CConstaterende datVeenendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

6. Bijlage 4 - Visie Sociaal Domein – De kracht van de samenleving (2017)

Gemeenteraad 26 februari 2026, gemeente VeenendaalBij agendapunt: Keuzenotitie visie sociaal domein9.149 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

VISIE SOCIAAL DOMEIN

DE KRACHT VAN DE SAMENLEVING

JULI 2017

INHOUDSOPGAVE Inleiding 1. De kracht van de samenleving 2. Veranderstrategie 3. Uitgangspunten Model Veenendaal 4. Middelen Bijlagen: - Sociaal domein nu en in 2030 in cijfers - Landelijk maatschappelijk beeld uit De toekomst tegemoet (SCP) - Onderscheid taken per domein nu en in de toekomst

2

INLEIDING Sinds 2012 is Model Veenendaal de gemeentelijke visie op het sociaal domein in Veenendaal. Model Veenendaal is opgesteld als voorbereiding op de decentralisaties op het gebied van de Participatiewet, de Jeugdwet en de Wmo. Het model richt zich op de ondersteuning aan inwoners op de leefgebieden opgroeien en opvoeden, arbeidsparticipatie en inkomen, zelfredzaamheid thuis en sociale participatie. Het gaat daarbij om de ondersteuning die valt onder de volle reikwijdte van de genoemde wetten (tezamen het sociaal domein(1). Model Veenendaal hanteren we ook bij het (passend) onderwijs, het lokale gezondheidsbeleid en het lokale veiligheidsbeleid. Evaluatie model Veenendaal Met twee jaar aan nieuwe ervaringen achter de rug is Model Veenendaal in 2016 uitgebreid geëvalueerd in het rapport Winst door verbinding. De uitgangspunten uit het model hebben we tegen het licht gehouden. Er is gekeken hoe actueel en passend ze zijn met het oog op de toekomst. Het rapport concludeert dat Model Veenendaal goede, toekomstbestendig uitgangspunten bevat. Een aanbeveling in het rapport is meer verbinding te maken tussen de uitgangspunten. Hiermee kan winst worden behaald. Met name de uitgangspunten “de ondersteuning wordt integraal op alle leefgebieden van de inwoner geboden” en “de gemeente voert regie op de resultaten van de ondersteuning” kunnen aan kracht winnen.

Naast “winst door verbinding” wordt in het rapport nog een vijftal aanbevelingen gedaan: 1. Maak een expliciete veranderstrategie 2. Herken, erken en faciliteer aanjagers van verandering 3. Stimuleer het leerproces 4. Ontwikkel de uitgangspunten en de hoe-vraag samen 5. Zet in op verandering in het veld én binnen de gemeente Op basis van de conclusies en aanbevelingen in het rapport is deze geactualiseerde Visie sociaal domein opgesteld. Deze visie biedt een vergezicht naar Veenendaal in 2030 en de uitgangspunten die we hanteren om dat vergezicht te bereiken. We zijn dankbaar voor de vele bijdragen die wij van onze maatschappelijke partners hebben gehad bij het opstellen van deze visie. Wij zien ernaar uit om de visie samen met hen handen en voeten te geven.

1

Naast deze taken rekenen we in Veenendaal ook wijkgericht werken en meest complexe casuïstiek tot het sociaal domein.

3

HOOFDSTUK 1 DE KRACHT VAN DE SAMENLEVING Voor een visie op de ontwikkeling in het sociaal domein willen we eigenlijk de ontwikkeling van de samenleving op lange termijn kennen. Is dat mogelijk? Kijken we 15 jaar terug dan kunnen we goed zien wat in de afgelopen jaren is veranderd. Dus als we met een scherp beeld 15 jaar vooruit zouden kunnen kijken dan weten we zeker dat er veel anders zal zijn. Er is altijd verandering. Omstandigheden veranderen en ook onze wensen en opvattingen zelf (zie bijlage 2 Landelijk maatschappelijk beeld uit ‘De toekomst tegemoet van het SCP‘). Hoe we denken over omgaan met elkaar, (familie)relaties, leren, werken, de rol van de overheid, noem maar op. Ook dat is van invloed op de uitvoering van activiteiten binnen het sociaal domein. We zijn een open, mondige en moderne samenleving. Daarin willen we meer eigen regie en keuzevrijheid. Ook Veenendaal verandert voortdurend. In 2030 bevinden we ons allemaal in een andere levensfase. De bevolkingssamenstelling en de bevolkingsomvang blijven nooit hetzelfde. In 2030 ziet Veenendaal er dus anders uit dan nu (zie bijlage 1 ‘sociaal domein in cijfers’). Ook economische-, technologische en ecologische ontwikkelingen beïnvloeden hoe wij werken, zorgen en samenleven. Demografische en maatschappelijke ontwikkelingen staan niet los van elkaar, maar zijn nauw met elkaar verweven.

Bovendien is er in Veenendaal sprake van een grote diversiteit (cultuur, leefstijl) tussen verschillende bevolkingsgroepen met verschillende achtergronden en nationaliteiten. Veranderingen binnen het sociaal domein zijn zichtbaar als resultaat van maatschappelijke keuzes. Zo hebben we bijvoorbeeld meer aandacht gekregen voor het langer thuis kunnen wonen en besteden we meer aandacht aan werk in een reguliere werkomgeving voor mensen met een arbeidsbeperking. Nieuwe maatschappelijke vragen, vereisen andere ondersteuning. Verandering om meer samenhang aan te brengen in ondersteuning, meer maatwerk te bieden, geen onnodige of onnodig dure ondersteuning in te zetten. Verandering om zorg en ondersteuning vanuit de overheid te moderniseren naar een inclusieve samenleving. Hoe leren, zorgen en samenleven zich in de toekomst verder ontwikkelen, kunnen we niet precies voorspellen. Maar we geven er wel samen vorm aan. En we kunnen een richting kiezen in deze veranderingen. Een richting die de menselijke waarden die wij voorstaan centraal stelt en de manier waarop we daaraan vormgeven laat meebewegen met al deze ontwikkelingen. Met uitgewerkte uitgangspunten, waarmee wij het sociaal domein en de daarin aanwezige voorzieningen moderniseren.

4

Onze stip op de horizon: de kracht van de samenleving Als stip op de horizon zien wij een krachtige, inclusieve samenleving waarin iedereen zich naar vermogen kan ontwikkelen. Een samenleving waarin de inwoners van Veenendaal zich verbonden voelen en hun weg weten te vinden. Iedereen doet er toe. Er is voldoening omdat iedereen ook zelf binnen zijn of haar mogelijkheden aan die samenleving kan bijdragen. Inwoners — jong, oud, mannen, vrouwen en ieder met zijn cultuur en achtergrond — pakken bij voorkeur zelf en samen de regie. Mensen zijn betrokken bij elkaar, helpen elkaar en krijgen ondersteuning op het moment dat ze dat nodig hebben. Als samenleving nemen we gezamenlijk de verantwoordelijkheid. Inwoners zijn in staat om hun eigen leven te organiseren en vorm te geven. Inwoners weten elkaar te vinden en pakken samen initiatieven op; voor en door inwoners. Als het even tegenzit, doen mensen voor hulp een beroep op familie, vrienden, kennissen, buren en zo nodig professionele ondersteuning. De gemeente geeft ondersteuning binnen het sociaal domein, op een manier die past bij Veenendaal. De toegang naar deze ondersteuning is eenvoudig te vinden. We maken daarbij volop gebruik van moderne middelen. En er is ook ruimte voor persoonlijk gesprek.

De ondersteuning stemmen we volledig af op behoefte en noodzaak: we bieden lichte eenvoudige ondersteuning waar mogelijk en zwaardere ondersteuning waar nodig, waarbij de oplossing centraal staat. We dragen er zorg voor dat niemand tussen wal en schip valt. Inwoners met complexe problematiek ervaren steeds meer dat een casusregisseur samen met de inwoner en hulpverleners de ondersteuning bepaalt die nodig is. En als er ondersteuning nodig is uit verschillende onderdelen van het sociaal domein dan zoeken we de winst door verbinding, als dit een positief effect heeft op kwaliteit, financiën en/of organisatie. Het is een mooie reis die we samen maken. Onderweg oriënteren we ons steeds opnieuw en stellen we vast of we nog goed op koers zijn. En zo nodig sturen we bij. We volgen een boeiende leerroute waarin we de kracht van de samenleving ervaren en ook zien groeien. We zoeken nieuwe wegen, steeds weer. Niet persé de snelste of de kortste route, maar de wegen die leiden naar het beste resultaat.

5

HOOFDSTUK 2 VERANDERSTRATEGIE Het vorige hoofdstuk maakt duidelijk: verandering is nodig en wenselijk. Maar veranderen binnen het sociaal domein is niet eenvoudig. De gemeente moet zorgen voor draagvlak, partners overtuigen van het belang het anders te gaan doen en de vele veranderingen hanteerbaar maken. Uit de evaluatie van Model Veenendaal blijkt dat de gemeente voorafgaand aan de transities geen duidelijke veranderstrategie gekozen heeft voor de uitvoering van de activiteiten binnen het sociaal domein. Omdat er de komende jaren nog veel zaken binnen het sociaal domein veranderen, is het advies dan ook nu wel een gerichte veranderstrategie te kiezen. Een strategie die aangeeft hoe de gemeente Veenendaal veranderingen binnen het sociaal domein wil realiseren en daarop regie wil voeren.

2.1 ‘Doordacht voorwaarts’ als veranderstrategie In de voorbereiding op de ontwikkeling van deze Visie Sociaal Domein bespraken we drie richtingen: het veranderproces stapsgewijs vormgeven (doordacht voorwaarts), focus op het goed uitvoeren van bestaande taken (koersvast/behoudend) en focus op innovatie en vernieuwing (innovatie centraal). Met brede steun is gekozen voor doordacht voorwaarts. Dat is een veranderstrategie waarbij stapsgewijs ontwikkelen voorop staat.

Doordacht voorwaarts Dat we moeten vernieuwen staat vast. Dat doen we samen met mensen en partners binnen en buiten de gemeentelijke organisatie. Wat goed loopt houden we vast, maar veel dingen lopen nog niet zoals gewenst. We sturen bij op basis van ervaringen, knelpunten en veranderwensen. We veranderen stapsgewijs op basis van een aantal gericht gekozen thema’s. Winst door verbinding is daarbij het uitgangspunt. We experimenteren en voeren pilots uit. We leren actief van best practices van anderen en leveren met onze eigen ervaringen ook zelf daaraan een bijdrage. Op basis van een heldere visie en doelen voor de lange termijn (2030) maken we keuzen voor de komende vier jaar. En op basis van ervaringen plannen we steeds weer de volgende stappen om onze lange termijn doelen te realiseren. We maken een reis waarvan het einddoel bekend is maar de route nog niet. Per etappe bekijken we wat nodig is om de finish van die etappe met succes te bereiken, met steeds het oog op onze doelen gericht.

‘DOORDACHT VOORWAARTS’ Evaluati e

Uitvoere

n

Visie

Program

ma

Borging Ee

usi incl ige t h c n kra

eve

ng evi enl m sa

6

2.2 Gemeentelijke regierol bij voorkeur faciliterend Met doordacht voorwaarts bedoelen we dus dat we het veranderproces stapsgewijs willen vormgeven. Daarbij kiezen we steeds de rol die de gewenste oplossing of het te bereiken resultaat het beste ondersteunt. Het maatschappelijke doel dat we willen bereiken, is gericht op het versterken van de eigen rol van inwoners en de kracht van de samenleving. Bij voorkeur kiezen we als gemeente dan ook voor een faciliterende regierol. Maar sommige thema’s vragen meer of andere aandacht. De rol van de gemeente is dus afhankelijk van de concrete situatie. We lichten dat hieronder toe. Regievoering heeft verschillende dimensies. Als gemeente hebben we vier mogelijke regierollen: visionair, vormend, uitvoerend en faciliterend. Deze rollen komen in de praktijk vooral in een mengvorm voor.(2)

VIER REGIEROLLEN Gemeentelijke beleidsruimte -

+ +

Vormende regisseursrol

Uitvoerende regisseursrol

Doorzettingsmacht

Visionaire regisseursrol

Faciliterende regisseursrol

-

De beleidsruimte die de gemeente heeft binnen het sociaal domein is niet op alle onderdelen gelijk. Veel ruimte hebben we bijvoorbeeld in onze samenwerking met werkgevers om mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt aan het werk te helpen. Op het gebied van de inhoud en de kwaliteit van het onderwijs is de directe invloed van de gemeente beperkt. Deze ligt bij de scholen zelf. Hetzelfde geldt voor de hoogte van bijstandsuitkeringen; die is immers volledig landelijk genormeerd. Ook de doorzettingsmacht van de gemeente — de mate waarin we sturing kunnen geven of ingrijpen bij impasses of stagnaties in besluitvormings- of werkprocessen — is niet overal hetzelfde. Binnen het sociaal domein ligt de uitvoering van de ondersteuning bijvoorbeeld bij de zorgpartijen. Dat maakt dat onze doorzettingsmacht beperkt of in ieder geval indirect is. En natuurlijk heeft de regierol die we aannemen ook te maken met wat op een bepaald moment urgent is en hoe we ons in de bewuste situatie verhouden tot onze samenwerkingspartners. Hoe dan ook kiezen we als gemeente bij voorkeur voor een faciliterende rol. Omdat we daarmee de eigen rol van inwoners en de kracht van de samenleving versterken. Bovendien past deze rol bij onze mogelijkheden én onze visie. Alleen als meer doorzettingsmacht of scherpere gemeentelijke beleidskaders nodig zijn, passen we bewust en onderbouwd onze rol aan.

Dit vraagt zowel van de professionals als van de gemeentelijke organisatie een cultuuromslag. Faciliteren van wat de gemeenschap nodig heeft en vanuit vertrouwen verantwoordelijkheden en taken uit handen geven, vraagt om flexibiliteit, klantgerichtheid en leergierigheid. Faciliteren betekent ruimte bieden met heldere kaders. En dat sluit naadloos aan op de veranderstrategie die we nastreven.

2

Zie ook: De gemeente als regisseur, lokale daadkracht mobiliseren, Ministerie BZK, nov. 2016.

7

2.3 Bestuurlijk handelen en gedrag bij doordachts voorwaarts Naast de regierol is ook de bestuursstijl belangrijk in veranderprocessen. Bij veranderaanpakken wordt vaak gebruik gemaakt van de volgende typeringen.(3) Korte typering 1. Politiek, macht, win-win situaties, onderhandelen, eens worden 2. Regelen, plannen, beheersen, duidelijke resultaten 3. Motiveren, betrokken, wij-gevoel, prikkelen, straffen en belonen 4. Bewustwording, leren, uitwisselen, elkaar leren kennen 5. Natuurlijke weg, ontwikkeling vanuit chaos, creativiteit

Voor ‘harde’ veranderprocessen zijn vooral de eerste en de tweede aanpak het meest geschikt. Deze zien we dan ook het meest terug in het politiek bestuurlijke proces. Maar gedrags- en cultuurverandering zijn hiermee moeilijk te realiseren. Daarbij ligt de derde, vierde en mogelijk ook de vijfde aanpak meer voor de hand. In de praktijk zien we overigens vaak een combinatie van verschillende aanpakken. Het veranderproces binnen het sociaal domein is gericht op het leren en ontwikkelen met onze samenwerkings­ partners en op een grote mate van zelf- en meesturing vanuit de Veenendaalse samenleving. Daarbij past vooral de 3e en de 4e aanpak. De gemeente bepaalt hierbij de richting en zorgt ervoor dat het veranderproces op koers blijft. Daarvoor past weer meer de 1e en de 2e aanpak. Teveel ‘besturen, regelen en beheersen’ kan leren en ontwikkelen verstoren. Bij te weinig sturing en regie is het risico dat de verandering zich niet voldoende of niet snel genoeg vormt. Het is een balans die op concrete onderwerpen goed moet worden ingesteld en waarover de gemeente met haar partners in gesprek moet blijven. Hoe we besturen moet immers passen bij wat we willen bereiken.

3

Hierbij is gebruik gemaakt van de door De Caluwé en Vermaak uitgewerkte veranderstrategieën

8

HOOFDSTUK 3 UITGANGSPUNTEN MODEL VEENENDAAL Bij het realiseren van onze uitgangspunten van model Veenendaal werken we vanuit de vraag van de inwoner. Vooral om per groep de stimulerings- en ondersteuningsdoelen helder te kunnen formuleren, onderscheiden we drie groepen inwoners. Dit onderscheid ziet u terug in onze uitgangspunten. 1. Zelfredzame inwoners Deze inwoners zijn goed in staat voor zichzelf te zorgen. Zij hebben weinig ondersteuning nodig en kunnen, als zij dat willen, initiatieven oppakken en ondersteuning bieden aan meer kwetsbare inwoners. Jeugdigen ontwikkelen zich normaal en hun ouders zijn over het algemeen goed in staat hun kind op te voeden. Ze maken gebruik van faciliteiten die een positieve bijdrage leveren aan de ontwikkeling van jeugdigen. Dit is de grootste groep inwoners. 2. Kwetsbare inwoners Deze inwoners zijn (tijdelijk) kwetsbaar en hebben een ondersteuningsvraag. Er zijn regelmatig problemen binnen het huishouden door persoonlijke problemen van de volwassene(n) en/of kind(eren). Ouders met kinderen kunnen de opvoeding langdurig niet aan en is er sprake van chronische opvoedingsstress. De oorzaak hiervan kan liggen bij de kind(eren) en/of bij de ouder(s) zelf (bijvoorbeeld door werkloosheid, psychische of financiële problemen). Soms zijn deze inwoners wel in staat ondersteuning te bieden aan anderen. 3.

Inwoners met complexe problemen Deze inwoners hebben problemen op meerdere leefgebieden en vragen meestal niet zelf om ondersteuning of weigeren deze zelfs. Zij zorgen niet goed voor zichzelf en hebben intensieve en langdurig ondersteuning nodig. De gedrags-, verstandelijke, psychische of psychiatrische problemen zijn zo groot dat zij vastlopen. Ouders zijn niet goed in staat voor hun kind(eren) te zorgen: er is sprake van gevoelens van machteloosheid. Soms zijn de problemen in het huishouden structureel; bijvoorbeeld als gevolg van huiselijk geweld of criminaliteit. Het netwerk om het huishouden heen kan onvoldoende steun bieden en de situatie lijkt onoplosbaar. Dit vraagt om intensieve en ingrijpende ondersteuning. Het gaat hier om een kleine groep inwoners Natuurlijk is deze inwonerindeling globaal en niet bedoeld om mensen in hokjes te plaatsen. Bovendien past niet iedereen in elke fase van zijn of haar leven binnen dezelfde doelgroep. Aanscherping uitgangspunten model Veenendaal Uit de evaluatie blijkt dat de huidige uitgangspunten van model Veenendaal toekomstbestendig zijn en de Veenendaalse ambities goed beschrijven. Wel hebben we bij de eerste drie uitgangspunten de toelichting geactualiseerd. Een aanbeveling die volgt uit de evaluatie is dat we winst kunnen behalen door meer verbinding te maken, vooral tussen de uitgangspunten 4 en 5 van ons model.

Deze uitgangspunten over winst door verbinding en regie hebben we dan ook verder uitgewerkt.

3.1 Uitgangspunt 1: Iedereen is naar vermogen maatschappelijk actief. Maatschappelijk doel • Een inclusievere samenleving Toelichting Mensen die deelnemen aan de maatschappij voelen zich beter en gezonder. Iedereen wil erbij horen en meedoen in de samenleving. En iedereen doet dat op zijn eigen manier. We veranderen door steeds meer ruimte te laten voor initiatieven van inwoners, instellingen en bedrijven. Een inclusieve samenleving vraagt om plekken waar mensen zich veilig en welkom voelen, waar ze de ruimte krijgen om binnen hun eigen mogelijkheden mee te doen en waar respectvol met elkaar om wordt gegaan. Het vraagt om extra aandacht

9

voor kwetsbare inwoners — zoals ex-delinquenten, (ex-) verslaafden, maar ook mensen in de WMOdagbesteding of mensen die beschut werken — zodat zij zich ook veilig en welkom kunnen voelen. We delen steeds meer de verantwoordelijkheid voor de samenleving. Bedrijfsleven, onderwijs, zorgaanbieders, ondernemers, inwoners en overheid bevorderen actief de zelfredzaamheid en veerkracht van inwoners. Daarbij zoekt ieder vanuit zijn specialisme verbinding met andere specialismen. Als gemeente nemen we hierin vooral de faciliterende regierol in. Om de kracht van de samenleving te stimuleren zijn binnen het sociaal domein verschillende regelingen en fondsen beschikbaar voor financiële ondersteuning van inwonersinitiatieven. We werken aan vereenvoudiging van deze regelingen. Ook kijken we naar mogelijkheden om de regie over deze regelingen meer bij inwoners neer te leggen. We zoeken naar mogelijkheden de beslissende stem bij de inwoners zelf te leggen.

3.2 Uitgangspunt 2: Ondersteuning is gericht op het stimuleren van de eigen kracht van inwoners en hun netwerk. Dit vraagt om maatwerkondersteuning, waarbij de inwoner centraal staat. Maatschappelijke doelen • Verder versterken opvoed- en opgroeiklimaat • Inwoners willen meer voor en met elkaar doen • Vroeger signaleren en handelen en dit dicht bij de inwoner organiseren • Meer mensen vinden een plek op de arbeidsmarkt Toelichting In Veenendaal zien we graag dat jeugdigen opgroeien in een gezonde en veilige omgeving. Daar hebben ze immers hun hele leven profijt van. Ouders hebben hierbij een cruciale rol. We blijven daarom investeren in een goed opvoed- en opgroeiklimaat. Landelijk onderzoek geeft aan dat mensen die veel contact hebben met hun omgeving meer bereid zijn zich in te zetten voor anderen. Inwoners, mantelzorgers, zorgvrijwilligers, al dan niet in georganiseerd verband, kunnen elkaar ondersteunen en stimuleren om zich te ontwikkelen, hun talenten te benutten en op een prettige manier thuis te (blijven) wonen. Zo ontstaan er meer sociale netwerken in de wijk, die een ondersteunende en signalerende bijdrage leveren. Elkaar ontmoeten blijft belangrijk maar hoe en hoe vaak inwoners elkaar willen ontmoeten is aan henzelf. We geven steeds meer ruimte voor eigen initiatieven en een welzijnsorganisatie faciliteert waar nodig. Hierbij stimuleren we meer aandacht voor o.a.

sport en bewegen in de wijk, onderhoud groenvoorziening. Daarnaast ondersteunen we inwonersinitiatieven die een toegevoegde waarde hebben voor kwetsbare inwoners. We stimuleren inwoners om meer via hun eigen netwerk werk te vinden. Er zijn buurten in Veenendaal waar de inwoners wel betrokken zijn bij hun buurt, maar minder goed in staat zijn om zelf activiteiten te organiseren. Vaak is er juist in deze buurten wel behoefte aan buurtactiviteiten en een plek om elkaar te ontmoeten. In deze buurten wonen relatief meer kwetsbare inwoners en inwoners met complexe problemen die zorgmijdend gedrag vertonen. Inwoners, de wijkteams en de welzijnsorganisatie zetten zich hier actief in met preventie- en activeringsactiviteiten. Dit zorgt tegelijkertijd voor extra oren en ogen in de wijk. Als steeds meer inwoners zich inzetten voor elkaar, ontstaat ook steeds meer interactie tussen vrijwilligers en mantelzorgers, professionals, scholen, bedrijven en instellingen. Dit vraagt om een ander samenspel, met nieuwe rolverdelingen, waarin de partners samen ontdekken hoe het beter kan. Van de gemeente vraagt dit om een faciliterende regierol, waarbij de gemeente duidelijke kaders aangeeft. Het vraagt ook om loslaten in combinatie met flexibiliteit en klantgerichtheid.

Om te faciliteren van waar de gemeenschap behoefte aan heeft en vanuit vertrouwen verantwoordelijkheden en taken uit handen te geven. Dit sluit naadloos aan op de veranderstrategie die we nastreven.

10

Vroeg signaleren en handelen organiseren we dicht bij de inwoner Niet alle inwoners die ondersteuning nodig hebben, zijn goed in beeld. Bijvoorbeeld inwoners die moeite hebben met het vinden van werk, zorg mijden, financiële problemen hebben, of gezinnen waar sprake is van huiselijk geweld. We willen deze inwoners beter in beeld krijgen, zeker als hun veiligheid of de veiligheid van hun omgeving in het geding is. Persoonlijk en vertrouwd contact is nodig om hen te bereiken en het liefst zo vroeg mogelijk. We gaan meer de wijk in en zoeken naar verbinding bij (vertrouwde) plekken in de wijk waar deze inwoners komen. Denk bijvoorbeeld aan buurtcentra, huisartsen en scholen. Vanzelfsprekend houden we hierbij oog voor de privacy van de inwoners (we volgen het gemeentelijk privacybeleid). En we kiezen bewust voor een faciliterende regierol waarbij we stimuleren dat nieuwe verbindingen in de wijk ontstaan of bestaande verbindingen met partners worden versterkt. Het vraagt een actieve faciliterende rol om deze verbindingen met elkaar te realiseren. Daarmee stellen we onze partners in de wijk in staat in contact te komen met inwoners die niet in beeld zijn.

3.3 Uitgangspunt 3: Waar nodig bieden we ondersteuning aan inwoners; licht en algemeen als mogelijk en complex en gespecialiseerd als het moet. Maatschappelijke doelen • Ondersteuning meer op maat voor wie dat nodig heeft • Inwoners staan hoger op de participatieladder • Keuzevrijheid blijven waarborgen Toelichting Veel inwoners zijn in staat hun vraag goed te formuleren en oplossingen te zoeken binnen hun eigen netwerk. Om dit laatste te bereiken, is wel een cultuuromslag nodig: het wordt eenvoudiger om binnen het eigen netwerk om hulp te vragen als dat maatschappelijk meer geaccepteerd is. Echter, soms kan het eigen netwerk onvoldoende hulp bieden. Het kan ook zijn dat inwoners ervaren dat hun eigen netwerk geen passend antwoord heeft op hun vragen en problemen. Of dat het grenzen overstijgt aan wat van een eigen netwerk (met name de mantelzorger) gevraagd kan worden. Als de problematiek daarom vraagt, is er altijd professioneel advies en/of ondersteuning beschikbaar. Samen met de inwoner maken we eerst de vraag goed helder en vervolgens bepalen we welke ondersteuning nodig is. Waar mogelijk zetten we daarbij in op lichte, algemeen toegankelijke, eenvoudige en kortdurende ondersteuning.

Zo krijgt de inwoner — naar vermogen — weer zo snel als mogelijk de regie over zijn/haar eigen leven en komen er steeds minder vragen terecht bij de (zwaardere) gespecialiseerde ondersteuning. Voorbeelden voor verschuiving naar meer algemene ondersteuning: • Met het organiseren van preventieve (groeps-) activiteiten — in de wijk, dicht bij de inwoners — vergroten we de zelfredzaamheid van kwetsbare inwoners. Denk bijvoorbeeld aan cursussen voor kinderen in echtscheidingssituaties en voorlichtingsavonden over dementie. • We stimuleren bedrijven werkplekken te creëren voor inwoners met een afstand tot de arbeidsmarkt. Ook stimuleren we dat het onderwijsaanbod goed aansluit op de vraag van werkgevers. Zo kunnen jeugdigen zich voorbereiden op een plek in de maatschappij die optimaal bij de bedrijven past. En zo zorgen we er samen met het onderwijs voor dat er perspectief is voor alle uitstromende leerlingen. • We faciliteren dat ondersteuning vanaf het begin zo goed mogelijk aansluit op de kansen en (ontwikkel) mogelijkheden van de inwoner. Deze (ontwikkel)mogelijkheden kunnen betrekking hebben op één of meerdere leefgebieden (opgroeien en opvoeden, arbeidsparticipatie en inkomen, zelfredzaamheid thuis en sociale participatie). Soms is eerst (zwaardere) gespecialiseerde ondersteuning nodig en kunnen we later volstaan met lichtere hulp.

• We zijn continu alert op op- en afschalingsmogelijkheden van ondersteuning. Zo zorgen we er bijvoorbeeld voor dat de balans tussen arbeidsmatige dagbesteding (zwaarder) en beschut werk (lichter) verbetert. • Daarbij gaan we meer gebruik maken van digitale ondersteuning zoals nog te ontwikkelen E-health. Door direct aan het begin de vraag goed helder te krijgen, kunnen we (gespecialiseerde) ondersteuning op maat bieden. Hierbij zijn we scherp aan de poort. We stimuleren dat de inwoner zoveel mogelijk zelf oppakt. De inwoner krijgt de ruimte om zelf een plan van aanpak op te stellen, binnen de wettelijke kaders en ondersteund met moderne (digitale) middelen. Binnen de Participatiewet is keuzevrijheid beperkt. Trajecten die gericht zijn op het werkfit krijgen van inwoners hebben een verplicht karakter. Voor inwoners die in de doelgroep banenafspraak zitten, bieden we zo veel mogelijk maatwerk. Bij ondersteuning vanuit de Jeugdwet

11

en de WMO houdt de inwoner de keuzevrijheid en ruimte voor identiteitsgebonden ondersteuning zoals we die nu al bieden. Het aantal aanbieders in Veenendaal is groot. Dit vraagt meer aandacht voor het elkaar kennen en kunnen vinden in de samenwerking, naast duidelijke kaders vanuit de gemeente. De inwoner die niet zelf hulp kan organiseren, krijgt de steun die nodig is. Niet iedereen is in staat zijn eigen regie te voeren. Daarnaast kan problematiek zo complex zijn dat ondersteuning bij de regie gewenst is. Bij deze cases bepaalt de benodigde kwaliteit de keuzes voor ondersteuning en de te betrekken instanties. Daarbij staat de oplossing centraal en wordt waar mogelijk naar beleidsruimte gezocht. Inwoners met complexe problematiek ervaren steeds meer dat casusregisseurs (professionals op regievoering), samen met ervaren hulpverleners de ondersteuning bieden die nodig is. We zorgen dat deze professionals hun kwaliteiten en deskundigheid, die nodig zijn voor deze complexe cases, verder gaan ontwikkelen. Zij krijgen de ruimte om hun werk optimaal uit te voeren en we verwachten dat zij hun werk goed organiseren en de resultaten monitoren. De inwoner heeft zelf ook een verantwoordelijkheid voor het behalen van het gestelde resultaat van de ondersteuning. We accepteren dat bij sommige cases het ontwikkelpotentieel beperkt is.

Het stabiliseren van de situatie is dan het meest haalbare. De ondersteuning sluit hierop aan. De gemeente blijft procesregisseur voor de meest complexe cases waar de veiligheid van de betrokkene en/of zijn omgeving in het geding is. Wanneer nodig zetten we dwang in; niet mee willen werken door de betrokkene kan leiden tot consequenties voor de ondersteuning. Wanneer mogelijk schalen we af naar lichtere vormen van ondersteuning. We richten onze aandacht steeds meer op een goede balans tussen op- en afschaling zodat inwoners met complexe problemen de ondersteuning krijgen die echt nodig is. In een crisissituatie zetten we bijvoorbeeld tijdelijk specialistische ondersteuning in en blijft na afschaling iemand in de wijk beschikbaar om op terug te vallen. Soms is snelle hulp geboden en is wachten op toewijzing niet gewenst. Afspraken met aanbieders hierover evalueren we regelmatig.

3.4 Uitgangspunt 4: Voor ondersteuning aan inwoners op meerdere leefgebieden boeken we winst door verbinding. Maatschappelijke doelen • Toegang voor de inwoner verder versimpelen • Verbinding versterken als dit een positief effect heeft op de kwaliteit, financiën en/of organisatie Toelichting Op dit moment zijn in Veenendaal de taken per domein georganiseerd. Voor inwoners is het onderscheid in de huidige domeinen niet relevant. Inwoners willen zo snel mogelijk passende ondersteuning. De meeste inwoners zijn in staat hun vraag goed te formuleren. Deze inwoners vinden kwalitatief goede ondersteuning en keuzevrijheid belangrijk. Als deze niet beschikbaar is, zoekt deze inwoner andere wegen om de gewenste ondersteuning te vinden. Omdat de inwoner hier op eigen kracht ondersteuning zoekt, is het goed om de toegang voor deze inwoners hier goed op aan te laten sluiten. Winst door verbinding door één toegang voor advies, individuele (inkomens)ondersteuning en indicatie De inwoner benadert de digitale toegang met een digitale hulpwijzer. Zo willen we binnen het sociaal domein steeds gebruik maken van de moderne media die op dat moment beschikbaar zijn. Op basis van de vraag die met een hulpwijzer is geformuleerd, wordt de inwoner gewezen op zijn eigen mogelijkheden om zijn vragen op te lossen (zoals het zelfstandig zoeken naar werk).

Ook kan de inwoner worden doorgeleid naar een gesprek. In dit gesprek bespreekt inwoner de mogelijke ondersteuning. Als het gesprek leidt tot een doorverwijzing, pakt de inwoner dit zelf verder op. Daarbij wordt de inwoner zo nodig gewezen op informatie over de kwaliteit/tevredenheid van de aanbieders op het betreffende ondersteuningsaanbod. De plek waar deze afspraak plaatsvindt, is voor een inwoner minder belangrijk. Mogelijk kunnen we de inwoner keuzes aanbieden, bijvoorbeeld in een integraal kind centrum (IKC), een gebouw in de buurt, het gemeentehuis, een kerk, etc. Voor inwoners met een zorgvraag die moderne middelen niet kunnen gebruiken, blijft direct persoonlijk contact mogelijk. Naar verwachting zal deze behoefte dalen maar altijd blijven bestaan. Bij vragen over inkomensondersteuning ligt dit anders. De eigen kracht van de inwoner wordt gestimuleerd door te sturen op het gebruik van moderne middelen. Voor de (vroeg)signalering bij inwoners met zorgmijdend gedrag (zie uitgangspunt 3.3) wordt het contact gezocht via vindplaatsen in de wijk zoals buurtcentra, huisartsen en scholen.

12

Winst door verbinding met sociaal domeinbrede arrangementen We willen in onze ondersteuning de verbinding verder versterken als dit een positief effect heeft op de kwaliteit, financiën en/of organisatie. Dankzij de eenduidige toegang kunnen we winst door verbinding sneller signaleren. We monitoren iedere casus en over de volle breedte van het sociaal domein. Op basis van gegevens die de gemeente zelf aanlevert en door het CBS bewerkt worden, komt het CBS tot een eerste beeld voor stapeling van voorzieningen in 2016, weergegeven in onderstaande figuur4. STAPELING VOORZIENINGEN OP INWONERSNIVEAU Veenendaal 2016

70

65

Clienten per 1.000 inwoners

60 50 40 30

25

20 10

10

0

0 1 voorziening

2 voorzieningen 3 voorzieningen

4 of meer voorzieningen

We zien dat er bij 35% van de individuen die een beroep doen op een individuele voorziening sprake is van stapeling. Dat wil zeggen: dat bij deze inwoners er combinaties van verschillende voorzieningen uit één wet of de verschillende wetten zijn. Kijken we naar het niveau van huishoudens dan zien we het volgende beeld. STAPELING SOCIAAL DOMEIN OP HUISHOUDENNIVEAU; EERSTE HALF JAAR 2016

Figuur: Inzicht in stapeling over de wetten heen in sociaal domein op huishoudenniveau per 1.000 huishoudens in gemeente Veenendaal over het eerste half jaar van 2016.

De bovenstaande figuur laat zien dat de stapeling van voorzieningen binnen huishoudens regelmatig voorkomt. In het Projectenboek sociaal domein 2018 gaan wij de raad meer inzicht geven in welke combinaties van voorzieningen op individueel niveau en binnen huishoudens veel voorkomen. Met dat inzicht kunnen we gerichter bepalen waar winst door verbinding te realiseren valt.

4

Bron: https://www.waarstaatjegemeente.nl/jive/report?id=gmsd&input_geo=gemeente_345

13

Naar mate het aantal ervaringsjaren toeneemt, krijgen we een steeds beter beeld van waar en hoe we winst kunnen behalen op het gebied van kwaliteit, financiën en organisatie. Door sociaal domein brede monitoring analyseren wij waar nieuwe mogelijkheden voor arrangementen zijn. Deze arrangementen kunnen consequenties hebben voor de organisatie en inkoop. Inwoners gaan dit ervaren: ondersteuning door verschillende aanbieders zal steeds minder vaak voorkomen. In plaats daarvan krijgen inwoners specifieke arrangementen aangeboden als deze een hogere kwaliteit en effectiviteit geven. Zij worden niet meer in het hokje van Wmo, jeugd of participatie gezet. Ons ideaal is dat de inwoner geen hinder meer ervaart van de verdeling van middelen voor ondersteuning of van uiteenlopende belangen van aanbieders en/of andere organisaties. Winst door verbinding door intensieve regie bij inwoners met complexe problemen Voor inwoners waar de problematiek complex is, heeft intensieve regie meerwaarde. In de afgelopen jaren hebben we vanuit de casusregie geleerd dat bij ondersteuning op meerdere leefgebieden een gezamenlijk opgesteld plan van aanpak en gezamenlijk geformuleerde doelen tot betere resultaten leiden. De inwoner heeft bij het opstellen van dit plan van aanpak een belangrijke rol. Dit levert nu al winst door verbinding op en dat willen we doorzetten.

Ondersteuning voor inwoners bieden we op maat. Als een inwoner of een huishouden op meerdere leefgebieden ondersteuning krijgt en als die diverse vormen van ondersteuning op elkaar van invloed zijn, zorgen we voor verbinding en regie. Dit met respect voor de privacy en het beroepsgeheim. Het uitgangspunt daarbij is één huishouden, één plan, bij voorkeur onder regie van de inwoner zelf. Als de verschillende typen ondersteuning sterk met elkaar vervlochten zijn, ontwikkelen we specifieke arrangementen zodat de inwoner de ondersteuning ervaart als een geheel. Door onze monitoring te versterken kunnen we cijfermatig eenvoudiger signaleren bij welke combinaties we winst door verbinding (kunnen) behalen. Winst door verbinding met eenduidige werkwijze De hierboven beschreven toegang voor advies, individuele (inkomens)ondersteuning en indicatie vragen om meer eenduidigheid van de organisaties binnen het sociaal domein. De domeinen moeten de komende jaren hun werkwijze meer op elkaar aansluiten door in taken zoveel mogelijk dezelfde indeling te hanteren. Dat is nu nog niet het geval (zie bijlage 3). Activering, verbinding en vroeg signalering Sociaal Domein

Integraal collectief aanbod in de wijk (op vindplekken voor vroeg signalering)

Algemeen toegankelijke ondersteuning

Vraagverheldering en indicering

1 toegang voor ondersteuning en/of Indicatie/ toewijzing.

Gespecialiseerde ondersteuning Jeugdhulp-, zorg en re-integratie aanbieders.

Hiervoor gaan we een eenduidige indeling in taken hanteren: Het zetten van de scheidslijn tussen de taken blijkt soms complex bijvoorbeeld omdat een eenduidige werkwijze het maatwerk van ondersteuning in de weg zit. De nieuwe indeling moet ons helpen meer eenduidigheid in de werkwijze te brengen, maar moet geen doel op zich worden. Winst door verbinding door samenwerken met netwerkpartners en in de regio Ondersteuning op maat op alle leefgebieden bieden we samen met onze aanbieders en netwerkpartners die buiten de gemeentelijke verantwoordelijkheid vallen zoals bijvoorbeeld het onderwijs, huisartsen, zorgverzekeraars, werkgevers en politie. Vanuit het belang van de inwoner en het besef dat we elkaar nodig hebben om te zorgen voor het welbevinden van inwoners, zoeken we de verbinding. Ook blijven we binnen het sociaal domein samenwerken in verschillende regionale verbanden. Ook hier beoordelen we de meerwaarde op kwaliteit, financiën en organisatie. Per domein kan dit tot verschillende uitkomsten leiden. Zo zien we vooral bij gespecialiseerde jeugdhulp, werkgeversdienstverlening en passend onderwijs veel meerwaarde in het regionaal samenwerken (naast het verplichtende karakter van de wetten). We zoeken onze samenwerking bij voorkeur met de FoodValleygemeenten.

14

3.5 Uitgangspunt 5: We voeren regie op de resultaten van ondersteuning. Maatschappelijke doelen • Inwoners krijgen meer de regie over de manier waarop ondersteuning wordt geboden. • De gemeente neemt bij voorkeur een faciliterende rol aan om de eigen rol van inwoners en de kracht van de samenleving te stimuleren. • We willen meer sturen op kwaliteit en effectiviteit van aangeboden ondersteuning. • Inwoners krijgen vaker specifieke arrangementen aangeboden als deze een hogere kwaliteit en effectiviteit geven. Beleidssturing en monitoring op de volle breedte van het sociale domein ondersteunt dit. Toelichting Bij het bieden van ondersteuning binnen het sociaal domein, gaan we ervan uit dat de inwoner zelf de regie voert. Veel inwoners willen dit graag, maar dat geldt niet voor iedereen en is niet altijd mogelijk. Bijvoorbeeld bij dwang en drang als veiligheid in het geding is en het accepteren van werk vanuit een uitkeringssituatie. Inwoners die zelf de regie voeren, krijgen meer de ruimte om zelf te bepalen hoe zij hun leven willen inrichten, welke keuzen zij daarin maken en hoe zij daarbij ondersteund willen worden. Dit kan op gespannen voet staan met het maatschappelijk en economisch belang en wat vanuit professioneel oogpunt als wenselijk wordt gezien.

Onderling vertrouwen is hiervoor de basis: het vertrouwen in de juiste intentie én de competentie van inwoners en professionals om in te zetten wat nodig is: niet meer en niet minder. Omdat we de eigen rol van inwoners en de kracht van de samenleving willen versterken, kiezen we als gemeente bij voorkeur voor een faciliterende rol. Maar, zoals in hoofdstuk 2 beschreven, passen we bewust en onderbouwd onze rol aan wanneer meer doorzettingsmacht of scherpere gemeentelijke beleidskaders nodig zijn. We stemmen onze rol steeds af op wat in de concrete situatie gevraagd en gewenst is. Bij de sturing op de kwaliteit en effectiviteit van de ondersteuning, die onze aanbieders aan de inwoners bieden, past een faciliterende regierol. We verwachten dat onze aanbieders monitoren op de resultaten van de ondersteuning. Daarover maken we duidelijke afspraken. Met de ontwikkeling van het dashboard sociaal domein en de beschikbaarheid van andere informatiebronnen (evaluaties, cliënttevredenheidsonderzoeken, waarstaatjegemeente.nl, etc.) kunnen we, samen met onze partners, steeds meer sociaal domein breed sturen op de kwaliteit en effectiviteit van de ondersteuning. In onze accountgesprekken met aanbieders sturen we op basis van deze monitoringsgegevens.

Hierbij bespreken we ook (innovatie) mogelijkheden die tot meer ondersteuning op maat leiden, de zelfregie van de inwoner stimuleren en de ontwikkelpotentie van de inwoner benutten.

3.6 Model Veenendaal: de kracht van onze samenleving De uitgangspunten van model Veenendaal zijn ongewijzigd. Uitgangspunt 4 hebben we concreter gemaakt. Gezien de toelichting op de uitgangspunten is model Veenendaal aangepast. De uitgangspunten voor model Veenendaal zijn: 1. Iedereen is naar vermogen maatschappelijk actief 2. Ondersteuning is gericht op het stimuleren van de eigen kracht van inwoners en hun netwerk. Dit vraagt om maatwerkondersteuning, waarbij de inwoner centraal staat. 3. Waar nodig bieden we ondersteuning aan inwoners; licht en algemeen als mogelijk en complex en gespecialiseerd als het moet. 4. Voor ondersteuning aan inwoners op meerdere leefgebieden boeken we winst door verbinding. 5. We voeren regie op de resultaten van ondersteuning Bij het realiseren van onze uitgangspunten werken we vanuit de vraag van de inwoner. We onderscheiden drie groepen inwoners; zelfredzame inwoners, kwetsbare inwoners en inwoners met complexe problemen. Bij het realiseren van onze uitgangspunten houden we deze drie groepen in gedachten; we werken vanuit de vraag van de inwoner. In onderstaande figuur geven we aan welke verschillende vormen van ondersteuning we in Veenendaal bieden en hoe we deze toegankelijk maken voor inwoners met ondersteuningsvragen.

Voor een individuele inwoner met een ondersteuningsvraag is aangegeven welke stappen hij doorloopt bij het vinden van passende ondersteuning. Onderstaand zijn deze stappen toegelicht. Idealiter legt hij hierbij de weergegeven route af. 15

Sociaal Netwerk

Gespecialiseerde Ondersteuning

Indicatie & Ondersteuning

Looprichting bewoner

Model Veenendaal

Vrijwilligers Initiatieven

Activiteiten Welzijn

Richting van ondersteuning

De inwoner met een ondersteuningsvraag binnen het sociaal domein De basis van Model Veenendaal zijn de inwoners zelf. Een inwoner die een probleem heeft op sociaal vlak (op één of meer van de leefgebieden opvoeden en opgroeien, arbeidsparticipatie en inkomen, zelfredzaamheid thuis, sociale participatie) en niet in staat is om dit zelf op te lossen zoekt advies of ondersteuning. Een zelfredzame inwoner zoekt advies en ondersteuning bij voorkeur dichtbij, in zijn sociale netwerk (gezinsleden, familie, buren, vrienden, kennissen, scholen, werkgevers, kerken, sportverenigingen sociale media) en/ of ondersteuning vanuit vrijwilligersinitiatieven (bijvoorbeeld bewoners- en patiënteninitiatieven, vrijwilligersorganisaties) Inwoners met ondersteuningsvragen kennen deze mogelijkheden en maken hier gebruik van. Deze vorm van ondersteuning is maatschappelijk geaccepteerd; inwoners willen meer voor en met elkaar doen maar houden rekening met de grenzen van deze vrijwillige vorm van ondersteuning. Wanneer een inwoner niet in staat is maatschappelijk te participeren op eigen kracht en met hulp van mensen en organisaties in zijn omgeving, dan kan hij gebruik maken van zoveel als mogelijk collectieve activiteiten in de wijk.

De activiteiten welzijn ondersteunen de initiatieven, organiseert zelf collectieve activiteiten waar dat nodig is en signaleert of een inwoner in staat is zelf ondersteuning te zoeken. Voor kwetsbare inwoners zal deze ondersteuning (tijdelijk) niet afdoende zijn. Er zijn regelmatig problemen binnen het huishouden door persoonlijke problemen van de volwassene(n) en/of kind(eren). Deze kwetsbare inwoner zoekt ondersteuning via de (digitale) toegang. De inwoner ontvangt advies om zijn ondersteuningsvraag op te lossen en mogelijk (lichte vormen van) ondersteuning (bijvoorbeeld opgroei- en opvoedondersteuning, algemeen maatschappelijk werk, ambulante hulpverlening en lichte vormen van ondersteuning richting arbeidsparticipatie). Bij de ondersteuning betrekken professionals zoveel mogelijk de mensen en organisaties in het netwerk van de inwoner. Voor algemeen toegankelijke ondersteuning (bijvoorbeeld schoonmaakondersteuning) kan de inwoner zich rechtstreeks wenden tot de aanbieder. Als ondersteuning door gespecialiseerde aanbieders nodig blijkt, richt het gesprek zich op behoefte en noodzaak waarna indicatie en toewijzing van inkomensvoorzieningen en gespecialiseerde vormen van ondersteuning kan volgen. Dit zijn de meer complexe, specialistische en/of langdurige vormen van ondersteuning, voornamelijk door professionele krachten geboden. Inwoners met complexe problemen ervaren

16

hier ondersteuning op maat. De professionals leggen verbindingen met en zoeken naar mogelijkheden in de wijk en het sociale netwerk om de inwoner heen. Zo ontstaat een ondersteuningsarrangement, waarin de professional waar nodig de uitvoering in de dagelijkse praktijk coördineert. Hiermee is model Veenendaal geactualiseerd aan de hand van de stip op de horizon, het Veenendaalse sociaal domein dat wij voor 2030 voor ogen hebben.

17

HOOFDSTUK 4 MIDDELEN 4.1 Financiële context Sinds 1 januari 2015 is de gemeente verantwoordelijk voor de uitvoering van de Participatiewet, de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning. Met die wetten heeft de gemeente, in aanvulling op bestaande verantwoordelijkheden, nieuwe taken en verantwoordelijkheden gekregen. Om die goed uit te kunnen voeren heeft het Rijk door middel van een integratie-uitkering Sociaal Domein budget overgeheveld naar de gemeente. Het in de programmabegroting geraamde Veenendaalse budget voor oude en nieuwe taken is daarmee gegroeid naar een totaalbedrag van ongeveer 61 miljoen euro (2016) maar zal de komende jaren lager uitvallen vanwege nog door te voeren bezuinigingen. Dit bedrag beschouwen we als het budget sociaal domein. De gemeenteraad hanteert daarbij het uitgangspunt dat dit budget taakstellend is. Dit is bekrachtigd in het raadsprogramma De kracht van Veenendaal 2014 - 2018. Tot en met 2017 wordt budget voor de nieuwe taken via de algemene middelen door het Rijk beschikbaar gesteld in de vorm van een integratie-uitkering. Het gaat hierbij om een bedrag van afgerond 32 miljoen euro (2016). In de diverse circulaires zijn de middelen uit de integratie-uitkering nog verdeeld over de drie wetten. In de huidige gemeentebegroting zijn de door het Rijk berekende bedragen aangehouden (en verdeeld over de clusters Jeugd, Wmo en Participatie).

Per 2018 verdwijnt het door het Rijk gehanteerde onderscheid in de budgetten naar wet. Vanaf dat jaar worden de middelen voor de nieuwe taken volgens planning ongedifferentieerd toegevoegd aan de algemene middelen. Met het vaststellen van de kadernota 2017-2020 heeft de gemeenteraad aangegeven lokaal toe te willen werken naar het wegnemen van de scheiding in de budgetten voor het sociaal domein. Dit geeft flexibiliteit in de financiering van de verschillende taken die de gemeente uitvoert ten behoeve van de inwoners. In september 2016 heeft college besloten om de eerste begrotingstechnische stap richting het wegnemen van die scheiding te zetten in de kadernota 2018-2021. Het doel is de begroting zodanig in te richten dat zowel op clusterniveau als op het totaal van het sociaal domein verantwoord wordt. Tekorten en overschotten van de clusters worden met elkaar verrekend. Zo ‘ontschotten’ we de verantwoording van de kosten in het sociaal domein. Samenvoeging van budgetten gebeurt stapsgewijs Vanaf 2018 bepaalt de gemeenteraad welk deel van het totale budget (oude én nieuwe taken) zij wil inzetten voor het uitvoeren van de verschillende taken in het sociaal domein. Uit de huidige cijfers over voorzieningengebruik blijkt dat in beperkte mate samenhang is tussen verstrekte individuele ondersteuning Jeugd, Wmo en Participatie.

Daar waar ‘winst door verbinding’ ontstaat, zal sprake zijn van samenvoeging van budget. Dit zal gelden voor specifieke ondersteuningsarrangementen aan inwoners. Stapsgewijs doen we daarin concrete ervaringen op, hetgeen tot verdere ontschotting leidt. Winst door verbinding bij inkoop Bij nieuwe aanbestedingen wordt winst door verbinding op kwaliteit, organisatie en/of financiën gezocht. Door sociaal domein brede monitoring analyseren wij waar deze winst zit. In het inkoopkader voorafgaand aan de aanbesteding worden deze keuzes bepaald.

18

4.2 Wijkgericht werken in het sociale domein De kaders voor wijkgericht werken zijn: •  Meer uniformiteit en samenhang in de werkwijze, waaronder de toegang, in de wijk van de verschillende domeinen. De uitvoering van de drie domeinen is per domein georganiseerd. In de Visie Sociaal Domein worden deze drie domeinen integraal benaderd. Zo komt er één toegang, wordt de herkenbaarheid in de wijk vergroot, blijven we de eigen kracht stimuleren van zowel het individu, als wel die van de wijk en/of buurt. Om te zorgen dat we deze veranderingen sociaal domeinbreed realiseren in de wijken, brengen we meer samenhang en waar mogelijk en wenselijk uniformiteit in de manier van werken van de verschillende domeinen. • Duidelijkheid over hetgeen in de wijk moet worden georganiseerd en wat centraal. In de Visie Sociaal Domein is aangegeven dat we eerder willen signaleren en handelen en dat we dit dichtbij de inwoners organiseren. Dat betekent dat we de ‘0’-de lijn, basisinfrastructuur, moeten herijken en een verbinding moeten maken met de eerste lijn. We maken duidelijk hoe we dit gaan organiseren; wat en waar in de wijk en wat centraal. •  Het versterken van de basisinfrastructuur en stimuleren/benutten van de eigen kracht en samenkracht en de bewonersinitiatieven in de wijken.

De Visie Sociaal Domein geeft aan dat we de komende jaren het eigen netwerk van inwoners (nog) meer willen betrekken bij de ondersteuning. Sociale cohesie of sociale betrokkenheid is een belangrijke eigenschap voor de leefbaarheid binnen een buurt of wijk. Door sociale netwerken in de buurt, ontstaat meer verbondenheid en solidariteit in de buurt. Om dit te stimuleren zal in de wijken ingezet worden op: - Sociale en maatschappelijke participatie (deelnemen aan de samenleving) - Werken aan gedeelde opvattingen (hoe willen we met elkaar omgaan) - Verbondenheid met de wijk/buurt Sociale netwerken richten zich op verschillende niveaus. Bijvoorbeeld binnen het gezin of familie, maar ook in de buurten en wijken. Sociale netwerken zijn een randvoorwaarde om in de toekomst de sturing vanuit de wijken te gaan organiseren. Integratie van de regelingen voor initiatieven van bewoners op wijkniveau en de wijkambities zijn hierin een eerste stap.

19

BIJLAGE 1 SOCIAAL DOMEIN IN CIJFERS Hieronder hebben we enkele cijfers opgenomen die van belang zijn voor de ontwikkelingen binnen het sociaal domein. Van Veenendaal in 2015 … Op waarstaatjegemeente.nl, een website van het Kwaliteitsinstituut Nederlandse Gemeenten en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, staat het volgende profiel van Veenendaal in 2015:

Het profiel vergelijkt Veenendaal op verschillende punten met het Nederlandse gemiddelde. Rechts bovenin staan de groene en de grijze druk. Het gaat hier om de verhouding tussen de groene leeftijdsgroep (0-15 jaar) en de grijze leeftijdsgroep (65 jaar en ouder) enerzijds en de zogenaamde ‘productieve leeftijdsgroep’ van 1564 jaar anderzijds. De groene druk is in Veenendaal iets hoger en de grijze druk iets lager dan het landelijk gemiddelde. Dit beeld van Veenendaal is over de jaren heen behoorlijk stabiel.

20

De tabel hieronder laat zien hoeveel inwoners er in 2015 gebruik maakten van landelijke en lokale voorzieningen binnen het sociaal domein. Van de voorzieningen die de gemeente verstrekt, vallen de meeste binnen de Wmo. Ondersteuningsvorm

2015

Bijstandsuitkering

1.490 personen

Wmo maatwerkvoorziening

3.138 personen

Tweedelijns jeugdhulp

1.244 personen

Daarnaast is er het algemeen toegankelijke aanbod — een breed palet van groepsgerichte en individuele activiteiten — van het Centrum voor Jeugd en Gezin en Veens Welzijn. … naar Veenendaal in 2030 Op basis van het rapport Regionale bevolkings- en huishoudensprognoses 2016 - 2040 van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is de volgende bevolkingsprognose voor Veenendaal tot 2030(5) opgesteld. 2017

2020

2025

2030

Totaalomvang bevolking

63.500

63.800

64.700

65.400

0 – 19 –jarigen

16.200

15.800

15.100

14.900

20 – 64 –jarigen

36.300

36.000

36.200

35.800

65+ jarigen

11.000

12.000

13.500

14.600

Aantal huishoudens

26.600

27.200

28.400

29.100

Aantal eenpersoonshuishoudens

8.400

9.100

10.000

10.400

Aantal eenoudergezinnen

1.700

1.800

1.800

1.800

Het rapport geeft een uitvoerige beschrijving van ontwikkelingen binnen de landelijke bevolking. Hoewel die beschrijving niet één op één te vertalen is naar Veenendaal, hebben de verwachte trends zeker effect op de gemeentelijke activiteiten binnen het sociaal domein. Bij de landelijke prognoses is onder meer rekening gehouden met de volgende trends: • De gemiddelde levensverwachting voor mannen stijgt van 79 (2015) naar 84 (2040) en voor vrouwen van 83 (2015) naar 87 (2040). • Het aantal (eenpersoons) huishoudens neemt toe. Het gemiddeld aantal personen per huishouden wordt lager. • Ouderen blijven langer zelfstandig wonen en doen een beroep op de Wmo. • De potentiële beroepsbevolking groeit. • Jongeren tussen 17 en 22 jaar blijven langer thuis wonen. • Tot en met 2025 daalt het aantal basisschoolleerlingen, daarna stijgt het tot en met 2030 weer naar het niveau 2015. • Het gemiddeld aantal kinderen per vrouw stijgt licht: van 1,66 (2015) naar 1,75 (2040). Naar verwachting zullen de beschikbare middelen voor het sociaal domein niet evenredig meegroeien met het aantal inwoners dat gebruik maakt van voorzieningen binnen het sociaal domein. Tot en met 2020 hebben we te maken met een dalend budget.

5 In de Strategische Visie Veenendaal 2040 is een prognose voor Veenendaal als geheel opgegeven en is gebruik gemaakt van een andere wijze van prognosticeren. Voor 2030 zijn daar opgenomen: 68.910 (bevolking), 29.730 (aantal huishoudens) en gemiddeld 2,4 personen per huishouden.

21

BIJLAGE 2 LANDELIJK MAATSCHAPPELIJK BEELD UIT DE TOEKOMST TEGEMOET (SCP) Het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) heeft een belangrijke taak bij het monitoren en rapporteren van de Nederlandse samenleving. Vanuit die rol brengt zij regelmatig rapportages uit die een beeld geven van opvattingen in de maatschappij. In december 2016 heeft het SCP haar rapport “De toekomst tegemoet” gepubliceerd. In dit rapport heeft het SCP haar beschouwingen over het toekomstige leren, werken, zorgen, samenleven en consumeren. Werken Het SCP verwacht dat werk, meer dan nu, verbonden zal zijn met technologie; vaker een hoge scholing vereist en minder plaats- en tijdgebonden is. Ook voorzien de onderzoekers dat de opkomst van de ‘opafroepeconomie’ doorzet en een steeds groter deel van de werkenden relatief korte klussen voor wisselende opdrachtgevers zal doen. Het gevolg: weinig continuïteit in het werk; minder mogelijkheden om een loopbaan te plannen. De grenzen tussen werk en de andere domeinen zullen daarnaast waarschijnlijk vervagen, doordat werkenden in de toekomst ook meer moeten zorgen en leren. De combinatiedruk, die nu al wordt ervaren, zal hierdoor in de toekomst hoger worden. Al deze ontwikkelingen betekenen meer onzekerheid en vragen om een groot adaptatie- en anticipatievermogen.

Dit zal niet voor iedereen even gemakkelijk en haalbaar zijn, waardoor een groter deel van de bevolking buiten de boot kan vallen. Zorgen De centrale vraag voor het domein ‘zorgen’ luidt: hoe gaan we als samenleving voor elkaar zorgen in de toekomst? In de komende decennia ontstaat een grote zorgvraag dankzij de toename in aantal van de pluriforme groep ‘zorgbehoevende 75-plussers’. Daartegenover staat een kleiner wordende groep mantelzorgers, die zelf ouder en kwetsbaarder worden, en een kleiner wordende groep professionals, voor wie de loonkosten steeds hoger worden. Oplossingen voor dit zorgtekort worden onder meer gezocht in de technologie, in een andere organisatie van de professionele zorg aan huis, in nieuwe woonzorgvormen, in burgerinitiatieven en in de flexibilisering van arbeid en zorgtaken. Al deze oplossingen stellen specifieke eisen aan de zorgvragers en niet alle zorgvragers zullen aan deze eisen kunnen voldoen. Met name ouderen met minder sociale en technische vaardigheden lopen in de toekomst een groter risico om geen of onvoldoende zorg te ontvangen volgens het SCP. Samenleven Wat betreft ‘samenleven’ verwacht het SCP een voortzetting van de trend dat mensen steeds meer contacten hebben in steeds minder tijd. Geavanceerdere selectiemogelijkheden maken het ook steeds meer mogelijk gelijkgestemden te vinden buiten de eigen kring.

Een consequentie van deze ontwikkelingen is dat veel contacten oppervlakkiger zijn; dat zelfpresentatie belangrijker wordt en intimiteit en authenticiteit minder. Maar ook dat de variëteit aan relaties zal toenemen, nieuwe soorten relaties ontstaan, waarbij soms meer kan worden gedeeld met onbekenden dan met mensen uit de directe omgeving. Ook ontstaan contacten met ‘virtuele anderen’, zoals robots. Een mogelijke schaduwzijde van de toenemende selectiemogelijkheden is, volgens de onderzoekers, dat overbrugging tussen verschillende bevolkingsgroepen zeldzamer worden en spanningen toenemen. Niet iedereen profiteert Niet iedereen heeft voordeel van de mogelijkheden in de toekomst. Slimme woningen en producten liggen niet binnen ieders bereik. Bijvoorbeeld omdat ze voor sommigen te duur zijn. Daarbij vraagt een wereld waarin mensen meer eigen regie hebben, om meer zelfredzaamheid. Voor sommigen is dat een te grote uitdaging. Terwijl de ene persoon een optimale leercarrière weet samen te stellen op de juiste momenten in de levensloop, loopt de ander kansen mis door een gebrek aan mogelijkheden, overzicht of inzicht. Soortgelijke verschillen kunnen ontstaan op de andere terreinen. Voor iemand met veel hulpbronnen biedt een complexe en dynamische arbeidsmarkt een breed scala aan opties en uitdagingen.

Voor iemand die dat niet heeft, brengt iedere nieuwe werkdag nieuwe onzekerheden en onvoorspelbaarheid met zich mee. Wie sociaal vaardig is

22

en zelf veel te bieden heeft, kan de vruchten plukken van een groot en divers netwerk. Voor wie minder sociaal vaardig is, of om een andere reden minder populair, kan het moeilijker worden om aansluiting te vinden bij sociale netwerken. Ook voor (mantel)zorg heeft dat effecten. Met name ouderen met minder sociale en technische vaardigheden lopen in de toekomst een groter risico om onvoldoende zorg te krijgen.

23

BIJLAGE 3 ONDERSCHEID TAKEN PER DOMEIN NU EN IN DE TOEKOMST Huidig onderscheid binnen de vier typen taken Wmo Veens heeft de opdracht gekregen voor het activerende en verbindende welzijnswerk en algemeen toegankelijke ondersteuning voor inwoners met een hulpvraag (lichte ondersteuning in de vorm van luisteren, situatie op een rijtje zetten, informatie geven en praktische ondersteuning bieden). Vraagverheldering en indicering voor maatwerkondersteuning door een Wmo consulent vindt plaats als maatwerkondersteuning nodig wordt geacht. Maatwerkondersteuning wordt door de consulent geïndiceerd als de algemeen toegankelijke ondersteuning niet voldoende hulp biedt. Jeugd Veens heeft de opdracht gekregen voor het activerende en verbindende welzijnswerk waarbinnen o.a. het outreachend jongerenwerk valt. Het CJG biedt zowel algemeen toegankelijke ondersteuning voor jeugdigen (en ouders), doet de vraagverheldering en indicering voor maatwerkondersteuning. Tevens biedt het CJG zelf maatwerkondersteuning aan in de vorm van ambulante jeugdhulp. Het CJG verstrekt de indicatie voor gespecialiseerd ondersteuning; de regionaal ingekochte jeugdhulp. Ook huisartsen en medisch specialisten mogen (bij wet) verwijzen naar deze gespecialiseerde ondersteuning.

Participatie Algemeen toegankelijke ondersteuning is er op het gebied van minimabeleid (diverse kanalen) en schuld­ dienstverlening via het BudgetAdviesCentrum. Voor vraagverheldering en indicering is het gemeentelijke Loket Werk & Inkomen. Hier wordt getoetst op rechtmatigheid (heeft iemand recht op een uitkering) en gewerkt aan doelmatigheid (mensen zo snel mogelijk weer aan het werk helpen). Als bij de intake vermoed wordt dat een aanvrager in aanmerking komt voor een indicatie Doelgroepregister of Beschut werk wordt indicering aangevraagd bij het UWV. Gespecialiseerde ondersteuning wordt vooral geleverd door IW4: enerzijds aan de mensen met een indicatie voor de sociale werkvoorziening, anderzijds voor trajecten waarin mensen werkfit worden gemaakt. Schematisch ziet het onderscheid van de vier typen taakvelden per domein er nu als volgt uit: Activerend en verbindend welzijnswerk

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16459077/2