5. Bijlage 4 Toelichting Integrale Verordening Sociaal Domein
Tekst van het document
Ook voor personen jonger dan 27 jaar behorend tot de doelgroep is deze premie vrijgelaten (artikel 31, vijfde lid, van de Participatiewet).Dit houdt in dat deze kan worden toegekend als er sprake is van parttime werk en de noodzaak blijft aanvullend bijstand te verlenen. 48
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
Artikel 4.1.14 Proefplaats De titel van dit artikel is gewijzigd, omdat de voorziening nu in de wet geborgd is onder de naam proefplaats. In lid 1 is ten opzichte van de huidige verordening verduidelijkt dat het college niet zelf de proefplaats aanbiedt. De voorziening is van belang om belanghebbende en de betrokken werkgever actief met elkaar kennis te laten maken en draagt zo bij aan een succesvolle matching. Het instrument kan worden ingezet als de verwachting gerechtvaardigd is dat een plaatsing bij een reguliere werkgever binnen 2 maanden kan worden bewerkstelligd. De periode van 2 maanden kan telkens met periodes van maximaal 2 maanden worden verlengd tot een maximale duur van de proefplaats van 6 maanden indien dit in het belang van belanghebbende is. In overleg met werkgever en belanghebbende kan ervoor worden gekozen om de termijn zo nodig te bekorten als het wenselijk is eerder tot een dienstverband te komen. In het belang van belanghebbende dient in die gevallen te worden beoordeeld of de proefplaats omgezet kan worden naar een dienstverband, bijvoorbeeld met een forfaitaire loonkostensubsidie. Teneinde voor iedereen duidelijkheid te verschaffen over invulling van de proefplaats en de intentie van de werkgever om belanghebbende, bij gebleken geschiktheid, ook daadwerkelijk een reguliere baan aan te willen bieden worden schriftelijke afspraken gemaakt.
Uitgangspunt is dat – vanwege het doel van de proefplaats - het aantal werkzame uren tijdens de proefplaats gelijk is aan het aantal werkzame uren in het dienstverband. Hierdoor wordt voorkomen dat belanghebbende meer uren met behoud van uitkering aan de slag gaat dan het aantal uren waarvoor hij uiteindelijk in dienst wordt genomen. Het kan echter voorkomen dat tijdens de proefplaats blijkt dat belanghebbende niet in staat is het aantal werkzame uren ook daadwerkelijk te werken. In dat geval kan het aantal werkzame uren op basis van het dienstverband, in het belang van belanghebbende, lager worden vastgesteld hetgeen vervolgens de werkgever niet is aan te rekenen. Voorkomen moet worden dat misbruik wordt gemaakt van de voorziening. Vandaar dat de werkgever op basis van lid 3 sub c moet verklaren dat er geen sprake is van verdringing of het onverantwoord beïnvloeden van de concurrentieverhouding. In dat kader dient door de werkgever te worden verklaard dat belanghebbende de werkzaamheden zal verrichten conform de voor die functie en werkzaamheden geldende voorschriften en wettelijke bepalingen. In artikel 4.1.3 is al geregeld dat voorzieningen de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord mogen beïnvloeden en niet mogen leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. Hier gaat het echter om de van de werkgever vereiste verklaring.
Een proefplaats wordt niet ingezet indien de werkgever en belanghebbende, bijvoorbeeld op basis van een stage of eerdere werkzaamheden bij de werkgever, al een goede inschatting kunnen maken van de geschiktheid van de medewerker. Tenzij er een wijziging optreedt in de situatie van belanghebbende. Van een dergelijke wijziging kan bijvoorbeeld sprake zijn indien belanghebbende zijn houding en gedrag wijzigt of indien de werkzaamheden gewijzigd zijn. Daarnaast wordt er geen proefplaats ingezet indien de werkgever en belanghebbende, bijvoorbeeld op basis van een stage of eerdere werkzaamheden bij de werkgever, al een goede inschatting kunnen maken van de geschiktheid van de medewerker. Tenzij er een wijziging optreedt in de situatie van belanghebbende. Van een dergelijke wijziging kan bijvoorbeeld sprake zijn indien belanghebbende zijn houding en gedrag wijzigt of indien de werkzaamheden gewijzigd zijn. Dit artikel is geharmoniseerd in de Arbeidsmarktregio Food Valley. Specifieke bepalingen doelgroep breed offensief (artikel 4.15 tot en met artikel 4.1.24) 49
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal Bij het opstellen van de regels, medio 2023, in de navolgende artikelen is rekening gehouden met de mogelijkheid dat een aantal van de hierin geregelde zaken op grond van artikel 10e van de Participatiewet ook nader geregeld kunnen (gaan) worden bij of krachtens Algemene Maatregel van Bestuur. Bij het opstellen van de regels was hier, met uitzondering van regels voor de te hanteren loonwaardemethodiek bij het vaststellen van de doelgroep loonkostensubsidie, nog geen sprake van. Deze artikelen zijn geharmoniseerd in de Arbeidsmarktregio Food Valley. Artikel 4.1.15 Specifiek aanvraagproces loonkostensubsidie De wijze waarop het administratieve proces met betrekking tot het verstrekken van loonkostensubsidie is vormgegeven, moet op grond van artikel 8a, tweede lid, onder c, van de Participatiewet in de verordening worden bepaald. Het verstrekken van loonkostensubsidie is een vorm van subsidieverlening. Dit betekent dat de bepalingen met betrekking tot de subsidieverlening uit titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht onverkort van toepassing zijn. Met de bepaling van de termijn in het vierde lid is aansluiting gezocht bij de Algemene wet bestuursrecht. Vanuit het oogpunt van transparantie is in het vijfde lid het administratief proces voor het verstrekken van de loonkostensubsidie benoemd.
De gemeenten in de arbeidsmarktregio Food Valley hebben gekozen voor het preferente proces loonkostensubsidie zoals dat over het land is uitgerold en waarvan gemeenten inmiddels gebruik maken. In dat geval kan in de verordening worden volstaan met een verwijzing naar het preferente proces van “De normaalste zaak” (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 54-55). Artikel 4.1.16 Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen In dit artikel zijn de voorwaarden opgenomen om in aanmerking te komen voor persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen. Een aantal voorwaarden zal nader worden uitgewerkt in beleidsregels. Artikel 4.1.17 Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen In dit artikel wordt de aanvraagprocedure weergegeven. Hoewel lid 3 en 4 niets toevoegen aan het wettelijk kader zijn deze wel overgenomen vanuit de modelverordening, omdat daarmee de aanvraagprocedure volledig in beeld gebracht wordt. Het zevende en achtste lid regelen de mogelijkheid om de onderzoeksresultaten in een los verslag op te nemen en dit toe te zenden aan de persoon of zijn gemachtigde en, indien van toepassing, aan de werkgever.
Artikel 4.1.18 Inhoud beschikking persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Juridisch is er geen noodzaak voor dit artikel, omdat deze bepalingen voortvloeien uit wetgeving. Toch is dit artikel voor het overzicht opgenomen. Artikel 4.1.19 Persoonlijke ondersteuning bij werk De gemeente Veenendaal heeft geen jobcoaches in dienst. Voor de inzet van jobcoaches is in de arbeidsmarktregio Food Valley een Open House toelatingsprocedure gevolgd, lopend van 1 april 2023 tot 1 april 2027. De individuele gemeenten zijn vervolgens raamovereenkomsten aangegaan met organisaties die hebben ingeschreven en voldoen aan de vereisten in het Programma van Eisen. Het derde lid is facultatief omdat de persoonlijke ondersteuning in het kader waarvan op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel e, van de Participatiewet bij verordening regels moeten worden geformuleerd, zich beperkt tot opgedragen taken die worden verricht in het kader van een 50
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal dienstverband bij een werkgever. Het staat gemeenten vrij dit toepassingsgebied uit te breiden. Als voorbeelden worden genoemd jobcoaching tijdens een proefplaats of een leer-werktraject. Jobcoaching kan echter ook nog breder worden ingezet, bijvoorbeeld in het voortraject bij het zoeken naar een passende werkkring voor een persoon met een arbeidsbeperking. Artikel 4.1.20 Specifieke voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk In het eerste lid is de termijn waarbinnen de aanvraag moet zijn ontvangen gesteld op acht weken, gerekend vanaf de ingangsdatum van de dienstbetrekking. Artikel 4.1.21 Jobcoaching In het eerste lid is opgenomen dat een jobcoach die de persoonlijke ondersteuning bij werk verzorgt voldoet aan een aantal kwaliteitscriteria. De kwaliteitscriteria zijn opgenomen in bijlage 1 van de verordening. Deze kwaliteitscriteria zijn ook opgenomen in het Programma van Eisen voor de Open House toelatingsprocedure voor de externe jobcoachvoorziening. Het tweede lid verwijst naar de bepaling van verschillende zwaarteregimes voor de in te zetten jobcoaching die in bijlage 1 is opgenomen en die ook in het Programma van Eisen voor de Open House toelatingsprocedure voor de externe jobcoachvoorziening terugkomt.
Artikel 4.1.22 Jobcoaching in natura Behoeft geen nadere toelichting. Artikel 4.1.23 Subsidie voor het organiseren van jobcoaching Voor zover jobcoaching niet ambtshalve wordt toegekend kunnen zowel werkgever als werknemer subsidie aanvragen voor jobcoaching. De bepalingen in de artikelen 4.1.16 tot en met 4.1.21 zijn hierop onverkort van toepassing. In het tweede lid is een aantal voorwaarden opgenomen om in aanmerking te komen voor persoonlijke ondersteuning, in de vorm van subsidie voor jobcoaching. Bij het formuleren van de voorwaarden is aansluiting gezocht bij artikel 12 van het Reïntegratiebesluit van het UWV. Het college kan een beleidsregel voor de subsidieverlening vaststellen. De Algemene subsidieverordening Veenendaal is op deze subsidie niet van toepassing, omdat de regels voor deze subsidieverstrekking in dit artikel van de verordening zijn opgenomen (zie artikel 2 lid 1 ASV). Artikel 4.1.24 Interne werkbegeleiding Om voor subsidie voor interne werkbegeleiding in aanmerking te kunnen komen mag de gemeente eisen stellen aan de kwaliteit van de begeleiding. Hierbij kan gedacht worden aan het vereisen van een training. In afstemming met de overige regio’s kiezen we ervoor om deze kwaliteitseisen nu nog niet te stellen, maar in de komende periode te bezien welke vereisten passend en effectief zouden zijn.
Het tweede lid bevat de mogelijkheid dat de gemeente ook subsidie verstrekt voor het volgen van de training door de interne werkbegeleider. Dit is redelijk als het gevolgd hebben van de training een verplichting is om voor de subsidie in aanmerking te komen. Op dit moment wordt gebruik gemaakt van een training waar voor de werkgever geen kosten aan verbonden zijn. Als dit verandert biedt het tweede lid de mogelijkheid om hiervoor subsidie te verlenen. Artikel 4.1.25 Specifieke voorwaarden vervoersvoorziening Voor de vervoersvoorziening worden nog nadere regels opgesteld ten aanzien van de vergoedingensystematiek en het hanteren van drempelbedragen. Voor inwoners die nu al een vervoersvoorziening hebben moet overgangsrecht worden geregeld. 51
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
Artikel 4.1.26 Specifieke voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij motorische handicap Met een wijziging van de Participatiewet is het UWV per 01-01-2024 ook voor de gemeentelijke doelgroep verantwoordelijk voor de uitvoering van werkvoorzieningen aan mensen met een visuele beperking. Het betreft de volgende voorzieningen: vervoersvoorzieningen, intermediaire voorzieningen, communicatiehulpmiddelen, werkmeubilair en orthopedische werkschoenen. De gemeente blijft voor deze doelgroep verantwoordelijk voor de uitvoering van jobcoaching, ondersteuning bij re-integratie, subsidieregeling meerkosten werkgever en vervoer in de leefsfeer. In de wet is overgangsrecht geregeld. De gemeente blijft gedurende de duur van een eerdere toekenning verantwoordelijk. Voor de vervoersvoorziening worden nog nadere regels opgesteld ten aanzien van de vergoedingensystematiek en het hanteren van drempelbedragen. Voor inwoners die nu al een vervoersvoorziening hebben moet overgangsrecht worden geregeld Artikel 4.1.27 Specifieke voorwaarden meeneembare voorzieningen Onder noodzakelijkheid (lid 1 sub a) wordt verstaan dat de belanghebbende zonder de voorziening in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen verrichten. Onder aard- en nagelvast wordt verstaan een voorziening die niet vastzit aan een gebouw.
Denk aan bijvoorbeeld orthopedische schoenen, voorleesapparatuur, spraakversterkers of een aangepaste bureaustoel. Onder meeneembare voorziening vallen ook de kosten die gemaakt worden voor bijvoorbeeld een training die nodig is voor de belanghebbende om de voorziening te kunnen gebruiken. De gemeente is niet verantwoordelijk voor voorzieningen die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoren. Bij een voorliggende voorziening (lid 1 sub c) kan gedacht worden aan bijvoorbeeld de (basis, aanvullende) ziektekostenverzekering (en waar een eigen bijdrage voor wordt gevraagd), Wmo of UWV. Bij de beoordeling of de kosten proportioneel zijn (lid 1 sub e), wordt onder andere betrokken: de kosten van de meeneembare voorziening, de duur van de arbeidsovereenkomst in termen van looptijd (aantal maanden/jaren/bepaalde tijd/onbepaalde tijd), de omvang van de arbeidsovereenkomst in termen van het aantal uren per week dat de belanghebbende gaat werken, de opbrengsten in termen van besparing op de uitkeringslasten en eventuele andere lasten (bijvoorbeeld in het kader van de Wmo) in relatie tot de kosten van de meeneembare voorziening. Een medewerker van de gemeente bepaalt op basis van maatwerk waar behoefte aan is: is het logisch of wenselijk om de meeneembare voorziening wel of niet in bruikleen te geven (lid 3). Daarnaast maakt de professional een redelijkheidsoverweging.
De kosten van de voorziening moeten in redelijke verhouding staan tot de baten. Hierover kunnen afspraken gemaakt worden in de (arbeids) overeenkomst. Dit artikel is geharmoniseerd in de Arbeidsmarktregio Food Valley. Artikel 4.1.28 Specifieke voorwaarden werkplekaanpassingen Deze bepaling is als facultatief opgenomen omdat de wettelijke regeling (artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 3, van de Participatiewet) uitsluitend toeziet op meeneembare voorzieningen en niet op werkplekaanpassingen. Het is, gelet op de memorie van toelichting bij de Wet Uitvoeren Breed offensief, echter wel een logische stap om deze voorzieningsvorm in de verordening op te nemen. Artikel 4.1.29 Nadere regels In dit artikel is beschreven op welke onderdelen het college nadere regels kan vastleggen.
52
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
4.2 [vervallen] 4.3 Toelichting Individuele inkomenstoeslag Algemeen Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag, bedoeld ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met inbegrip van een component reservering, in beginsel toereikend is. Toch kan de financiële positie van mensen die langdurig op een minimuminkomen zijn aangewezen onder druk komen te staan als er na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te verhogen. Dit betekent dat het college een individuele inkomenstoeslag kan verlenen als een persoon voldoet aan de voorwaarden daarvoor. Het college kan in beleidsregels aangeven in welke gevallen personen uitzicht hebben op inkomensverbetering. Vast te leggen regels in verordening De individuele inkomenstoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het is een inkomensondersteunende maatregel voor bepaalde personen die langdurig een laag inkomen hebben en daarbij, gelet op de omstandigheden van die persoon, geen uitzicht hebben op inkomensverbetering (artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet). Bij verordening moeten regels vastgesteld worden over het verlenen van een individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet.
Deze regels moeten in ieder geval betrekking hebben op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen ‘langdurig’ en ‘laag inkomen’. Op grond van deze verordening is geen sprake van een laag inkomen bij een inkomen hoger dan 105 % van de toepasselijke bijstandsnorm. Daarnaast moet bij verordening de hoogte van de individuele inkomenstoeslag bepaald worden. Het college kan in (wetsinterpreterende) beleidsregels aangeven wanneer sprake is van 'geen uitzicht op inkomensverbetering'. Gelet op de tekst van artikel 8, tweede lid, van de Participatiewet hoeft dit criterium niet te worden vastgelegd in de verordening. Bij de beoordeling van het criterium 'geen uitzicht op inkomensverbetering' moet het college rekening houden met de omstandigheden van de persoon. In artikel 36, tweede lid, van de Participatiewet is bepaald dat tot die omstandigheden in ieder geval worden gerekend: de krachten en bekwaamheden van de persoon, en de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen. De nadere invulling wordt neergelegd in beleidsregels. Wijziging leefvorm De leefvorm (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwd) van een persoon kan wijzigen binnen de referteperiode. Dit is bijvoorbeeld het geval indien gehuwden individuele inkomenstoeslag aanvragen, maar zij over een gedeelte van de referteperiode als alleenstaande moeten worden aangemerkt.
Personen moeten dan ook over dat deel van de referteperiode aan de voorwaarden voldoen om voor individuele inkomenstoeslag in aanmerking te komen. Gehuwden moeten immers zowel gezamenlijk als afzonderlijk aan de voorwaarden voldoen. Artikelsgewijze toelichting Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier behandeld. Artikel 4.3.1. Definities Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening. Inkomen Met inkomen wordt bedoeld het inkomen zoals bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet. In afwijking hiervan wordt algemene bijstand voor de beoordeling van het recht op individuele 53
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal inkomenstoeslag ook in aanmerking genomen als inkomen. Bijzondere bijstand kan niet als inkomen in aanmerking worden genomen. Aangezien individuele inkomenstoeslag een vorm van bijzondere bijstand is, is het niet nodig expliciet te bepalen dat een eerder verstrekte individuele inkomenstoeslag buiten beschouwing moet worden gelaten bij de vaststelling van het inkomen. Het wordt niet wenselijk geacht een eerder verstrekte individuele inkomenstoeslag in aanmerking te nemen als inkomen, omdat dit het ongewenst effect kan hebben dat een persoon geen recht op een individuele inkomenstoeslag heeft omdat hij een te hoog inkomen heeft gehad in de referteperiode vanwege een eerder verstrekte toeslag. Peildatum De peildatum is de datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag aanvraagt (artikel 1 van deze verordening). Het gaat om de datum waarop een persoon langdurig een laag inkomen heeft, geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet en, gelet op de omstandigheden van die persoon, geen uitzicht op inkomensverbetering heeft. De peildatum komt meestal overeen met de meldingsdatum. De peildatum kan in beginsel niet liggen vóór de dag waarop een persoon zich heeft gemeld om individuele inkomenstoeslag aan te vragen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.
Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de Participatiewet en de jurisprudentie rondom artikel 44 van de Participatiewet. Referteperiode Verder is bepaald wat onder de referteperiode moet worden verstaan: een periode van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum. Zie ook de toelichting bij artikel 3 onder ‘Langdurig’. Artikel 4.3.2. Indienen verzoek Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een persoon, een besluit te nemen (artikel 1:3, derde lid, van de Awb). Een aanvraag dient in beginsel schriftelijk te worden ingediend (artikel 4:1 Awb). Om onduidelijkheid te voorkomen over de wijze waarop het verzoek moet worden ingediend, bepaalt artikel 2 van deze verordening dat het verzoek moet worden gedaan middels een door het college vastgesteld formulier. Een verzoek wordt dan gezien als een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Awb. Het gaat dan om een schriftelijke aanvraag (artikel 4:1 van de Awb) die wordt ondertekend door de aanvrager en ten minste de naam en het adres van de aanvrager bevat, de dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel 4:2, eerste lid, van de Awb). De aanvrager verschaft ook de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen (artikel 4:2, tweede lid, van de Awb).
Een mondeling verzoek kan hiermee dus niet worden aangemerkt als een verzoek om individuele inkomenstoeslag zoals bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet. Artikel 4.3.3. Langdurig laag inkomen Van belang bij het bepalen wat een langdurig laag inkomen is, is wat onder ‘langdurig’ en onder ‘laag’ wordt verstaan. Langdurig De door de gemeenteraad vastgestelde langdurige periode voorafgaand aan de peildatum, wordt aangeduid als referteperiode. De referteperiode is vastgesteld in artikel 1 van deze verordening. Laag inkomen Een inkomen is laag als het niet hoger is dan 105% van de toepasselijke bijstandsnorm. De vraag of het inkomen van een persoon gedurende de referteperiode niet hoger is dan het langdurig lage inkomen van 105% van de toepasselijke bijstandsnorm, zal niet al te rigide mogen worden beoordeeld. Een marginale overschrijding van dit lage inkomen moet worden genegeerd. 1 1
CRvB 19-08-2008, nrs. 06/1163 WWB e.a., ECLI:NL:CRVB:2008:BE8918 en CRvB 15-02-2011, nr. 08/5141 WWB, ECLI:NL:CRVB:2011:BP5532.
54
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal Gaat het inkomen van een persoon gedurende (een deel van) de referteperiode de bedoelde 105% van de toepasselijke bijstandsnorm maandelijks met € 5 of meer te boven, dan komt men niet in aanmerking voor de individuele inkomenstoeslag. Er is immers geen sprake van een incidentele geringe overschrijding van de bijstandsnorm of van te verwaarlozen bedragen van enkele eurocenten.2 Artikel 4.3.4. Hoogte individuele inkomenstoeslag Bij de hoogte van de individuele inkomenstoeslag wordt onderscheid gemaakt tussen een alleenstaande, een alleenstaande ouder en gehuwden. Gehuwden Bij gehuwden moet in het oog worden gehouden dat het recht op individuele inkomenstoeslag de gehuwden gezamenlijk toekomt. Worden personen op de peildatum als gehuwden aangemerkt, dan moeten beide gehuwden voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet. Voldoet één van hen niet aan deze voorwaarden, dan bestaat voor beiden geen recht op individuele inkomenstoeslag. Is één van de echtgenoten uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag, anders dan vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, dan komt de rechthebbende partner wel in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag.
Het gaat hier om een partner die op een van de in artikelen 11 of 13, eerste lid, van de Participatiewet genoemde gronden geen recht heeft op bijstand. Als slechts één partner recht heeft op individuele inkomenstoeslag, komt deze rechthebbende partner in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. Dat is geregeld in het tweede lid. Indexering In het vierde lid is een indexeringsbepaling opgenomen. Deze bepaling voorkomt dat de verordening telkens opnieuw moet worden vastgesteld, enkel voor indexatie van de bedragen. Het is van belang de nieuwe bedragen (na indexatie) duidelijk te communiceren. Om de bedragen in de verordening niet teveel uit de pas te laten lopen met de geldende bedragen, is er voor gekozen om met de wijzing van de verordening in 2025 de geldende bedragen voor het jaar 2025 op te nemen. 4.4 Toelichting Tegenprestatie Artikel 4.4.1. Definities Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening. Vrijwilligerswerk Werk dat onverplicht is waarvoor geen loon ontvangen wordt en in georganiseerd verband voor anderen of de samenleving uitgevoerd wordt.
Hiermee onderscheidt vrijwilligerswerk zich van werk in loondienst. Bij werk in loondienst verplicht de werknemer zich om op basis van een arbeidsovereenkomst bepaalde taken uit te voeren op een door de werkgever aangewezen plaats. De werkgever verplicht zich om voor deze werkzaamheden een bepaald loon uit te betalen. De bepalingen over arbeid in dienstbetrekking uit het burgerlijk wetboek vormen het juridisch kader voor de werk in loondienst. Om iemand met vrijwilligerswerk te ontheffen van de plicht tot tegenprestatie, moet wel bezien worden of dit werk als maatschappelijk nuttig kan worden beschouwd.
2
(CRvB 27-03-2012, nr. 10/2488 WWB, ECLI:NL:CRVB:2012:BW0068 en CRvB 31-07-2012, nr. 12/1825 WWB, ECLI:NL:CRVB:2012:BX7178.
55
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
Artikel 4.4.2. Inhoud van de tegenprestatie Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen. Dit artikel stelt voorwaarden ten aanzien van de inhoud van de tegenprestatie. Het college dient maatwerk toe te passen bij het opdragen van een tegenprestatie. Rekening moet worden gehouden met de individuele omstandigheden van belanghebbende, waaronder leeftijd, opleiding, werkervaring en andere relevante persoonlijke omstandigheden. De werkzaamheden worden immers opgedragen ‘naar vermogen’. Het is dus van belang dat belanghebbende ook in staat is de werkzaamheden te verrichten (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). Als het college een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het een duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voor een belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenprestatie van hem wordt verwacht (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171).
Additionele onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden In het eerste lid van dit artikel, van deze verordening is bepaald dat de tegenprestatie onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden betreffen die additioneel van aard zijn. De maatschappelijk nuttige werkzaamheden in het kader van de tegenprestatie dienen zich te onderscheiden van werkzaamheden die door de reguliere arbeidsmarkt verricht worden. Het onderscheid tussen betaalde en onbetaalde werkzaamheden is afhankelijk van onder meer economische factoren en van keuzes die mede op basis daarvan door het bedrijfsleven en/of de overheid worden gemaakt (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 30). Werkzaamheden die kunnen worden ingezet Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die werkzaamheden voldoen aan de in het eerste lid van dit artikel genomen de voorwaarden. Dit betekent dat de als tegenprestatie in te zetten werkzaamheid: a. b. c. d.
naar zijn aard niet is gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt; niet is bedoeld als re-integratieinstrument; wordt verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de organisatie waarin deze worden verricht; en niet leidt tot verdringing.
Deze voorwaarden zijn gebaseerd op de belangrijkste kenmerken van de tegenprestatie die volgen uit de parlementaire geschiedenis (zie TK 2010-2011, 32 815, nr. 3, p. 14). In de beleidsregels kan het college vastleggen welke werkzaamheden in ieder geval als tegenprestatie kunnen worden ingezet (het tweede lid van dit artikel). Deze werkzaamheden voldoen aan de in het eerste lid van dit artikel gestelde voorwaarden. Tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing De tegenprestatie mag niet worden ingezet in het kader van de re-integratie. De tegenprestatie mag bovendien niet direct gericht zijn op toeleiding naar de arbeidsmarkt en is dan ook niet bedoeld als reintegratieinstrument. Het betreffen werkzaamheden die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet mogen leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. Reguliere werkzaamheden kunnen daarom niet als tegenprestatie worden ingezet. De tegenprestatie mag het accepteren van passende arbeid of van re-integratie-inspanningen niet belemmeren. Het uitgangspunt werk boven uitkering staat voorop. Dit volgt uit artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet en de parlementaire geschiedenis (zie TK 2010-2011, 32 815, nr. 3, p. 14). Het belang van de belanghebbende en de samenleving. 56
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal De tegenprestatie moet motiverend worden ingezet, waarbij tegemoet wordt gekomen aan het individuele en het collectieve belang. Bij het opdragen van de tegenprestatie wordt rekening gehouden met de eigen inbreng van de belanghebbenden. De belanghebbende wordt gemotiveerd eigen ideeën aan te dragen. Het individuele belang van de belanghebbende wordt gediend met de bijdragen die de tegenprestatie levert aan het verminderen van de kwetsbare positie waarin hij/ zij zich bevindt. Daarnaast moet de tegenprestatie een bijdrage leveren aan het sociale leefklimaat en de leefbaarheid in de stad. Met het opdragen van de tegenprestatie wordt dus zowel een individueel als collectief belang gediend. Artikel 4.4.3. Het opdragen van een tegenprestatie Het college heeft beleidsvrijheid om een tegenprestatie op te leggen. Het college bepaalt uiteindelijk of, en zo ja welke tegenprestatie wordt opgedragen. Tegen een besluit tot het opdragen van een tegenprestatie kan bezwaar en beroep worden aangetekend (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 49). Geen tegenprestatie Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan het college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de plicht tot het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid, van de Participatiewet).
De verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie is niet van toepassing op een belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde lid, van de Participatiewet) De verplichting tot tegenprestatie is niet van toepassing op een alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet (artikel 9, zevende lid, van de Participatiewet). Weigering tegenprestatie Het college dient bij weigering van belanghebbende om de tegenprestatie te verrichten, op basis van het individuele geval de hoogte en de duur van de op te leggen maatregel te bepalen (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 29). Factoren opdragen tegenprestatie In dit artikel is neergelegd met welke factoren het college rekening moet houden bij het opdragen van een tegenprestatie. Deze factoren worden hierna toegelicht. a. tegenprestatie 'naar vermogen' De werkzaamheden die als tegenprestatie ingezet worden, moeten naar vermogen door een belanghebbende verricht kunnen worden. De term 'naar vermogen' heeft betrekking op de mogelijkheden waarover een belanghebbende beschikt om deze werkzaamheden te verrichten. Immers, niet alle onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden kunnen worden opgedragen aan elke uitkeringsgerechtigde (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p.
30). b. persoonlijke situatie en individuele omstandigheden belanghebbende Bij het opdragen van de tegenprestatie houdt het college rekening met de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende, waaronder leeftijd, opleiding en werkervaring (Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). Hierbij wordt rekening gehouden met het fysieke en psychische vermogen van een belanghebbende. Bij het opdragen van de tegenprestatie dient het college maatwerk te leveren. Voorts wordt bij opdragen van een tegenprestatie rekening gehouden met praktische omstandigheden zoals reistijd, beschikbaarheid van kinderopvang en/of belanghebbende al maatschappelijke activiteiten verricht. c. persoonlijke wensen en kwaliteiten belanghebbende Bij het opdragen van de verplichting tot tegenprestatie houdt het college rekening met de persoonlijke wensen en kwaliteiten van belanghebbende. De regering vindt het immers belangrijk dat een belanghebbende invloed heeft op de keuze van de activiteiten (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 47). Belanghebbende kan zelf ideeën aandragen voor de als tegenprestatie te verrichten werkzaamheden. Het college kan in beleidsregels bepalen wanneer een belanghebbende zijn keuze voor het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteit kenbaar maakt aan het college. 57
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
d.
Het college beoordeelt de door belanghebbende zelf aangedragen ideeën en kan besluiten om het voorstel van belanghebbende over te nemen en die werkzaamheden in te zetten als tegenprestatie. Uiteraard moet die werkzaamheid voldoen aan het bepaalde bij of krachtens artikel 3 van deze verordening en moet die werkzaamheid beschikbaar zijn. Het college is niet gehouden te voldoen aan de wensen van een belanghebbende, maar moet deze wel in de beoordeling meenemen. Draagt belanghebbende geen ideeën aan, dan legt het college belanghebbende een lijst met keuzemogelijkheden voor van maatschappelijk nuttige werkzaamheden die voorhanden zijn. Als belanghebbende geen voorkeur kenbaar maakt of er geen keuzemogelijkheid is, legt het college een werkzaamheid op. Het is immers aan het college, en niet aan een belanghebbende, een tegenprestatie op te dragen aan belanghebbende. Factor: maatschappelijke activiteiten en vrijwilligerswerk door belanghebbende Het college houdt er bij het opdragen van de plicht tot tegenprestatie rekening met het eventuele gegeven dat een belanghebbende al maatschappelijk actief is (TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6). Indien een belanghebbende al een maatschappelijke activiteit verricht, kan het college in bepaalde gevallen besluiten deze maatschappelijke activiteit aan te merken als tegenprestatie of deze persoon te ontheffen van de verplichting tot tegenprestatie.
Ook kan de omstandigheid dat een belanghebbende maatschappelijke activiteit verricht, ertoe leiden dat hiermee rekening wordt gehouden bij het vaststellen van de tegenprestatie, met name de duur en de omvang van de tegenprestatie. Een voorbeeld van maatschappelijke activiteiten zijn: de zorg voor een ouder of een gehandicapt kind. Het college beoordeelt de maatschappelijke activiteiten en houdt daarbij rekening met de duur en omvang.
Artikel 4.4.4. Duur en omvang van de tegenprestatie Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen. Dit artikel stelt voorwaarden ten aanzien van de duur en omvang van de tegenprestatie. Individuele omstandigheden Het college beoordeelt op basis van de individuele omstandigheden van een belanghebbende de omvang en de duur van de tegenprestatie. De omvang van de werkzaamheden en de duur in de tijd dienen in de regel beperkt te zijn. Dat betekent dat het college steeds een afweging maakt op basis van de situatie in welke mate een tegenprestatie verlangd kan worden (TK 2013-2014, 33 801, nr. 30). Maximale duur tegenprestatie in dagen Het eerste lid, regelt dat de tegenprestatie wordt ingezet voor een maximale duur. De tegenprestatie kan maximaal voor de duur van 1 jaar worden opgedragen. Verlenging termijn Het tweede lid, regelt dat de termijn van 1 jaar zoals bedoeld in het eerste lid, 2 keer kan worden verlengd met 1 jaar zodat de maximale duur waarover een tegenprestatie kan worden opgelegd, 3 jaar bedraagt. Dit hoeven geen aaneengesloten jaren te zijn.
Maximale duur tegenprestatie in uren Het derde lid, regelt dat de tegenprestatie wordt opgedragen binnen een bandbreedte van 4 tot 8 uren per week. Artikel 4.4.5. Vrijstellingen Dit artikel bepaalt dat geen tegenprestatie wordt opgedragen indien een belanghebbende mantelzorg verricht en het college het verrichten hiervan redelijkerwijze noodzakelijk vindt. De regering heeft deze mogelijkheid uitdrukkelijk benoemd in de nota van wijziging met betrekking tot de Wet maatregelen WWB (TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6). Of sprake is van mantelzorg wordt getoetst aan de criteria van het begrip mantelzorg zoals neergelegd in artikel 1 van deze verordening. Verricht een belanghebbende mantelzorg in de zin van deze 58
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal verordening en is het verrichten van mantelzorg volgens het college redelijkerwijs noodzakelijk, dan draagt het college een belanghebbende geen tegenprestatie op. Daarnaast regelt dit artikel de vrijstelling voor belanghebbenden die vrijwilligerswerk verrichten dat te beschouwen is als een maatschappelijk nuttige activiteit. Uit de wet vloeien nog 2 vrijstellingen voort, namelijk de zorg van alleenstaande ouders voor (een) kind(eren) in de leeftijd van 0 tot 5 jaar (artikel 9a Participatiewet). Deze ontheffing moet wel op verzoek van de belanghebbende door het college zijn gegeven. Ook belanghebbenden die volledig duurzaam arbeidsongeschikt zijn verklaard, worden ontheven van de plicht tot het leveren van een tegenprestatie. Toegevoegd is de groep belanghebbenden die parttime werk voor tenminste 8 uren per week verrichten. Daarmee wordt verondersteld dat zij voldoende bijdragen aan de samenleving hebben gegeven. 4.5 Toelichting Minimaregelingen Algemeen Op grond van artikel 35 Participatiewet is het mogelijk om bijzondere bijstand te verstrekken.
Degene, die als gevolg van bijzondere individuele omstandigheden geconfronteerd wordt met noodzakelijke bestaanskosten, waarin de algemene bijstand niet voorziet en die niet uit de bijstandsnorm, het vermogen en het inkomen boven bijstandsniveau kunnen worden betaald (de zogenaamde financiële draagkracht), heeft recht op bijzondere bijstand. Welke kosten daarvoor in aanmerking komen, hangt af van de individuele omstandigheden van het geval. Het is een kwestie van maatwerk: een individuele beoordeling is vereist. De gemeenteraad van Veenendaal heeft in november 2023 besloten om de minimaregelingen aan te passen. 1. Er zijn minder verschillende budgetten waarbij het totale budget gelijk blijft. De bestedingsdoelen zijn verruimd voor volwassenen door kleding, witgoed, elektronica, fiets, bouwmarkt, gezonde voeding en het rijbewijs toe te voegen. Voor kinderen zijn de bestedingsdoelen verruimd door de fiets en gezonde voeding toe te voegen. Voor Jongeren is ook de categorie gezonde voeding toegevoegd. Dit is opgenomen in de specifieke artikelen. a. Volwassenen: Het Doe mee-budget en het Sport budget worden samen het Doe mee-budget voor Volwassenen. b. Kinderen: De regeling voor Kledingbudget, het Doe mee-budget wordt samengevoegd tot het Doe mee-budget Kinderen. c.
Jongeren: Het kledingbudget, Doe mee-budget en de afzonderlijke regelingen voor schoolbenodigdheden, fiets en mobiele telefoon worden samen het Doe mee-budget Jongeren.
2.
3.
In de verordening betekent dit dat de volgende artikelen worden geschrapt: o Artikel 4.5.6 Sport en bewegen volwassenen o Artikel 4.5.10 Mobiele telefoon o Artikel 4.5.11 Fiets o Artikel 4.5.12 Kledingpakket Deze regelingen/budgetten zijn namelijk ondergebracht in de verruimde Doe mee-budgetten. Het budget van de Doe-mee-tegoeden voor Volwassenen, Kinderen en Jongeren vervallen niet aan het einde van het pasjaar maar na drie jaar, vanaf toekenning. Dit geldt ook voor inwoners die uitstromen uit de bijstand. Dit is in de artikelen over de specifieke Doe mee-regelingen opgenomen. En om deze reden is de bepaling in artikel 4.5.2 lid 11 geschrapt. Het maximale inkomen blijft 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm.
Artikelsgewijze toelichting
59
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
Artikel 4.5.1 Definities Begrippen die in de Participatiewet, de Awb of de Gemeentewet voorkomen, hebben in deze verordening dezelfde betekenis als in de Participatiewet, Awb of Gemeentewet. Ten aanzien van een aantal begrippen, die als zodanig niet in deze wetten zelf staan, is een definitie gegeven in deze verordening. Peildatum De peildatum is de datum waarop bepaald wordt of een inwoner, of een van de leden uit zijn huishouden, voldoet aan de voorwaarden die gesteld zijn in het artikel. Dit betreft de hoogte van het inkomen maar ook de leeftijd van de kinderen. Artikel 4.5.2 doelstelling Doelstelling De doelstellingen van de minimaregelingen komen voort uit het Integraal beleidskader sociaal domein: a. het vergroten van de kansen om de spiraal van armoede te doorbreken; b. het bevorderen van sport en andere vormen van maatschappelijke participatie c. het voorkomen van sociale uitsluiting; d. het bevorderen dat schoolgaande kinderen zo min mogelijk belemmeringen ondervinden als gevolg van het feit dat hun ouders tot de minima behoren; e. het tegengaan van onderverzekering op het gebied van ziektekostendekking.
Artikel 4.5.3 Doelgroep We sluit in deze paragraaf voor veel onderdelen aan bij Participatiewet. De kostendelersnorm staat niet meer expliciet genoemd want in de verwijzing naar de geldende bijstandsnorm zit de kostendelersnorm besloten. Het is overbodig dit hier te noemen. Om duidelijk te maken dat het ‘vermogensbegrip’ in de minimaregelingen afwijkend is van de Pw is in lid 1 sub c, een verwijzing opgenomen naar artikel 4.5.1, onder k. Geen recht Geen recht op een in deze verordening genoemde minimaregeling heeft de belanghebbende die op het moment van aanvraag in detentie of een asielzoekerscentrum verblijft of studiefinanciering ontvangt. Een uitzondering hierop betreft (alleenstaande) ouder(s) met studiefinanciering. Geen recht op een in deze verordening genoemde minimaregeling heeft de belanghebbende aan wie op grond van artikel 11 van de Participatiewet geen bijstand kan worden verleend omdat deze persoon geen Nederlander dan wel een daar aan gelijkgestelde vreemdeling is.
Artikel 4.5.4 Reikwijdte en voorwaarden • Verduidelijking: Toevoeging lid 3 met de afwijking van de CZM op de algemene regel dat het recht op de vergoeding geldt voor de gehele periode. Voor de CZM geldt dat bij het niet meer ingeschreven staan in het BRP het recht op deelname aan de CZM eindigt. • Verduidelijking van de bedoeling van de inkomenstoets: daar stond dat “het inkomen wordt berekend op basis van het gemiddelde inkomen van drie aaneengesloten maanden. Deze drie maanden bevinden zich in de periode zes maanden voor de start van de aanvraagperiode tot en met het einde van de aanvraagperiode.” Dat is het einde van het pasjaar wat niet logisch is. Theoretisch gaat het dan om een periode van anderhalf jaar. Het voorstel is om daarvan te maken: drie aaneengesloten maanden voorafgaand aan de aanvraag. Mocht er sprake zijn van sterk wisselende inkomsten dan kan de toetser het inkomen van een ruimere periode opvragen. • Toevoeging van lid 4: het inkomen van een uitkeringsgerechtigde wordt aan de hand van de meest recente uitkeringsspecificatie vastgesteld. Dit is de (logische) uitvoeringspraktijk en volledigheidshalve voegen we dit toe. 60
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
•
Het lid waarin werd gesteld dat het recht op een vergoeding niet kan worden meegenomen naar een volgende aanvraagperiode is vervallen. Dat is een politieke keuze die in december 2023 is gemaakt.
Vergoedingen in natura Vergoedingen worden verstrekt in natura. Dit houdt in dat er geen geld wordt overgemaakt aan rechthebbenden maar dat vergoedingen worden verstrekt middels (korting op) producten of voorzieningen. Bij een vergoeding mag altijd worden bijbetaald. Het betreft dan een tegemoetkoming in de kosten.
Artikel 4.5.5 Aanvragen Het onderscheid is verduidelijkt tussen de CZM (lid 3) en de minimaregelingen (lid 2) voor wat betreft de aanvraagperiode en de looptijd (kalenderjaar en pasjaar). Vanwege persoonlijke omstandigheden kan bij de collectieve ziektekostenverzekering hiervan afgeweken worden. Voorbeelden hiervan zijn inwoners die uitstromen uit de Regeling Ziektekostenverzekering Asielzoekers, inwoners die verhuisd zijn naar de gemeente Veenendaal en in hun oude gemeente reeds recht hadden op de collectieve ziektekostenverzekering en inwoners die vallen onder de Regeling Uitstroom Bijstandsgerechtigden of Regeling Uitstroom Overig. Aan lid 6 is voor de volledigheid het vermogen toegevoegd en ‘inkomensnormen’ is aangepast naar ‘normen’ omdat dit de term is die we consequent hanteren.
4.5.6 Inhoud vergoedingen De vergoedingen bestaan uit regelingen die aansluiten bij bovengenoemde doelstellingen. Uit onderzoek is gebleken dat gelijke kansen op scholing, het versterken van de eigen waarde en ‘mee kunnen doen’ de grootste invloed hebben op de kans om de spiraal van erfelijke armoede te doorbreken. Hiermee bevorderen we dat schoolgaande kinderen zo min mogelijk belemmeringen ondervinden als gevolg van het feit dat hun ouders tot de minima behoren. De regelingen die daarop zien zijn o.a.: • Doe mee-budget Kinderen; • Doe me-budget Jongeren; • Computer of tablet basisschool; • Computer middelbare school; • Huiswerkbegeleiding. Om sociale uitsluiting van volwassenen die rond moeten komen van een minimum inkomen te verminderen en hierdoor maatschappelijke participatie en sport & bewegen te bevorderen, zijn er regelingen voor o.a.: • Doe mee-budget Volwassenen; • Vergoeding ID kaart. Om onderverzekering op het gebied van ziektekostendekking tegen te gaan biedt de gemeente tevens een uitgebreide keuze aan pakketten aan voor de collectieve ziektekostenverzekering. Doe mee-budget Volwassenen, Kinderen en Jongeren • Dit zijn drie nieuwe artikelen. • De bestedingsdoelen zijn volledig overgenomen uit het Voorstel aanpassingen Minimaregelingen, Bijlage A. • Het gaat om een persoonlijke vergoeding. • De vergoeding vervalt na drie opeenvolgende aanvraagperiodes.
Ook als het inkomen stijgt boven de norm zoals bepaald in artikel 4.5.3. 61
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
Artikel 4.5.7 Doe mee-budget Volwassenen Dit behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 4.5.8 Doe mee-budget Kinderen Dit behoeft heen nadere toelichting.
Artikel 4.5.9 Doe mee-budget Jongeren Dit behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 4.5.10 Identiteitsbewijs Het college kan een vergoeding aan Veenendalers verstrekken voor de kosten van een ID-kaart. Vanaf 14 jaar is het verplicht om je te kunnen legitimeren. De werkelijke kosten voor de aanschaf of verlenging van een identiteitskaart kunnen worden vergoed. Dit betreft enkel de kosten van de identiteitskaart en niet van eventuele extra kosten voor vermissing, spoedaanvraag of pasfoto’s. Een identiteitskaart van een Nederlander ouder dan 17 jaar, is 10 jaar geldig. Voor Nederlanders van jonger dan 18 jaar geldt een geldigheidsduur van 5 jaar. Om deze reden kan er voor een volwassene eens per 10 jaar een vergoeding worden aangevraagd en voor kinderen jonger dan 18 jaar eens per 5 jaar. Toegevoegd is de mogelijkheid dat als een Veenendaler een paspoort wenst aan te schaffen in plaats van een ID-kaart, hij een vergoeding kan krijgen voor het verlengen of aanvragen van een paspoort ter hoogte van de kosten van het aanschaffen of verlengen van een ID-kaart. De aanvullende kosten kunnen vervolgens worden voldaan vanuit het Doe mee-budget uit artikel 4.5.7. 4.5.8 of 4.5.9. Indien een Veenendaler niet in het bezit is van een Nederlands identiteitsbewijs maar wel van een vreemdelingendocument dan kan hij een tegemoetkoming krijgen in de kosten van de verlenging van het vreemdelingendocument.
De hoogte van de vergoeding is even hoog als de kosten voor het verlengen van een Nederlandse Identiteitskaart. Bij een dubbele nationaliteit wordt enkel de Nederlandse identiteitskaart vergoed.
Artikel 4.5.11 Computer/ tablet basisschool Het college kan een vergoeding aan gezinnen verstrekken voor de kosten van de aanschaf van een computer, tablet, en/ of noodzakelijke benodigdheden zoals een printer, toetsenbord, beeldscherm, muis en headset. Verduidelijking van de bedoeling door toevoeging van lid 4: ‘de vergoeding hoeft niet één keer besteed te worden’. Vanuit dit artikel kunnen namelijk verschillende producten worden aangeschaft zoals staat in lid 1 (printer, toetsenbord, muis etc). Deze producten hoeven niet in één keer te worden gekocht. Er is wel een maximaal bedrag opgenomen, namelijk € 500,- per huishouden
Artikel 4.5.12 Computer/laptop jongere Het college verstrekt een vergoeding voor de kosten van de aanschaf van een computer of laptop aan de jongere in de leeftijdscategorie 12 tot 19 jaar. Dat is de uitvoeringspraktijk. Dit kunnen ook thuiszitters zijn, leerlingen Mbo of leerlingen op een school waar gewerkt wordt met laptopkarren op school (en die dus geen laptop vragen). Aangezien het om één product per kind gaat is lid 3 toegevoegd. 62
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
Artikel 4.5.13 Collectieve ziektekostenverzekering voor minima Rechthebbenden kunnen vrijwillig deelnemen aan een collectieve ziektekostenverzekering die de gemeente heeft afgesloten met een zorgverzekeraar. Op basis van deze regeling verstrekt de gemeente een tegemoetkoming in de kosten van de premie. Hiervoor dient de belanghebbende en/of diens partner met de zorgverzekeraar als bedoeld in lid 1, een overeenkomst te sluiten voor een zorgverzekering in het kader van de Zorgverzekeringswet en het te verzekeren pakket dat overeenkomt met de eisen die het college aan een collectieve zorgverzekering voor minima stelt. Een inwoner kan aan de collectieve zorgverzekering voor minima deelnemen vanaf de datum waarop de collectieve zorgverzekeraar hem accepteert. In de regel is dit 1 januari van het nieuwe kalenderjaar. Een uitzondering hierop betreffen statushouders en inwoners die gedurende het jaar naar de gemeente Veenendaal verhuisden en in hun oude gemeente reeds recht hadden op de collectieve ziektekostenverzekering van die betreffende gemeente. In het vijfde lid wordt aangegeven dat de deelname aan de collectieve verzekering niet midden in een jaar eindigt, maar pas op 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin men wat inkomen of vermogen betreft niet langer recht heeft op deelname aan deze collectieve ziektekostenverzekering.
Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat men midden in een jaar onverzekerd raakt omdat men niet meer aan de voorwaarden voldoet of de korting verliest. Het is bovendien van groot belang dat verzekeraar en verzekerde geen twijfel hebben over de verzekeringsvoorwaarden. Een voorbeeld: stroomt men per 1 augustus van enig jaar uit de bijstand en heeft men een inkomen boven de 120%, dan houdt men de korting en het recht op het extra pakket van de collectieve ziektekostenverzekering tot 1 januari van het jaar dat erop volgt. Daarna kan men bij dezelfde ziektekostenverzekeraar blijven, maar heeft men geen recht meer op de voordelen van de collectieve ziektekostenverzekering. Dit betekent ook dat de armoedeval kleiner is, dan wanneer direct de korting zou stoppen zodra men wat inkomen betreft boven de norm uitkomt.
Artikel 4.5.14 [vervallen]
Artikel 4.5.14a Compensatie meerkosten chronisch zieken en gehandicapten Verduidelijk in lid 1 sub a: de inwoner ten behoeve van wie de aanvraag wordt ingediend 18 jaar of ouder is. De regeling is bedoeld voor volwassenen. Lid 1 sub c is gewijzigd. Eén keer het eigen risico opmaken betekent namelijk nog niet dat de inwoner chronisch ziek is of gehandicapt. Dit criterium was te ruim. Nu we het gebruik echt willen beperken tot de groep chronisch zieken en gehandicapten is deze gewijzigd. In lid 1 sub c is nu opgenomen dat een medische verklaring van een huisarts of een medisch specialist ook een bewijsstuk kan zijn. De reden is dat nu enkel mensen met een voorziening (een uitkering of Wmo voorziening) aanspraak kan maken. Daarmee ondervangt het voor een klein deel het schrappen van het bewijsstuk van het opmaken van het eigen risico, wat onvoldoende aantoont dat er sprake is van een chronische ziekte. Lid 2 is aangepast ter verduidelijking want daar stond: ‘maximale vergoeding’. Dat moet vergoeding zijn. Het is namelijk één bedrag. Artikel 4.5.15 Onjuiste en/of onvolledige gegevens De basis voor het minimabeleid is de Gemeentewet. In artikel 4:115 van de Awb is bepaald dat de bevoegdheid tot uitvaardiging van een dwangbevel – die een directe executoriale titel verschaft slechts bestaat indien zij bij de wet [lees: wet in formele zin] is toegekend.
In het onderhavige geval is de Gemeentewet de wet in de formele zin. In deze wet is echter – in tegenstelling tot de Pw (art. 60 lid 63
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
2) - geen bevoegdheid tot uitvaardigen van een dwangbevel opgenomen. Dit betekent dat als de inwoner weigert om terug te betalen er via de civiele rechter een executoriale titel voor (dwang)invordering moet worden verkregen. Artikel 4.5.16 Hardheidsclausule Dit artikel behoeft geen toelichting. Artikel 4.5.17 Verbinden van aanbieders Aanbieders van producten en/ of diensten waarvoor op basis van deze verordening vergoedingen aangevraagd kunnen worden kunnen op elk moment van het jaar aangesloten worden bij de voor dit doel beschikbaar gestelde online omgeving om producten toe te voegen. Ook producten van reeds aangesloten aanbieders kunnen ok elk moment worden toegevoegd, gewijzigd of verwijderd. Waar mogelijk zal zoveel mogelijk worden samengewerkt met lokale aanbieders binnen de gemeenten Veenendaal, Rhenen en Rensoude.
64
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
4.6 Toelichting Cliëntparticipatie De gemeente Veenendaal kent sinds 1999 een Cliëntenraad Werk en Inkomen. De taak van de Cliëntenraad bestaat uit het gevraagd en ongevraagd adviseren aan het college over beleid en uitvoering van o.a. de Wet Werk en Bijstand, de re-integratie en sociale activering van cliënten en het gemeentelijk minimabeleid. Hiermee wordt invulling gegeven aan de verplichting om cliëntenparticipatie te regelen volgens de Wet Werk en Bijstand. Binnen de Participatiewet (1 januari 2015) dient ook een Verordening cliëntenparticipatie te worden opgesteld. Met deze paragraaf wordt uitvoering gegeven aan artikel 47 van de Participatiewet De gemeenteraad stelt bij verordening regels over de wijze waarop de personen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, of hun vertegenwoordigers worden betrokken bij de uitvoering van deze wet, waarbij in ieder geval wordt geregeld de wijze waarop deze personen of hun vertegenwoordigers: a. vroegtijdig in staat worden gesteld gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen; b. worden voorzien van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen; c. deel kunnen nemen aan periodiek overleg; d. onderwerpen voor de agenda van dit overleg kunnen aanmelden; d. worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie.
De Cliëntenraad adviseert de gemeente over het brede beleidsterrein van de Participatiewet. Anders dan bij het WMO-forum kent de Cliëntenraad geen ambtelijk secretaris. Sinds 1 januari 2011 heeft de Cliëntenraad een secretaris die uit haar midden wordt benoemd. De functie ambtelijk secretaris is hierdoor vervallen. Daarnaast draagt de gemeente zorg voor het aanleveren van beleidsstukken en onderliggende informatie. De Cliëntenraad bestaat uit ten minste 9 en ten hoogste 11 stemgerechtigde leden, een voorzitter een secretaris. Door te werken met een bandbreedte behoudt de cliëntenraad haar flexibiliteit. Om daarnaast te zorgen voor continuïteit kunnen ook vertegenwoordigers van belangenorganisaties deel uit maken van de raad. De cliëntenraad is zodanig samengesteld dat meer dan de helft van de stemgerechtigde leden bestaat uit cliënten en de rest uit vertegenwoordigers van belangenorganisaties. 4.7 Toelichting Afstemming Participatiewet, IOAW, IOAZ, Rechten en plichten in de Participatiewet De gemeente heeft een verantwoordelijkheid met betrekking tot de invulling van de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Mede gelet op de rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet het gemeentelijk beleid vastgelegd worden in een verordening.
Artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet spreekt over het afstemmen van de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen voor bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet recht worden gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van bijstandsgerechtigden. Artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet legt een directe koppeling tussen de rechten en plichten van uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de uitkering. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de bijstandsgerechtigde, maar ook van de mate waarin de verplichtingen worden nagekomen. De inspanningen die van de bijstandsgerechtigde naar vermogen kunnen worden verwacht, spelen ook een rol. 65
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de uitkering. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van een dergelijke verlaging. Het college moet niettemin bij de vaststelling van de verlaging rekening houden met de persoonlijke omstandigheden en de individueel vastgestelde verplichtingen. Het college kan dan ook van een verlaging afzien als het college daartoe zeer dringende reden aanwezig acht. Met ingang van 1 januari 2015 zijn in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet geüniformeerde arbeidsverplichtingen opgenomen. Voor schending van deze verplichting geldt dat de bijstand in beginsel moet worden verlaagd met honderd procent gedurende één tot drie maanden. In de verordening is de duur van de verlaging vastgelegd (artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet). Is afgezien van een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van bepalingen ten aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen.
Is vanwege de afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet of vanwege dringende redenen afgezien van het opleggen van een verlaging, dan is daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van recidive. Het college beoordeelt uiterlijk drie maanden na de datum van de beschikking of de omstandigheden en het gedrag van belanghebbende aanleiding geven de beslissing te herzien (artikel 18, derde lid, van de Participatiewet). Bij een dergelijke herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen, waarbij alle feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden. Het heeft slechts als doel vast te stellen of belanghebbende tussentijds (binnen de periode waarover de verlaging zich uitstrekt) blijk heeft gegeven van een zodanige gedragsverandering of dat sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden, dat aanleiding bestaat de eerder opgelegde verlaging in zwaarte of duur bij te stellen.3 Artikel 18, derde lid, van de Participatiewet is naar oordeel van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet van toepassing als sprake is van schending van een van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen (artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet). Ten aanzien van geüniformeerde arbeidsverplichtingen is artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet van toepassing.