CConstaterende datVeenendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

6.a Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Hofje Zandstraat - toelichting

Raadscommissie 16 maart 2021, gemeente VeenendaalBij agendapunt: Raadsvoorstel Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Hofje Zandstraat14.842 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Planspecifiek

Het plangebied is in de toekomstige situatie in gebruik als verblijfslocatie voor personen. Vanuit de Wbb dient daarom bepaald te worden of de kwaliteit van de bodem in lijn is met het toekomstig functiegebruik. Daartoe is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 1. Uit het onderzoek blijkt dat achter op het terrein de bodem sterk is verontreinigd met PAK. Daarom wordt op basis van het advies uit het bodemonderzoek bij het bevoegd gezag RUG Utrecht een BUS-melding ingediend, uitgaande van een ernstig geval van verontreiniging. De kosten van de bodemsanering zijn bekend bij de ontwikkelaar en worden ook gedragen door de ontwikkelaar. De resterende kwaliteit van de bodem is in lijn met de beoogde functie.

bestemmingsplan

25

bestemmingsplan Hofje Zandstraat

5.1.3

Conclusie

Het initiatief is daarmee uitvoerbaar vanuit het aspect bodem.

5.2

Archeologie

5.2.1

Wettelijk kader

Vanaf 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. De Erfgoedwet hanteert de beschermingsniveaus zoals die in de vorige regelingen golden. Voor de vergunningverlening van een beschermd archeologisch monument, het verbod tot beschadigen of vernielen van een rijksmonument en de bescherming van stads- en dorpsgezichten geldt dat de huidige situatie in de Monumentenwet 1988 van kracht blijft tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Deze regels zijn ongewijzigd overgenomen in de Erfgoedwet. Doelstelling van de wetten is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Zo nodig worden in bestemmingsplannen regelingen opgenomen om de omgang met verwachte archeologische waarden om te gaan. Om de noodzaak van deze regelingen te bepalen is inzicht nodig in de archeologische waarde van het grondgebied en in bijzonder het plangebied. Op basis van onderzoek in heel de gemeente Veenendaal is in 2011 archeologisch beleid vastgesteld met bijbehorend kaartmateriaal. In 2018 is deze kaart geactualiseerd. De archeologische waarden van de geactualiseerde kaart zijn opgenomen in het Parapluplan 2020, dat ten tijde van dit schrijven als ontwerpbestemmingsplan ter inzage ligt. 5.2.2

Planspecifiek

Omdat het plan gepaard gaat met bodemingrepen, is de archeologische beleidskaart geraadpleegd. Daaruit blijkt dat de locatie deels een zeer hoge en deels een hoge archeologische verwachting heeft (figuur 5.1), waardoor een archeologisch onderzoek is uitgevoerd.

26

bestemmingsplan

bestemmingsplan Hofje Zandstraat

Figuur 5.1: Archeologische beleidskaart gemeente Veenendaal met globale aanduiding plangebied(Raap, 2018)

Op basis van het archeologisch vooronderzoek (Bijlage 2) moet de hoge archeologische verwachtingswaarde voor het plangebied worden behouden. Een archeologisch vervolgonderzoek is daarom noodzakelijk. Dit is uitgevoerd worden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (Bijlage 3). Daaruit blijkt dat de archeologische verwachting naar 'laag' kan worden bijgesteld. De dubbelbestemming voor archeologie is om die reden van het plangebied verwijderd. 5.2.3

Conclusie

Uit het archeologisch onderzoek is gebleken dat de verwachtingswaarde naar 'laag' kan worden bijgesteld. Nader onderzoek is niet benodigd.

5.3

Cultuurhistorie

5.3.1

Wettelijk kader

In 2010 is in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.

bestemmingsplan

27

bestemmingsplan Hofje Zandstraat

RAAP en het Monumenten Advies Bureau hebben in de periode augustus 2017 - voorjaar 2018 de archeologische waarden- en verwachtingskaart geactualiseerd en een cultuurhistorische waardenkaart opgesteld voor de gemeente Veenendaal. De cultuurhistorische waardenkaart bestaat uit kenmerkenkaarten voor de disciplines landschap en gebouwde omgeving, uit waardenkaarten voor diezelfde aspecten, uit een viertal themakaarten en uit een integrale ensemblekaart, waarop de gebieden die staan die – samen met de sectorale landschappelijke en gebouwde kaarten – het palet aan cultuurhistorisch erfgoed van de gemeente Veenendaal laten zien. Het geactualiseerde cultuurhistorische beleid is nog niet door de gemeenteraad vastgesteld, maar biedt al wel het kader waar ruimtelijke plannen aan getoetst kunnen worden. 5.3.2

Planspecifiek

De Zandstraat De Zandstraat is een deel van de oorspronkelijk 16e-eeuwse hoofdstructuur van de veenontginning en al eeuwenlang ook één van de hoofdbebouwingslinten in Veenendaal. Het oostelijke deel van de straat (ten oosten van Weverij) heeft aan de zuidzijde een deels historische, dicht bebouwde straatwand behouden. De bebouwing bestaat uit vrijstaande geschakelde woningen of winkelpanden van één of twee bouwlagen met kap, de oudere bebouwing dateert hoofdzakelijk uit de eerste helft van de 20e eeuw. In het bijzonder aan de zuidzijde van de straat bleven spaarzame relicten van oude verkavelingsstructuren intact. Het ensemble onderscheidt zich, ondanks de wijzigingen, nog steeds als goed herkenbaar “historisch lint” binnen het stedelijk weefsel van Veenendaal en is daarom van cultuurhistorische waarde. Met voorliggend plan wordt het kerkje behouden en gerestaureerd. De nieuwe bebouwing vindt plaats achter het lint en krijgt een lagere bouwhoogte dan de bebouwing direct aan het lint. Daarmee blijft het historische lint zijn belangrijkste kenmerken behouden. Het kerk je Naar landelijke maatstaven heeft de gemeente Veenendaal veel inwoners met een christelijke geloofsovertuiging. Van oudsher kent de gemeente een groot aantal gezindten en speelt het geloof een belangrijke rol in het openbare leven, politiek, onderwijs en verenigingsleven.

Een en ander heeft geresulteerd in een rijk en boeiend kerkenlandschap, het meest zichtbare aspect van het religieuze gebouwde erfgoed in de gemeente Veenendaal. In de cultuurhistorische waardenkaart met als thema 'religie' is ook “Eben-Haezer” aan de Zandstraat opgenomen. Het kerkje behoort daarmee tot het religeus erfgoed van de gemeente Veenendaal. Het kerkje is beschermd als gemeentelijk monument en is een van de 108 gemeentelijke monumenten in Veenendaal. De ontwikkeling bestaat uit het herontwikkelen van het plangebied naar een zorglocatie, waarbij achteruitgang en verval van de historische locatie wordt tegengegaan. De kerk wordt in overleg met Welstand gerestaureerd en het terrein wordt opgeknapt. De cultuurhistorisch waardevolle locatie wordt middels voorliggend plan opgeknapt en krijgt een nieuwe functie toegekend, zodat het ook in de toekomst onderhouden en gebruikt kan worden. De Historische Vereniging Oud Veenendaal stelt zich ten doel het behouden of doen behouden van al hetgeen uit historisch oogpunt van belang geacht kan worden, voor zover dit betrekking heeft op de gemeente Veenendaal en directe omgeving. Met name is de vereniging gericht op het instandhouden van historische monumenten en gebouwen. Voorliggende ontwikkeling is met de vereniging besproken en zij onderschrijven het plan, zie Bijlage 7.

Molenbiotoop Het plangebied is gelegen in een molenbiotoop van De Nieuwe Molen. Om de vrije windvang van de molen te garanderen en om het zicht op de molen veilig te stellen, gelden er binnen de molenbiotoop restricties voor de bouwhoogte. Deze restricties zijn geborgd in de Vigerende bestemmingsplannen. Daaruit blijkt dat er in het plangebied tot maximaal 16,8 meter hoog gebouwd mag worden (zie paragraaf 1.3). Het plan voldoet hier ruimschoots aan - de maximale hoogte van de nieuwbouw wordt 7,5 meter. In voorliggend bestemmingsplan zal de aanduiding van de molenbiotoop eveneens worden opgenomen als gebiedsaanduiding.

28

bestemmingsplan

bestemmingsplan Hofje Zandstraat

5.3.3

Conclusie

Met het plan voor het hofje aan de Zandstraat wordt een cultuurhistorisch waardevolle locatie in ere hersteld zonder de historische kenmerken van het lint Zandstraat aan te tasten. De monumentale kerk wordt gerestaureerd en het omliggende terrein wordt opgeknapt. De bouwhoogte is niet in strijd met de regels van de molenbiotoop. Vanuit het aspect cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen voor de ontwikkeling.

5.4

Ecologie

5.4.1

Wettelijk kader

De Wet natuurbescherming is gericht op: Het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies. De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (de zorgplicht). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden.

Soortbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; Soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Gebiedsbescherming Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In het NNN liggen onder andere bestaande natuurgebieden en alle Natura 2000gebieden. Het NNN is op provinciaal niveau uitgewerkt en middels ruimtelijke nota's en verordeningen voorzien van juridische doorwerking. In sommige provincies bestaan er naast het NNN ook nog andere groene zones die een zekere mate van bescherming genieten.

bestemmingsplan

29

bestemmingsplan Hofje Zandstraat

5.4.2

Planspecifiek

Voorliggend plan heeft tot gevolg dat de bestaande leegstaande kerk wordt gerenoveerd. Tevens ligt er op 2,3 km ten zuidoosten van het plangebied het natura 2000-gebied 'Binnenveld'. Om de effecten van dit plan vanuit soort- en gebiedsbescherming te kunnen beoordelen, is een quickscan Flora & Fauna uitgevoerd (Bijlage 4). Specifiek voor het deelaspect stikstofdepositie is een voortoets stikstofdepositie uitgevoerd (Bijlage 5). De belangrijkste uitkomsten van beide onderzoeken zijn in het vervolg van deze paragraaf opgenomen. Soortbescherming Het plangebied heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels (in het kader van de Algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Om te bepalen of er vanuit stikstofdepositie sprake is van negatieve effecten op het Natura 2000-gebied 'Binnenveld' is een voortoets stikstofdepositie opgesteld. Als gevolg van de ontwikkelingen in het plangebied waarvoor de berekeningen zijn uitgevoerd neemt de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden zowel in de gebruiksfase als in de aanlegfase niet toe.

Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Het aanvragen van een Wnb-vergunning is daarom niet nodig voor dit project. 5.4.3

Conclusie

Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect ecologie zoals bepaald in de Wro (art 3.1.6. Bro).

5.5

Luchtkwaliteit

5.5.1

Wet luchtkwaliteit

In het kader van het Besluit luchtkwaliteit is het van belang om bij een ruimtelijk plan te kijken welke invloed het plan heeft op de luchtkwaliteit. In deze wet is van bepaalde projecten getalsmatig vastgelegd dat ze "niet in betekenende mate" (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. In de Regeling NIBM is een lijst met van projecten (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Voor woningbouwlocaties geldt dat voor maximaal 1.500 woningen (in geval van één ontsluitingsweg) of 3.000 woningen (in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling) geen beoordeling op luchtkwaliteit meer hoeft plaats te vinden (bijlage 3a van het Besluit NIBM). Aangezien het voorgenomen plan de realisatie van negentien woningen betreft, voldoet het plan aan de NIBM grens en draagt dus niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Nadere toetsing van het plan aan de Besluit Luchtkwaliteit is daarom niet noodzakelijk. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het plan. 5.5.2

Luchtkwaliteit ter plaatse

Vanuit de wet milieubeheer gelden grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5). In de navolgende tabel wordt een overzicht gegeven van deze grenswaarden en van de waarden ter plekke van het plangebied. Daaruit blijkt dat de huidige bekende achtergrondconcentraties en de verwachte achtergrondconcentraties ruim lager zijn dan de grenswaarden. Stof

Jaar 2018

Jaar 2030

Grenswaarde

NO2

18-20 µg/m3

12-14 µg/m3

40 µg/m3

PM10

20-21 µg/m3

18-19 µg/m3

40 µg/m3

PM2,5

13-13,5 µg/m3

10,5-11 µg/m3

25 µg/m3

30

bestemmingsplan

bestemmingsplan Hofje Zandstraat Grenswaarden luchtkwaliteit en waarden ter plekke v an het plangebied (bron waarden plangebied: Geoloket)

De World Health Organisation (WHO) en Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) hanteren advieswaarden voor fijn stof en zeer fijn stof van respectievelijk 20 µg/m3, en 10 µg/m3. Dit ligt duidelijk lager dan de wettelijke grenswaarden. Zoals uit bovenstaande tabel blijkt, is zal de jaargemiddelde concentratie van (zeer) fijn stof verder afnemen in de toekomst. De toekomstige concentratie van PM10 voldoen in 2030 aan de advieswaarde. De concentratie PM2,5 voldoet in de toekomst nog niet helemaal aan de advieswaarde, maar is wel verlaagd ten opzichte van 2018. De huidige en toekomstige waarden zijn acceptabel voor een goed woon- en leefklimaat. 5.5.3

Conclusie

De gewenste ontwikkeling kan gezien worden als project wat 'niet in betekende mate' van belang is voor de luchtkwaliteit, waardoor het effect van het project op de luchtkwaliteit niet getoetst hoeft te worden. Andersom gezien blijkt uit de concentratie NO2, PM10 en PM2,5 dat de luchtkwaliteit ter plekke van het plangebied acceptabel is voor een goed woon- en leefklimaat. Geconcludeerd kan worden dat er geen belemmeringen zijn vanuit het aspect luchtkwaliteit.

5.6

M.e.r.-beoordeling

5.6.1

Wettelijk kader

Voor activiteiten die belangrijke milieugevolgen kunnen hebben, is het verplicht een milieueffectrapporate (m.e.r.) uit te voeren en een Milieu Effect Rapport (MER) te maken. Hiermee krijgt het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming. De m.e.r. onderzoekt de milieugevolgen van een plan of een besluit en (milieuvriendelijker) alternatieven. Een plan of besluit is m.e.r.-plichtig in een van de volgende situaties: in het Besluit milieueffectrapportage, artikel 7.4 bijlagen C en D zijn activiteiten aangewezen waarvoor direct een m.e.r.-plicht geldt; een m.e.r.-plicht kan volgen uit een passende beoordeling in het kader van de Wet Natuurbescherming; op grond van de provinciale milieuverordening kunnen aanvullend op het Besluit m.e.r. activiteiten worden aangewezen waarvoor een m.e.r.-plicht geldt. Een aantal activiteiten op kleinere schaal zijn m.e.r.-beoordelingsplichtig als een indicatieve drempelwaarde uit bijlage D wordt overschreden. Ook als de drempelwaarden niet worden overschreven kan in overleg worden bekeken of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling, omdat er mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Er kunnen twee uitkomsten zijn: als de conclusie is dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden hoeft er geen m.e.r.-procedure te worden doorlopen.

Dit wordt in het betreffende plan of besluit gemotiveerd en moet ook formeel bekend worden gemaakt door het bevoegd gezag; als belangrijke nadelige milieugevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. 5.6.2

Planspecifiek

Het onderhavige plan behelst het toevoegen van in totaal 19 nieuwe zorgappartementen en –studio's en blijft daarmee (ver) onder de drempel van 2000 woningen uit bijlage D. Daarom kan volstaan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voorliggend bestemmingsplan is die vormvrije m.e.r.-beoordeling omdat in het kader van dit bestemmingsplan de belangrijkste milieuaspecten in beeld zijn gebracht. In lijn met 'Bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten' is in deze toelichting ingegaan op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling welke een forse invloed heeft op het milieu in de omgeving. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. In aanvulling hierop is een voortoets stikstofrapportage opgesteld (Bijlage 5). De belangrijkste conclusie is dat de stikstofdepositie in de aanlegfase en de gebruiksfase door dit plan op omliggende Natura 2000-gebieden niet toeneemt. Verder onderzoek is in het kader van Besluit milieueffectrapportage is niet nodig: het plan is niet mer-plichtig.

bestemmingsplan

31

bestemmingsplan Hofje Zandstraat

5.6.3

Conclusie

Belangrijke milieugevolgen als gevolg van deze ontwikkeling kunnen worden uitgesloten, waardoor het plan doorgang kan vinden zonder een milieueffectrapportage op te stellen.

5.7

Geluid

5.7.1

Wettelijk kader

In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) liggen er zones rond wegen en spoorlijnen en gezoneerde industrieterreinen. Wegen op een woonerf of met een maximumsnelheid van 30 km/uur hebben geen zone. Binnen een zone moet voor het realiseren van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen, onderzoek worden gedaan naar de geluidbelasting. Binnen de geluidszone geldt een voorkeurswaarde voor de geluidsbelasting ter plaatse van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen of terreinen. Hierbij geldt een afzonderlijke toetsing per weg, spoorweg of industrieterrein. Bij overschrijding van de voorkeurswaarde moet worden onderzocht of geluid reducerende maatregelen getroffen kunnen worden, waarbij de volgorde bron- overdracht- en ontvangermaatregelen de voorkeur geniet. 5.7.2

Planspecifiek

Doordat het plangebied gelegen is binnen de geluidszone, is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 6. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt door wegverkeer op de gezoneerde wegen niet overschreden. Het aanvragen van een hogere waarde voor de woningen is niet aan de orde. De geluidsbelasting door alle wegen samen (incl. 30 km wegen) bedraagt ten hoogste 44 dB zonder aftrek. Met inachtneming dat er aan de eisen voor de geluidwering conform het Bouwbesluit wordt voldaan is er ook sprake van een goede ruimtelijke ordening voor de woningen 5.7.3

Conclusie

Het plan is daarmee uitvoerbaar vanuit het aspect geluid.

5.8

Bedrijven en milieuzonering

5.8.1

Wettelijk kader

Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Deze systematiek wordt milieuzonering genoemd. De VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009)' is het hulpmiddel bij de uitwerking van de milieuzonering in het bestemmingsplan. Op basis van de activiteiten kunnen bedrijven worden ingedeeld in milieucategorieën als indicatie voor milieuhinder. Daarbij worden de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar meegenomen. In de publicatie zijn richtafstanden opgenomen, welke bij voorkeur aangehouden dienen te worden ten opzichte van gevoelige objecten. De omgeving waarin de gevoelige objecten zich bevinden speelt daarbij ook een rol. De richtafstanden voor een rustige woonwijk zijn groter dan voor een gemengd gebied. Voor gemengd gebied mag de richtafstand met één afstandstap worden verlaagd. Voor de typering van het gebied wordt o.a. gekeken naar de aanwezige activiteiten en eventuele aanwezige hinder. Milieucategorie Richtafstand tot omgevingstype rustige Richtafstand tot omgevingstype gemengd woonwijk en rustig buitengebied gebied 1

10 m

0m

2

30 m

10 m

3.1

50 m

30 m

3.2

100 m

50 m

32

bestemmingsplan

bestemmingsplan Hofje Zandstraat

4.1

200 m

100 m

4.2

300 m

200 m

5.1

500 m

300 m

5.2

700 m

500 m

5.3

1.000 m

700 m

6

1.500 m

1.000 m

Tabel 5.1: Richtaf standen en omgev ingsty pe

Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. 5.8.2

Planspecifiek

Het plangebied ligt in het centrum van Veenendaal. In de omgeving liggen verschillende functies zoals woningen, winkels, maatschappelijke functies en bedrijven. Er is sprake van een gemengd gebied, waardoor de richtafstand met één stap kan worden verlaagd. In de directe omgeving van het plangebied ligt een gemengde bestemming. Binnen deze bestemming biedt de gemeente mogelijkheden voor wonen en voor vestigingsmogelijkheden voor kleinschalige horeca, dienstverlening en bedrijven uit milieucategorie 1 en 2. Met inachtneming van het gemengde gebied kan op basis van de publicatie 'bedrijven en milieuzonering' getoetst worden met een richtafstand van 10 m. Binnen een straal van 10 m vanaf de nieuwe zorgwoningen liggen twee bedrijven die onderdeel uitmaken van de zuidelijke winkelplint langs de Zandstraat. Het gaat om een restaurant en een goudsmid. In gemengd gebied geldt voor deze bedrijven een richtafstand van 0 meter. Er zit 7 m afstand tussen de dichtstbijzijnde woonstudio's en de winkelruimtes. Daarmee is een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd en voorziet het plan niet in de belemmering van bedrijfsactiviteiten van winkels uit de omgeving. 5.8.3

Conclusie

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect milieuzonering.

5.9

Externe veiligheid

5.9.1

Wettelijk kader

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen. De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting. De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, parkeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn. Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR).

Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële

bestemmingsplan

33

bestemmingsplan Hofje Zandstraat slachtoffers. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan. 5.9.2

Planspecifiek

Via de website risicokaart.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Dit is van belang omdat het aantal kwetsbare objecten binnen het plangebied als gevolg van voorliggend plan toeneemt. Figuur 5.2 bevat een screenshot van die website, waarbij het plangebied is aangegeven met de blauwe doorbroken cirkel.

Figuur 5.2: Uitsnede risicokaart.nl

Op voorgaande afbeelding is op te maken dat ten noordoosten van het plangebied, op circa 230 meter afstand een risicovolle inrichting aanwezig is. Het betreft de bedrijfslocatie van Carbogen Amcis BV, een ontwikkelaar en leverancier van hoogwaardige chemische en farmaceutische producten. Het plangebied ligt niet binnen de plaatsgebonden risicocontour van dit bedrijf. Gezien de grote afstand tot dit bedrijf vormt het geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. De spoorwegaanduiding ten zuidwesten van het plangebied betreft een lijn ten dienste van personenvervoer. Er gelden geen risicoafstanden voor deze spoorlijn. 5.9.3

Conclusie

Met betrekking tot het aspect externe veiligheid is het plan uitvoerbaar.

5.10

Verkeer en parkeren

Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur.

34

bestemmingsplan

bestemmingsplan Hofje Zandstraat

In de toekomstige situatie is het plangebied ingericht als hofje met zorgwoningen. Het hofje is alleen toegankelijk voor bestemmingsverkeer. De gebruikers van de zorgwoningen zijn zelf niet meer in staat auto te rijden. Hier is rekening mee gehouden bij het bepalen van de verkeersaantrekkende werking en het aantal benodigde parkeerplaatsen. In het gemeentelijk parkeerbeleid worden geen gerichte uitspraken gedaan over de verkeersaantrekkende werking van de te realiseren functie. In de toekomstige situatie zullen alleen het personeel en de bezoekers bijdragen aan de toename van het aantal verkeersbewegingen. Gemiddeld zullen er twee personeelsleden aanwezig zijn. Voor het bezoek is uitgegaan dat elke bewoner elke dag door 1 persoon wordt bezocht. In totaal komt dit neer op 42 verkeersbewegingen (21 personen, heen en terug) per etmaal. Het omliggende wegennet kan deze toename goed aan. Op eigen terrein zullen drie parkeerplaatsen worden gerealiseerd: 2 voor het personeel en 1 voor de calamiteitendiensten. Dit aantal is passend op basis van de behoefte van de gebruikers (alleen personeel) en het streven van de gemeente om het hofje autoluw te maken. Voor de bezoekers heeft de initiatiefnemer in lijn met het beleidsstreven uit de 'Notitie parkeernormen 2008', gezocht naar alternatieve parkeerplaatsen. Deze zijn aanwezig in de directe omgeving van het plangebied.

Bezoekers kunnen gebruik maken van de vele beschikbare betaalparkeerplaatsen die op enkele meters vanaf het plangebied liggen. Daarmee is een bruikbaar parkeeralternatief gevonden en voldoet het plan aan het gemeentelijke parkeerbeleid.

5.11

Waterhuishouding

5.11.1 Wettelijk kader Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden.

Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van

bestemmingsplan

35

bestemmingsplan Hofje Zandstraat water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Watertoets De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. De watertoets bestaat uit twee onderdelen: de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan. 5.11.2 Planspecifiek Verhard oppervlak Het plangebied is in de bestaande situatie volledig verhard. Voorliggend plan leidt dan ook niet tot een toename van het verhard oppervlak.

Het binnenterrein zal worden voorzien van een nieuwe inrichting, waarbij ook ruimte komt voor groen in de vorm van gras en bomen. Ten opzichte van de bestaande situatie zijn er straks regenwaterinfiltratie plaatsvindt via de bodem. Waterhuishoudkundige situatie De woningen zullen worden aangesloten op het bestaande riool van de Zandstraat. Voor de bouw van de nieuwe zorgwoningen zullen geen uitlogende materialen worden gebruikt. Digitale watertoets Het waterschap Vallei en Veluwe is via de digitale watertoets op de hoogte gebracht van voorliggend plan, zie Bijlage 8. Voor dit plan is de korte procedure van toepassing. Het waterschap heeft aangegeven dat er geen belangrijke oppervlaktewateren, waterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging liggen binnen het plangebied. Het plan raakt geen essentiële waterbelangen. Op basis daarvan geeft het waterschap een positief advies voor dit plan. Boringsvrijze zone Het plangebied ligt in de boringsvrije zone Veenendaal. De boringsvrije zone is een zone rondom de grondwaterwinning Veenendaal. Deze grondwaterwinning is de bron van de drinkwatervoorziening voor o.a. de gemeente Veenendaal. In de boringsvrije zone beschermt eenondergrondse kleilaag de onderliggende waterwinning.

Om te voorkomen dat een kleilaag die de onderliggende waterwinning beschermt, wordt doorboord en ter bescherming van de grondwaterkwaliteit voor de drinkwatervoorziening stelt de provincie Utrecht in haar Provinciale Milieu Verordening 2013 (PMV in art. 19 t/m 22 dat een aantal activiteiten aan voorschriften is verbonden. Het betreft onder andere het een verbod op boor-, grond-, en funderingswerkzaamheden dieper dan 30 meter onder het maaiveld en het toepassen van bodemenergiesystemen. Onder voorwaarden zijn vrijstellingen op dit verbod mogelijk. In dit bestemmingsplan is deze zone geborgd middels de aanduiding 'milieuzone grondwaterbeschermingsgebied'. 5.11.3 Conclusie Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect water.

5.12

Kabels & leidingen

In of rond het plangebied zijn geen hoofdtransportleidingen gelegen met stoffen waarvoor veiligheidszones of minimale bebouwingsafstanden gelden, zoals hoofdgasleidingen of andere planologisch relevante kabels en leidingen.

36

bestemmingsplan

bestemmingsplan Hofje Zandstraat

5.13

Totaalbeeld aspecten

Uit alle gevoerde onderzoeken komt naar voren dat de nu voorgenomen ontwikkeling op geen onacceptabele gevolgen of belemmeringen stuit voor de directe omgeving. Wel zal in het kader van de Flora- en faunawetgeving de zorgplicht in acht moeten worden genomen.

bestemmingsplan

37

bestemmingsplan Hofje Zandstraat

Hoofdstuk 6 6.1

JURIDISCHE PLANOPZET

Algemeen

Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels (zogenaamde planregels). De regels zijn gerelateerd aan de verbeelding, zodat verbeelding en regels te allen tijde in onderlinge samenhang dienen te worden bezien en toegepast. Verbeelding De verbeelding is gerelateerd aan de regels (en andersom) en heeft tevens de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Verder kunnen er binnen een bestemming verklaringen zijn aangegeven. Deze hebben juridisch gezien geen enkele betekenis en zijn uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van de kaart (bijvoorbeeld topografische gegevens). De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en overheid bindende deel van het bestemmingsplan. Regels De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in meerdere hoofdstukken.

Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken. Toelichting De toelichting heeft geen bindende werking. De toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Door de grote flexibiliteit, of beter vrijheid in de regels, kan de rechtszekerheid van belanghebbenden in het gedrang komen. In de toelichting dienen derhalve duidelijk de beleidsintenties te worden aangegeven met betrekking tot toekomstig grondgebruik. De toelichting heeft echter geen rechtstreeks bindende werking.

6.2

De indeling van de planregels

De indeling van de planregels is als volgt. 6.2.1

Inleidende regels (hoofdstuk 1)

Dit hoofdstuk bevat alle bepalingen die nodig zijn om de overige planregels goed te kunnen hanteren en bestaat uit twee artikelen: 1. Begrippen: dit artikel bevat de definities van de in het plan gebruikte begrippen die uitleg behoeven; 2. Wijze van meten: dit artikel bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlaktes, percentages, hoogtes, dieptes, breedtes en dergelijke. Hieronder valt tevens de wijze van peilbepaling. 6.2.2

Bestemmingsregels (hoofdstuk 2)

Binnen dit plan komt de volgende bestemminge voor. Gemengd De voor Gemengd aangewezen gronden zijn bestemd voor zowel maatschappelijke functies als woonfuncties, inclusief mengvormen zoals zorgwoningen en zorginstellingen, met zowel zelfstandige als onzelfstandige woonunits. Gebouwen binnen deze bestemming mogen uitsluitend binnen het op de verbeelding opgenomen bouwvlak worden gebouwd. Het hele bouwvlak mag bebouwd worden. De op de verbeelding opgenomen goot- en bouwhoogte zijn van toepassing op de hoofdgebouwen.

38

bestemmingsplan

bestemmingsplan Hofje Zandstraat

6.2.3

Algemene regels (hoofdstuk 3)

Hoofdstuk 3 bestaat achtereenvolgens uit de volgende artikelen: Anti-dubbeltelregel; Algemene bouwregels; Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels; Algemene afwijkingsregels; Algemene wijzigingsregels; Overige regels. Onder de algemene aanduidingsregels zijn de volgende twee specifieke aanduidingen opgenomen. Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied Een grondwaterbeschermingsgebied is een gebied waar de onttrekking van water plaatsvindt onder slecht doorlatende aardlagen. Het beschermingsregime van het grondwaterbeschermingsgebied is gericht op het tegengaan van activiteiten die de beschermende functie van de slecht doorlatende bodemlagen teniet kunnen doen. Vrijwaringszone - molenbiotoop Om voor de molen vrije windvang te garanderen en om het zicht op de molen veilig te stellen, is deze gebiedsaanduiding rondom molens opgenomen. Binnen deze zone wordt de bouwhoogte beperkt. 6.2.4

Overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4)

Deze regels bevatten het overgangsrecht en de slotregel, in dat laatste wordt genoemd hoe het plan kan worden aangehaald.

bestemmingsplan

39

bestemmingsplan Hofje Zandstraat

Hoofdstuk 7

FINANCIEEL-ECONOM ISCHE UIT VOERBAARHEID

Artikel 6.12 van de wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat een gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop de bouw van één of meer woningen is voorgenomen. De gemeenteraad hoeft geen exploitatieplan vast te stellen indien het verhaal van de kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen grond anderszins verzekerd is. Het aangaan van een exploitatie- en planschadeovereenkomst voorziet in deze 'anderszins' verzekering. Om de financiële haalbaarheid van het plan te garanderen en te voldoen aan de wettelijke plicht ex artikel 6.12 Wro, is met de initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst aangegaan. In deze overeenkomst zijn afspraken gemaakt over de ontwikkeling van het plangebied en de te ontvangen of te betalen exploitatiebijdrage. Uit de overeenkomst blijkt dat het verhaal van de kosten zullen worden gedragen door de initiatiefnemer. Zodoende is de economische uitvoerbaarheid niet in het geding.

40

bestemmingsplan

bestemmingsplan Hofje Zandstraat

Hoofdstuk 8 8.1

M AAT SCHAPPELIJKE UIT VOERBAARHEID

Burgerparticipatie

Burgerparticiptie heeft op meerdere manieren plaats gevonden. Er is een speciale website gelanceerd waarop de ontwikkeling vertaald en verbeeld is. Vervolgens zijn omwonenden door middel van een brief op de hoogte gesteld van de ontwikkeling en in deze brief zijn de mogelijkheden tot uitleg van het plan beschreven. De initiatiefnemer heeft telefonisch contact gehad, hij is bij mensen thuis op gesprek geweest en er zijn twee inloopavonden georganiseerd. Overall is het plan goed ontvangen. Er zijn opmerkingen geplaatst tijdens de inloopavonden, deze betreffen de persoonlijke belangen van de aanwonenden. De initiatiefnemer heeft met deze mensen een separate afspraak ingepland.

8.2

Vooroverleg

In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening kan vooroverleg worden gepleegd met de besturen van betrokken gemeenten, waterschappen en diensten van provincie en Rijk. Indien geen belangen van die partijen in het geding zijn kan worden afgezien van het vooroverleg.

8.3

Ontwerp ter inzage legging

Het ontwerpbestemmingsplan 'Hofje Zandstraat' heeft van donderdag 8 oktober 2020 tot en met woensdag 18 november 2020 ter inzage gelegen. Tijdens deze periode bestond gelegenheid voor een ieder hiertegen een zienswijze in te dienen. Van de ter inzage legging is kennis gegeven op de gebruikelijk wijze (bekendmaking via de Rijnpost, de Staatscourant en op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl). Er is één zienswijze ingediend. Deze zienswijze is echter weer ingetrokken op 1 februari 2021. Het bestemmingsplan is gewijzigd vastgesteld, naar aanleiding van ambtelijke wijzigingen. Deze wijzigingen worden beschreven in Bijlage 9.

bestemmingsplan

41

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9774095/2