5. Consultatie Ritmeestercomplex - Bijlage 4 Advies monumentencommissie
Tekst van het document
Aan het gemeentebestuur van Veenendaal Postbus 1100 3900 BC Veenendaal Datum
:
11 mei 2023
Dossiernummer
:
VEE23-0069 - 1
Gemeentenummer
:
- / E. Zech
Betreft
:
monumentenadvies aanwijzing nieuw gemeentelijk monument Kerkewijk achter 65 (Ritmeestercomplex) Veenendaal
Geacht college, U heeft ons om een definitief advies gevraagd over de mogelijkheid om de omvang van de bescherming als gemeentelijk monument van de voormalige Ritmeesterfabriek op de Kerkewijk 65 uit te breiden. Wij achten het mogelijk om de omvang van de bescherming als gemeentelijk monument uit te breiden naar de gedeelten van het complex die gebouwd zijn van 1924 tot en met 1958 en de bijpassende latere uitbreiding aan de rechterzijde van het bouwdeel uit 1958. Wij adviseren deze onderdelen aan te wijzen als gemeentelijk monument en te registeren op uw gemeentelijke monumentenlijst, hetgeen wij hieronder nader motiveren. Hierbij adviseren wij om de redengevende beschrijving te corrigeren op basis van de voortschrijdende inzichten die voortkomen uit het Bouwhistorisch deelonderzoek (Van Rhenen, 22 maart 2022) en om het bouwhistorisch onderzoek als bijlage aan het aanwijzingsbesluit en de redengevende beschrijving toe te voegen. Voorgeschiedenis Op 4 oktober 2021 heeft een vertegenwoordiging van onze commissie voor ruimtelijke kwaliteit op uw verzoek het gebouw ter plaatse in oogschouw genomen en hebben wij een voorlopig advies uitgebracht om de aanwijzingsprocedure op te starten en om een redengevende beschrijving op te stellen (ons kenmerk 21-10001, d.d. 11 oktober 2021).
Op 7 december 2021 heeft u het voornemen tot aanwijzing opgestuurd naar de eigenaar van het object, waarop deze een zienswijze heeft ingediend (d.d. 18 januari 2022). Rond april 2022 is door u de opgestelde redengevende beschrijving toegevoegd aan de procedure. Op 13 oktober 2023 heeft de eigenaar een aanvullende zienswijze ingediend. Hierbij heeft de eigenaar ook het Bouwhistorisch deelonderzoek (Van Rhenen, 22 maart 2022) bijgevoegd, hetgeen geleid heeft tot enkele nieuwe inzichten m.b.t. de complexiteit van de gelaagdheid van alle bouwdelen ten opzichte van de redengevende beschrijving en ons eerdere voorlopige advies. Advies U heeft in de periode 2017-2021 het cultuurhistorisch erfgoed van uw gemeente opnieuw geïnventariseerd en in kaart gebracht. In 2021 heeft uw raad de ‘Beleidsnota Erfgoed. Van cultuurhistorische waardering naar beleid’ vastgesteld. Hierbij is besloten om een selectie van geïnventariseerde objecten met cultuurhistorische waarden nader te beschrijven en te waarderen. Deze objecten komen in aanmerking om geplaatst te worden op de gemeentelijke
1/4
monumentenlijst. De gemeentelijke monumenten kunnen worden aangewezen op grond van de Erfgoedverordening gemeente Veenendaal 2010. Geschiedenis Dankzij de tabaksteelt rond Amerongen, Rhenen en Elst ontstonden er in Veenendaal een industrie voor de productie van sigaren. Veelal in kleinere fabrieken waarvan er enkele tot grote fabrieken uitgroeiden, waaronder ook de Ritmeester Sigarenfabriek. De in 1887 opgerichte sigarenfabriek, die sigaren uitbracht onder de merknaam Ritmeester, vestigde zich in 1913 op de Kerkenwijk 65. De fabriek groeide gestaag waarbij de top werd bereikt in 1939. De Tweede Wereldoorlog en de eerste jaren daarna verliepen echter dramatisch voor de fabriek. De sigaret die geïntroduceerd werd na de oorlog vormde een geduchte concurrent. Toch groeide de productie van Ritmeerster weer gestaag en de fabriek werd in diverse fases uitgebreid. De productie werd in 2005 gestaakt en in 2007 kwam er ook een einde aan het hoofdkantoor van Ritmeester op de Kerkenwijk 65. Het bouwdeel uit 1913 is reeds aangewezen als gemeentelijk monument. Bouwfasen De uitbreidingen van de fabriek kenmerken zich in de verschillende fasen door de duidelijk zichtbare vergroting van schaal en de toepassing van steeds nieuwere constructiewijzen en bouwmaterialen.
Waarbij de oudste delen van de fabriek nog op een meer 19e eeuwse wijze zijn opgebouwd met dragend metselwerk en houten dakconstructies zien we dat de uitbreiding in 1936 een betonskeletstructuur heeft gekregen, hetgeen grotere overspanningen mogelijk maakte. Bij de na-oorlogse uitbreiding uit 1958 zien we dat het totale oppervlak van de fabriek bijna verdubbeld werd met de toevoeging van één grote hal. Dit was mogelijk door het gebruik van stalen vakwerkliggers voor grotere overspanningen. Deze werden in kleinere delen in een fabriek in elkaar gelast, waarna ze in het werk met boutverbindingen werden samengesteld tot grotere liggers. De stalen vakwerkliggers werden daarbij opgelegd op een betonskelet. De hal vormt hiermee een voorloper van de hedendaagse hallenbouw zoals dit zich ook aftekent in de hallen van het complex van 1963 en later. De staalconstructie is daarbij in veel grotere delen gelast en geprefabriceerd aangeleverd. De bouwdelen kenmerken zich door de sheddaken die karakteristiek zijn voor historische fabrieksgebouwen. In de beginperiode hadden deze sheddaken een gesloten karakter, maar op een gegeven moment zien we dat daar ook glas in werd geplaatst om meer daglicht toe te laten treden.
Bij de uitbreiding in 1958 zien we dat er een kenmerkend verlaagd plafond met witte platen en figuurglas werd toegepast voor verstrooiing van het daglicht en een indirecte daglichttoetreding. De parallel lopende lichtstraten (vergelijkbaar qua functie met sheddaken) waren daardoor van binnenuit aan het zicht ontnomen en de hal zal daarmee een voor die tijd moderne en klinische uitstraling hebben gekregen. Ergens tussen 1960 en 1976 is het bouwdeel uit 1958 aan de rechterzijde op een identieke bouwwijze uitgebreid en is de zijgevel gedemonteerd en een stramien verder weer herplaatst. In de oudere bouwdelen zijn grote ramen met stalen kozijnen geplaatst in de gemetselde gevels, waarvan enkelen inmiddels zijn vervangen. Bij de hal van 1958 zijn houten kozijnen/puien toegepast. De grotere hallen vanaf 1963 kenmerken zich meer door de geslotenheid van de gemetselde gevels. Waardering Op basis van de redengevende beschrijving en het Bouwhistorisch deelonderzoek (Van Rhenen, 22 maart 2022) achten wij de bouwfasen van 1913 tot 1958 en de iets latere uitbreiding aan de rechterzijde van het bouwdeel uit 1958 van hoge cultuurhistorische waarde. Deze geven nog relatief gaaf en zichtbaar de gelaagdheid van de ontwikkelingsgeschiedenis en de opschaling van de productie door te tijd van de sigarenfabriek en de steeds nieuwere
2/4
constructiewijzen en bouwmethoden van fabrieksgebouwen weer. De eerste grote hal uit 1958 kan als bijzonder voorbeeld beschouwd worden als voorloper van de modernere hallenbouw zoals deze zich in de wederopbouwperiode ontwikkelde en heden ten dage nog wordt toegepast. De latere hallen vanaf 1963 vormen in die zin een verdere doorontwikkeling van de hallenbouw maar voegen qua ontwikkeling in de constructie- en bouwwijze, typologie en architectuur weinig toe, behalve het aspect van schaalvergroting. Deze bouwfasen hebben naar onzes inziens dan ook lagere tot geen cultuurhistorische waarden. Zienswijze U heeft de eigenaar van deze objecten in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen nadat u de aanwijzingsprocedure in gang heeft gezet. De eigenaar heeft daar gebruik van gemaakt. Bij de zienswijze worden de volgende zorgen geuit:
Er wordt in de redengevende beschrijving geen relatie gelegd met de bouwtechnische toestand van het gebouw of onderdelen daarvan. In de redengevende beschrijving wordt geen rekening gehouden met de impact van de aanwijzing/waardenstelling op de ontwikkelingsopgave en dat de ambitie tot verdichting en transformatie mogelijk niet kan worden waargemaakt. Dat de uitkomsten van het Bouwhistorisch deelonderzoek (Van Rhenen, 22 maart 2022) worden onderkend, maar dat de huidige bebouwing de zichtbaarheid van het Ritmeestercomplex volledig teniet doet en dat daardoor de belevingswaarde in de huidige vorm eigenlijk non-existent is. Dat door later aangebrachte afwerkingen de bestaande historische gelaagdheid veelal niet zichtbaar is. De herontwikkelingen en transformatie bieden hierbij kansen om dergelijke belemmeringen weg te nemen en de aanwezige karakteristieke elementen beter tot hun recht te laten komen. De aanwijzing tot monument brengt niet alleen de herontwikkelingspotentie in gevaar, het beperkt ook de mogelijkheden om de juiste karakteristieke elementen op een optimale manier een plek te geven in het ontwerp en daarmee de belevingswaarde te optimaliseren.
De wens wordt geuit om geen stolp over het complex te leggen middels de aanwijzing tot monument en om in plaats daarvan gezamenlijk op te trekken bij het ontwerpproces met als doel te architectonische en cultuurhistorische elementen waar wenselijk te behouden. Reactie Wij gaan enkel in op de aangevoerde zaken in de zienswijze die betrekking hebben op de monumentale waarden van het object:
Zolang de huidige bouwkundige staat geen nadelige invloed heeft op de benoemde monumentale waarden van het complex, is er geen relevantie om daarover iets op te nemen in de redengevende beschrijving. De bouwkundige staat vormt echter wel een aspect waarmee rekening gehouden moet worden in de belangenafweging bij de aanwijzing tot gemeentelijk monument. De bouwkundige staat van het complex is op het oog echter van een dermate redelijke kwaliteit dat dit naar onzes inziens geen belemmering hoeft te vormen voor de aanwijzing tot gemeentelijk monument of de mogelijkheden voor gebruik en herontwikkeling van het complex. Wij kunnen niet onderschrijven dat de belevingswaarde van het complex door een beperkte zichtbaarheid in de huidige vorm non-existent is door de huidige bebouwing
3/4
en dat door latere afwerkingen de historische gelaagdheid veelal niet zichtbaar is. De delen van het complex waarvan wordt voorgesteld om deze als gemeentelijk monument aan te wijzen zijn wel degelijk qua exterieur te aanschouwen in de huidige situatie. De historische gelaagdheid van het complex is juist veelal nog goed afleesbaar en daar waar het soms minder zichtbaar is, prikkelt het en roept het vragen op naar de functie en historie van het complex, hetgeen wij juist als positief zien. We zijn het ermee eens dat een herontwikkeling ervoor kan zorgen dat dat de aanwezige karakteristieke elementen beter tot hun recht kunnen komen. De aanwijzing tot gemeentelijk monument geeft sturingsmogelijkheden voor de gemeente en legt daarmee mogelijk ook enige beperkingen op ten behoeve van het behoud van de monumentale waarden, maar biedt tegelijkertijd nog voldoende mogelijkheden voor herontwikkeling. Immers is het credo in de monumentenzorg dat monumenten juist behouden kunnen worden door ontwikkeling. Door de enorme gelaagdheid en latere wijzigingen, alsmede het industriële karakter van het complex zien wij voldoende mogelijkheden voor ontwikkeling en ingrepen zonder dat daarbij de monumentale waarden onevenredig hoeven te worden verstoord. Het is inderdaad zinvol en van belang om gezamenlijk op te trekken bij het herontwikkelings- en ontwerpproces.
Door de status van gemeentelijk monument geeft dat ook aan de zijde van de gemeente redelijkerwijs enige waarborgen en sturingsmogelijkheden op het behoud van de monumentale waarden, zonder dat daarbij herontwikkeling in de weg wordt gestaan.
Conclusie Wij komen op basis van de redengevende beschrijvingen en het Bouwhistorisch deelonderzoek, met overweging van de zienswijze, tot de conclusie dat deze gedeelten van het complex van algemeen belang zijn voor de gemeente Veenendaal. Dit vanwege de stedenbouwkundige, architectuurhistorische en cultuurhistorische waarden. Deze gedeelten van het complex komen dus naar onzes inziens in aanmerking voor registratie op uw gemeentelijke monumentenlijst. Hierbij adviseren wij om de redengevende beschrijving te corrigeren op basis van de voortschrijdende inzichten die voortkomen uit het Bouwhistorisch deelonderzoek (Van Rhenen, 22 maart 2022) en om het bouwhistorisch onderzoek als bijlage aan het aanwijzingsbesluit en de redengevende beschrijving toe te voegen. Namens de commissie voor ruimtelijke kwaliteit van Veenendaal, V.H. de Kieviet MA
4/4 Powered by TCPDF (www.tcpdf.org)