweest. Op basis van historische kaarten (kadastrale Minuutplan uit 1811 - 1832) is bekend dat het plangebied destijds in gebruik was als achtererf. Verder valt deze vraag niet te beantwoorden op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek / bij gebrek aan oudere sporen.

5.

Welke categorieën vondstmateriaal zijn aanwezig en in welke mate (ook in relatie tot elkaar)? Wat zegt de aard en mate van voorkomen van het vondstmateriaal over het gebruik van het plangebied in het verleden? Er zijn slechts drie vondsten aangetroffen, namelijk een baksteenbrokje uit paalkuil S.3 in werkput 1 en twee scherven (roodbakkend aardewerk uit de Nieuwe tijd en industrieel wit uit de 18e - 20e eeuw) uit een kuil (S.22 in werkput 2).

40

Het magere vondstmateriaal ondersteunt de jonge datering van de sporen, in ieder geval voor wat betreft het fragment industrieel wit. Verder zegt het vondstmateriaal weinig tot niets over het gebruik van het plangebied in het verleden. 6.

Welke depositionele en post-depositionele processen zijn te onderscheiden en in hoeverre hebben deze invloed gehad op de bewoningsgeschiedenis en vondstcontexten? In het plangebied is ofwel (de top van) het dekzand verdwenen of is de top van het dekzand geroerd, veroorzaakt door vermoedelijk de bouw en sloop van (bij-)gebouwen en andere grondwerkzaamheden in de Nieuwe tijd C. Met het verdwijnen van een relevant archeologisch niveau in de top van het dekzand, zijn archeologische resten, indien aanwezig, verdwenen. Een tweede relevant niveau wordt gevormd door de top van de stuwwalafzettingen, die veelal nog intact is gebleken, maar hierin zijn geen resten aangetroffen. In het plangebied is in de Nieuwe tijd C / moderne tijd een zwarte bodemlaag / bouwvoor aangebracht, waarvan de relatief jonge datering bevestigd kon worden aan de hand van plastic dat zich bevond aan de basis van deze laag. Tenslotte is een laag puinverharding aangebracht in het plangebied die aanwezig is vanaf het maaiveld.

7.

Hoe verhouden de onderzoeksresultaten zich tot de resultaten uit het vooronderzoek? Op basis van de resultaten van het vooronderzoek gold in het plangebied een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum - Mesolithicum en Late-Middeleeuwen Nieuwe tijd. Een lage verwachting gold voor de perioden Neolithicum - Vroege-Middeleeuwen. De verwachte complextypen waren nederzettingen, sporen van landgebruik en terreininrichting. De archeologische resten worden verwacht in de top van de gestuwde afzettingen, het dekzand en in ophoogpakketten vanaf de onderzijde van een puinpakket. Samenvattend zijn enkel sporen uit de Nieuwe tijd C gevonden, waarmee de verwachting voor die periode gehandhaafd kan blijven en voor de overige perioden (Laat-Paleolithicum t/m Nieuwe tijd B) bijgesteld kan worden naar laag. Qua bodemopbouw geldt dat telkens in de puinhoudende laag de boringen moesten worden gestaakt, omdat deze ondoordringbaar bleek. De daaronder liggende bodemlagen konden daarmee niet worden bereikt en kunnen dan ook niet vergeleken worden met de lagen zoals aangetroffen tijdens het proefsleuvenonderzoek.

8.

Wat is de relatie met omliggende historische/archeologische resten? In de directe omgeving van het plangebied zijn aanwijzingen voor bewoning en landgebruik vanaf de LateMiddeleeuwen en gedurende de Nieuwe tijd, te relateren aan de ontwikkeling van Veenendaal. In de bodemopbouw is in de omgeving een moerig veenrestant aangetroffen, veelal onder een sterk puinhoudend humeus pakket. Onder het veenrestant is sprake van zwak grindhoudend dekzand, dat theoretisch ook gunstige omstandigheden voor bewoning kan hebben geboden gedurende het LaatPaleolithicum - Neolithicum. Wederom sluiten de resultaten van het proefsleuvenonderzoek hier maar voor een klein deel op aan, zoals reeds genoemd in het antwoord op onder andere vraag 7, maar bijvoorbeeld ook vragen 3 en 4. Een relatie met omliggende resten bestaat nauwelijks.

9.

Wat is de fysieke en inhoudelijke kwaliteit van de aangetroffen archeologische resten (gaafheid en conserveringsgraad)? Is sprake van (een) behoudenswaardige archeologische vindplaats(en)? (Maak voor het beantwoorden van deze vraag gebruik van de KNA-waarderingssystematiek). De fysieke kwaliteit is hoog, omdat de sporen goed zijn geconserveerd en gaaf zijn; de sporen bleken dan ook niet ouder te zijn dan de Nieuwe tijd C, wat relatief erg jong is. De inhoudelijke kwaliteit echter is laag, omdat de sporen zeker niet zeldzaam zijn, weinig tot geen informatiewaarde hebben, evenals een lage ensemblewaarde. Al met al kan niet gesproken worden over een behoudenswaardige vindplaats in het onderzochte deel van het plangebied.

41

10. Kan op basis van de resultaten een advies geformuleerd worden t.a.v. het vervolg in de archeologische monumentenzorg (vrijgeven/behoud in situ/opgraven). Zo ja, hoe luidt deze? Ja, bij een gebrek aan een behoudenswaardige vindplaats in het onderzochte deel van het plangebied, kan deze worden vrijgegeven met als kanttekening dat het proefsleuvenonderzoek een steekproef betreft en dat bij het aantreffen van archeologische resten een wettelijke verplichting geldt om deze te melden bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) te Amersfoort, dan wel bij de gemeente. 11. Zijn er vanuit de toestand van de archeologische resten, bodemcondities en toekomstig gebruik mogelijkheden voor behoud in situ? Deze vraag is bij gebrek aan weinig informatie vanuit het proefsleuvenonderzoek lastig te beantwoorden, omdat enkel sporen uit de Nieuwe tijd C zijn gevonden. 12. Bij afwezigheid van een vindplaats; wat is hier de verklaring voor (verstoord, ander landschap dan verwacht, e.d.)? Het archeologisch relevante niveau in de top van het dekzand is verdwenen (en daarmee mogelijk archeologische resten), maar die in de top van de stuwwalafzettingen is nog vrijwel overal intact in het plangebied, maar bevatte gewoonweg geen sporen en/of vondsten. Het landschap is niet anders dan verwacht.

Met het booronderzoek kon de bodemopbouw niet voldoende worden bestudeerd, vanwege een ondoordringbaar puinpakket.

42

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9774097/2