CConstaterende datVeenendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

5. Toelichting

Gemeenteraad 3 juli 2025, gemeente VeenendaalBij agendapunt: (5e) Wijziging Integrale verordening Sociaal domein36.463 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Artikel 4.5.3 Doelgroep We sluit in deze paragraaf voor veel onderdelen aan bij Participatiewet. De kostendelersnorm staat niet meer expliciet genoemd want in de verwijzing naar de geldende bijstandsnorm zit de kostendelersnorm besloten. Het is overbodig dit hier te noemen. Om duidelijk te maken dat het ‘vermogensbegrip’ in de minimaregelingen afwijkend is van de Pw is in lid 1 sub c, een verwijzing opgenomen naar artikel 4.5.1, onder k. Geen recht Geen recht op een in deze verordening genoemde minimaregeling heeft de belanghebbende die op het moment van aanvraag in detentie of een asielzoekerscentrum verblijft of studiefinanciering ontvangt. Een uitzondering hierop betreft (alleenstaande) ouder(s) met studiefinanciering. Geen recht op een in deze verordening genoemde minimaregeling heeft de belanghebbende aan wie op grond van artikel 11 van de Participatiewet geen bijstand kan worden verleend omdat deze persoon geen Nederlander dan wel een daar aan gelijkgestelde vreemdeling is.

Artikel 4.5.4 Reikwijdte en voorwaarden • Verduidelijking: Toevoeging lid 3 met de afwijking van de CZM op de algemene regel dat het recht op de vergoeding geldt voor de gehele periode. Voor de CZM geldt dat bij het niet meer ingeschreven staan in het BRP het recht op deelname aan de CZM eindigt. • Verduidelijking van de bedoeling van de inkomenstoets: daar stond dat “het inkomen wordt berekend op basis van het gemiddelde inkomen van drie aaneengesloten maanden. Deze drie maanden bevinden zich in de periode zes maanden voor de start van de aanvraagperiode tot en met het einde van de aanvraagperiode.” Dat is het einde van het pasjaar wat niet logisch is. Theoretisch gaat het dan om een periode van anderhalf jaar. Het voorstel is om daarvan te maken: drie aaneengesloten maanden voorafgaand aan de aanvraag. Mocht er sprake zijn van sterk wisselende inkomsten dan kan de toetser het inkomen van een ruimere periode opvragen. • Toevoeging van lid 4: het inkomen van een uitkeringsgerechtigde wordt aan de hand van de meest recente uitkeringsspecificatie vastgesteld. Dit is de (logische) uitvoeringspraktijk en volledigheidshalve voegen we dit toe. • Het lid waarin werd gesteld dat het recht op een vergoeding niet kan worden meegenomen naar een volgende aanvraagperiode is vervallen. Dat is een politieke keuze die in december 2023 is gemaakt.

Vergoedingen in natura Vergoedingen worden verstrekt in natura. Dit houdt in dat er geen geld wordt overgemaakt aan rechthebbenden maar dat vergoedingen worden verstrekt middels (korting op) producten of 49

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

voorzieningen. Bij een vergoeding mag altijd worden bijbetaald. Het betreft dan een tegemoetkoming in de kosten.

Artikel 4.5.5 Aanvragen Het onderscheid is verduidelijkt tussen de CZM (lid 3) en de minimaregelingen (lid 2) voor wat betreft de aanvraagperiode en de looptijd (kalenderjaar en pasjaar). Vanwege persoonlijke omstandigheden kan bij de collectieve ziektekostenverzekering hiervan afgeweken worden. Voorbeelden hiervan zijn inwoners die uitstromen uit de Regeling Ziektekostenverzekering Asielzoekers, inwoners die verhuisd zijn naar de gemeente Veenendaal en in hun oude gemeente reeds recht hadden op de collectieve ziektekostenverzekering en inwoners die vallen onder de Regeling Uitstroom Bijstandsgerechtigden of Regeling Uitstroom Overig. Aan lid 6 is voor de volledigheid het vermogen toegevoegd en ‘inkomensnormen’ is aangepast naar ‘normen’ omdat dit de term is die we consequent hanteren.

4.5.6 Inhoud vergoedingen De vergoedingen bestaan uit regelingen die aansluiten bij bovengenoemde doelstellingen. Uit onderzoek is gebleken dat gelijke kansen op scholing, het versterken van de eigen waarde en ‘mee kunnen doen’ de grootste invloed hebben op de kans om de spiraal van erfelijke armoede te doorbreken. Hiermee bevorderen we dat schoolgaande kinderen zo min mogelijk belemmeringen ondervinden als gevolg van het feit dat hun ouders tot de minima behoren. De regelingen die daarop zien zijn o.a.: • Doe mee-budget Kinderen; • Doe me-budget Jongeren; • Computer of tablet basisschool; • Computer middelbare school; • Huiswerkbegeleiding. Om sociale uitsluiting van volwassenen die rond moeten komen van een minimum inkomen te verminderen en hierdoor maatschappelijke participatie en sport & bewegen te bevorderen, zijn er regelingen voor o.a.: • Doe mee-budget Volwassenen; • Vergoeding ID kaart. Om onderverzekering op het gebied van ziektekostendekking tegen te gaan biedt de gemeente tevens een uitgebreide keuze aan pakketten aan voor de collectieve ziektekostenverzekering. Doe mee-budget Volwassenen, Kinderen en Jongeren • Dit zijn drie nieuwe artikelen. • De bestedingsdoelen zijn volledig overgenomen uit het Voorstel aanpassingen Minimaregelingen, Bijlage A. • Het gaat om een persoonlijke vergoeding. • De vergoeding vervalt na drie opeenvolgende aanvraagperiodes.

Ook als het inkomen stijgt boven de norm zoals bepaald in artikel 4.5.3.

Artikel 4.5.7 Doe mee-budget Volwassenen Dit behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 4.5.8 Doe mee-budget Kinderen 50

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

Dit behoeft heen nadere toelichting.

Artikel 4.5.9 Doe mee-budget Jongeren Dit behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 4.5.10 Identiteitsbewijs Het college kan een vergoeding aan Veenendalers verstrekken voor de kosten van een ID-kaart. Vanaf 14 jaar is het verplicht om je te kunnen legitimeren. De werkelijke kosten voor de aanschaf of verlenging van een identiteitskaart kunnen worden vergoed. Dit betreft enkel de kosten van de identiteitskaart en niet van eventuele extra kosten voor vermissing, spoedaanvraag of pasfoto’s. Een identiteitskaart van een Nederlander ouder dan 17 jaar, is 10 jaar geldig. Voor Nederlanders van jonger dan 18 jaar geldt een geldigheidsduur van 5 jaar. Om deze reden kan er voor een volwassene eens per 10 jaar een vergoeding worden aangevraagd en voor kinderen jonger dan 18 jaar eens per 5 jaar. Toegevoegd is de mogelijkheid dat als een Veenendaler een paspoort wenst aan te schaffen in plaats van een ID-kaart, hij een vergoeding kan krijgen voor het verlengen of aanvragen van een paspoort ter hoogte van de kosten van het aanschaffen of verlengen van een ID-kaart. De aanvullende kosten kunnen vervolgens worden voldaan vanuit het Doe mee-budget uit artikel 4.5.7. 4.5.8 of 4.5.9. Indien een Veenendaler niet in het bezit is van een Nederlands identiteitsbewijs maar wel van een vreemdelingendocument dan kan hij een tegemoetkoming krijgen in de kosten van de verlenging van het vreemdelingendocument.

De hoogte van de vergoeding is even hoog als de kosten voor het verlengen van een Nederlandse Identiteitskaart. Bij een dubbele nationaliteit wordt enkel de Nederlandse identiteitskaart vergoed.

Artikel 4.5.11 Computer/ tablet basisschool Het college kan een vergoeding aan gezinnen verstrekken voor de kosten van de aanschaf van een computer, tablet, en/ of noodzakelijke benodigdheden zoals een printer, toetsenbord, beeldscherm, muis en headset. Verduidelijking van de bedoeling door toevoeging van lid 4: ‘de vergoeding hoeft niet één keer besteed te worden’. Vanuit dit artikel kunnen namelijk verschillende producten worden aangeschaft zoals staat in lid 1 (printer, toetsenbord, muis etc). Deze producten hoeven niet in één keer te worden gekocht. Er is wel een maximaal bedrag opgenomen, namelijk € 500,- per huishouden

Artikel 4.5.12 Computer/laptop jongere Het college verstrekt een vergoeding voor de kosten van de aanschaf van een computer of laptop aan de jongere in de leeftijdscategorie 12 tot 19 jaar. Dat is de uitvoeringspraktijk. Dit kunnen ook thuiszitters zijn, leerlingen Mbo of leerlingen op een school waar gewerkt wordt met laptopkarren op school (en die dus geen laptop vragen). Aangezien het om één product per kind gaat is lid 3 toegevoegd.

Artikel 4.5.13 Collectieve ziektekostenverzekering voor minima Rechthebbenden kunnen vrijwillig deelnemen aan een collectieve ziektekostenverzekering die de gemeente heeft afgesloten met een zorgverzekeraar. Op basis van deze regeling verstrekt de gemeente een tegemoetkoming in de kosten van de premie. 51

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

Hiervoor dient de belanghebbende en/of diens partner met de zorgverzekeraar als bedoeld in lid 1, een overeenkomst te sluiten voor een zorgverzekering in het kader van de Zorgverzekeringswet en het te verzekeren pakket dat overeenkomt met de eisen die het college aan een collectieve zorgverzekering voor minima stelt. Een inwoner kan aan de collectieve zorgverzekering voor minima deelnemen vanaf de datum waarop de collectieve zorgverzekeraar hem accepteert. In de regel is dit 1 januari van het nieuwe kalenderjaar. Een uitzondering hierop betreffen statushouders en inwoners die gedurende het jaar naar de gemeente Veenendaal verhuisden en in hun oude gemeente reeds recht hadden op de collectieve ziektekostenverzekering van die betreffende gemeente. In het vijfde lid wordt aangegeven dat de deelname aan de collectieve verzekering niet midden in een jaar eindigt, maar pas op 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin men wat inkomen of vermogen betreft niet langer recht heeft op deelname aan deze collectieve ziektekostenverzekering. Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat men midden in een jaar onverzekerd raakt omdat men niet meer aan de voorwaarden voldoet of de korting verliest. Het is bovendien van groot belang dat verzekeraar en verzekerde geen twijfel hebben over de verzekeringsvoorwaarden.

Een voorbeeld: stroomt men per 1 augustus van enig jaar uit de bijstand en heeft men een inkomen boven de 120%, dan houdt men de korting en het recht op het extra pakket van de collectieve ziektekostenverzekering tot 1 januari van het jaar dat erop volgt. Daarna kan men bij dezelfde ziektekostenverzekeraar blijven, maar heeft men geen recht meer op de voordelen van de collectieve ziektekostenverzekering. Dit betekent ook dat de armoedeval kleiner is, dan wanneer direct de korting zou stoppen zodra men wat inkomen betreft boven de norm uitkomt.

Artikel 4.5.14 [vervallen]

Artikel 4.5.14a Compensatie meerkosten chronisch zieken en gehandicapten Verduidelijk in lid 1 sub a: de inwoner ten behoeve van wie de aanvraag wordt ingediend 18 jaar of ouder is. De regeling is bedoeld voor volwassenen. Lid 1 sub c is gewijzigd. Eén keer het eigen risico opmaken betekent namelijk nog niet dat de inwoner chronisch ziek is of gehandicapt. Dit criterium was te ruim. Nu we het gebruik echt willen beperken tot de groep chronisch zieken en gehandicapten is deze gewijzigd. In lid 1 sub c is nu opgenomen dat een medische verklaring van een huisarts of een medisch specialist ook een bewijsstuk kan zijn. De reden is dat nu enkel mensen met een voorziening (een uitkering of Wmo voorziening) aanspraak kan maken. Daarmee ondervangt het voor een klein deel het schrappen van het bewijsstuk van het opmaken van het eigen risico, wat onvoldoende aantoont dat er sprake is van een chronische ziekte. Lid 2 is aangepast ter verduidelijking want daar stond: ‘maximale vergoeding’. Dat moet vergoeding zijn. Het is namelijk één bedrag. Artikel 4.5.15 Onjuiste en/of onvolledige gegevens De basis voor het minimabeleid is de Gemeentewet. In artikel 4:115 van de Awb is bepaald dat de bevoegdheid tot uitvaardiging van een dwangbevel – die een directe executoriale titel verschaft slechts bestaat indien zij bij de wet [lees: wet in formele zin] is toegekend.

In het onderhavige geval is de Gemeentewet de wet in de formele zin. In deze wet is echter – in tegenstelling tot de Pw (art. 60 lid 2) - geen bevoegdheid tot uitvaardigen van een dwangbevel opgenomen. Dit betekent dat als de inwoner weigert om terug te betalen er via de civiele rechter een executoriale titel voor (dwang)invordering moet worden verkregen. Artikel 4.5.16 Hardheidsclausule Dit artikel behoeft geen toelichting. 52

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

Artikel 4.5.17 Verbinden van aanbieders Aanbieders van producten en/ of diensten waarvoor op basis van deze verordening vergoedingen aangevraagd kunnen worden kunnen op elk moment van het jaar aangesloten worden bij de voor dit doel beschikbaar gestelde online omgeving om producten toe te voegen. Ook producten van reeds aangesloten aanbieders kunnen ok elk moment worden toegevoegd, gewijzigd of verwijderd. Waar mogelijk zal zoveel mogelijk worden samengewerkt met lokale aanbieders binnen de gemeenten Veenendaal, Rhenen en Rensoude.

53

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

4.6 Toelichting Cliëntparticipatie De gemeente Veenendaal kent sinds 1999 een Cliëntenraad Werk en Inkomen. De taak van de Cliëntenraad bestaat uit het gevraagd en ongevraagd adviseren aan het college over beleid en uitvoering van o.a. de Wet Werk en Bijstand, de re-integratie en sociale activering van cliënten en het gemeentelijk minimabeleid. Hiermee wordt invulling gegeven aan de verplichting om cliëntenparticipatie te regelen volgens de Wet Werk en Bijstand. Binnen de Participatiewet (1 januari 2015) dient ook een Verordening cliëntenparticipatie te worden opgesteld. Met deze paragraaf wordt uitvoering gegeven aan artikel 47 van de Participatiewet De gemeenteraad stelt bij verordening regels over de wijze waarop de personen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, of hun vertegenwoordigers worden betrokken bij de uitvoering van deze wet, waarbij in ieder geval wordt geregeld de wijze waarop deze personen of hun vertegenwoordigers: a. vroegtijdig in staat worden gesteld gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen; b. worden voorzien van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen; c. deel kunnen nemen aan periodiek overleg; d. onderwerpen voor de agenda van dit overleg kunnen aanmelden; d. worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie.

De Cliëntenraad adviseert de gemeente over het brede beleidsterrein van de Participatiewet. Anders dan bij het WMO-forum kent de Cliëntenraad geen ambtelijk secretaris. Sinds 1 januari 2011 heeft de Cliëntenraad een secretaris die uit haar midden wordt benoemd. De functie ambtelijk secretaris is hierdoor vervallen. Daarnaast draagt de gemeente zorg voor het aanleveren van beleidsstukken en onderliggende informatie. De Cliëntenraad bestaat uit ten minste 9 en ten hoogste 11 stemgerechtigde leden, een voorzitter een secretaris. Door te werken met een bandbreedte behoudt de cliëntenraad haar flexibiliteit. Om daarnaast te zorgen voor continuïteit kunnen ook vertegenwoordigers van belangenorganisaties deel uit maken van de raad. De cliëntenraad is zodanig samengesteld dat meer dan de helft van de stemgerechtigde leden bestaat uit cliënten en de rest uit vertegenwoordigers van belangenorganisaties. 4.7 Toelichting Afstemming Participatiewet, IOAW, IOAZ, Rechten en plichten in de Participatiewet De gemeente heeft een verantwoordelijkheid met betrekking tot de invulling van de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Mede gelet op de rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet het gemeentelijk beleid vastgelegd worden in een verordening.

Artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet spreekt over het afstemmen van de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen voor bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet recht worden gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van bijstandsgerechtigden. Artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet legt een directe koppeling tussen de rechten en plichten van uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de uitkering. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de bijstandsgerechtigde, maar ook van de mate waarin de verplichtingen worden nagekomen. De inspanningen die van de bijstandsgerechtigde naar vermogen kunnen worden verwacht, spelen ook een rol. 54

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de uitkering. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van een dergelijke verlaging. Het college moet niettemin bij de vaststelling van de verlaging rekening houden met de persoonlijke omstandigheden en de individueel vastgestelde verplichtingen. Het college kan dan ook van een verlaging afzien als het college daartoe zeer dringende reden aanwezig acht. Met ingang van 1 januari 2015 zijn in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet geüniformeerde arbeidsverplichtingen opgenomen. Voor schending van deze verplichting geldt dat de bijstand in beginsel moet worden verlaagd met honderd procent gedurende één tot drie maanden. In de verordening is de duur van de verlaging vastgelegd (artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet). Is afgezien van een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van bepalingen ten aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen.

Is vanwege de afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet of vanwege dringende redenen afgezien van het opleggen van een verlaging, dan is daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van recidive. Het college beoordeelt uiterlijk drie maanden na de datum van de beschikking of de omstandigheden en het gedrag van belanghebbende aanleiding geven de beslissing te herzien (artikel 18, derde lid, van de Participatiewet). Bij een dergelijke herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen, waarbij alle feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden. Het heeft slechts als doel vast te stellen of belanghebbende tussentijds (binnen de periode waarover de verlaging zich uitstrekt) blijk heeft gegeven van een zodanige gedragsverandering of dat sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden, dat aanleiding bestaat de eerder opgelegde verlaging in zwaarte of duur bij te stellen.3 Artikel 18, derde lid, van de Participatiewet is naar oordeel van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet van toepassing als sprake is van schending van een van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen (artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet). Ten aanzien van geüniformeerde arbeidsverplichtingen is artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet van toepassing.

Verschil tussen artikel 18, derde lid, en artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet is dat artikel 18, elfde lid, pas wordt toegepast als belanghebbende daarom vraagt. Een verlaging krachtens de afstemmingsverordening is een punitieve sanctie voor zover de verlaging wordt opgelegd omdat belanghebbende zich zeer ernstig heeft misdragen. 4 Als een betreffende gedraging ook een strafbaar feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. Deze verlaging en de strafvervolging kunnen alleen naast elkaar bestaan als sprake is van juridisch te onderscheiden feiten. Bijvoorbeeld: belanghebbende beledigt opzettelijk een ambtenaar. Strafrechtelijk bezien kan een geldboete worden opgelegd of een gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden. Daarnaast is sprake van zich zeer ernstig misdragen zoals bedoeld in artikel 9, zesde lid, van de Participatiewet op grond waarvan de bijstand kan worden verlaagd. In andere gevallen waarin een verlaging wordt opgelegd krachtens de afstemmingsverordening is sprake van een reparatoire sanctie (bijvoorbeeld bij schending arbeidsverplichting). Als een betreffende gedraging ook een strafbaar feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. De verlaging en de strafvervolging kunnen naast elkaar bestaan omdat het hier gaat om een reparatoire maatregel en een punitieve sanctie.

Afstemmen in de IOAW en de IOAZ 3

CRvB 19-04-2011, nr. 10/4882 WWB, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3002. CRvB 31-12-2007, nrs. 06/4510 WWB, ECLI:NL:CRVB:2007:BC1811, CRvB 29-07-2008, nrs. 07/2262 WWB e.a., ECLI:NL:CRVB:2008:BD9023, CRvB 19-08-2008, nrs. 07/2416 WWB e.a., ECLI:NL:CRVB:2008:BE8919 en CRvB 1901-2010, nr. 08/1012 WWB, ECLI:NL:CRVB:2010:BL0052. 55 4

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

Sinds 1 juli 2010 heeft het college de mogelijkheid een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna: IOAW) of Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: IOAZ) te verlagen of te weigeren als een belanghebbende de aan het recht op uitkering verbonden verplichtingen niet of onvoldoende nakomt (artikel 20 van de IOAW en artikel van de 20 IOAZ). Het gemeentelijk beleid moet vastgelegd worden in een verordening (artikel van de 35 IOAW en artikel 35 van de IOAZ). Niet verlenen van medewerking Het niet verlenen van medewerking zal niet snel aanleiding geven tot verlaging van de bijstand. Het belangrijkste voorbeeld van de medewerkingsplicht is het toestaan van een huisbezoek. In de praktijk zal het niet toestaan van een huisbezoek echter leiden tot beëindiging of intrekking van het recht op bijstand omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het verlagen van de bijstand is in dat geval niet aan de orde. Het niet voldoen aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met arbeidsinschakeling valt ook onder het niet voldoen aan de medewerkingsplicht.

In de praktijk betreft het echter veelal oproepen voor gesprekken om bepaalde inlichtingen te verstrekken zodat het niet verschijnen dan wordt gezien als het niet nakomen van de inlichtingenplicht. Daarom is ervoor gekozen het niet verlenen van medewerking zoals bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Participatiewet niet als verlagingswaardige gedraging op te nemen in deze verordening. Schenden van de inlichtingenplicht De bestuurlijke boete moet worden opgelegd bij een schending van de inlichtingenplicht en komt in de plaats van de verlaging van de bijstand. Verrekening bestuurlijke boete bij recidive De Participatiewet verplicht in een verordening nadere regels te stellen over de bevoegdheid de beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te stellen bij verrekening van de recidiveboete. Gemeenten hebben daarmee de ruimte een afweging te maken van situaties of omstandigheden waarin het buiten werking stellen van de beslagvrije voet niet proportioneel wordt geacht. Het is mogelijk deze regels onder te brengen in de afstemmingsverordening. De gemeenteraad heeft er echter voor gekozen deze regels niet in deze verordening op te nemen omdat deze verordening een gecombineerde Participatiewet, IOAW en IOAZ afstemmingsverordening is.

De regels over de bevoegdheid om de beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te stellen bij verrekening van de recidiveboete zijn neergelegd in de Verordening Verrekening bestuurlijke boete bij recidive. Artikelsgewijze toelichting Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier behandeld. Artikel 4.7.1. Definities Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening. Benadelingsbedrag Het benadelingsbedrag is de netto-uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Voor het bepalen van het benadelingsbedrag wordt uitgegaan van het nettobedrag van de uitkering, zoals ook het geval is bij het benadelingsbedrag in het kader van de bestuurlijke boete.5 Bijstandsnorm Onder de ‘bijstandsnorm’ wordt in deze verordening verstaan de in de situatie van belanghebbende 5

Kamerstukken II 2011/12, 33 207, nr. 3, blz. 43. 56

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

geldende bijstandsnorm. Dit is de toepasselijke norm, vermeerderd met toeslagen, en verminderd met verlagingen, alles inclusief vakantietoeslag. Voor zover sprake is van een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ wordt onder bijstandsnorm verstaan de toepasselijke grondslag zoals bedoeld in artikel 5 van de IOAW en artikel 5 van de IOAZ. Artikel 4.7.2 Het besluit tot opleggen van een verlaging Het verlagen van een uitkering op grond van deze verordening vindt plaats door middel van een besluit. Tegen dit besluit kan een belanghebbende bezwaar en beroep indienen. In dit artikel is aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Awb en dan vooral uit het motiveringsvereiste. Het motiveringsvereiste houdt onder andere in dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering is voorzien. Artikel 4.7.3 Horen van belanghebbende Belanghebbende wordt altijd in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Hierop zijn in dit artikel een paar uitzonderingen geformuleerd. Als betrokkene niet binnen de gestelde termijn reageert op het voorgenomen besluit een verlaging toe te passen, wordt verondersteld dat hij geen gebruik wil maken van deze mogelijkheid.

Artikel 4.7.4 Afzien van verlaging Afzien van verlagen Het afzien van het opleggen van een verlaging “indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt", is overgenomen uit artikel 18, negende lid, van de Participatiewet, respectievelijk artikel 20, derde lid, van de IOAW en artikel 20, derde lid, van de IOAZ. Aangenomen moet worden dat hiervan uitsluitend sprake is bij evidente afwezigheid van verwijtbaarheid. 6 Het is aan het college te beoordelen of elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt aan het betreffende gedrag. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen (zie artikel 4.7.18 van deze paragraaf). Is vanwege de afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet van een verlaging afgezien dan is daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van recidive. Een andere reden om af te zien van het opleggen van een verlaging is dat de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit (“lik op stuk”) is het nodig dat een verlaging spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Het college kan geen verlaging opleggen voor gedragingen die langer dan 1 jaar geleden hebben plaatsgevonden.

Deze verjaringstermijn laat overigens onverlet dat het vanuit het oogpunt van effectiviteit (“lik op stuk”) nastrevenswaardig wordt geacht zo spoedig mogelijk een verlaging op te leggen nadat de gedraging heeft plaatsgevonden. Dat heeft bovendien als voordeel dat een uitkeringsgerechtigde niet te lang in onzekerheid wordt gehouden over de vraag of de gemeente overgaat tot het opleggen van een verlaging. Afzien van verlagen in verband met dringende redenen In het tweede lid is geregeld dat kan worden afgezien van het opleggen van een verlaging als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. De verordening stelt een algemene verplichting tot het opleggen van een verlaging voorop. Uitzonderingen moeten echter mogelijk zijn als voor de belanghebbende onaanvaardbare consequenties zouden optreden. Uit het woord "dringend" blijkt dat er wel iets heel bijzonders en uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een afwijking van het algemene principe gerechtvaardigd zijn. Wat dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden vastgelegd. Er kan worden gedacht aan enerzijds een mindere mate van verwijtbaarheid ten aanzien van de gedraging en anderzijds aan de financiële of sociale gevolgen voor belanghebbende en/of diens gezin.

Daarbij moet worden opgemerkt dat ernstige financiële gevolgen op zichzelf geen reden zijn om van een verlaging af te zien, omdat dit inherent is aan het 6

CRvB 24-07-2001, nr. 99/1857 NABW, ECLI:NL:CRVB:2001:AD4887. 57

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

verlagen van een uitkering. Afzien verlagen ook mogelijk bij geüniformeerde arbeidsverplichtingen De wet schrijft bij overtreding van een geüniformeerde arbeidsverplichting een afstemming voor van honderd procent van de bijstand gedurende één tot drie maanden. Op grond van artikel 18, tiende lid, van de Participatiewet moet het college een op te leggen maatregel of een opgelegde maatregel afstemmen op de omstandigheden van een belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te verwerven. Dit als - volgens het college - dringende redenen daartoe noodzaken, gelet op bijzondere omstandigheden. Op grond van bijzondere omstandigheden kan het college besluiten de maatregel op een lager niveau, voor een kortere duur of op nul vast te stellen. Schriftelijke mededeling in verband met recidive Het doen van een schriftelijke mededeling in een beschikking dat het college afziet van het opleggen van een verlaging wegens dringende redenen is van belang in verband met eventuele recidive (artikel 4.7.4, derde lid). Het opleggen van een verlaging bij recidive is geregeld in artikel 4.7.18. Artikel 4.7.5 Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de gemakkelijkste methode van het opleggen van een verlaging.

Dan hoeft niet te worden overgegaan tot herziening van de uitkering en terugvordering van het te veel betaalde bedrag. In de praktijk zal dit meestal inhouden dat een verlaging wordt opgelegd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand, die volgt op de kalendermaand waarin het besluit bekend is gemaakt. Voor de berekening van de hoogte van de verlaging moet worden uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm. Verlaging uitvoeren op nieuwe uitkering (tweede lid) Een verlaging kan niet los worden gezien van het recht op bijstand. Het opleggen van een verlaging is niet mogelijk als een belanghebbende geen recht op bijstand (meer) heeft. 7 Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, is het ook mogelijk om de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog op te leggen als belanghebbende binnen een bepaalde termijn na beëindiging van de uitkering opnieuw een uitkering op grond van de wet ontvangt. Het college moet wel rekening houden met de vervaltermijn voor het opleggen van een maatregel zoals bedoeld in artikel 4.7.4, eerste lid, onderdeel b. Een dergelijke maatregel kan vanwege de samenhang met het recht op bijstand niet bij voorbaat worden opgelegd.

Het college moet bij het opnieuw toekennen van het recht op bijstand beoordelen in hoeverre er nog aanleiding bestaat om een verlaging toe te passen. Pas dan is sprake van een afstemmingsbesluit en staat de mogelijkheid van bezwaar tegen de maatregel open. 8] Artikel 4.7.6 Berekeningsgrondslag Bijstandsnorm In het eerste lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief vakantietoeslag. Bij een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ wordt gekeken naar de grondslag als bedoeld in artikel 5 van de IOAW respectievelijk van de IOAZ. Bijzondere bijstand In het tweede lid is bepaald dat een verlaging ook kan worden toegepast op de bijzondere bijstand als aan een belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet. Personen tussen de 18 en 21 jaar ontvangen een lage jongerennorm, die indien noodzakelijk wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van 7

CRvB 07-08-2012, nr. 10/3435 WWB, ECLI:NL:CRVB:2012:BX3978. CRvB 08-09-2009, nrs. 07/6337 WWB e.a., ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7732 en CRvB 07-12-2010, nr. 09/1094 WWB, ECLI:NL:CRVB:2010:BO6721. 58 8

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

levensonderhoud. Als een verlaging uitsluitend op de lage jongerennorm wordt opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen. Daarom is in het derde lid, onderdeel a, geregeld dat de berekeningsgrondslag in dat geval bestaat uit de bijstandsnorm inclusief de verleende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet. Op grond van het tweede lid, onderdeel b, is het mogelijk dat het college in incidentele gevallen een verlaging oplegt over de bijzondere bijstand. Er moet dan wel een verband bestaan tussen de gedraging van een belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand. Een verlaging kan uitsluitend worden opgelegd als daadwerkelijk bijzondere bijstand is verstrekt. De verordening biedt geen ruimte om een verlaging toe te passen op een individuele inkomenstoeslag. Artikel 4.7.7 Gedragingen Participatiewet De artikelen 4.7.7 en 4.7.9 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In artikel 4.7.7 worden schendingen van verplichtingen uit de Participatiewet geformuleerd. De verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 4.7.7 zijn ondergebracht in categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 4.7.9 een gewicht toegekend in de vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte.

Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging meer concrete gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van betaalde arbeid. Het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen (onderdeel c) Deze verwijtbare gedraging is niet aan de orde voor zover het gaat om het niet naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid als dit het gevolg is van een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet. In artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet staan de geüniformeerde arbeidsverplichtingen. Voor schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting geldt een apart afstemmingsregime: verlaging van de bijstand met honderd procent gedurende een in de afstemmingsverordening vastgelegde duur van ten minste een maand en ten hoogste drie maanden (artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet). In deze verordening is de duur vastgelegd in artikel 4.7.10.

Er is dus geen sprake van een verwijtbare gedraging zoals bedoeld in artikel 4.7.7, sub c., als het niet naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid voortvloeit uit een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet zoals: - het niet verkrijgen of niet behouden van kennis en vaardigheden die noodzakelijk zijn voor het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, en - het belemmeren van het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid door kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging en gedrag. Inspanningen in eerste vier weken na de melding De plicht tot arbeidsinschakeling geldt vanaf datum melding (zie artikel 9, eerste lid, van de Participatiewet). Specifiek voor personen jonger dan 27 jaar geldt dat zij worden beoordeeld op hun inspanningen in de eerste vier weken na de melding (artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet). Is geen enkele inspanning verricht, dan bestaat op grond van artikel 13, tweede lid, onderdeel d, van de Participatiewet geen recht op bijstand. Zijn er wel inspanningen verricht, maar naar het oordeel van het college onvoldoende, dan verlaagt het college de uitkering. De verlaging kan in principe al worden toegepast op basis van de grondslagen zoals genoemd in artikel 4.7.6 van deze verordening. Een aparte grondslag is strikt genomen niet noodzakelijk.

Het zou wellicht zelfs tot verwarring kunnen leiden als het bijvoorbeeld gaat om een belanghebbende die in de vijfde of zesde week na de melding de fout in gaat. Desalniettemin is het niet of onvoldoende verrichten van inspanningen vanwege de herkenbaarheid toch als aparte gedraging genoemd opgenomen in de afstemmingsverordening (zie artikel 4.7.7, tweede lid, onderdeel b). Artikel 4.7.8 Gedragingen IOAW en IOAZ 59

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

De artikelen 4.7.8 en 4.7.9 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In artikel 4.7.8 worden schendingen van verplichtingen uit de IOAW en IOAZ geformuleerd. De verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 4.7.8, zijn ondergebracht in categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 4.7.9 een gewicht toegekend in de vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging meer concrete gevolgen heeft voor het niet aanvaarden, verkrijgen of behouden van betaalde arbeid. Artikel 4.7.9 Hoogte en duur van de verlaging Zie voor de verlagingswaardige gedragingen de toelichting bij de artikelen 4.7.7 en 4.7.8. Artikel 4.7.10 Duur verlaging bij schending geüniformeerde arbeidsverplichting De eerste keer dat het college een verwijtbaar niet naleven van een geüniformeerde arbeidsverplichting vaststelt, bedraagt de verlaging honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een bij deze verordening vastgestelde periode (artikel 18, vijfde lid, eerste volzin, van de Participatiewet). Bij het vaststellen van de duur van de verlaging is de ernst van de gedraging leidend. Voor lichte overtredingen (overtreding van de in artikel 18, vierde lid, onderdeel b, f en g, van de Participatiewet genoemde verplichtingen) bedraagt de duur één maand.

Voor zware overtredingen (overtreding van de in artikel 18, vierde lid, onderdeel a, c, d, e en h, van de Participatiewet) bedraagt de duur twee maanden. Artikel 4.7.11 Verrekenen verlaging Het college heeft de mogelijkheid bij verlaging van de bijstand wegens schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting, de verlaging te verrekenen. Dit over de maand van oplegging van de maatregel en ten hoogste over de twee volgende maanden. Over de eerste maand moet minimaal een derde van het bedrag van de verlaging worden verrekend (artikel 18, vijfde lid, tweede volzin, van de Participatiewet). Wanneer belanghebbende tot inkeer komt, wordt de verlaging stopgezet en ontvangt belanghebbende weer de volledige uitkering (artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet). Het gaat hier om een facultatieve bepaling, waarvan de gemeente Veenendaal gebruik maakt. Er is voor gekozen gebruik te maken van de mogelijkheid tot het verrekenen van het bedrag van de verlaging bij een eerste schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting (of een herhaalde schending buiten de recidivetermijn) Dit ter voorkoming van: - vergroting schuldenproblematiek; - (dreigende) huisuitzetting; - afsluiting van gas en elektriciteit. Door gebruik te maken van de mogelijkheid tot verrekenen, wordt ook de uitvoerbaarheid van de inkeerregeling vergroot.

De maand van oplegging In het eerste, tweede en derde lid wordt gesproken over de "maand van oplegging". Deze term is overgenomen uit artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet. Met de "maand van oplegging" wordt in deze verordening bedoeld: de maand waarin het besluit aan belanghebbende is bekend gemaakt. Toedeling over twee maanden bij lichte overtredingen Is sprake van een lichte overtreding van een geüniformeerde arbeidsverplichting, dan kan worden verrekend over twee maanden. Van een lichte overtreding is sprake bij schending van een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdelen b, f en g, van de Participatiewet. Bij een dergelijke overtreding wordt de bijstand verlaagd met honderd procent gedurende één maand. Aan de maand van oplegging en aan de daaropvolgende maand wordt de helft van het bedrag van de verlaging toebedeeld. Dit betekent dat in de maand van oplegging van de maatregel en de daaropvolgende maand de inhouding in beginsel vijftig procent bedraagt (artikel 11, tweede lid, van deze verordening). 60

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

Toedeling over drie maanden bij zware overtredingen Is sprake van een zware overtreding van een geüniformeerde arbeidsverplichting, dan kan worden verrekend over drie maanden. Van een zware overtreding is sprake bij schending van een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdeel c, d, e en h, van de Participatiewet. Bij een dergelijke overtreding wordt de bijstand verlaagd met honderd procent gedurende twee maanden. Aan de maand van oplegging en aan de twee daaropvolgende maanden wordt een derde van het bedrag van de verlaging wordt toebedeeld. Dit betekent dat in de maand van oplegging van de maatregel en de daaropvolgende maanden de inhouding in beginsel 66,67 procent bedraagt (artikel 11, derde lid, van deze verordening).

Geen verrekening bij niet aanvaarden of behouden algemeen geaccepteerde arbeid In het derde lid is bepaald dat als sprake is van een verlaging op grond van artikel 18, vierde lid, onderdeel a, van de Participatiewet, geen verrekening plaatsvindt zoals bedoeld in artikel 11, eerste lid. Het betreft het niet aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. Deze keuze is gebaseerd op de zwaarte van de gedraging. Geen verrekening bij recidive Is sprake van een tweede of volgende schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting binnen de recidivetermijn, dan is verrekenen van de maatregel niet mogelijk. Artikel 11 bepaalt immers dat verrekenen uitsluitend mogelijk is bij een gedraging zoals bedoeld in artikel 10 van deze verordening én als sprake is van bijzondere omstandigheden. Recidive is niet geregeld in artikel 10, maar in artikel 16, derde lid, van deze verordening en artikel 18, zesde, zevende en achtste lid, van de Participatiewet. Daarom is verrekenen bij recidive niet mogelijk. Geen verrekening bij maatregel wegens schending andere gedragingen Verrekening bij maatregelen voor schendingen van andere gedragingen dan de geüniformeerde arbeidsverplichtingen, is niet mogelijk.

Dit volgt uit artikel 11 van deze verordening en artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet Artikel 4.7.12 Herziening verlaging op verzoek belanghebbende Op grond van artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet kan de verlaging worden stopgezet als betrokkene tot inkeer komt. In dit artikel wordt geregeld dat betrokkene zelf het initiatief moet nemen om aan te geven dat hij zijn gedrag heeft aangepast. Op dat moment zal het college de verlaging van de uitkering herzien. Door aan te geven dat uit “houding en gedragingen van belanghebbende ondubbelzinnig is gebleken dat hij de geüniformeerde arbeidsverplichtingen zoals bedoeld in artikel 18 lid 4 van de Participatiewet nakomt” is herziening in de praktijk niet in alle gevallen van schending van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen mogelijk. Zo kan betrokkene bepaalde gedragingen (zoals bedoeld in artikel 18 lid 4 onderdeel a bijvoorbeeld) niet terugdraaien en zal dus niet uit gedrag blijken dat hij/zij tot inkeer is gekomen. In dat geval is er dan ook geen sprake van stopzetten van de verlaging. Artikel 4.7.13 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid Aan de Participatiewet ligt het beginsel ten grondslag dat iedereen in eerste instantie in zijn eigen bestaan(skosten) dient te voorzien. Pas wanneer dat niet mogelijk is, kan men een beroep doen op bijstand.

Hoofdregel is dus dat iedereen alles zal moeten doen en nalaten om een beroep op bijstand te voorkomen. Leidt een gedraging ertoe dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op bijstand, dan is veelal sprake van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Hiervan is in ieder geval sprake bij de volgende gedragingen (als die er toe leiden dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op bijstand): - het te snel interen van vermogen; - het door eigen schuld verliezen van het recht op een uitkering; - het door eigen schuld te laat aanvragen van een voorliggende voorziening. 61

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid moet worden aangemerkt als een geüniformeerde arbeidsverplichting (zie de artikelen 9, eerste lid, onderdeel a, en 18, vierde lid, onderdeel g, van de Participatiewet). Is sprake van het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, dan moet afstemming plaatsvinden volgens de regels van artikel 18 van de Participatiewet en artikel 10 en 16, derde lid, van deze verordening. Op grond van artikel 4.7.13 van deze verordening kan een verlaging worden opgelegd wegens het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het benadelingsbedrag. Dat is in dit geval het gedeelte van de uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt gedaan. Bijstand in de vorm van een geldlening Als sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan het college tevens besluiten de bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken. Dit volgt uit artikel 48, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet.

Als het college besluit beide instrumenten te gebruiken (leenbijstand én verlaging) moet het wel voldoende acht slaan op het totale effect hiervan voor de bijstandsgerechtigde.9 Artikel 4.7.14 Verlaging bij verlies van een passende en toereikende voorliggende voorziening door toepassing van bestuurlijke boete Per 1 januari 2013 is de Wet ‘Aanscherping handhaving en sanctiebeleids SZW-wetgeving’ in werking getreden, ook voor de uitvoeringsorganisaties UWV en SVB. Zij kunnen het uitstaande boetebedrag voor een termijn van vijf jaar in beginsel verrekenen zonder rekening te houden met de beslagvrije voet. Dit houdt in dat belanghebbenden geen beschikking hebben over hun uitkering en, indien andere middelen ontbreken, een beroep moeten doen op de bijstand. Het feit dat recht op een passende en toereikende voorliggende voorziening teloor is gegaan, wordt aangemerkt als tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Dit is maatregelwaardig gedrag. Dit artikel regelt dat in dergelijke gevallen een maatregel wordt opgelegd dat betrokkene feitelijk in dezelfde situatie terecht komt als een recidiverende bijstandsgerechtigde. Artikel 4.7.15 Zeer ernstige misdragingen Participatiewet (eerste lid) Onder de term 'zeer ernstige misdraging' dient in elk geval te worden verstaan: elke vorm van ongewenst en agressief fysiek contact met een persoon of het ondernemen van pogingen daartoe.

Hieronder valt bijvoorbeeld schoppen, slaan of het (dreigen met) gooien van voorwerpen naar een persoon. Ook het toebrengen van schade aan een gebouw of inventarisonderdeel, evenals het ondernemen van pogingen daartoe in enige vorm wordt als zeer ernstige misdraging gezien. Handelingen die door hun grote en mogelijk blijvende impact op de desbetreffende persoon of personen grote invloed hebben zoals het opzetten van gerichte lastercampagnes, seksuele intimidatie, het tonen van steek en/of vuurwapens evenals (pogingen tot) opsluiting in een ruimte zijn eveneens als zeer ernstige misdraging te beschouwen. 10 Ook verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer ernstige misdraging'.11 Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de met de uitvoering van de Participatiewet belaste personen en instanties (college, SVB en re-integratiebedrijven) tijdens het verrichten van hun werkzaamheden.12 Met de zinsnede 'tijdens het verrichten van de werkzaamheden' wordt aangegeven dat de misdraging dient plaats te vinden in het kader van de uitvoering van de

9

CRvB 20-03-2007, nrs. 06/515 NABW e.a., ECLI:NL:CRVB:2007:BA2344. Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, blz. 24. 11 CRvB 19-08-2008, nrs. 07/2416 WWB e.a., ECLI:NL:CRVB:2008:BE8919. 12 Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, blz. 55. 10

62

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

Participatiewet. Dat is anders als betrokkenen elkaar buiten werktijd tegenkomen: dan is alleen het strafrecht van toepassing.13 Met ingang van 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden van zeer ernstige misdragingen een zelfstandige verplichting die is opgenomen in artikel 9, zesde lid, van de Participatiewet. Deze verplichting staat dus op zichzelf. Artikel 4.7.16 Niet nakomen van overige verplichtingen De Participatiewet geeft het college de bevoegdheid om personen verplichtingen op te leggen die volledig individueel bepaald zijn. Artikel 55 van de Participatiewet biedt daartoe de mogelijkheid. Onder de ‘verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling’ zoals genoemd onder sub b, kan in ieder geval worden verstaan: het ingeschreven staan bij minimaal 5 uitzendbureaus. Staat belanghebbende bij geen één uitzendbureau ingeschreven, dan valt deze verwijtbare gedraging onder schending van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen. De hoogte van de verlaging is in deze verordening per categorie verschillend vastgesteld. Omdat de verplichtingen die het college op grond van artikel 55 van de Participatiewet kan opleggen een zeer individueel karakter hebben, kan het voorkomen dat de in de verordening vastgestelde verlaging niet is afgestemd op de individuele omstandigheden van een belanghebbende.

Het college zal daarom altijd rekening moeten houden met de individualiseringsbepaling van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet. Deze bepaling verplicht het college de bijstand af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In individuele gevallen kan dus worden afgeweken van de in dit artikel vastgestelde verlaging. Artikel 4.7.17 Samenloop van gedragingen Samenloop bij één gedraging waardoor meerdere verplichtingen worden geschonden Het eerste lid regelt samenloop als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening, artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of in beide regelingen. In dat geval wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en de duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld. Samenloop bij meerdere gedraging waardoor één of meerdere verplichtingen worden geschonden Het tweede regelt samenloop als sprake is van meerdere gedraging die schending opleveren van één of meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening, artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of in beide regelingen. Dit wordt 'meerdaadse samenloop' genoemd. In dat geval wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging toegepast. Deze verlagingen worden in principe gelijktijdig opgelegd.

Dit is anders als dit niet verantwoord is. Hierbij spelen factoren zoals de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van een belanghebbende een rol. Daarvoor moet altijd gekeken worden naar de individuele omstandigheden. De verlaging wordt dan over meerdere maanden uitgesmeerd. Samenloop met een bestuurlijke boete Het derde en vierde lid regelen in hoeverre een verlaging kan worden opgelegd als sprake is van een verlagingswaardige gedraging die tevens een boetewaardige gedragingen is. Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in deze verordening opgenomen verplichting als schending van de inlichtingenplicht oplevert, kan de schending van deze verplichtingen niet gezamenlijk worden afgedaan, omdat schending van de inlichtingenplicht (wettelijk) is geregeld in de vorm van een bestuurlijke boete. In het geval zich de situatie voordoet dat er sprake is van samenloop tussen de bestuurlijke boete en afstemming dient het college in het individuele geval te beoordelen welke sanctie wordt opgelegd. Bij eendaadse samenloop ligt het voor de hand één sanctie op te leggen. Het college bepaalt of al dan niet een boete wordt opgelegd. Is dit het geval, dan wordt geen verlaging meer opgelegd (derde lid).

13

Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, blz. 25-26. 63

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

Bij meerdaadse samenloop ligt het voor de hand de gedraging te sanctioneren door het opleggen van een bestuurlijke boete voor zover sprake is van een gedraging waarin ook een beboetbare gedraging zit. Daarnaast kan het college in dit geval nog een of meer maatregelen opleggen, waarbij bij de hoogte van de afstemming zo nodig rekening kan worden gehouden met de boete en de eventuele andere maatregelen (vierde lid). Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet benoemde verplichting als schending van de inlichtingenplicht oplevert, is het voorgaande ook van toepassing. Artikel 4.7.18 Recidive Verdubbeling duur verlaging Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is van een verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de hoogte of duur van de verlaging. Een verlaging kan nooit hoger zijn dan honderd procent. Daarom is bij gedragingen waar relatief zware verlagingen voor gelden, gekozen voor een verdubbeling van de duur van de maatregel in plaats van de hoogte.

Met de eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging bedoeld die aanleiding is geweest tot een verlaging, ook als wegens dringende redenen – op grond van artikel 4.7.18, tweede lid, van deze verordening en eventueel 18, tiende lid, van de Participatiewet – is afgezien van het opleggen van een verlaging. Dit geldt ook als van afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet is afgezien van het opleggen van een verlaging. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van twaalf maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de verlaging is opgelegd, is verzonden. Verdubbeling hoogte verlaging Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is van een verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de hoogte of duur van de verlaging. Voor lichte verlagingen tot 50 procent van de bijstandsnorm kan worden gekozen voor een verdubbeling van de hoogte van de verlaging. Echter, ten bate van een eenvoudige uitvoering is ervoor gekozen altijd de duur van de verlaging te verdubbelen.

Dit is namelijk mogelijk in alle gevallen, bij zowel relatief lichte verlagingen als de zwaardere verlagingen. Recidive schending geüniformeerde arbeidsverplichting Is sprake van het niet of onvoldoende nakomen van een geüniformeerde arbeidsverplichting binnen twaalf maanden nadat aan een belanghebbende een eerste maatregel is opgelegd wegens schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting, dan bedraagt de verlaging honderd procent gedurende drie maanden. Dit valt binnen de in artikel 18, zesde lid, van de Participatiewet gegeven marges. Bij een derde, vierde en volgende schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting, telkens binnen twaalf maanden na oplegging van de vorige maatregel, bedraagt de verlaging honderd procent gedurende drie maanden (artikel 18, zevende en achtste lid, van de Participatiewet). Recidive op recidive bij niet geüniformeerde arbeidsverplichtingen In het geval dat een belanghebbende voor een derde of volgende keer een niet geüniformeerde arbeidsverplichting schendt, is de recidivebepaling van artikel 4.7.18, vijfde lid, van deze verordening van toepassing. Voor toepassing van deze recidivebepaling is vereist dat het opnieuw schenden van een verplichting plaatsvindt binnen 24 maanden na bekendmaking van het vorige besluit waarmee een verlaging is toegepast.

Is sprake van een derde of volgende schending, dan geldt – evenals bij de eerste keer recidive – dat de duur van de oorspronkelijke verlaging wordt verdubbeld. Dit is de verlaging die geldt bij een eerste 64

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

schending van de verplichting. Uitgangspunt is verdubbeling van de duur van de oorspronkelijke verlaging tot maximaal 3 maanden. Hiermee wordt stapeling van verdubbeling van de verlaging voorkomen en wordt aangesloten bij de verlaging bij recidive zoals beschreven in het vierde lid van artikel 4.1.18 in verband met schending van meerdere geüniformeerde arbeidsverplichtingen. Artikel 4.7.19 Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ Het college is op grond van artikel 20 van de IOAW en artikel 20 van de IOAZ bevoegd de uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren als een belanghebbende, kort gezegd, inkomen uit arbeid had kunnen verwerven, maar dit nalaat. Dit is een discretionaire bevoegdheid van het college. De vraag of een verlaging moet worden toegepast, zal pas aan de orde komen als het college zich een oordeel heeft gevormd over de eventuele weigering van de uitkering. Deze beoordeling gaat in beginsel voor. Pas als het college concludeert dat van een weigering geen sprake is, kan op grond van deze verordening een verlaging worden toegepast. Artikel 4.7.17 van deze verordening is derhalve bedoeld om samenloop te voorkomen.

4.8 Toelichting Beslistermijn Schuldhulpverlening Algemeen Paragraaf 4.8 van de integrale verordening geeft uitvoering aan artikel 4a, derde lid, van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (hierna: wet), zoals deze met ingang van 1 januari 2021 zal gelden. Artikel 4a van de wet is ingevoerd bij Wet van 24 juni 2020 tot wijziging van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening ten behoeve van de uitwisseling van persoonsgegevens (Stb. 239). Artikelsgewijs Artikel 4.8.1. Beslistermijn schuldhulpverlening De wet regelt dat inwoners met problematische schulden bij gemeenten terecht kunnen voor onder meer advies, schuldbemiddeling of een saneringskrediet. Het uitgangspunt is dat schuldhulpverlening breed toegankelijk is. Daarbij is van belang dat het voor de inwoner duidelijk is binnen welke termijn na het eerste gesprek over de ondersteuningsvraag wordt besloten of diegene voor een schuldenregeling in aanmerking komt. Om deze reden is bij de genoemde wetswijziging in navolging van het advies van de Nationale Ombudsman besloten een wettelijke termijn op te nemen waarbinnen de gemeente na het eerste gesprek over de ondersteuningsvraag moet besluiten of iemand voor een schuldenregeling in aanmerking komt. Niet alleen burgers dienen zich aan wettelijke termijnen te houden.

Ook van een dienende overheid mag verwacht worden dat zij op een verzoek van een burger binnen een redelijke, door de raad in een gemeentelijke verordening vastgestelde, termijn reageert. Deze termijn mag volgens artikel 4a, derde lid, van de wet niet langer zijn dan acht weken. Dit is gelijk aan de maximale redelijke termijn die in artikel 4:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt gesteld. Een kortere beslistermijn vaststellen is wel toegestaan. De beslistermijn is bepaald op acht weken, vanwege ervaringen in de praktijk dat deze termijn het meest werkbaar is.

65

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15588246/1