5. Toelichting Verordening 3e wijziging
Tekst van het document
Bij activiteiten in het kader van sociale activering kan worden gedacht aan het zelfstandig, zonder externe begeleiding, verrichten van vrijwilligerswerk of deelnemen aan activiteiten in de wijk of buurt. Doelgroep sociale activering Het college kan aan een persoon die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen (artikel 4.1.5, eerste lid). Voor de verplichting op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale activering is vereist dat de mogelijkheid bestaat dat een persoon op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening. Bestaat die mogelijkheid niet, dan kan een persoon niet worden verplicht gebruik te maken van een dergelijke voorziening. Geen verdringing Zie wat hierover is opgemerkt bij artikel 4.1.3. Artikel 4.1.6 Detacheringsbaan De Participatiewet biedt de mogelijkheid personen uit de doelgroep een dienstverband aan te bieden om op detacheringsbasis werkervaring op te doen. In hoofdstuk 4 van de verordening zijn de randvoorwaarden vastgelegd waarbinnen de banen vormgegeven worden. Het eerste lid biedt de mogelijkheid tot het aangaan van het dienstverband.
Het college zorgt ervoor dat een persoon een dienstverband krijgt aangeboden door een derde, de werkgever. Die derde kan bijvoorbeeld een detacheringsbureau zijn. In het tweede lid wordt bepaald dat het gaat om detachering. Daarbij worden op twee vlakken afspraken gemaakt. Ten eerste tussen het inlenende bedrijf en de werkgever. Hierin worden zaken geregeld als de verhouding tot de werkgever, de hoogte van de inleenvergoeding en de wijze waarop de begeleiding wordt vormgegeven. Ten tweede worden In de overeenkomst tussen werknemer en inlener afspraken gemaakt over werktijden, verlof en de inhoud van het werk. Het derde lid is vervallen, omdat een bepaling over verdringing is opgenomen onder algemene bepalingen (artikel 4.1.3). Artikel 4.1.7 Scholing Scholing is bij uitstek een maatwerkinstrument waarbij het moeilijk is in een model algemene richtlijnen te geven. Wel is het noodzakelijk om op het niveau van de verordening een aantal randvoorwaarden te formuleren. Waaraan een scholingstraject dan in ieder geval moet voldoen, is in het tweede lid vastgelegd. 33
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
Startkwalificatie Onder startkwalificatie wordt verstaan een havo of VWO-diploma of een diploma van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), niveau twee. Scholing kan worden aangeboden aan personen met of zonder een dergelijke startkwalificatie. Vooral voor personen zonder startkwalificatie kan scholing noodzakelijk zijn voor de re-integratie. Jongeren Personen jonger dan 27 jaar die nog mogelijkheden hebben binnen het uit 's Rijks kas bekostigde onderwijs kunnen sinds 1 juli 2012 geen voorziening ontvangen die hen ondersteunt bij de arbeidsinschakeling (artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de Participatiewet). Dit is voor de volledigheid opgenomen in het derde lid. Artikel 4.1.8 Participatieplaats Wij hebben de Participatieplaats als vorm van additionele arbeid eerder niet in de verordening opgenomen wegens lastige uitvoerbaarheid. De gemeente is onder de gewijzigde wet verplicht om een bepaling op te nemen over de premie bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de Pw. Wegens het belang van een helder onderscheid tussen additioneel en regulier werk hebben wij lid 1 en 2 ook opgenomen. De hoogte van de premie is bepaald op € 100 per 6 maanden (lid 3).
Artikel 4.1.9 Participatievoorziening beschut werk Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon: • uit de groep rechthebbenden op grond van de Participatiewet; • die een uitkering ontvangt op grond van de Werkloosheidswet, de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Ziektewet, of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen; of • recht heeft op arbeidsondersteuning als bedoeld in artikel 2:15 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten; van wie het college heeft vast gesteld dat deze uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. De voorziening wordt ambtshalve of op verzoek aangeboden.
Advies Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen adviseert het college met betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep beschut werk behoort. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voert op basis van landelijke criteria een beoordeling uit (artikel 10b, tweede lid, van de Participatiewet). Besluit gemeente Op basis van het advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen beslist de gemeente of iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort. Alleen als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, kan de gemeente besluiten het advies niet te volgen. Dienstbetrekking 'beschut werk' Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort, zorgt de gemeente ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder beschutte omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, derde lid, van de Participatiewet). Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een 34
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
publiekrechtelijke dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van de Participatiewet). Er wordt nader bepaald hoe de dienstbetrekking door het college wordt georganiseerd. Ook kunnen personen (via detachering) in een beschutte omgeving bij reguliere werkgevers werken. Naast het bepalen van wie in aanmerking kan komen voor beschut zijn in hoofdstuk 4 van deze verordening vastgelegd welke voorzieningen voor arbeidsinschakeling ingezet worden om deze dienstbetrekking mogelijk te maken (derde lid). Tevens is in hoofdstuk 4 van deze verordening vastgelegd op welke wijze de gemeente de omvang van het aanbod van beschut werk, het aantal beschikbare plekken, vaststelt. Gemeenten kunnen het werk zelf organiseren via bijvoorbeeld een aan de gemeente gelieerd bedrijf zoals een SW-bedrijf. Ook kunnen zij afspraken maken met andere reguliere werkgevers over de voorwaarden waarop zij deze mensen een dergelijke dienstbetrekking aanbieden. De voorziening beschut werk kan gecombineerd worden met andere voorzieningen. De gemeente kan in de verordening een keuzemogelijkheid opnemen om het minimum aantal te realiseren dienstbetrekkingen voor beschut werk uit te breiden. Gemeenten kunnen voor deze extra dienstbetrekkingen zelf toewijzingscriteria opstellen. Hier is niet voor gekozen, omdat het minimum aantal te realiseren plaatsen in de praktijk niet wordt ontstegen.
Mocht dat wel het geval zijn kan alsnog worden besloten om wel een beschut werkplek aan te bieden. Wij kiezen er niet voor om een bepaalde groep voorrang te geven op beschutte werkplekken. Wel kan het college nadere regels vaststellen over de wijze waarop wordt bepaald welke personen in aanmerking komen voor een ambtshalve vaststelling, over de voorzieningen die geboden worden en over de wijze waarop de omvang van het aanbod van de voorzieningen wordt vastgelegd. Artikel 4.1.10 Ondersteuning bij leer-werktraject Personen uit de doelgroep kunnen in aanmerking komen voor de voorziening ondersteuning bij leerwerktrajecten. Het college moet dan wel van oordeel zijn dat een leer-werktraject nodig is en de ondersteuning nodig moet zijn voor het volgen van dat leer-werktraject. Dit is geregeld in artikel 4.1.10 en volgt uit artikel 10f van de Participatiewet. Artikel 10f van de Participatiewet bepaalt voorts dat het college uitsluitend ondersteuning bij een leerwerktraject kan aanbieden aan personen: - van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd, of - van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald.
De voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten is inzetbaar voor jongeren van zestien of zeventien jaar oud die dreigen uit te vallen uit school, maar middels een leer/werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. Om te voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de mogelijkheid geboden extra ondersteuning te bieden. Deze voorziening kan ook worden ingezet ter voorkoming van schooluitval bij jongeren van achttien tot 27 jaar die door een leer-werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. Bijstandsgerechtigden jonger dan 27 jaar die uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kunnen volgen, zijn uitgesloten van ondersteuning op grond van artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet. Voor de conclusie dat een jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen is vereist dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of daarvoor in aanmerking komt. In het kader van artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet betekent dit dat het college vanaf het moment dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of kan volgen geen ondersteuning bij de arbeidsinschakeling kan bieden.
In artikel 10f van de Participatiewet is bepaald dat het college onder omstandigheden ondersteuning kan bieden aan personen jonger dan achttien jaar en aan personen van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald en voor wie een leer-werktraject nodig is. Er wordt vanuit gegaan dat het mogelijk is een leer-werktraject aan te bieden aan personen die voldoen aan het bepaalde in de artikelen 10 en 10f van de Participatiewet, in afwijking van artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet. 35
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
Artikel 4.1.11 Persoonlijke ondersteuning bij werk In artikel 4.1.11 wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning nader geduid. Het gaat dan om een voorziening zoals een jobcoach, die op vaste tijden en gedurende een langere periode de werknemer met beperkingen bij het verrichten van zijn taken ondersteunt. Het moet dan ook gaan om een systematische ondersteuning. Daarnaast moet de ondersteuning noodzakelijk zijn in die zin, dat de werknemer zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen verrichten. Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat een werknemer wordt begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding via een dergelijke voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn. Er is voor gekozen om de tekst uit de modelverordening over te nemen, omdat deze beter de bevoegdheid van het college en de toepasselijkheid van de nieuwe artikelen 4.1.16 tot en met 4.1.29. weergeeft. Artikel 4.1.12 Loonkostensubsidie als re- integratievoorziening Doel van het instrument “loonkostensubsidie als re-integratieinstrument” is het leveren van een bijdrage om de afstand tot de arbeidsmarkt van de gemeentelijke re-integratiedoelgroep te verkleinen. De voorziening wijkt zodoende af van de loonkostensubsidie voor mensen met een arbeidsbeperking (art. 10d Participatiewet) waarbij sprake is van compensatie van een lagere productiviteit.
Deze brede doelstelling biedt het college de mogelijk om maatwerkafspraken met werkgevers te maken. Zo kan bijvoorbeeld de loonkostensubsidie berekend worden op basis van een gemiddelde verdiencapaciteit of kan rekening worden gehouden met een te verwachten oplopende verdiencapaciteit. Europese regelgeving Als loonkostensubsidie wordt ingezet voor anderen dan die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie dan moet de volgende Europese regelgeving in acht worden genomen: • Verordening nr. 651/2014 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard; en • Verordening nr. 1407/2013 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het EG-Verdrag op de-minimissteun. Verordening nr. 651/2014 De Verordening 651/2014 bevat bepalingen over de loonkostensubsidie ten behoeve van kwetsbare, uiterst kwetsbare en gehandicapte werknemers. De verordening spreekt in dit verband overigens van loonsubsidie. Kwetsbare werknemer Een kwetsbare werknemer is op grond van artikel 2 lid 4 van de Verordening 651/2014 een persoon die: a. in de voorafgaande 6 maanden geen reguliere betaalde betrekking heeft gevonden, of b. tussen 15 en 24 jaar oud is, of c.
geen diploma van hoger middelbaar onderwijs heeft behaald of geen beroepsopleiding heeft gevolgd op het niveau ISCED 3 (International Standard Classification of Education) of haar/zijn opleiding in het voltijdonderwijs minder dan 2 jaar voordien heeft voltooid, en die haar/zijn eerste reguliere betaalde betrekking nog niet heeft gevonden, of d. ouder is dan 50 jaar, of e. als alleenstaande volwassene de zorg heeft voor één of meer ten laste komende personen, of f. werkzaam is in een sector of beroep in een lidstaat waar een gebrek aan evenwicht bestaat tussen mannen en vrouwen dat ten minste 25% groter is dan de gemiddelde verhouding tussen mannen en vrouwen in alle economische sectoren in die lidstaat indien die persoon tot de ondervertegenwoordigde geslachtsgroep behoort, of 36
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
g.
behoort tot een etnische minderheid in een lidstaat en van wie het profiel met betrekking tot talenkennis, beroepsopleiding of werkervaring moet worden bijgesteld om zijn vooruitzicht op het verkrijgen van vast werk te verbeteren.
De groep werknemers bedoeld onder b niet overgenomen in onze verordening omdat deze deels buiten de doelgroep van de Participatiewet valt en omdat voor de groep vanaf 18 jaar het behalen van een startkwalificatie voorwaardelijk gesteld kan worden aan het recht op bijstand. De groep werknemers onder f zijn niet opgenomen omdat bevordering van evenwicht tussen mannen en vrouwen geen doel is van de Participatiewet. De groep werknemers onder g. is niet opgenomen, omdat de gemeente Veenendaal geen doelgroepenbeleid op basis van etniciteit kent. Uiterst kwetsbare werknemer Op grond van artikel 2 lid 99 van de Verordening 651/2014 is de uiterst kwetsbare werknemer de persoon die: a. gedurende ten minste 24 maanden geen reguliere betaalde betrekking heeft gehad, of b. gedurende ten minste 12 maanden geen reguliere betaalde betrekking heeft gehad en behoort tot één van de categorieën b. tot en met g. vermeld onder de definitie van kwetsbare werknemer. Vrijstelling aanmeldingsplicht Een voorziening in de vorm van loon(kosten)subsidie ten behoeve van deze werknemers is verenigbaar met de gemeenschappelijke markt en is vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting door de lidstaat aan de Europese Commissie.
Deze vorm van loonkostensubsidie kan worden verstrekt voor zover de werknemer voor wie de werkgever deze subsidie ontvangt kan worden getypeerd als een kwetsbare of zeer kwetsbare werknemer als bedoeld in genoemde Europese verordeningen. In principe wordt de voorziening niet langer dan een jaar toegekend. In die gevallen dat dit wel langer wordt toegekend, wordt na maximaal 12 maanden gekeken of het verstrekken van de loonkostensubsidie nog steeds bijdraagt aan het verkleinen van de afstand van belanghebbende tot de arbeidsmarkt. Dit artikel is geharmoniseerd met de Arbeidsmarktregio Food Valley. Lid 2 is gewijzigd vanwege deze harmonisatie. Het percentage is nu opgenomen in het Beluit Re-integratie en kan daar dus vervallen. De tijdsbeperking van 24 maanden geeft geen inperking van de huidige uitvoeringspraktijk. Lid 6 is eveneens ten behoeve van de harmonisatie toegevoegd. Deze bepalingen zijn opgenomen in het Besluit Re-integratie en kunnen daar vervallen. Artikel 4.1.13 Uitstroompremie Het verstrekken van een uitstroompremie is alleen mogelijk als een persoon die algemene bijstand ontving, uitstroomt. Het college stelt de hoogte en de voorwaarden voor toekenning van de uitstroompremie vast. In de Participatiewet is geregeld dat jaarlijks een eenmalige premie kan worden verstrekt. (artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet).
Ook voor personen jonger dan 27 jaar behorend tot de doelgroep is deze premie vrijgelaten (artikel 31, vijfde lid, van de Participatiewet).Dit houdt in dat deze kan worden toegekend als er sprake is van parttime werk en de noodzaak blijft aanvullend bijstand te verlenen. Artikel 4.1.14 Proefplaats De titel van dit artikel is gewijzigd, omdat de voorziening nu in de wet geborgd is onder de naam proefplaats. 37
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
In lid 1 is ten opzichte van de huidige verordening verduidelijkt dat het college niet zelf de proefplaats aanbiedt. De voorziening is van belang om belanghebbende en de betrokken werkgever actief met elkaar kennis te laten maken en draagt zo bij aan een succesvolle matching. Het instrument kan worden ingezet als de verwachting gerechtvaardigd is dat een plaatsing bij een reguliere werkgever binnen 2 maanden kan worden bewerkstelligd. De periode van 2 maanden kan telkens met periodes van maximaal 2 maanden worden verlengd tot een maximale duur van de proefplaats van 6 maanden indien dit in het belang van belanghebbende is. In overleg met werkgever en belanghebbende kan ervoor worden gekozen om de termijn zo nodig te bekorten als het wenselijk is eerder tot een dienstverband te komen. In het belang van belanghebbende dient in die gevallen te worden beoordeeld of de proefplaats omgezet kan worden naar een dienstverband, bijvoorbeeld met een forfaitaire loonkostensubsidie. Teneinde voor iedereen duidelijkheid te verschaffen over invulling van de proefplaats en de intentie van de werkgever om belanghebbende, bij gebleken geschiktheid, ook daadwerkelijk een reguliere baan aan te willen bieden worden schriftelijke afspraken gemaakt.
Uitgangspunt is dat – vanwege het doel van de proefplaats - het aantal werkzame uren tijdens de proefplaats gelijk is aan het aantal werkzame uren in het dienstverband. Hierdoor wordt voorkomen dat belanghebbende meer uren met behoud van uitkering aan de slag gaat dan het aantal uren waarvoor hij uiteindelijk in dienst wordt genomen. Het kan echter voorkomen dat tijdens de proefplaats blijkt dat belanghebbende niet in staat is het aantal werkzame uren ook daadwerkelijk te werken. In dat geval kan het aantal werkzame uren op basis van het dienstverband, in het belang van belanghebbende, lager worden vastgesteld hetgeen vervolgens de werkgever niet is aan te rekenen. Voorkomen moet worden dat misbruik wordt gemaakt van de voorziening. Vandaar dat de werkgever op basis van lid 3 sub c moet verklaren dat er geen sprake is van verdringing of het onverantwoord beïnvloeden van de concurrentieverhouding. In dat kader dient door de werkgever te worden verklaard dat belanghebbende de werkzaamheden zal verrichten conform de voor die functie en werkzaamheden geldende voorschriften en wettelijke bepalingen. In artikel 4.1.3 is al geregeld dat voorzieningen de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord mogen beïnvloeden en niet mogen leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. Hier gaat het echter om de van de werkgever vereiste verklaring.
Een proefplaats wordt niet ingezet indien de werkgever en belanghebbende, bijvoorbeeld op basis van een stage of eerdere werkzaamheden bij de werkgever, al een goede inschatting kunnen maken van de geschiktheid van de medewerker. Tenzij er een wijziging optreedt in de situatie van belanghebbende. Van een dergelijke wijziging kan bijvoorbeeld sprake zijn indien belanghebbende zijn houding en gedrag wijzigt of indien de werkzaamheden gewijzigd zijn. Daarnaast wordt er geen proefplaats ingezet indien de werkgever en belanghebbende, bijvoorbeeld op basis van een stage of eerdere werkzaamheden bij de werkgever, al een goede inschatting kunnen maken van de geschiktheid van de medewerker. Tenzij er een wijziging optreedt in de situatie van belanghebbende. Van een dergelijke wijziging kan bijvoorbeeld sprake zijn indien belanghebbende zijn houding en gedrag wijzigt of indien de werkzaamheden gewijzigd zijn. Dit artikel is geharmoniseerd in de Arbeidsmarktregio Food Valley. Specifieke bepalingen doelgroep breed offensief (artikel 4.15 tot en met artikel 4.1.24) Bij het opstellen van de regels, medio 2023, in de navolgende artikelen is rekening gehouden met de mogelijkheid dat een aantal van de hierin geregelde zaken op grond van artikel 10e van de Participatiewet ook nader geregeld kunnen (gaan) worden bij of krachtens Algemene Maatregel van Bestuur.
Bij het opstellen van de regels was hier, met uitzondering van regels voor de te hanteren loonwaardemethodiek bij het vaststellen van de doelgroep loonkostensubsidie, nog geen sprake van. 38
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
Deze artikelen zijn geharmoniseerd in de Arbeidsmarktregio Food Valley. Artikel 4.1.15 Specifiek aanvraagproces loonkostensubsidie De wijze waarop het administratieve proces met betrekking tot het verstrekken van loonkostensubsidie is vormgegeven, moet op grond van artikel 8a, tweede lid, onder c, van de Participatiewet in de verordening worden bepaald. Het verstrekken van loonkostensubsidie is een vorm van subsidieverlening. Dit betekent dat de bepalingen met betrekking tot de subsidieverlening uit titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht onverkort van toepassing zijn. Met de bepaling van de termijn in het vierde lid is aansluiting gezocht bij de Algemene wet bestuursrecht. Vanuit het oogpunt van transparantie is in het vijfde lid het administratief proces voor het verstrekken van de loonkostensubsidie benoemd. De gemeenten in de arbeidsmarktregio Food Valley hebben gekozen voor het preferente proces loonkostensubsidie zoals dat over het land is uitgerold en waarvan gemeenten inmiddels gebruik maken. In dat geval kan in de verordening worden volstaan met een verwijzing naar het preferente proces van “De normaalste zaak” (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 54-55).
Artikel 4.1.16 Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen In dit artikel zijn de voorwaarden opgenomen om in aanmerking te komen voor persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen. Een aantal voorwaarden zal nader worden uitgewerkt in beleidsregels. Artikel 4.1.17 Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen In dit artikel wordt de aanvraagprocedure weergegeven. Hoewel lid 3 en 4 niets toevoegen aan het wettelijk kader zijn deze wel overgenomen vanuit de modelverordening, omdat daarmee de aanvraagprocedure volledig in beeld gebracht wordt. Het zevende en achtste lid regelen de mogelijkheid om de onderzoeksresultaten in een los verslag op te nemen en dit toe te zenden aan de persoon of zijn gemachtigde en, indien van toepassing, aan de werkgever. Artikel 4.1.18 Inhoud beschikking persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Juridisch is er geen noodzaak voor dit artikel, omdat deze bepalingen voortvloeien uit wetgeving. Toch is dit artikel voor het overzicht opgenomen. Artikel 4.1.19 Persoonlijke ondersteuning bij werk De gemeente Veenendaal heeft geen jobcoaches in dienst. Voor de inzet van jobcoaches is in de arbeidsmarktregio Food Valley een Open House toelatingsprocedure gevolgd, lopend van 1 april 2023 tot 1 april 2027.
De individuele gemeenten zijn vervolgens raamovereenkomsten aangegaan met organisaties die hebben ingeschreven en voldoen aan de vereisten in het Programma van Eisen. Het derde lid is facultatief omdat de persoonlijke ondersteuning in het kader waarvan op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel e, van de Participatiewet bij verordening regels moeten worden geformuleerd, zich beperkt tot opgedragen taken die worden verricht in het kader van een dienstverband bij een werkgever. Het staat gemeenten vrij dit toepassingsgebied uit te breiden. Als voorbeelden worden genoemd jobcoaching tijdens een proefplaats of een leer-werktraject. Jobcoaching kan echter ook nog breder worden ingezet, bijvoorbeeld in het voortraject bij het zoeken naar een passende werkkring voor een persoon met een arbeidsbeperking. 39
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
Artikel 4.1.20 Specifieke voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk In het eerste lid is de termijn waarbinnen de aanvraag moet zijn ontvangen gesteld op acht weken, gerekend vanaf de ingangsdatum van de dienstbetrekking. Artikel 4.1.21 Jobcoaching In het eerste lid is opgenomen dat een jobcoach die de persoonlijke ondersteuning bij werk verzorgt voldoet aan een aantal kwaliteitscriteria. De kwaliteitscriteria zijn opgenomen in bijlage 1 van de verordening. Deze kwaliteitscriteria zijn ook opgenomen in het Programma van Eisen voor de Open House toelatingsprocedure voor de externe jobcoachvoorziening. Het tweede lid verwijst naar de bepaling van verschillende zwaarteregimes voor de in te zetten jobcoaching die in bijlage 1 is opgenomen en die ook in het Programma van Eisen voor de Open House toelatingsprocedure voor de externe jobcoachvoorziening terugkomt.
Artikel 4.1.22 Jobcoaching in natura Behoeft geen nadere toelichting. Artikel 4.1.23 Subsidie voor het organiseren van jobcoaching Voor zover jobcoaching niet ambtshalve wordt toegekend kunnen zowel werkgever als werknemer subsidie aanvragen voor jobcoaching. De bepalingen in de artikelen 4.1.16 tot en met 4.1.21 zijn hierop onverkort van toepassing. In het tweede lid is een aantal voorwaarden opgenomen om in aanmerking te komen voor persoonlijke ondersteuning, in de vorm van subsidie voor jobcoaching. Bij het formuleren van de voorwaarden is aansluiting gezocht bij artikel 12 van het Reïntegratiebesluit van het UWV. Het college kan een beleidsregel voor de subsidieverlening vaststellen. De Algemene subsidieverordening Veenendaal is op deze subsidie niet van toepassing, omdat de regels voor deze subsidieverstrekking in dit artikel van de verordening zijn opgenomen (zie artikel 2 lid 1 ASV). Artikel 4.1.24 Interne werkbegeleiding Om voor subsidie voor interne werkbegeleiding in aanmerking te kunnen komen mag de gemeente eisen stellen aan de kwaliteit van de begeleiding. Hierbij kan gedacht worden aan het vereisen van een training. In afstemming met de overige regio’s kiezen we ervoor om deze kwaliteitseisen nu nog niet te stellen, maar in de komende periode te bezien welke vereisten passend en effectief zouden zijn.
Het tweede lid bevat de mogelijkheid dat de gemeente ook subsidie verstrekt voor het volgen van de training door de interne werkbegeleider. Dit is redelijk als het gevolgd hebben van de training een verplichting is om voor de subsidie in aanmerking te komen. Op dit moment wordt gebruik gemaakt van een training waar voor de werkgever geen kosten aan verbonden zijn. Als dit verandert biedt het tweede lid de mogelijkheid om hiervoor subsidie te verlenen. Artikel 4.1.25 Specifieke voorwaarden vervoersvoorziening Voor de vervoersvoorziening worden nog nadere regels opgesteld ten aanzien van de vergoedingensystematiek en het hanteren van drempelbedragen. Voor inwoners die nu al een vervoersvoorziening hebben moet overgangsrecht worden geregeld. Artikel 4.1.26 Specifieke voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij visuele of motorische handicap Deze bepaling is opgesteld op basis van de, medio 2023, geldende wetgeving. Het is echter de bedoeling van de wetgever dat de voorzieningen die zich richten op de intermediaire activiteit in 40
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
verband met een visuele handicap per 1 januari 2024 zullen worden verstrekt, beoordeeld en bekostigd door het UWV. Het voorstel hiertoe is op 27 september 2022 ter advisering aangeboden aan de Raad van State (https://wetgevingskalender.overheid.nl/Regeling/WGK012682). Het tweede lid van de modelverordening bevat een facultatieve mogelijkheid om vanuit het oogpunt van transparantie te wijzen op de criteria die door het college in beleidsregels nader kunnen worden uitgewerkt. De bepaling is facultatief omdat de bevoegdheid van het college om beleidsregels op te stellen al voortvloeit uit artikel 4:81, van de Algemene wet bestuursrecht. Gekozen is daarom deze bepaling niet op te nemen. Artikel 4.1.27 Specifieke voorwaarden meeneembare voorzieningen Onder noodzakelijkheid (lid 1 sub a) wordt verstaan dat de belanghebbende zonder de voorziening in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen verrichten. Onder aard- en nagelvast wordt verstaan een voorziening die niet vastzit aan een gebouw. Denk aan bijvoorbeeld orthopedische schoenen, voorleesapparatuur, spraakversterkers of een aangepaste bureaustoel. Onder meeneembare voorziening vallen ook de kosten die gemaakt worden voor bijvoorbeeld een training die nodig is voor de belanghebbende om de voorziening te kunnen gebruiken.
De gemeente is niet verantwoordelijk voor voorzieningen die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoren. Bij een voorliggende voorziening (lid 1 sub c) kan gedacht worden aan bijvoorbeeld de (basis, aanvullende) ziektekostenverzekering (en waar een eigen bijdrage voor wordt gevraagd), Wmo of UWV. Bij de beoordeling of de kosten proportioneel zijn (lid 1 sub e), wordt onder andere betrokken: de kosten van de meeneembare voorziening, de duur van de arbeidsovereenkomst in termen van looptijd (aantal maanden/jaren/bepaalde tijd/onbepaalde tijd), de omvang van de arbeidsovereenkomst in termen van het aantal uren per week dat de belanghebbende gaat werken, de opbrengsten in termen van besparing op de uitkeringslasten en eventuele andere lasten (bijvoorbeeld in het kader van de Wmo) in relatie tot de kosten van de meeneembare voorziening. Een medewerker van de gemeente bepaalt op basis van maatwerk waar behoefte aan is: is het logisch of wenselijk om de meeneembare voorziening wel of niet in bruikleen te geven (lid 3). Daarnaast maakt de professional een redelijkheidsoverweging. De kosten van de voorziening moeten in redelijke verhouding staan tot de baten. Hierover kunnen afspraken gemaakt worden in de (arbeids) overeenkomst. Dit artikel is geharmoniseerd in de Arbeidsmarktregio Food Valley.
Artikel 4.1.28 Specifieke voorwaarden werkplekaanpassingen Deze bepaling is als facultatief opgenomen omdat de wettelijke regeling (artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 3, van de Participatiewet) uitsluitend toeziet op meeneembare voorzieningen en niet op werkplekaanpassingen. Het is, gelet op de memorie van toelichting bij de Wet Uitvoeren Breed offensief, echter wel een logische stap om deze voorzieningsvorm in de verordening op te nemen. Artikel 4.1.29 Nadere regels In dit artikel is beschreven op welke onderdelen het college nadere regels kan vastleggen.
41
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
7.4.2 [vervallen]
42
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
7.4.3 Toelichting Individuele inkomenstoeslag Algemeen Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag, bedoeld ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met inbegrip van een component reservering, in beginsel toereikend is. Toch kan de financiële positie van mensen die langdurig op een minimuminkomen zijn aangewezen onder druk komen te staan als er na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te verhogen. Dit betekent dat het college een individuele inkomenstoeslag kan verlenen als een persoon voldoet aan de voorwaarden daarvoor. Het college kan in beleidsregels aangeven in welke gevallen personen uitzicht hebben op inkomensverbetering. Vast te leggen regels in verordening De individuele inkomenstoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het is een inkomensondersteunende maatregel voor bepaalde personen die langdurig een laag inkomen hebben en daarbij, gelet op de omstandigheden van die persoon, geen uitzicht hebben op inkomensverbetering (artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet). Bij verordening moeten regels vastgesteld worden over het verlenen van een individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet.
Deze regels moeten in ieder geval betrekking hebben op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen ‘langdurig’ en ‘laag inkomen’. Op grond van deze verordening is geen sprake van een laag inkomen bij een inkomen hoger dan 105 % van de toepasselijke bijstandsnorm. Daarnaast moet bij verordening de hoogte van de individuele inkomenstoeslag bepaald worden. Het college kan in (wetsinterpreterende) beleidsregels aangeven wanneer sprake is van 'geen uitzicht op inkomensverbetering'. Gelet op de tekst van artikel 8, tweede lid, van de Participatiewet hoeft dit criterium niet te worden vastgelegd in de verordening. Bij de beoordeling van het criterium 'geen uitzicht op inkomensverbetering' moet het college rekening houden met de omstandigheden van de persoon. In artikel 36, tweede lid, van de Participatiewet is bepaald dat tot die omstandigheden in ieder geval worden gerekend: de krachten en bekwaamheden van de persoon, en de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen. De nadere invulling wordt neergelegd in beleidsregels. Wijziging leefvorm De leefvorm (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwd) van een persoon kan wijzigen binnen de referteperiode. Dit is bijvoorbeeld het geval indien gehuwden individuele inkomenstoeslag aanvragen, maar zij over een gedeelte van de referteperiode als alleenstaande moeten worden aangemerkt.
Personen moeten dan ook over dat deel van de referteperiode aan de voorwaarden voldoen om voor individuele inkomenstoeslag in aanmerking te komen. Gehuwden moeten immers zowel gezamenlijk als afzonderlijk aan de voorwaarden voldoen. Artikelsgewijze toelichting Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier behandeld. Artikel 4.3.1. Definities Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening. Inkomen Met inkomen wordt bedoeld het inkomen zoals bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet. In afwijking hiervan wordt algemene bijstand voor de beoordeling van het recht op individuele inkomenstoeslag ook in aanmerking genomen als inkomen. Bijzondere bijstand kan niet als inkomen in aanmerking worden genomen. Aangezien individuele inkomenstoeslag een vorm van 43
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
bijzondere bijstand is, is het niet nodig expliciet te bepalen dat een eerder verstrekte individuele inkomenstoeslag buiten beschouwing moet worden gelaten bij de vaststelling van het inkomen. Het wordt niet wenselijk geacht een eerder verstrekte individuele inkomenstoeslag in aanmerking te nemen als inkomen, omdat dit het ongewenst effect kan hebben dat een persoon geen recht op een individuele inkomenstoeslag heeft omdat hij een te hoog inkomen heeft gehad in de referteperiode vanwege een eerder verstrekte toeslag. Peildatum De peildatum is de datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag aanvraagt (artikel 1 van deze verordening). Het gaat om de datum waarop een persoon langdurig een laag inkomen heeft, geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet en, gelet op de omstandigheden van die persoon, geen uitzicht op inkomensverbetering heeft. De peildatum komt meestal overeen met de meldingsdatum. De peildatum kan in beginsel niet liggen vóór de dag waarop een persoon zich heeft gemeld om individuele inkomenstoeslag aan te vragen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de Participatiewet en de jurisprudentie rondom artikel 44 van de Participatiewet.
Referteperiode Verder is bepaald wat onder de referteperiode moet worden verstaan: een periode van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum. Zie ook de toelichting bij artikel 3 onder ‘Langdurig’. Artikel 4.3.2. Indienen verzoek Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een persoon, een besluit te nemen (artikel 1:3, derde lid, van de Awb). Een aanvraag dient in beginsel schriftelijk te worden ingediend (artikel 4:1 Awb). Om onduidelijkheid te voorkomen over de wijze waarop het verzoek moet worden ingediend, bepaalt artikel 2 van deze verordening dat het verzoek moet worden gedaan middels een door het college vastgesteld formulier. Een verzoek wordt dan gezien als een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Awb. Het gaat dan om een schriftelijke aanvraag (artikel 4:1 van de Awb) die wordt ondertekend door de aanvrager en ten minste de naam en het adres van de aanvrager bevat, de dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel 4:2, eerste lid, van de Awb). De aanvrager verschaft ook de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen (artikel 4:2, tweede lid, van de Awb). Een mondeling verzoek kan hiermee dus niet worden aangemerkt als een verzoek om individuele inkomenstoeslag zoals bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet. Artikel 4.3.3.
Langdurig laag inkomen Van belang bij het bepalen wat een langdurig laag inkomen is, is wat onder ‘langdurig’ en onder ‘laag’ wordt verstaan. Langdurig De door de gemeenteraad vastgestelde langdurige periode voorafgaand aan de peildatum, wordt aangeduid als referteperiode. De referteperiode is vastgesteld in artikel 1 van deze verordening. Laag inkomen Een inkomen is laag als het niet hoger is dan 105% van de toepasselijke bijstandsnorm. De vraag of het inkomen van een persoon gedurende de referteperiode niet hoger is dan het langdurig lage inkomen van 105% van de toepasselijke bijstandsnorm, zal niet al te rigide mogen worden beoordeeld. Een marginale overschrijding van dit lage inkomen moet worden genegeerd. 1 Gaat het inkomen van een persoon gedurende (een deel van) de referteperiode de bedoelde 105% van de toepasselijke bijstandsnorm maandelijks met € 5 of meer te boven, dan komt men 1
CRvB 19-08-2008, nrs. 06/1163 WWB e.a., ECLI:NL:CRVB:2008:BE8918 en CRvB 15-02-2011, nr. 08/5141 WWB, ECLI:NL:CRVB:2011:BP5532.
44
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
niet in aanmerking voor de individuele inkomenstoeslag. Er is immers geen sprake van een incidentele geringe overschrijding van de bijstandsnorm of van te verwaarlozen bedragen van enkele eurocenten.2 Artikel 4.3.4. Hoogte individuele inkomenstoeslag Bij de hoogte van de individuele inkomenstoeslag wordt onderscheid gemaakt tussen een alleenstaande, een alleenstaande ouder en gehuwden. Gehuwden Bij gehuwden moet in het oog worden gehouden dat het recht op individuele inkomenstoeslag de gehuwden gezamenlijk toekomt. Worden personen op de peildatum als gehuwden aangemerkt, dan moeten beide gehuwden voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet. Voldoet één van hen niet aan deze voorwaarden, dan bestaat voor beiden geen recht op individuele inkomenstoeslag. Is één van de echtgenoten uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag, anders dan vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, dan komt de rechthebbende partner wel in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag. Het gaat hier om een partner die op een van de in artikelen 11 of 13, eerste lid, van de Participatiewet genoemde gronden geen recht heeft op bijstand.
Als slechts één partner recht heeft op individuele inkomenstoeslag, komt deze rechthebbende partner in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. Dat is geregeld in het tweede lid. Indexering In het vierde lid is een indexeringsbepaling opgenomen. Deze bepaling voorkomt dat de verordening telkens opnieuw moet worden vastgesteld, enkel voor indexatie van de bedragen. Het is van belang de nieuwe bedragen (na indexatie) duidelijk te communiceren.
2 (CRvB 27-03-2012, nr. 10/2488 WWB, ECLI:NL:CRVB:2012:BW0068 en CRvB 31-07-2012, nr. 12/1825
WWB, ECLI:NL:CRVB:2012:BX7178.
45
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
7.4.4 Toelichting Tegenprestatie Artikel 4.4.1. Definities Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening. Vrijwilligerswerk Werk dat onverplicht is waarvoor geen loon ontvangen wordt en in georganiseerd verband voor anderen of de samenleving uitgevoerd wordt. Hiermee onderscheidt vrijwilligerswerk zich van werk in loondienst. Bij werk in loondienst verplicht de werknemer zich om op basis van een arbeidsovereenkomst bepaalde taken uit te voeren op een door de werkgever aangewezen plaats. De werkgever verplicht zich om voor deze werkzaamheden een bepaald loon uit te betalen. De bepalingen over arbeid in dienstbetrekking uit het burgerlijk wetboek vormen het juridisch kader voor de werk in loondienst. Om iemand met vrijwilligerswerk te ontheffen van de plicht tot tegenprestatie, moet wel bezien worden of dit werk als maatschappelijk nuttig kan worden beschouwd. Artikel 4.4.2. Inhoud van de tegenprestatie Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen.
Dit artikel stelt voorwaarden ten aanzien van de inhoud van de tegenprestatie. Het college dient maatwerk toe te passen bij het opdragen van een tegenprestatie. Rekening moet worden gehouden met de individuele omstandigheden van belanghebbende, waaronder leeftijd, opleiding, werkervaring en andere relevante persoonlijke omstandigheden. De werkzaamheden worden immers opgedragen ‘naar vermogen’. Het is dus van belang dat belanghebbende ook in staat is de werkzaamheden te verrichten (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). Als het college een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het een duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voor een belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenprestatie van hem wordt verwacht (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171).
Additionele onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden In het eerste lid van dit artikel, van deze verordening is bepaald dat de tegenprestatie onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden betreffen die additioneel van aard zijn. De maatschappelijk nuttige werkzaamheden in het kader van de tegenprestatie dienen zich te onderscheiden van werkzaamheden die door de reguliere arbeidsmarkt verricht worden. Het onderscheid tussen betaalde en onbetaalde werkzaamheden is afhankelijk van onder meer economische factoren en van keuzes die mede op basis daarvan door het bedrijfsleven en/of de overheid worden gemaakt (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 30). Werkzaamheden die kunnen worden ingezet Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die werkzaamheden voldoen aan de in het eerste lid van dit artikel genomen de voorwaarden. Dit betekent dat de als tegenprestatie in te zetten werkzaamheid: a. b. c. d.
naar zijn aard niet is gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt; niet is bedoeld als re-integratieinstrument; wordt verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de organisatie waarin deze worden verricht; en niet leidt tot verdringing. 46
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
Deze voorwaarden zijn gebaseerd op de belangrijkste kenmerken van de tegenprestatie die volgen uit de parlementaire geschiedenis (zie TK 2010-2011, 32 815, nr. 3, p. 14). In de beleidsregels kan het college vastleggen welke werkzaamheden in ieder geval als tegenprestatie kunnen worden ingezet (het tweede lid van dit artikel). Deze werkzaamheden voldoen aan de in het eerste lid van dit artikel gestelde voorwaarden. Tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing De tegenprestatie mag niet worden ingezet in het kader van de re-integratie. De tegenprestatie mag bovendien niet direct gericht zijn op toeleiding naar de arbeidsmarkt en is dan ook niet bedoeld als reintegratieinstrument. Het betreffen werkzaamheden die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet mogen leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. Reguliere werkzaamheden kunnen daarom niet als tegenprestatie worden ingezet. De tegenprestatie mag het accepteren van passende arbeid of van re-integratie-inspanningen niet belemmeren. Het uitgangspunt werk boven uitkering staat voorop. Dit volgt uit artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet en de parlementaire geschiedenis (zie TK 2010-2011, 32 815, nr. 3, p. 14). Het belang van de belanghebbende en de samenleving.
De tegenprestatie moet motiverend worden ingezet, waarbij tegemoet wordt gekomen aan het individuele en het collectieve belang. Bij het opdragen van de tegenprestatie wordt rekening gehouden met de eigen inbreng van de belanghebbenden. De belanghebbende wordt gemotiveerd eigen ideeën aan te dragen. Het individuele belang van de belanghebbende wordt gediend met de bijdragen die de tegenprestatie levert aan het verminderen van de kwetsbare positie waarin hij/ zij zich bevindt. Daarnaast moet de tegenprestatie een bijdrage leveren aan het sociale leefklimaat en de leefbaarheid in de stad. Met het opdragen van de tegenprestatie wordt dus zowel een individueel als collectief belang gediend. Artikel 4.4.3. Het opdragen van een tegenprestatie Het college heeft beleidsvrijheid om een tegenprestatie op te leggen. Het college bepaalt uiteindelijk of, en zo ja welke tegenprestatie wordt opgedragen. Tegen een besluit tot het opdragen van een tegenprestatie kan bezwaar en beroep worden aangetekend (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 49). Geen tegenprestatie Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan het college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de plicht tot het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid, van de Participatiewet).
De verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie is niet van toepassing op een belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde lid, van de Participatiewet) De verplichting tot tegenprestatie is niet van toepassing op een alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet (artikel 9, zevende lid, van de Participatiewet). Weigering tegenprestatie Het college dient bij weigering van belanghebbende om de tegenprestatie te verrichten, op basis van het individuele geval de hoogte en de duur van de op te leggen maatregel te bepalen (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 29). Factoren opdragen tegenprestatie In dit artikel is neergelegd met welke factoren het college rekening moet houden bij het opdragen van een tegenprestatie. Deze factoren worden hierna toegelicht. a. tegenprestatie 'naar vermogen' 47
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
b.
c.
d.
De werkzaamheden die als tegenprestatie ingezet worden, moeten naar vermogen door een belanghebbende verricht kunnen worden. De term 'naar vermogen' heeft betrekking op de mogelijkheden waarover een belanghebbende beschikt om deze werkzaamheden te verrichten. Immers, niet alle onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden kunnen worden opgedragen aan elke uitkeringsgerechtigde (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 30). persoonlijke situatie en individuele omstandigheden belanghebbende Bij het opdragen van de tegenprestatie houdt het college rekening met de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende, waaronder leeftijd, opleiding en werkervaring (Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). Hierbij wordt rekening gehouden met het fysieke en psychische vermogen van een belanghebbende. Bij het opdragen van de tegenprestatie dient het college maatwerk te leveren. Voorts wordt bij opdragen van een tegenprestatie rekening gehouden met praktische omstandigheden zoals reistijd, beschikbaarheid van kinderopvang en/of belanghebbende al maatschappelijke activiteiten verricht. persoonlijke wensen en kwaliteiten belanghebbende Bij het opdragen van de verplichting tot tegenprestatie houdt het college rekening met de persoonlijke wensen en kwaliteiten van belanghebbende.
De regering vindt het immers belangrijk dat een belanghebbende invloed heeft op de keuze van de activiteiten (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 47). Belanghebbende kan zelf ideeën aandragen voor de als tegenprestatie te verrichten werkzaamheden. Het college kan in beleidsregels bepalen wanneer een belanghebbende zijn keuze voor het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteit kenbaar maakt aan het college. Het college beoordeelt de door belanghebbende zelf aangedragen ideeën en kan besluiten om het voorstel van belanghebbende over te nemen en die werkzaamheden in te zetten als tegenprestatie. Uiteraard moet die werkzaamheid voldoen aan het bepaalde bij of krachtens artikel 3 van deze verordening en moet die werkzaamheid beschikbaar zijn. Het college is niet gehouden te voldoen aan de wensen van een belanghebbende, maar moet deze wel in de beoordeling meenemen. Draagt belanghebbende geen ideeën aan, dan legt het college belanghebbende een lijst met keuzemogelijkheden voor van maatschappelijk nuttige werkzaamheden die voorhanden zijn. Als belanghebbende geen voorkeur kenbaar maakt of er geen keuzemogelijkheid is, legt het college een werkzaamheid op. Het is immers aan het college, en niet aan een belanghebbende, een tegenprestatie op te dragen aan belanghebbende.
Factor: maatschappelijke activiteiten en vrijwilligerswerk door belanghebbende Het college houdt er bij het opdragen van de plicht tot tegenprestatie rekening met het eventuele gegeven dat een belanghebbende al maatschappelijk actief is (TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6). Indien een belanghebbende al een maatschappelijke activiteit verricht, kan het college in bepaalde gevallen besluiten deze maatschappelijke activiteit aan te merken als tegenprestatie of deze persoon te ontheffen van de verplichting tot tegenprestatie. Ook kan de omstandigheid dat een belanghebbende maatschappelijke activiteit verricht, ertoe leiden dat hiermee rekening wordt gehouden bij het vaststellen van de tegenprestatie, met name de duur en de omvang van de tegenprestatie. Een voorbeeld van maatschappelijke activiteiten zijn: de zorg voor een ouder of een gehandicapt kind. Het college beoordeelt de maatschappelijke activiteiten en houdt daarbij rekening met de duur en omvang.
Artikel 4.4.4. Duur en omvang van de tegenprestatie Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen. Dit artikel stelt voorwaarden ten aanzien van de duur en omvang van de tegenprestatie. Individuele omstandigheden Het college beoordeelt op basis van de individuele omstandigheden van een belanghebbende de omvang en de duur van de tegenprestatie. De omvang van de werkzaamheden en de duur in de tijd dienen in de regel beperkt te zijn. Dat betekent dat het college steeds een afweging maakt op basis van de situatie in welke mate een tegenprestatie verlangd kan worden (TK 2013-2014, 33 801, nr. 30). 48
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
Maximale duur tegenprestatie in dagen Het eerste lid, regelt dat de tegenprestatie wordt ingezet voor een maximale duur. De tegenprestatie kan maximaal voor de duur van 1 jaar worden opgedragen. Verlenging termijn Het tweede lid, regelt dat de termijn van 1 jaar zoals bedoeld in het eerste lid, 2 keer kan worden verlengd met 1 jaar zodat de maximale duur waarover een tegenprestatie kan worden opgelegd, 3 jaar bedraagt. Dit hoeven geen aaneengesloten jaren te zijn. Maximale duur tegenprestatie in uren Het derde lid, regelt dat de tegenprestatie wordt opgedragen binnen een bandbreedte van 4 tot 8 uren per week. Artikel 4.4.5. Vrijstellingen Dit artikel bepaalt dat geen tegenprestatie wordt opgedragen indien een belanghebbende mantelzorg verricht en het college het verrichten hiervan redelijkerwijze noodzakelijk vindt. De regering heeft deze mogelijkheid uitdrukkelijk benoemd in de nota van wijziging met betrekking tot de Wet maatregelen WWB (TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6). Of sprake is van mantelzorg wordt getoetst aan de criteria van het begrip mantelzorg zoals neergelegd in artikel 1 van deze verordening. Verricht een belanghebbende mantelzorg in de zin van deze verordening en is het verrichten van mantelzorg volgens het college redelijkerwijs noodzakelijk, dan draagt het college een belanghebbende geen tegenprestatie op.
Daarnaast regelt dit artikel de vrijstelling voor belanghebbenden die vrijwilligerswerk verrichten dat te beschouwen is als een maatschappelijk nuttige activiteit. Uit de wet vloeien nog 2 vrijstellingen voort, namelijk de zorg van alleenstaande ouders voor (een) kind(eren) in de leeftijd van 0 tot 5 jaar (artikel 9a Participatiewet). Deze ontheffing moet wel op verzoek van de belanghebbende door het college zijn gegeven. Ook belanghebbenden die volledig duurzaam arbeidsongeschikt zijn verklaard, worden ontheven van de plicht tot het leveren van een tegenprestatie. Toegevoegd is de groep belanghebbenden die parttime werk voor tenminste 8 uren per week verrichten. Daarmee wordt verondersteld dat zij voldoende bijdragen aan de samenleving hebben gegeven.
49
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
7.4.5 Toelichting Minimaregelingen Algemeen Op grond van artikel 35 Participatiewet is het mogelijk om bijzondere bijstand te verstrekken. Degene, die als gevolg van bijzondere individuele omstandigheden geconfronteerd wordt met noodzakelijke bestaanskosten, waarin de algemene bijstand niet voorziet en die niet uit de bijstandsnorm, het vermogen en het inkomen boven bijstandsniveau kunnen worden betaald (de zogenaamde financiële draagkracht), heeft recht op bijzondere bijstand. Welke kosten daarvoor in aanmerking komen, hangt af van de individuele omstandigheden van het geval. Het is een kwestie van maatwerk: een individuele beoordeling is vereist. Artikelsgewijze toelichting Artikel 4.5.1 Definities Begrippen die in de Participatiewet, de Awb of de Gemeentewet voorkomen, hebben in deze verordening dezelfde betekenis als in de Participatiewet, Awb of Gemeentewet. Ten aanzien van een aantal begrippen, die als zodanig niet in deze wetten zelf staan, is een definitie gegeven in deze verordening. Peildatum De peildatum is de datum waarop bepaald wordt of een inwoner, of een van de leden uit zijn huishouden, voldoet aan de voorwaarden die gesteld zijn in het artikel. Dit betreft de hoogte van het inkomen maar ook de leeftijd van de kinderen.
Artikel 4.5.2 Reikwijdte en doelstelling verordening Doelstelling De doelstellingen van de minimaregelingen komen voort uit het Integraal beleidskader sociaal domein: a. het vergroten van de kansen om de spiraal van armoede te doorbreken; b. het bevorderen van sport en andere vormen van maatschappelijke participatie c. het voorkomen van sociale uitsluiting; d. het bevorderen dat schoolgaande kinderen zo min mogelijk belemmeringen ondervinden als gevolg van het feit dat hun ouders tot de minima behoren; e. het tegengaan van onderverzekering op het gebied van ziektekostendekking. Geen recht Geen recht op een in deze verordening genoemde minimaregeling heeft de belanghebbende die op het moment van aanvraag in detentie of een asielzoekerscentrum verblijft of studiefinanciering ontvangt. Een uitzondering hierop betreft (alleenstaande) ouder(s) met studiefinanciering. Geen recht op een in deze verordening genoemde minimaregeling heeft de belanghebbende aan wie op grond van artikel 11 van de Participatiewet geen bijstand kan worden verleend omdat deze persoon geen Nederlander dan wel een daar aan gelijkgestelde vreemdeling is. Vergoedingen in natura Vergoedingen worden verstrekt in natura. Dit houdt in dat er geen geld wordt overgemaakt aan rechthebbenden maar dat vergoedingen worden verstrekt middels (korting op) producten of voorzieningen.
Bij een vergoeding mag altijd worden bijbetaald. Het betreft dan een tegemoetkoming in de kosten.
Artikel 4.5.3 Inhoud vergoedingen De vergoedingen bestaan uit regelingen die aansluiten bij bovengenoemde doelstellingen. 50
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
Uit onderzoek is gebleken dat gelijke kansen op scholing, het versterken van de eigen waarde en ‘mee kunnen doen’ de grootste invloed hebben op de kans om de spiraal van erfelijke armoede te doorbreken. Hiermee bevorderen we dat schoolgaande kinderen zo min mogelijk belemmeringen ondervinden als gevolg van het feit dat hun ouders tot de minima behoren. Op basis van deze kennis zijn er regelingen voor: 1. Vergoeding van een computer en/of tablet voor kinderen op de basisschool; 2. Vergoeding voor noodzakelijke schoolkosten voor kinderen op de middelbare school, zoals een laptop, schoolspullen en de ouderbijdrage; 3. Tegemoetkoming in de kosten voor de aanschaf van een mobiele telefoon; 4. Tegemoetkoming in de kosten voor de aanschaf van een fiets; 5. Kledingpakket. Om sociale uitsluiting van volwassenen die rond moeten komen van een minimum inkomen te verminderen en hierdoor maatschappelijke participatie en sport & bewegen te bevorderen, zijn er regelingen voor: 1. Maatschappelijke participatie (Doe mee-budget); 2. Budget voor sport en bewegen voor volwassenen; 3. Vergoeding voor het verlengen van een ID kaart. Om onderverzekering op het gebied van ziektekostendekking tegen te gaan biedt de gemeente tevens een uitgebreide keuze aan pakketten aan voor de collectieve ziektekostenverzekering.
Artikel 4.5.4 Aanvragen Aanvragen voor vergoedingen op grond van deze verordening kunnen worden gedaan via de eigen digitale omgeving van de uitvoerder. Hiervoor kunnen ze een persoonlijke inlogcode aanvragen bij de uitvoerder. Indien het niet mogelijk is om een aanvraag in te dienen via de digitale omgeving dan kan een papieren aanvraagformulier bij de uitvoerder worden aangevraagd. Aanvraagjaar In 2021 kunnen regelingen aangevraagd worden in de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021. Vanaf 2022 wordt overgegaan naar een aanvraagjaar dat loopt van juli tot juli. De reden hiervoor is dat: - Veel regelingen betreffen het school/ sport/ cultureel jaar. Het is voor deze regelingen voor praktischer om over te gaan aanvraagjaar juli-juli omdat: o Het niet uit zou moeten maken wanneer je kosten voor school aanvraagt binnen het schooljaar. Nu worden er soms bonnetjes in april ingediend van een schoolreisje in mei terwijl de factuur op sept van het vorige jaar staat. Deze zou nu afgewezen worden o Scholen moeten nu actief een aanbieding voor bv. een schoolreisje verlengen op 1 januari, anders kan je deze alleen boeken van september t/m december, terwijl het schoolreisje vaak pas in mei/ juni is.
o Het sportbudget kan ingezet worden in een heel sportjaar - We zouden dan alle regelingen omzetten naar juli-juli omdat: o Er dan nieuw budget is voor de zomervakantie; o Kosten voor het nieuwe schooljaar in het voren gekocht kunnen worden; o Het college de mogelijkheid heeft om extra producten toe te voegen speciaal voor de zomervakantie zoals het zomerzwemabonnement. Om te voorkomen dat we een half aanvraagjaar hebben, wordt het aanvraagjaar 2022 verlengd tot 1 juli 2023. Vanaf 1 juli 2023 wordt overgegaan naar een aanvraagjaar van juli-juli. Een uitzondering hierop geldt voor aanvragen voor de collectieve ziektekostenverzekering zoals vermeld in artikel 4.5.13, hiervoor geldt dat aanvragen ingediend kunnen wordt voor de eerste van een 51