5. Toelichting Verordening 3e wijziging
Tekst van het document
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
7. TOELICHTINGEN 7.1 Algemene bepalingen Hieronder wordt een aantal definities zoals die zijn opgenomen in artikel 1.1.1 nader toegelicht. Uitgangspunt voor de Integrale verordening sociaal domein is dat definities die in de bovenliggende wetten zijn opgenomen en bindend zijn voor deze verordening, niet in deze verordening worden herhaald. Voor de overzichtelijkheid is voor wat betreft de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) wel een aantal begrippen opgenomen in de toelichting in paragraaf 7.2. Eigen kracht De eigen kracht van inwoners wordt voorop gesteld overeenkomstig het in het Integraal Beleidskader (IBK) Sociaal Domein opgenomen principe over ‘normaliseren’. Maar ook wat broertjes, zusjes, oma’s, opa’s, ooms, tantes, buren etc. daar eventueel aan kunnen bijdragen. Daarnaast kan het zijn dat professionele hulp moet worden geboden om een probleem op te lossen. Ook dan zal naar verwachting nog sprake zijn van (enige mate) van eigen kracht. Gesprek Het gesprek is het mondeling contact bij het onderzoek naar de ondersteuningsvraag, waarin het college met degene die een ondersteuningsvraag heeft zijn gehele situatie bespreekt ten aanzien van de ondervonden problemen en de gevolgen daarvan en de gewenste resultaten van de te kiezen oplossingen.
Mantelzorg Deze begripsbepaling is gebaseerd op het begrip zoals dat wordt gehanteerd in de Wet maatschappelijke ondersteuning (zie artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet maatschappelijke ondersteuning). Onder mantelzorg wordt verstaan: langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt. Het begrip 'mantelzorg' is ook van belang omdat artikel 4.4.5 van deze verordening bepaalt dat het college geen tegenprestatie opdraagt indien een belanghebbende mantelzorg verricht voor zover het verrichten van mantelzorg naar het oordeel van het college redelijkerwijs noodzakelijk is. Uit kamerstukken met betrekking tot het begrip 'mantelzorg' zoals neergelegd in de Wet maatschappelijke ondersteuning volgt dat de vier belangrijkste kenmerken van mantelzorg zijn: • er is een bestaande sociale relatie tussen de zorgvrager en de zorgverlener; • mantelzorg wordt niet verricht in een georganiseerd verband; • het verrichten van mantelzorg is veelal geen bewuste keuze; • het verlenen van mantelzorg is nooit afdwingbaar. Deze kenmerken zijn ontleend aan diverse kamerstukken zoals TK 2004-2005, 30 169, nr.
1 (Notitie "De mantelzorger in beeld") en TK 2005-2006, 30 131, nr. C. Ondersteuningsvraag Inwoners met een ondersteuningsvraag kunnen het college verzoeken om toeleiding naar een voorziening voor maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp, arbeidsinschakeling, de verlening van bijstand of schuldhulpverlening. Het kenbaar maken van het verzoek is het eerste contact van de inwoners met het college om aan te geven dat zij behoefte hebben aan hulp. De definities van gesprek en ondersteuningsvraag zijn nodig omdat deze begrippen niet zijn gedefinieerd in alle wetten waarop de Integrale verordening sociaal domein is gebaseerd en het gebruik hier afwijkt van het normale spraakgebruik. In Veenendaal is het gesprek het mondelinge contact waarin een medewerker van het Wmo-loket, het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG), het loket Economie & Werk of het Budgetloket met degene die hulp vraagt, zijn situatie bespreekt. In de verordening wordt gesproken over het gesprek, maar dat kan ook meerdere gesprekken betreffen. De 1
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
ondersteuningsvraag is in termen van hoofdstuk 2, 3 of 4 van de Integrale verordening, ongeacht of er feitelijk al eerder contact met de inwoner is geweest, het contact van de inwoner met het college (lees: degene die namens het college optreedt) op basis waarvan zij toegang tot hulp vragen. Pgb De definitie van ‘pgb’ is opgenomen omdat de afkorting pgb in het spraakgebruik inmiddels meer is ingeburgerd dan voluit ‘persoonsgebonden budget’. Artikel 1.1.2 Uniforme toegang en intake lid 1 sub d Cliëntondersteuning De regering heeft er voor gekozen de verplichting voor gemeenten om cliëntondersteuning voor alle cliënten, van alle leeftijden en over alle levensdomeinen, in één wet (de Wet maatschappelijke ondersteuning) te regelen.
In de wetstekst van de Wmo is vastgelegd dat: cliëntondersteuning inhoudt: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen; de gemeente ervoor zorg dient te dragen dat voor de ingezetenen cliëntondersteuning beschikbaar is; de cliëntondersteuning onafhankelijk is en dat de gemeente ervoor zorgdraagt dat bij de cliëntondersteuning het belang van betrokkene uitgangspunt is; cliëntondersteuning een algemene voorziening is en de gemeente periodiek een plan dient vast te stellen onder meer met betrekking tot algemene voorzieningen. Algemene voorzieningen zijn toegankelijk voor alle ingezetenen van een gemeente; cliëntondersteuning kosteloos is voor de burger; de gemeente de cliënt en zijn mantelzorger voorafgaand aan het onderzoek wijst op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning. 7.2 Maatschappelijke ondersteuning Veel gebruikte definities uit de Wmo Wet maatschappelijke ondersteuning (artikel 1.1.1) a. aanbieder: natuurlijk persoon of rechtspersoon die jegens het college gehouden is een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening te leveren; b.
algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning; c. beschermd wonen: wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorende toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving; d. CAK: het (CAK, genoemd in artikel 6.1.1, eerste lid, van de Wet Langdurige Zorg; 2
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
e. calamiteit:
f. cliënt:
g. cliëntondersteuning:
h. huiselijk geweld: i. huiselijke kring: j. hulpmiddel:
k. maatschappelijke ondersteuning:
l. maatwerkvoorziening:
m. mantelzorg:
n. opvang:
o. participatie: p. persoonsgebonden budget (pgb):
niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van een voorziening en die tot een ernstig schadelijk gevolg voor of de dood van een cliënt heeft geleid; persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt of door wie of namens wie een melding is gedaan als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de Wmo; onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen; lichamelijk, geestelijk of seksueel geweld of bedreiging daarmee door iemand uit de huiselijke kring; een familielid, een huisgenoot, de echtgenoot of voormalig echtgenoot of een mantelzorger; roerende zaak die bedoeld is om beperkingen in de zelfredzaamheid of de participatie te verminderen of weg te nemen; 1. bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld; 2.
ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronisch psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving; 3. bieden van beschermd wonen en opvang; op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen: 1. ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen; 2. ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen; 3.
ten behoeve van beschermd wonen en opvang; hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep; onderdak en begeleiding voor personen die de thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving; deelnemen aan het maatschappelijke verkeer; bedrag waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere 3
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
q. sociaal netwerk: r. voorziening: s. woningaanpassing: t. zelfredzaamheid:
maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt van derden heeft betrokken; personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt; algemene voorziening of maatwerkvoorziening; bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woonruimte; in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden.
Artikel 2.1.1 Definities In artikel 2.1.1 van de Integrale verordening zijn de definities opgenomen die voor de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning voor de gemeente Veenendaal noodzakelijk zijn. In het kader van de toegang tot de voorziening zijn in dit artikel de wettelijk opgenomen uitvoeringsbepalingen gedefinieerd voor de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning in de gemeente Veenendaal. Ad. a Onder iv wordt gesproken over een voorziening die betaald kan worden met een inkomen op minimumniveau. Hierbij is de daadwerkelijke financiële situatie niet van belang. Ad. b Het gaat hier bijvoorbeeld om de Zorgverzekeringswet of de Wet langdurige zorg. Ad g. Professionele hulp betekent niet alleen dat er aan de hand van bepaalde methoden wordt gewerkt en de betreffende professional de noodzakelijke diploma’s heeft, maar ook dat de professional objectief en onafhankelijk kan handelen. Een familielid (of andere persoon uit het sociaal netwerk van de cliënt) kan door zijn persoonlijke relatie met de cliënt niet volledig objectief en onafhankelijk handelen. De kwaliteit van de ondersteuning die hij/zij de cliënt kan bieden is in dat geval onvoldoende. Artikel 2.1.2 Melding ondersteuningsvraag Lid 3.
Spoedeisende gevallen We spreken van spoedeisende gevallen indien het noodzakelijk is om binnen 24 tot 48 uur ondersteuning in te zetten om onaanvaardbare gezondheidsrisico's voor de cliënt en/of zijn gezin te voorkomen. Een dergelijke situatie komt bijvoorbeeld voor indien er sprake is van: - een plotselinge wijziging in de gezondheidssituatie van een cliënt (aandoeningen, stoornissen, beperkingen) die leidt tot een substantieel andere inhoud en omvang van de benodigde ondersteuning of; - een plotselinge wijziging van de informele hulp (wegvallen mantelzorg) die substantiële ondersteuning biedt. Lid 4 Convenant Landelijke Toegankelijkheid Beschermd Wonen Landelijke toegankelijkheid is een belangrijk uitgangspunt bij de uitvoering van de maatschappelijke opvang (MO) door gemeenten. In de Wmo 2015 is ‘landelijke toegankelijkheid’ voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang vastgelegd: ingezetenen van Nederland kunnen zich tot elke gemeente wenden voor een MO-voorziening. Vervolgens wordt onderzocht in welke gemeente de betrokkene de meeste kans van slagen heeft op duurzaam herstel. Voor maatschappelijke opvang geldt dat de gemeente waar iemand zich aanmeldt verantwoordelijk is voor de eerste opvang (tot de eventuele warme overdracht zie hierna). Door middel van de screening wordt een afweging gemaakt in welke regio de grootste kans van slagen is op duurzaam herstel.
De uitwerking van hoe gemeenten in de praktijk moeten handelen om te voldoen aan het uitgangspunt van landelijke toegankelijkheid is beschreven in het convenant Landelijke Toegankelijkheid Beschermd Wonen. 4
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
Om te kunnen beoordelen wordt gewerkt met de toetsingscriteria vanuit de landelijke handreiking. Daarbij worden vragen gesteld over; • Een aantoonbaar positief sociaal netwerk in Veenendaal? • Er in verband met werk, school of dagbesteding een binding is met Veenendaal? • Passende hulp wordt ingezet, te weten een ggz behandelaar in Veenendaal? • Er gegronde (veiligheid) redenen voor u om uit het oude netwerk te gaan, mede gesteld door huisarts, behandelaar, huidige zorgaanbieder of de reclassering? • Of als er behoefte is aan een specifieke aanpak of specifieke voorziening die in Veenendaal wordt geboden? Andersom geldt dat inwoners uit Veenendaal op basis van het landelijke convenant ook bij een andere (centrum)gemeente een aanvraag mogen doen voor Beschermd Wonen.
Binnen onze regio van beschermd wonen, met als centrumgemeente de gemeente Ede, is afgesproken dat we ons houden aan dit landelijke convenant. Met lid 4 is dat nu ook vastgelegd in onze verordening. Artikel 2.1.4 Vooronderzoek Lid 1. Vooronderzoek Het vooronderzoek is een apart onderdeel van de procedure en behelst in elk geval: - identificatie van de cliënt; - vaststellen van de woon- en leefsituatie van de cliënt. Lid 1b. Identificatie Tijdens het vooronderzoek verifieert het Wmo-loket in de Basisregistratie Personen (BRP) of de cliënt in het bezit is van een geldig identificatiebewijs. Indien de cliënt niet beschikt over een geldig identificatiebewijs moet de cliënt deze aanvragen en melden bij het Wmo-loket zodra deze in zijn/haar bezit is zodat dit door het loket geverifieerd kan worden in de BRP. Artikel 2.1.5 Gesprek Lid 1c. Algemene voorzieningen Veenendaal kent een aantal algemene voorzieningen zoals bijvoorbeeld welzijnswerk en rolstoelpool (voor winkelend publiek) in de Cultuurfabriek. Meer algemene voorzieningen zijn mogelijk. Te denken valt aan Automobiel als verlengde burenhulp, driewielfietspool, verhuisservice, et cetera. Indien algemene voorzieningen of algemeen gebruikelijke voorzieningen voorhanden zijn, dan zal de cliënt hiernaar verwezen worden (wanneer uit onderzoek is gebleken dat betreffende voorziening passend is).
Het feit dat betreffende cliënt deze voorziening niet kan betalen, is geen reden om over te gaan naar een maatwerkvoorziening. Bij het gesprek wordt gekeken naar de zelfredzaamheid, de eigen kracht en verantwoordelijkheid van de inwoner. Dit sluit aan op de nieuwe Wmo die uitgaat van ondersteuning en stimulering van volwassen inwoners, in tegenstelling tot de oude Wmo die uitging van een compensatieplicht. Bij het toekennen van een maatwerkvoorziening wordt een cliënt niet verplicht om in ruil voor de maatwerkvoorziening een tegenprestatie te verrichten. Het feit dat een cliënt niet bereid is iets terug te doen voor de maatschappelijke ondersteuning kan als zodanig niet leiden tot weigering van een aangevraagde maatwerkvoorziening. Lid 2. Persoonlijk plan Dit lid (afgeleid van artikel 2.3.2 van de Wet maatschappelijke ondersteuning) omschrijft de mogelijkheid voor cliënten om een persoonlijk plan in te dienen. In dit persoonlijk plan omschrijft de cliënt in ieder geval de volgende zaken: - zijn of haar behoeften aan ondersteuning; - zijn persoonskenmerken; - voorkeuren met betrekking tot de gewenste ondersteuning; - de eigen mogelijkheden de zelfredzaamheid/participatie te verbeteren; - de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit sociaal netwerk de zelfredzaamheid/participatie te verbeteren; 5
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
-
-
de behoeften aan steun van de mantelzorger; de mogelijkheden van de cliënt om gebruik te maken van algemene voorzieningen of het verrichtten van maatschappelijk nuttige activiteiten om de zelfredzaamheid/participatie te verbeteren; de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgaanbieders zijn zelfredzaamheid/participatie te verbeteren.
Indien een cliënt een persoonlijk plan indient, wordt deze tijdens het gesprek besproken. Het indienen van een persoonlijk plan bepaalt niet het recht op een maatwerkvoorziening, maar werkt ondersteunend in het zoeken naar de juiste oplossing voor de ondersteuningsvraag van de cliënt. Indien de gemeente tot andere conclusies komt dan de cliënt in zijn persoonlijk plan heeft omschreven, dient de gemeente dit beargumenteerd te motiveren en op te nemen in het gespreksverslag. Lid 3. Rechten en plichten van de cliënt In de procedure moet het college de cliënt inlichten over zijn of haar rechten en plichten indien er sprake is van een melding: - de cliënt kan zich gedurende het hele proces van melding tot arrangement laten ondersteunen door een cliëntondersteuner.
Aan het begin van de procedure wordt dit de cliënt duidelijk gemaakt; - de cliënt kan een persoonlijke plan indienen, ook dit wordt aan het begin van de procedure duidelijk gemaakt; - de cliënt dient zich te identificeren; - de cliënt dient mee te werken aan het onderzoek door persoonlijke gegevens, begeleidingsplannen, financiële gegevens, gegevens over mantelzorgers en BRP-gegevens indien gevraagd te verstrekken; - indien de cliënt hierboven gegevens niet wil geven kan dat reden zijn om het onderzoek af te breken; - de gemeente mag de hierboven genoemde gegevens vragen maar alleen voor zover die nodig zijn voor het onderzoek, om tot de juiste conclusies te komen. Lid 4. Cliënt reeds bekend Dit lid is bedoeld om te voorkomen dat cliënten die reeds bekend zijn bij de gemeente, doordat eerder een of meerdere gesprekken hebben plaatsgevonden, verplicht opnieuw een gesprek moeten ondergaan terwijl dit voor de bepaling van de noodzaak van bijvoorbeeld een maatwerkvoorziening niet nodig is. Artikel 2.1.6 Advisering Het college kan extern advies inwinnen indien dat voor de beoordeling van een aanvraag nodig is; het is in zekere zin zelfs verplicht als dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig onderzoek naar de aanvraag te doen.
Het is bij de adviesaanvraag van belang dat hierbij een heldere vraag of afgebakende opdracht wordt verstrekt, zodat duidelijk is voor de cliënt en de adviseur welk aanvullend onderzoek nog nodig is. In artikel 2.3.8, derde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning is een medewerkingsplicht opgenomen. De cliënt is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze Wet. Artikel 2.1.7 Verslag Indien de cliënt het niet eens is met de conclusies uit het onderzoek die verwoord zijn in een gespreksverslag mag hij te allen tijde een aanvraag indienen. Het college dient binnen 2 weken een beslissing te nemen op deze aanvraag. Artikel 2.1.8 [vervallen]
6
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
Artikel 2.1.9 Aanvraag Aanvragen maatwerkvoorziening Er kan een los aanvraagformulier gebruikt worden indien: de termijn genoemd in artikel 2.3.2 lid 1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning overschreden wordt; het een herindicatie betreft waarvoor geen gesprek gevoerd wordt; de cliënt het niet eens is met de conclusies uit het onderzoek en een aanvraag wenst te doen. In de overige gevallen kan gebruik worden gemaakt van het aanvraagformulier dat bij het verslag is gevoegd.. Artikel 2.1.10 Criteria voor een maatwerkvoorziening - In het eerste lid is opgenomen dat er bij de beoordeling van de aanvraag gebruik wordt gemaakt van het verslag. - In het tweede en vierde lid zijn de voorwaarden waaronder een maatwerkvoorziening wordt getroffen opgenomen. Als het gaat om een andere voorziening betreft het hier de afstemming en de verantwoordelijkheden binnen andere regelingen (zoals de Zorgverzekeringswet, de Wet langdurige zorg (Wlz), de Jeugdwet, Veilig Thuis, de Participatiewet). - In het derde lid zijn de gronden ten aanzien van het treffen van een maatwerkvoorziening opgenomen. - In het zesde lid is beschreven dat het college aanvullende criteria kan stellen, gericht op de Veenendaalse situatie. Artikel 2.1.10a Aanvullende criteria voor een woonvoorziening Behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 2.1.10b Aanvullende criteria voor een financiële tegemoetkoming als maatwerkvoorziening Behoeft geen nadere toelichting. Artikel 2.1.10c Aanvullende criteria beschermd wonen Beschermd wonen is een tijdelijke voorziening, primair gericht op personen die zich (nog) niet kunnen handhaven in de samenleving en daarom zijn aangewezen op verblijf in een beschermende woonomgeving. Daarvoor kan aanleiding bestaan omdat de cliënt er (nog) niet in slaagt om zelfstandig te wonen zonder de (directe) nabijheid van 24 uur per dag toezicht of ondersteuning. Beschermd wonen is erop gericht om mensen te begeleiden naar de mogelijkheid om zelfstandig, met passende ondersteuning, te kunnen wonen. Een indicatie voor beschermd wonen is van toepassing indien de cliënt is aangewezen op een beschermende woonomgeving (inclusief verblijf) gelet op diens complexe problematiek. Daarnaast is het zo dat individuele begeleiding geen passende oplossing kan bieden. Indien de cliënt behandeling met opname nodig heeft, moet deze behandeling eerst zijn doorlopen. Ook verlangt de gemeente dat de client gemotiveerd aan een herstel- of ontwikkeltraject meewerkt. We onderscheiden drie arrangementen: het eerste (middel) en tweede (zwaar) zijn gericht op het bevorderen zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt.
Het derde arrangement (intensief) richt zich vooral op het voorkomen van vermijdbare achteruitgang in de zelfredzaamheid en/of participatie. Mensen met psychiatrische en sociaal-maatschappelijke problemen kunnen hun zelfstandigheid vaker behouden als passende ondersteuning in de thuissituatie beschikbaar is. Indien er geen sprake (meer) is van een noodzaak tot 24 uur per dag toezicht en nabijheid, wordt een ambulante maatwerkvoorziening, eventueel in een beschermde thuisomgeving, ingezet. Vanaf 1 januari 2021 is er een mogelijkheid tot uitstroom naar de Wet langdurige zorg (Wlz). Cliënten met een chronisch psychiatrisch ziektebeeld kunnen een beroep doen op de Wlz. 7
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
Artikel 2.1.10d Voorschrift bruikleen Behoeft geen nadere toelichting. Artikel 2.1.11 Inhoud beschikking Uitgangspunt van de Wet maatschappelijke ondersteuning is dat de cliënt een maatwerkvoorziening in ‘natura’ krijgt. Indien gewenst door de cliënt bestaat echter de mogelijkheid voor het toekennen van een budget. In dit artikel zijn bepalingen opgenomen ten aanzien van de beschikking die de cliënt ontvangt met betrekking tot een toegekende maatwerkvoorziening al dan niet toegekend in de vorm van een pgb. Tweede lid, onder a, en derde lid, onder a: het beoogde resultaat is bijvoorbeeld ‘mobiliteit’ en niet ‘een scootmobiel’. Het college neemt niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt immers via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen. Zie artikel 2.1.4, zesde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning, waarin is bepaald dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget, met uitzondering van die voor opvang, wordt vastgesteld en voor de gemeente geïnd door het CAK.
Artikel 2.1.12 Soorten pgb In het eerste lid is een verwijzing opgenomen naar het centrale pgb-artikel 2.3.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning. Dit lid is opgenomen teneinde in de verordening een compleet beeld van rechten en plichten van de cliënt te geven. In het eerste lid is verankerd dat het college op grond van artikel 2.3.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning een pgb kan verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een verplichting van het college worden gesproken. Van belang is dat een pgb alleen wordt verstrekt indien de cliënt dit gemotiveerd vraagt (zie artikel 2.3.6, tweede lid, onder b). Met behoud van de motivatie-eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen (zie de toelichting op amendement Voortman c.s., Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 103). Mogelijkheid tot het kiezen van een pgb Het college onderzoekt of de cliënt in staat is de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren of hij daarvoor iemand heeft gemachtigd.
Een gemachtigde kan niet tevens de uitvoerder zijn van de ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht, tenzij dit naar het oordeel van het college passend wordt bevonden, gezien de situatie van de cliënt, de aard van de ingekochte ondersteuning en de waarborgen waarmee een verantwoorde besteding van het pgb is omgeven. Artikel 2.1.13 Regels voor een persoonsgebonden budget (PGB) In dit artikel worden de voorwaarden beschreven om voor een pgb in aanmerking te komen. Zie ook artikel 2.3.6, tweede lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning, waarin de voorwaarden worden genoemd om voor een pgb in aanmerking te komen. De belangrijkste eisen zijn dat de cliënt, al dan niet met hulp, de regie over het pgb kan voeren en kan zorgen dat er ondersteuning van voldoende kwaliteit wordt ingekocht met het pgb. De gemeente moet toetsen of aan die eisen is voldaan. Het is daarom van belang dat de gemeente bij de beslissing op de aanvraag al bepaalt welke kwaliteitseisen in het concrete geval moeten worden gesteld. Alleen zo kan worden bepaald of de cliënt daaraan voldoet. Als de cliënt niet aan deze voorwaarden voldoet, kan de keuzevrijheid voor een pgb worden geweigerd, en bestaat alleen recht op een maatwerkvoorziening in natura.
Verder kan keuzevrijheid voor een pgb worden geweigerd als de cliënt eerder niet aan gestelde pgb-voorwaarden onder de Wet maatschappelijke ondersteuning heeft voldaan en als een pgb voor de gemeente duurder is dan een voorziening in natura (zie artikel 2.3.6, lid 5). Artikel 2.1.14 Hoogte persoonsgebonden budget bij Beschermd Wonen 8
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
De wijze waarop de hoogte van het pgb wordt vastgesteld In het eerste lid is de wijze waarop de hoogte van een pgb door het college wordt vastgesteld vastgelegd (zoals verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de Wet maatschappelijke ondersteuning). Het betreft de substantiële materiële norm- en kaderstelling, in de vorm van een berekeningswijze voor het bepalen van de hoogte van pgb’s, die iedere keer als uitgangspunt genomen wordt. Een op basis van deze berekeningswijze vastgesteld budget moet de cliënt in staat stellen de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren van derden te betrekken (artikel 2.3.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning). Met dien verstande dat het college een pgb kan weigeren voor zover de kosten hiervan hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening in natura (artikel 2.3.6, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wet maatschappelijke ondersteuning). Dit alles laat onverlet dat het college bevoegd is om een lager tarief te hanteren dan het gehanteerde tarief voor zorg in natura, mits dat tarief de cliënt in staat stelt om tijdig de noodzakelijke kwalitatief goede maatschappelijke ondersteuning van derden te betrekken.
Een grond om een lager tarief te hanteren zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat de maatschappelijke ondersteuning zal worden betrokken van een solistisch (zelfstandig) werkende aanbieder met aanzienlijk lagere overheadkosten dan grotere aanbieders die namens het college de zorg in natura verlenen. Het is telkens aan het college om (cijfermatig) te onderbouwen hoe in de betreffende situatie de hoogte van het pgb is bepaald en om te onderzoeken of – en te onderbouwen dat – het budget inderdaad toereikend is om de benodigde maatschappelijke ondersteuning tijdig van derden te kunnen betrekken. Met andere woorden, de bewijslast met betrekking tot de ‘toereikendheid’ ligt bij de gemeente. Het is evenwel aan de betrokkenen om eventuele bijzonderheden aan te kaarten. Met het hanteren van de in hoofdstuk 2 van de Integrale verordening neergelegde berekeningswijze wordt de hoogte van een pgb in belangrijke mate bepaald door wat het de gemeente zou kosten als het de betreffende maatwerkvoorziening in natura zou verstrekken (‘de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate maatwerkvoorziening in natura’). De tarieven die de gemeente hiervoor overeen is gekomen met aanbieders – evenals de tariefdifferentiatie – kunnen opgenomen worden en de beleidsregel, maar uitdrukkelijk als uitgangspunt. Niet als ‘harde’ vaststaande tarieven.
Dat strookt immers enerzijds niet met het karakter van de beleidsregel en anderzijds niet met het uitgangspunt dat er telkens maatwerk geleverd moet worden. Als in een individueel geval aantoonbaar is dat berekeningswijze van de in hoofdstuk 2 van de Integrale verordening – met toepassing van deze tarieven – leidt tot een pgb-hoogte waarmee de cliënt niet in staat is de benodigde maatschappelijke ondersteuning van derden te betrekken, dan wordt er in dat geval van de tarieven afgeweken. Uiteraard nog steeds met de kanttekening dat het college een pgb kan weigeren voor zover de kosten van het betrekken van de maatschappelijke ondersteuning van derden hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening in natura. De voorwaarden waaronder met een pgb-voorzieningen kunnen worden betrokken van een persoon uit het sociale netwerk Uit artikel 2.3.6, vierde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning volgt dat bij verordening kan worden bepaald onder welke voorwaarden betreffende het tarief, de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de mogelijkheid heeft om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen te betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. De te stellen voorwaarden kunnen echter niet zover gaan dat het inschakelen van informele hulp geheel wordt uitgesloten. Hieraan is in het derde lid invulling gegeven.
Daarbij is van belang dat in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de regering heeft aangegeven dat onder dit sociale netwerk ook mantelzorgers kunnen vallen. Wel is de regering van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. Overeenkomstig de bestaande Wmo-praktijk wordt hierbij in ieder geval gedacht aan diensten (zorg van mantelzorgers bijvoorbeeld). Informele hulp bij hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen is minder goed 9
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
denkbaar. Ingeval ook hiervoor een pgb wordt aangevraagd is voor gemeenten van belang dat slechts een pgb wordt verstrekt indien naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de in te kopen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt (artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de Wet maatschappelijke ondersteuning). Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de Wet maatschappelijke ondersteuning weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt (artikel 2.3.6, derde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning). Voor het logeren bij iemand uit het sociaal netwerk is er een vast bedrag opgenomen. Er wordt gesproken van logeren wanneer de aanvrager van deze onkostenvergoeding tijdelijk verblijft/logeert binnen het sociaal netwerk. Het tarief van logeren dat wordt gehanteerd is een vergoeding voor de persoon die het logeren aanbiedt. Per etmaal is het tarief € 31,15 en er geldt een maximum van € 141,-. Artikel 2.1.15 Hoogte pgb beschermd wonen Net als bij andere maatwerkvoorzieningen is het ook mogelijk om de ondersteuning in de vorm van beschermd wonen via een pgb te verzilveren.
Een initiatief of organisatie moet voldoen aan de gestelde voorwaarden, zoals opgenomen in de Nadere Regels, om ondersteuning te bieden aan een cliënt met een Beschermd Wonen indicatie vanuit een pgb. Het pgb is, gelijk aan Zorg in natura (ZIN), gebaseerd op de noodzakelijke zorgbehoefte van de cliënt. De cliënt kan na het ontvangen van de beschikking beschermd wonen kiezen voor de leveringsvorm ZIN of pgb. Zij kunnen alleen kiezen voor pgb, mits zij voldoen aan de daarvoor gestelde voorwaarden. Het uurtarief pgb is afgeleid van het ZIN tarief, waarbij rekening is gehouden met een vermindering van 10% als gevolg van minder overheadkosten. De hoogte van het pgb uurtarief bedraagt 90% van het uurtarief ZIN. Jaarlijks worden deze tarieven geïndexeerd conform inkoopafspraken zoals gehanteerd bij de inkoop van ZIN.
Artikel 2.1.16 Weigeringsgronden voor een pgb Behoeft geen nadere toelichting. Artikel 2.1.17 Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, vierde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wet maatschappelijke ondersteuning. Het eerste, tweede en derde lid bevatten een herhaling van hetgeen al in de tekst van de Wet maatschappelijke ondersteuning is opgenomen (artikel 2.3.8, 2.3.10 en 2.4.1). Met opname van deze wettekst in hoofdstuk 2 van de Integrale verordening wordt beoogd een compleet beeld te geven van de regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wet maatschappelijke ondersteuning. Het vierde lid is een ‘kan’-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een voorziening treft.
Als binnen zes maanden na de beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, heeft het college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken. Deze bepaling is te zien als een verbijzondering van de bepaling in het tweede lid, onder e (dat tevens op maatwerkvoorzieningen (in natura) ziet). In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning zijn regels voor het 10
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
verhaal van kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel kan invorderen. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 157) wordt duidelijk dat daarnaast de mogelijkheid blijft bestaan om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen; ‘omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt’. Lid 7 Regres: Dit betreft de mogelijkheid van de in de Wet maatschappelijke ondersteuning expliciet omschreven regres op aansprakelijke derden. Tot 2019 werd dit door de verzekeraars afgekocht onder de afgesloten overeenkomst met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (artikel 2.4.4. van de Wet maatschappelijke ondersteuning). Om die reden is dit, ondanks dat de kaders al in de Wet maatschappelijke ondersteuning voldoende zijn omschreven, in hoofdstuk 2 van de Integrale verordening opgenomen.
Als het ongeval door een ander is veroorzaakt betaalt de (verzekeraar van de) veroorzaker ingevolge artikel 2.4.3, eerste lid, te verwachten schadelast ten gevolge van de schadeplichtigheid van hun verzekerden de Wmo-voorziening in plaats van dat deze kosten worden gedragen door gemeenschapsgeld. Ook (buitenrechtelijke) advocaatkosten moeten vergoed worden door de veroorzaker van de schade. De verzekeraar mag een slachtoffer erop wijzen dat hij zich tot de gemeente kan wenden voor Wmovoorzieningen in het geval er sprake is van een aansprakelijke partij, maar kan hij daartoe niet verplicht worden. Artikel 2.1.18 opschorting betaling uit het pgb Behoeft geen nadere toelichting. Artikel 2.1.19 Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen Behoeft geen nadere toelichting. Artikel 2.1.20 Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen In dit onderdeel wordt geregeld dat - wanneer de gemeente ervoor kiest om een bijdrage te heffen voor maatwerkvoorzieningen en voor de bij verordening aangewezen voorzieningen het abonnementstarief van maximaal € 20,60 geldt. Het CAK stelt de bijdrage vast en int deze. Welke voorzieningen bij verordening worden aangewezen voor deze bijdrage zijn opgenomen in hoofdstuk 2 van de Integrale verordening. De Eigen Bijdrage systematiek is opgenomen in de beleidsregels.
Met ingang van 1 januari 2021 zijn er geen algemene voorzieningen meer, zoals de schoonmaakondersteuning, waarbij een duurzame hulpverleningsrelatie wordt aangegaan. Dit betekent dat er geen algemene voorzieningen meer zijn waarvoor het abonnementstarief geldt. Het collectief vervoer valt niet onder het abonnementstarief. De Wet maatschappelijke ondersteuning maakt een uitzondering voor het collectief vervoer, zowel in de vorm van een maatwerkvoorziening als in de vorm van algemene voorziening. Het college biedt een kortingspas als maatwerkvoorziening CVV en koopt regionaal vervoer in dat passend is voor de Wmo cliënten en voor het OV-vangnet. De cliënt is wel het OV-reizigerstarief verschuldigd. De gemeente kan ervoor kiezen om bepaalde maatwerkvoorzieningen vrij te stellen van een eigen bijdrage, in artikel 2.1.20 lid 5 zijn deze voorzieningen opgenomen. In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4b, tweede lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning, worden de bijdragen voor een maatwerkvoorziening of pgb door het Centraal administratiekantoor (CAK) vastgesteld en geïnd. Artikel 2.1.20a Bijdrage in de kosten voor beschermd wonen 11
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
Cliënten die gebruik maken van beschermd wonen blijven een eigen bijdrage betalen die afhankelijk is van het inkomen en vermogen. Het college hanteert daarbij de bedragen en percentages zoals vastgelegd in: • de Regeling vaststelling bedragen ex Besluit langdurige zorg; en • het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.
Artikel 2.1.21 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de Wet maatschappelijke ondersteuning, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen. Die eisen kunnen ook betrekking hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de Wet maatschappelijke ondersteuning en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning.
In het eerste lid zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt. Het in het derde lid genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel 2.5.1, eerste lid, van de Wet. Artikel 2.1.22 Kwaliteitseisen gesteld aan hulpmiddelen en aanpassingen ingekocht met een persoonsgebonden budget Behoeft geen nadere toelichting. Artikel 2.1.23 Kwaliteitseisen gesteld aan diensten ingekocht met een pgb Behoeft geen nadere toelichting. Artikel 2.1.24 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden Het college kan de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de cliënt, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.6.4, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden.
Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering, wordt in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat een beter beeld ontstaat van een reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.
12
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
Artikel 2.1.25 Calamiteiten en geweld In artikel 3.4, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 6.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning. In aanvulling op het bovenstaande regelt dit artikel dat er door het college een regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthoudend ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Artikel 2.1.26 Jaarlijkse waardering mantelzorgers Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning: Bij verordening wordt bepaald op welke wijze het college zorgdraagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel 2.1.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de gemeente.
Artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning definieert een cliënt als een persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening, maatwerkvoorziening of pgb, of door of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus om mantelzorgers van cliënten die een ondersteuningsvraag hebben aangemeld. Ook al is daar geen voorziening op basis van deze Wet uitgekomen. En natuurlijk ook om mantelzorgers van cliënten die wel een voorziening op basis van deze Wet hebben gekregen. Tot slot is nog van belang te vermelden dat de woonplaats van de cliënt bepalend is en dat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten wonen. Alle bij de gemeente bekende mantelzorgers van cliënten uit de gemeente hebben dus recht op een mantelzorgwaardering. Blijken van waardering kunnen bestaan uit een geldbedrag, een VVV-bon, een jaarlijkse dag voor mantelzorgers, enz. De uitwerking voorziet in de delegatie van de verordeningsbevoegdheid naar het college. Artikel 2.1.27 Klachtenregeling Een bepaling over klachten is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de Wet maatschappelijke ondersteuning. In hoofdstuk 2 van de Integrale verordening wordt in ieder geval bepaald welke eisen worden gesteld aan de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van gedragingen van de aanbieder jegens een cliënt. In de Memorie van Toelichting (p.
57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De cliënt kan ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. Wanneer de cliënt niet tevreden is over een gedraging van de aanbieder, kan dit betrekking hebben op de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker, een bepaalde houding of uitlating van de medewerker, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder). Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is 13
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open. Gemeenten en aanbieders zullen goede communicatielijnen moeten onderhouden over de ontvangst en het voortouw nemen bij de afhandeling van klachten. In het eerste lid is een bepaling opgenomen over het gemeentelijke klachtrecht. De gemeente is al op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. De Memorie van Toelichting (p. 58) hierover: Indien de cliënt zich onheus bejegend voelt door de wijze waarop de gemeente zich heeft gedragen, kan deze op basis van de Awb een klacht indienen bij de gemeente. De gemeente moet zorgdragen voor een adequate behandeling van klachten over gedragingen van personen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. De gemeente kan bijvoorbeeld een mediator inzetten voor de afhandeling van klachten. Klachten kunnen zowel mondeling als schriftelijk worden ingediend en in iedere fase van de behandeling is het mogelijk om tot een informele oplossing te komen. Indien de klager daarmee instemt, behoeft vanaf dat moment de formele weg niet meer te worden gevolgd.
De regering vindt het van groot belang, mede met het oog op de kwetsbare positie van de doelgroep, dat juridisering en procedures zo veel mogelijk worden voorkomen. Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9 van de Awb, waarin een uitvoerige regeling omtrent klachtbehandeling is gegeven, en ook het recht is neergelegd om na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman te verzoeken een onderzoek in te stellen, kan in deze verordening met de eenvoudige bepaling van het eerste lid worden volstaan. Indien een gemeente een klachtenverordening heeft vastgesteld, ligt het voor de hand hierbij aan te sluiten. Tot slot is het van belang om uitvoering te geven aan de oproep van de wetgever in de Memorie van Toelichting (p. 58): Gemeenten moeten cliënten goed informeren over de mogelijkheden om klachten in te dienen. Daarbij moet het duidelijk zijn wanneer en hoe men met een klacht bij de gemeente terecht kan, wanneer de klacht primair bij de aanbieder moet worden ingediend en wat men kan doen als men niet tevreden is over de afhandeling van de klacht. In het tweede lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen.
Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de Wet maatschappelijke ondersteuning, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten is vereist. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtenregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de Wet maatschappelijke ondersteuning). Artikel 2.1.28 Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning Deze bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de Wet maatschappelijke ondersteuning. In hoofdstuk 2 van de Integrale verordening wordt in ieder geval bepaald welke eisen worden gesteld aan de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder. In dit artikel gaat het om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. Voorheen moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder reeds verwezenlijkt via de cliëntenraad. Onder de Wet maatschappelijke ondersteuning is het stellen van regels geheel aan gemeenten overgelaten.
In de verordeningsbepaling is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders met wie de gemeente een contract heeft gesloten of aan wie subsidie is verleend, een effectieve en laagdrempelige regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen. Artikel 2.1.29 Betrekken van ingezetenen bij het beleid Deze bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, derde lid, van de Wet maatschappelijke 14
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
ondersteuning. In het eerste lid is verwezen naar de krachtens art. 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmo-beleid als op andere terreinen. Inspraakverordeningen verwijzen veelal naar de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, zoals te vinden in afdeling 3.4 Awb. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever. Zie de Memorie van Toelichting op artikel 2.1.3 van de Wet maatschappelijke ondersteuning: In het derde lid is bepaald dat in hoofdstuk 2 van de Integrale verordening regels moeten worden opgenomen over de wijze waarop periodiek met ingezetenen wordt overlegd. Deze mogelijkheid tot medezeggenschap is van belang voor alle ingezetenen, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. Daarom is niet de beperking tot personen die maatschappelijke ondersteuning ontvangen of hun vertegenwoordigers gehanteerd. In het vierde lid is een delegatiebepaling toegevoegd omdat de exacte invulling van de medezeggenschap aan het college kan worden overgelaten.
Dit is ook nodig, nu de Memorie van Toelichting dienaangaande stelt: De verordening zal in elk geval moeten regelen dat betrokkenen in de gelegenheid worden gesteld voorstellen voor het beleid te doen en vroegtijdig in staat worden gesteld gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen over ontwerpverordeningen en ontwerpbeleidsplannen; ook zal moeten worden voorzien in de ondersteuning van betrokkenen op zodanige wijze dat zij effectief aan het overleg kunnen deelnemen en in regels over de wijze waarop agendapunten daarvoor kunnen worden aangemeld; tot slot zal ook moeten worden geregeld hoe de benodigde informatie voor het overleg wordt verspreid.
15
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
7.3 Toegang en toeleiding jeugdhulp Algemeen Hoofdstuk 3 van de Integrale verordening geeft uitvoering aan de Jeugdwet. De Jeugdwet maakt onderdeel uit van de in 2015 ingezette bestuurlijke en financiële decentralisatie naar gemeenten van de jeugdzorg, de jeugd-ggz, de zorg voor verstandelijk beperkte jeugdigen en de begeleiding en persoonlijke verzorging van jeugdigen. Eén van de uitgangspunten hierbij was dat een omslag gemaakt zou worden van een stelsel gebaseerd op een wettelijk recht op zorg (aanspraak) naar een stelsel op basis van een voorzieningenplicht voor gemeenten (voorziening), op een wijze zoals eerder was gebeurd met de Wet maatschappelijke ondersteuning. Het wettelijke recht op jeugdzorg en individuele aanspraken op jeugdzorg zijn vervangen door een voorzieningenplicht, waarvan de aard en omvang in beginsel door de gemeente worden bepaald (maatwerk). Het doel van het jeugdzorgstelsel blijft echter onverminderd overeind: jeugdigen en ouders krijgen waar nodig tijdig bij hun situatie passende hulp, met als beoogd doel ervoor te zorgen de eigen kracht van de jongere en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken. Hoofdstuk 3 van de Integrale verordening kan niet los worden gezien van het Integraal Beleidskader Sociaal Domein, dat de raad op grond van artikel 2.2 van de Jeugdwet eveneens dient vast te stellen.
In dit beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid vastgelegd met betrekking tot preventie en jeugdhulp, de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. Vrij toegankelijk In hoofdstuk 3 van de Integrale verordening is onderscheid gemaakt tussen algemeen (vrij) toegankelijke en individuele (niet vrij-toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp (zie artikel 3.1.2, eerste, respectievelijk tweede lid). Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een algemeen toegankelijke voorziening. Hier kunnen de jeugdige en zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en zijn ouders kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de jeugdhulpaanbieder wenden. Toegang jeugdhulp via de gemeente Ook kan een ondersteuningsvraag van een jeugdige of zijn ouder binnenkomen bij de gemeente (in sommige gevallen nadat zij naar de gemeente zijn doorverwezen door het Advies- en Meldpunt Huiselijk Geweld en Kindermishandeling). De beslissing door de gemeente welke zorg een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft, komt vervolgens tot stand op basis van het onderzoek dat namens het college in samenspraak met die jeugdige en zijn ouders wordt uitgevoerd.
Veelal zal op basis van één of meerdere gesprekken tussen een door de gemeente ingezette medewerker van het CJG en de jeugdige en zijn ouders gekeken worden wat de jeugdige en zijn ouders eventueel zelf of met behulp van hun netwerk kunnen doen aan het probleem. Mogelijk dat ook een andere voorziening kan worden ingezet voor het probleem. Als aanvullend daarop een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is, dan zal eerst gekeken worden of dit een algemeen toegankelijke voorziening is of een individuele voorziening. Is het laatste het geval dan neemt het college een besluit tot verstrekking van de voorziening en worden de jeugdige en zijn ouders doorverwezen naar een jeugdhulpaanbieder die in staat is om de betreffende problematiek aan te pakken. Toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist De Jeugdwet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialist. Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft. Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft ingekocht.
In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contractrelatie. Deze afspraken zien op hoe de 16
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang van het pakket. Deze afspraken zullen verder ook ingaan op hoe de jeugdhulpaanbieder moet handelen na verwijzing van de artsen en hoe de gemeentelijke toegang goed op de hoogte is van de doorverwijzing of behandeling van de jeugdige. Daardoor kan de integrale benadering rond de jeugdige en het principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, met name bij multiproblematiek, worden geborgd en zal geen nieuwe ‘verkokering’ plaatsvinden, waarbij professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij het gezin betrokken zijn. Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden met de regels die de gemeente bij verordening heeft gesteld. Hoofdstuk 3 van deze Integrale verordening regelt welk aanbod van de gemeente alleen via verwijzing of met een besluit van de gemeente toegankelijk is (zie artikel 3.1.2). Omdat de gemeente verder geen nadrukkelijke rol speelt bij de verwijzing van de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialist, regelt hoofdstuk 3 van de Integrale verordening slechts een enkel aspect met betrekking tot het proces (zie artikel 3.1.3 en 3.1.9). Artikel 3.1.11 en verder zijn wel van overeenkomstige toepassing.
Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezagsbeëindiging uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de maatregel gaat uitvoeren.
Dit kan de rechter juist omdat de raad voor de kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is ook verplicht om hierover met de gemeente te overleggen. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in hoofdstuk 3 van deze Integrale verordening.