5. Bijlage 3 Toelichting BP Aansluiting Groenpoort, Veenendaal-oost
Tekst van het document
30
Evacuatie De N233 Rondweg Veenendaal is bestempeld als evacuatieroute. Dit is bedoelt voor ‘droge’ evacuaties. Dit betekent dat - voordat er sprake is van een daadwerkelijke dijkdoorbraak - het gebied ontruimd wordt via deze route. Het is daarmee belangrijk dat de weg altijd beschikbaar is. De verdiepte ligging is mogelijk een plek waar wateroverlast kan ontstaan door hevige regenval. Dit is ten aller tijden onwenselijk, maar aangezien het een evacuatieroute is moet het ten aller tijden voorkomen worden zodat de weg altijd beschikbaar is voor evacuatie. De verdiepte ligging moet droog gehouden worden door middel van pompen. Immers, hemelwater kan niet afstromen uit de verdiepte ligging. Bij de uitwerking van het waterafvoersysteem en de pompen dient er aandacht te zijn voor de functie van evacuatieroute en dient meegenomen te worden dat de weg ten aller tijden begaanbaar moet zijn. Oppervlaktewaterkwaliteit Regenwater dat op wegen valt, raakt verontreinigd met olie, rubber (PAK), vetresten en ander grof en fijn stof door wegdek-, banden- en andere soorten slijtage. Dit water stroomt naar de berm af en daarnaast vindt verwaaiing van opspattend regenwater plaats naar aanliggende watergangen. Als het verontreinigde water direct in een watergang terecht komt, wordt de waterkwaliteit van het aanliggende oppervlaktewatersysteem negatief beïnvloed.
Als voorkeursopbouw (kader afstromend wegwater) zal gebruik gemaakt worden van berminfiltratie, waarbij regenwater afstroomt in de berm en ter plaatse het verontreinigd regenwater infiltreert in de bodem. Hierbij is een verkanting van de weg naar de buitenberm vereist. Er wordt rekening gehouden met een berm van 5 m om voldoende bergend en zuiverend vermogen te hebben en verwaaiing naar het oppervlaktewater te minimaliseren. Daarnaast ontstaat hierdoor ruimte voor een onderhoudspad langs de watergang. Op enkele locaties langs de N233 is geen 5 m ruimte tussen de nieuwe weg en de bestaande watergang. In nagenoeg alle gevallen is hier sprake van een onderhoudspad tussen de weg en de watergang. Doordat de weg meer ruimte nodig heeft, er is geen 5 m meer vrij als onderhoudspad. Hierdoor zijn aanpassingen aan het watersysteem nodig om ruimte te creëren voor een onderhoudspad. Daarmee is ook meten invulling gegeven aan een 5 m berm als buffer tussen weg en oppervlaktewater. Op de locaties waar sprake is van een verbreding van de weg kan sprake zijn van een negatief effect wanneer het wegwater direct in het oppervlaktewater terecht komt. Dit kan voorkomen worden door directe lozing van regenwater op het oppervlaktewater te voorkomen door gebruik te maken van berminfiltratie.
Echter, in het plan zijn geen locaties waar wegwater direct in de watergang terecht kan komen, omdat er bermen tussen liggen. Grondwaterkwaliteit Bij lozing van afstromend wegwater in de bodem kunnen verontreinigingen in het grondwater terecht komen, en er kan sprake zijn van verwaaiing. Dit wordt beide gezien als negatieve beïnvloeding. Daarnaast kan een incident leiden tot verontreiniging van de bodem. Verzinkt wegmeubilair kan leiden tot puntverontreiniging in de bodem. Op dit moment is er echter ook meubilair, waardoor de verbreding van de weg niet leidt tot extra verontreiniging door verzinkt wegmeubilair.
31
Het van de weg afstromende regenwater en de in de nabijheid van de weg neervallende waterdruppels als gevolg van verwaaiing komen op de bodem terecht en infiltreren in de bodem. De bodem heeft hier een zuiverende werking voordat het bij het grondwater komt. Onderzoek van Rijkswaterstaat heeft aangetoond dat de bodem langs de weg de verontreinigingen opvangt. Daar worden met name in de bovenste laag en direct langs de weg parameters boven de streefwaarde of interventiewaarde voorkomen. Uit metingen van de grondwaterkwaliteit blijkt dat op de onderzochte locaties nergens streefwaarden worden overschreden. De verkeersintensiteit neemt toe, maar uit onderzoek blijft dat de verkeersintensiteit weinig invloed heeft op de verontreiniging. Dit leidt dus niet tot een verslechtering van de grondwaterkwaliteit. Grondwaterstanden en -stroming Wanneer er sprake is van werkzaamheden in de ondergrond of ondergrondse constructies is er mogelijk beïnvloeding van de grondwaterstanden en de grondwaterstroming. In het volledige plan voor de verbreding van de N233 is een verdiepte ligging opgenomen voor de N233 bij de kruising met de Prins Clauslaan. Daarnaast zijn er enkele (fiets)tunnels onder de N233 welke verlengd moeten worden in het kader van de verbreding van de N233. Deze ingrepen hebben mogelijk een effect op het grondwatersysteem.
De meeste effecten worden verwacht in de aanlegfase omdat er dan bemalingen nodig zijn. Met behulp van een grondwatermodellering is in beeld gebracht wat de effecten zijn van het plan op de grondwaterstanden. De ingrepen bij het verlengen van (fiets)tunnels is relatief beperkt. De grootste impact wordt verwacht bij de verdiepte ligging. Binnen onderhavig plangebied is enkel de fietstunnel aansluitend aan de Grote Beer gelegen. De effecten op de verbreding zijn beperkt. Mitigerende maatregelen Er is sprake van toename aan verharding. Dit leidt tot versnelde afvoer van hemelwater en verminderende infiltratie. Hiervoor geldt een watercompensatie-opgave; ook wel wateropgave genoemd. De wateropgave bestaat uit twee componenten: Bestaand water moet voor 100 % terug komen in het plan. Toename verharding moet gecompenseerd worden. Wanneer dit gebeurt in de vorm van open water hanteert het waterschap als uitgangspunt dat 10 % moet worden gereserveerd voor open water. Daarnaast moet er rekening worden gehouden met het feit dat er ruimte nodig is om wateren te kunnen onderhouden. De compensatie kan ook in de vorm van een wadi worden opgenomen in het ontwerp. In dat geval dient de wadi een opvangcapaciteit te hebben voor een bui van 60 mm.
32
2
In peilgebied 1186 zijn wadi’s opgenomen met een totaal oppervlak van 1.793 m . Hier kan water in opgevangen worden. Voor wadi’s geldt dat deze een capaciteit moe2 ten hebben om een bui van 60 mm op te vangen. Voor 11.870 m is dan een ber3 gingscapaciteit van 712 m nodig, dit is berekend voor de gehele verbreding van de 2 N233 Rondweg-Oost. Voor onderhavig plangebied waar een toename is van 341,4 m 3 2 is een bergingscapaciteit van 20,5 m benodigd. Met een oppervlak van 1.793 m betekent dit een (gemiddelde) diepte van de wadi’s van 40 cm om de totale bergingsca3 paciteit van 712 m te realiseren. Hiermee is voor het totale project de wateropgave ingevuld. 4.9.3
Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
4.10
Ecologie
4.10.1
Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. Vanaf 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen.
4.10.2
Toetsing Voor de beoogde verbreding van de Rondweg-Oost is een achtergrondrapport Natuur 10 opgesteld . In het onderzoek is de referentiesituatie (huidige situatie) vergeleken met de beoogde situatie, wat is vertaald in de effectbeoordeling. Het onderzoek richt zich op de gebiedsbescherming waar onderscheid is gemaakt tussen Natura 2000gebieden en Natuurnetwerk Nederland en het onderzoek richt zich op soortenbescherming. Dit onderzoek is uitgevoerd voor de verbreding van het gehele traject van de Rondweg-Oost, onderhavig plangebied beslaat maar een gedeelte van het onderzoeksgebied en zodoende hebben niet alle conclusies uit het rapport betrekking op onderhavig bestemmingsplan. De voor dit bestemmingsplan relevante conclusies zijn navolgend weergegeven. Voor het bepalen van de stikstofdepositie is een stikstofana11 lyse uitgevoerd uitsluitend voor onderhavige ontwikkeling .
10
Tauw, Achtergrondrapport Natuur, N233 Rondweg Veenendaal-Oost en Rijnbrug Rhenen. R001-1271416AIH-V02-nda. 9 april 2020.
11
Gemeente Veenendaal. Stikstofanalyse aansluiting Groenpoort op Rondweg-oost. 2022\40145, 11 april 2022. 33
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Om de verkeerssituatie en ontsluiting van de woonwijk Groenpoort te verbeteren, wordt de ‘westelijke aansluiting’ gerealiseerd. Dit betreft een verbinding om de woonwijk op de daaraan grenzende Rondweg Oost te ontsluiten. Om de gevolgen van stik12 stofuitstoot in beeld te brengen is er een stikstofanalyse uitgevoerd. Gelet op de afstand tot de Natura 2000-gebieden en de aard van het plan/project is uitsluitend een nadere beoordeling van stikstofdepositie-effecten relevant. Overige verstoringsaspecten zijn uitgesloten. Door de ‘westelijke aansluiting’ zullen ook uitsluitend verkeersstromen wijzigen. In dit onderzoek zijn de effecten van stikstof voor wat betreft de gebruiksfase als de aanlegfase onderzocht. Geconcludeerd kan worden dat met de aanleg en ingebruikname van de westelijke aansluiting op de N233 geen stikstoftoename plaatsvindt op stikstofgevoelige habitats in enig Natura 2000-gebied. De uitkomst is maximaal 0,00 mol N/ha/jaar. Er is voor de gebruiksfase zelfs sprake van een (zeer kleine) afname van depositie op de naastgelegen N2000-gebieden. Dit betekent dat gelet op de gebruiksfase als de aanlegfase het bestemmingsplan niet kan leiden tot significante gevolgen op de Natura 2000-gebieden. Het plan kan dan ook in overeenstemming met artikel 2.7 lid 1 Wnb worden vastgesteld. Een passende beoordeling is niet aan de orde.
Nu de westelijke aansluiting niet kan leiden tot significante gevolgen, geldt er geen natuurvergunningplicht. Er hoeft geen natuurvergunning als bedoeld in artikel 2.7 lid 2 Wnb te worden aangevraagd. Nader onderzoek vanwege het gebiedsbeschermingsrecht is niet aan de orde. Soortenbescherming De realisatie van de aansluiting en de verbreding van de Rondweg Oost leidt mogelijk tot het kappen van bomen en struweel binnen de plangrenzen. Deze bomen en struwelen kunnen van belang zijn als verblijfplaats en leefgebied voor broedende vogels, vleermuizen, marters en amfibieën (poelkikker, heikikker). Voorafgaand aan de werkzaamheden wordt de functie van het plangebied voor deze soorten nader onderzocht. Hierdoor kunnen mitigerende maatregelen worden genomen om effecten te voorkomen. Gelet de mogelijk aanwezige soorten en de beschikbare effectieve mitigerende maatregelen is alleen sprake van een tijdelijk negatief effect. Dit criterium is daarom als licht negatief beoordeeld. Mitigerende maatregelen Voorafgaand aan het kappen wordt de functie van de bomen voor vogels en vleermuizen nader onderzocht. De struwelen en het werkterrein wordt tevens onderzocht op geschikt leefgebied van marters en amfibieën. Hierdoor kunnen mitigerende maatregelen op maat worden genomen om effecten te voorkomen. Zoals het aanbieden van 12
Gemeente Veenendaal. Stikstofanalyse aansluiting Groenpoort op Rondweg-oost. 2022\40145, 11 april 2022. 34
alternatieve verblijfplaatsen of verbeteren van leefgebied. In de omgeving blijven voldoende geschikte biotopen beschikbaar waarin deze alternatieven kunnen worden aangeboden. Ervaring leert dat deze maatregelen de effecten kunnen mitigeren. Verstoring tijdens de werkzaamheden wordt voorkomen door te werken buiten de gevoelige perioden van de soorten. Daarnaast zijn maatregelen mogelijk zoals het afschermen van verlichting tijdens de werkzaamheden. Samengevat zijn de volgende maatregelen mogelijk: Werken buiten broedseizoen óf waar mogelijk het werkterrein vooraf ongeschikt maken voor broedvogels of pas starten na een broedvogelcheck Uitvoeren van nader onderzoek naar functie van plangebied voor vogels, vleermuizen, marters en amfibieën Op basis van de resultaten van dit onderzoek, maatregelen op maat zoals: o aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen o voorkomen van verstoring door te werken buiten gevoelige perioden o het afschermen van verlichting van gevoelige gebieden Nader ecologisch onderzoek Naar aanleiding van de natuurtoets welke uitgevoerd is voor de beoogde verbreding van de Rondweg Oost is een nader ecologisch onderzoek uitgevoerd ten behoeve van 13 de beschermde soorten .
Dit onderzoek is uitgevoerd voor de verbreding van het gehele traject van de Rondweg Oost, onderhavig plangebied beslaat maar een gedeelte van het onderzoeksgebied en zodoende hebben niet alle conclusies uit het rapport betrekking op onderhavig bestemmingsplan. De voor dit bestemmingsplan relevante conclusies zijn navolgend weergegeven. Grondgebonden zoogdieren Van de das, wild zwijn, boommarter, bunzing (vrijgesteld) en hermelijn (vrijgesteld) zijn geen beschermde functies in het plangebied aanwezig of is het voorkomen van de soort uitgesloten. Negatieve effecten op deze soorten zijn uitgesloten. Van de wezel en egel zijn waarnemingen bekend en verblijfplaatsen aanwezig, deze soorten zijn vrijgesteld. Voor deze soorten is daarom geen ontheffing nodig, maar zijn wel maatregelen nodig met betrekking tot de zorgplicht. In het plangebied zijn verblijfplaatsen aanwezig van de steenmarter. Het voornemen heeft een negatief effect op essentiële gebruiksfuncties van het leefgebied van steenmarter. Het rooien van struweel vernietigt verblijfplaatsen van de steenmarter. Ontheffing is nodig voor het rooien van het struweel voor de steenmarter. Ontheffing wordt alleen verleend als voldoende maatregelen worden genomen om negatieve effecten te voorkomen. Deze maatregelen moeten worden uitgewerkt in een activiteitenplan.
Een van de maatregelen is bijvoorbeeld het werken buiten de kwetsbare periode van de steenmarter (werken van oktober tot maart). Vleermuizen In en rondom het plangebied zijn vliegroutes van vleermuizen aanwezig. Het gaat om vliegroutes van de gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Verblijfplaatsen en essenti-
13
Tauw. Nader ecologisch onderzoek N233 Veenendaal. R018-1271416HLB-V02-rlk-NL, 16 december 2020. 35
ele foerageergebieden komen binnen de invloedsfeer van het voornemen niet voor, negatieve effecten hierop zijn uitgesloten. Het verbreden van de weg en de mogelijke verwijdering van vegetatie aan de oostzijde van de weg kan een groot effect hebben op de functionaliteit van de vliegroutes. Het uitvoeren van de voorgestelde ontwikkeling is een overtreding van artikel 3.5 lid 2 Wnb. Voor het uitvoeren van de ontwikkeling is een ontheffing nodig. Negatieve effecten dienen te worden voorkomen, hiervoor dienen mitigerende maatregelen te worden opgenomen in een mitigatieplan. Hierbij kan worden gedacht aan aangepaste verlichting, aanplanten van lijnvormige beplanting en geleidende structuren over de verbreedde N233. Daarnaast dienen de mitigerende maatregelen functioneel te zijn als de werkzaamheden beginnen. Negatieve effecten door de realisatie hiervan of van de verbreding kunnen worden voorkomen door te werken buiten de actieve periode van vleermuizen, er kan gewerkt worden in de periode van december tot en met februari, of door de vliegroute donker te houden. Amfibieën De heikikker is niet aangetroffen tijdens het nader onderzoek, de aanwezigheid van heikikker is daarom uitgesloten. De poelkikker is in het noordelijke deel aangetroffen tijdens het onderzoek naar vleermuizen. Er is geen nader onderzoek naar deze soort uitgevoerd.
In het plangebied zijn negatieve effecten op poelkikker niet uitgesloten omdat er voortplantingswater en overwinteringshabitat van de soort binnen het plangebied ligt. Als werkzaamheden plaatsvinden aan de watergang of het struweel is dit een overtreding van artikel 3.10 lid 1b Wnb. Er zijn maatregelen nodig om negatieve effecten zo veel mogelijk te beperken. Hierbij moet gedacht worden aan het werken buiten kwetsbare perioden en in een langzaam tempo de graafwerkzaamheden uitvoeren. In voortplantingswateren kan worden gewerkt van half september tot maart. In landhabitat kan worden gewerkt in de periode half april tot half oktober (Bij12, 2017d). Deze maatregelen dienen nader uitgewerkt te worden in een activiteitenplan. Algemene broedvogels Voor de werkzaamheden geldt dat tijdens de aanlegfase rekening gehouden dient te worden met algemene broedvogels. In de maanden maart tot en met augustus is het ten zeerste af te raden om werkzaamheden uit te voeren. In de tussenliggende periode (september), of als toch tijdens het broedseizoen gewerkt wordt, dient voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcontrole uitgevoerd te worden. Als tijdens deze broedvogelcontrole een broedgeval aanwezig blijkt, dient gewerkt te worden met een verstoringsvrije zone totdat het nest verlaten is.
Zowel de broedvogelcontrole als de bepaling van de verstoringsvrije zone moeten door een ter zake kundige ecoloog uitgevoerd worden. Hoewel in de regel tussen oktober en februari gewerkt kan worden zonder nesten te verstoren dient wel ten alle tijden rekening gehouden te worden met broedvogels. Als tijdens de werkzaamheden een broedgeval wordt ontdekt, dienen de werkzaamheden onmiddellijk gestaakt te worden. Daarna moet in overleg met een ecoloog bepaald worden of en welke verstoringsvrije zone aangehouden moet worden.
36
4.10.3
Conclusie De beoogde ontwikkeling zorgt niet voor een toename in stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats in enig Natura 2000-gebied. De uitkomst is maximaal 0,00 mol N/ha/jaar. Er is voor de gebruiksfase zelfs sprake van een (zeer kleine) afname van depositie op de naastgelegen N2000-gebieden. Ontheffing is nodig voor het rooien van het struweel voor de steenmarter. Ontheffing wordt alleen verleend als voldoende maatregelen worden genomen om negatieve effecten te voorkomen. Voor het uitvoeren van de ontwikkeling is een ontheffing nodig voor de gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Negatieve effecten dienen te worden voorkomen, hiervoor dienen mitigerende maatregelen te worden opgenomen in een mitigatieplan. Er zijn maatregelen nodig om negatieve effecten voor de poelkikker zo veel mogelijk te beperken. Hierbij moet gedacht worden aan het werken buiten kwetsbare perioden en in een langzaam tempo de graafwerkzaamheden uitvoeren. Na het verkrijgen van de benodigde ontheffingen vormt het aspect ecologie geen belemmering voor onderhavig plan. Om de hiervoor genoemde soorten te beschermen is in de regels van dit bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen, waaruit volgt dat een omgevingsvergunning pas kan worden verleend indien een ontheffing van de Wnb is verkregen.
Uit het ecologisch onderzoek blijkt dat – met het treffen van de juiste mitigerende maatregelen – het verkrijgen van een ontheffing mogelijk is. Daarmee is de uitvoerbaarheid van het plan voldoende verzekerd.
4.11
Archeologie
4.11.1
Algemeen In de Wet op de archeologische monumentenzorg (2007) zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta (1992) binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen, waarbij in beginsel geldt: “de veroorzaker betaalt”. Het belangrijkste doel van de wet is het behoud van het bodemarchief “in situ” (ter plekke), omdat de bodem de beste garantie biedt voor een goede conservering van de archeologische waarden. Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologievriendelijke alternatieven.
37
4.11.2
Toetsing Voor de beoogde verbreding van de Rondweg-Oost is een archeologisch bureauon14 derzoek uitgevoerd . De voor dit bestemmingsplan relevante conclusies zijn navolgend weergegeven. Het plangebied is gelegen in terrein dat op de gemeentelijke beleidskaarten een lage of geen archeologische verwachting heeft. Ter plaatse van de zones met een lage archeologische verwachting is de kans klein dat eventuele archeologische resten worden verstoord. Hier zal dan ook geen vervolgonderzoek noodzakelijk zijn. Dit geldt onder andere voor de aansluiting Groenpoort, maar ook voor werkzaamheden die binnen de bestaande wegtaluds zelf gepland zijn.
4.11.3
Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
4.12
Cultuurhistorie
4.12.1
Algemeen Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij de beoordeling van een ruimtelijk project.
4.12.2
Toetsing Voor de beoogde verbreding van de Rondweg-Oost is een achtergrondrapport land15 schap en cultuurhistorie opgesteld . Het onderzoek richt zich op beïnvloeding van bijzondere landschappelijke gebieden, structuren en elementen, beïnvloeding van openheid en schaal van het landschap, het verlies of aantasting van cultuurhistorische gebieden, structuren en elementen en de ruimtelijke kwaliteit. De voor dit bestemmingsplan relevante conclusies zijn navolgend weergegeven. Beïnvloeding van bijzondere landschappelijke gebieden, structuren en elementen De realisatie van de aansluiting van Groenpoort op de N233 en daarmee gepaard gaande verbreding naar 2 x 2 rijbanen verandert de landelijke uitstraling die de weg nu heeft naar een meer stedelijke uitstraling. De komst van geluidsschermen en zeker de integratie van de geluidsschermen met de bebouwing geeft een meer stedelijk beeld. Op de cultuurhistorische kaart van gemeente Veenendaal kennen de weg en de directe omgeving nauwelijks bijzondere landschappelijke gebieden, structuren en elementen.
14
Transect, Archeologisch Bureauonderzoek, Veenendaal-Kesteren, N233. Transect-rapport 2489, 2 december 2020.
15
Tauw. Achtergrondrapport Landschap en Cultuurhistorie, N233 Rondweg Veenendaal-Oost en Rijnbrug Rhenen. R004-1271416LVR-V02-efm-NL, 31 maart 2020. 38
De aansluiting op Groenpoort leidt niet tot aantasting van bijzondere landschappelijke gebieden, structuren en elementen. Deze aansluiting ligt in dezelfde lijn als de verkavelingsrichting van het gebied en dus haaks op de N233. Daarmee volgt het de hoofdstructuren van het gebied die voornamelijk oost-west en noord-zuid georiënteerd zijn. De aansluiting op Groenpoort wordt neutraal beoordeeld voor het criterium ‘beïnvloeding bijzondere landschappelijke gebieden, structuren en elementen’. Ook de noodzakelijke verbreding van deze weg leidt niet tot een negatief effect op deze landschappelijke structuur. Langs de weg staan geen bijzondere landschappelijke elementen die door de verbreding worden aangetast. Het tracé van de rondweg N233 verandert niet, maar wordt alleen verbreedt. Hiermee blijft deze structuur in Veenendaal behouden. Voor de landschappelijke inkleding wordt langs grote delen van de 6 weg (oostzijde) een strook met bomen geplant . Dit geeft de weg een groene uitstraling. Beïnvloeding van openheid en schaal van het landschap De N233 kent een afwisseling in openheid en schaal van het landschap. Voor een groot deel ligt de weg tussen geluidswallen waarmee de weg en omgeving een zeer besloten en kleinschalig karakter hebben. Dit zal in de toekomstige situatie door de bouw van Veenendaal-Oost (deelplan Groenpoort) versterkt worden.
De noodzakelijk verbreding van de weg ter hoogte van de aansluiting op Groenpoort heeft geen invloed op de openheid en schaal van het landschap waar de weg deel van uitmaakt. De weg zelf wordt iets breder maar door de geluidwallen is er nauwelijks doorkijk naar het omringende landschap. Mede door de ontwikkeling van VeenendaalOost zal de openheid van de weg en omgeving verder ingekaderd worden. De weg ligt in de huidige situatie al in een stedelijk gebied. Er is geen sprake van een open gebied die door een nieuwe weg doorsneden wordt. De openheid en schaal van het landschap veranderen daarmee niet. De landschappelijke omgeving van de weg wordt door de verbreding niet aangetast. Wel zal het landschap in de toekomst verder verdichten door de ontwikkeling van de wijk Groenpoort, maar dit is geen aanleiding om het effect op openheid en schaal van het landschap door de wegverbreding negatief te beoordelen. Daar waar de N233 wordt aangesloten op de wijk Groenpoort heeft geen onderscheidende gevolgen voor de openheid en schaal van het landschap die anders zijn. Daarom wordt de aanpassing van de N233 neutraal beoordeeld voor het criterium ‘beïnvloeding openheid en schaal van het landschap’. Mitigerende maatregelen Vanwege de aanwezigheid van geluidsschermen rondom de weg kan vanaf de weg geen openheid ervaren worden.
Wanneer bij de wegverbreding extra geluidschermen geplaatst worden, waar deze nu niet staan, is het mogelijk om de geluidswallen van glas te maken, zodat gebruikers van de weg het omringende landschap kunnen zien. Hierdoor wordt de beleving van openheid vanaf de weg groter, doordat er doorzichten vanaf de weg naar het omringende landschap ontstaan. Deze ‘optische’ maatregel heeft het meeste effect op plekken waar geen bebouwing direct langs de weg staat, zodat de zichtlijnen nog enige lengte hebben. Ook dienen de glazen geluidswallen schoon gehouden te worden zodat het doorzicht niet verdwijnt. Deze maatregel beïn-
39
vloed alleen de beleving van de openheid door weggebruikers. Het landschap zelf verandert er niet door. Daarom leidt deze mitigerende maatregel ook niet tot een andere beoordeling voor de openheid en schaal van het landschap. Verlies of aantasting van cultuurhistorische gebieden, structuren en elementen De noodzakelijk verbreding van de N233 ter hoogte van de aansluiting op Groenpoort leidt niet tot verlies of aantasting van waardevolle cultuurhistorische gebieden, structuren of elementen langs de weg. De ontginningslijnen in oost-westelijke richting, die de verkavelingsrichting van het veengebied aangeven, zijn reeds doorsneden bij aanleg van de N233. De wegverbreding heeft hier geen extra effect op. Er zijn geen historische houtwallen, grenspalen of andere cultuurhistorische relicten die door verbreding van de weg worden beïnvloed. Ook staan er geen rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten langs de weg die aangetast worden. Het gedeelte waar de N233 wordt aangesloten op het nieuw te ontwikkelen Groenpoort is geen onderdeel van een waardevol cultuurhistorisch gebied. Ook heeft de plek van deze aantakking geen andere cultuurhistorische waarden volgens de provinciale en gemeentelijke waardenkaarten. De wegverbreding met aansluiting op Groenpoort wordt daarom neutraal beoordeeld voor het thema ‘verlies of aantasting van cultuurhistorische gebieden, structuren en elementen’.
Ruimtelijke kwaliteit Ruimtelijke kwaliteit wordt bepaald door de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van een gebied. De beoogde tweede aansluiting voor Veenendaal-Oost leidt tot een hogere gebruikswaarde van de Rondweg Oost. Daarnaast kan de belevingswaarde van de weg verhoogd worden door bomen of andere beplanting als een lijn langs de weg te plaatsen. Dit geeft de weg een groenere uitstraling en draagt bij aan een aantrekkelijke leefomgeving. Ook het hanteren van eenheid in de materiaalkeuze en kleur van geluidswallen draagt bij aan een hogere belevingswaarde daarmee verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Dit zorgt voor rust en continuïteit in het gebied waarmee de weg een betere uitstraling krijgt. Wanneer de achterzijde van de geluidswal verandert, zal deze verandering ingepast moet worden in het bestaande landschap achter de weg. 4.12.3
Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
40
5 5.1
Wijze van bestemmen Algemeen Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012. Daarnaast is zoveel mogelijk aangesloten bij het bestemmingsplan ‘Woongebieden 2018’ en het aangrenzende bestemmingsplan ‘Veenendaal-Oost, deelplan Groenpoort’. Opzet bestemmingsplan Het plangebied is voorzien van de eindbestemmingen ‘Verkeer’ en ‘Groen’. Op grond van deze bestemmingen geldt een rechtstreekse bouwtitel.
De (eind)bestemming ‘Verkeer’ is inhoudelijk gestoeld op het voorlopig ontwerp voor de beoogde wegverbreding en aanleg van de aansluiting op Groenpoort, maar biedt de nodige flexibiliteit. Omdat de exacte situering van de weg en daarbij behorende voorzieningen nog niet definitief is, zijn ruimere marges opgenomen. Door deze opzet wordt de gewenste flexibiliteit gedurende het ontwikkelingstraject gecreëerd.
5.2
Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
41
5.3
Bestemmingsregels
5.3.1
Opbouw bestemming Bestemmingsomschrijving Bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals ‘Verkeer’. De aard van de toegelaten inrichtingen van gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies. Bouwregels In de bouwregels worden voor alle gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Nadere eisen In de nadere eisen worden specifieke eisen gesteld voor het gebruik van de gronden, bijvoorbeeld in de vorm van een voorwaardelijke verplichting.
5.3.2
Bestemming In deze paragraaf is de feitelijk in het plan voorkomende bestemming beschreven. De bestemming is kort toegelicht welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Verkeer De Rondweg-Oost (N233) en benodigde gronden voor de beoogde verbreding en aanleg van de aansluiting op Groenpoort zijn voorzien van de bestemming ‘Verkeer’. De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor voorzieningen ten behoeve van wegverkeer, infrastructuur, geluidbeperkende voorzieningen, nutsvoorzieningen, standplaatsen, groenvoorzieningen, (speel)pleinen en additionele voorzieningen. Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouw zijnde gelden de volgende regels: de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag maximaal 1 meter bedragen; de bouwhoogte van lichtmasten mag maximaal 12 meter bedragen; de bouwhoogte van beeldende kunst mag maximaal 10 meter bedragen; de bouwhoogte van geluidbeperkende voorzieningen mag maximaal 8 meter bedragen; de maatvoering van reclame-uitingen dient te voldoen aan het reclamebeleid zoals geldt voor het gebied ten tijde van de indiening van de aanvraag; de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde mag maximaal 6 meter bedragen.
42
5.4
Algemene regels Algemene bouwregels In de algemene bouwregels is een regeling opgenomen voor ondergronds bouwen. Algemene gebruiksregels In dit artikel is in algemene zin aangegeven wanneer sprake is van strijdig gebruik met de regels uit het bestemmingsplan. Algemene aanduidingsregels Voor het nabij gelegen tankstation aan de Rondweg Oost zijn de gebiedsaanduidingen ‘veiligheidszone - lpg 1’ en ‘veiligheidszone - lpg 2’ opgenomen. Met de eerste aanduiding is geregeld dat er ter plaatse van de aanduiding geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten worden gebouwd. Hiervan kan worden afgeweken indien uit onderzoek is gebleken dat door een wijziging van de bedrijfsvoering in de risicovolle inrichting de plaatsgebonden risicocontour kleiner is geworden of dat door aangepaste wet- en regelgeving, nieuwe inzichten, dan wel nieuwe rekenmethoden een kleinere plaatsgebonden risicocontour geldt. De aanduiding ‘veiligheidszone - lpg 2’ kent een nog strenger regime. Ter plaatse zijn de gronden mede bestemd voor het tegengaan van een te hoog veiligheidsrisico van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten vanwege een LPG-installatie. Algemene afwijkingsregels Dit artikel is een aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen waarin nog een aantal algemene afwijkingen is opgenomen.
Het betreft hier onder meer een standaardregeling die beperkte afwijkingen in de maatvoering bij de uitvoering van bouwplannen mogelijk maakt (met een maximum van 10%). Overige regels Voor het uitvoeren van ondergrondse werken en werkzaamheden gelden, behoudens in de regels opgenomen afwijkingen, geen beperkingen. Burgemeester en wethouders verlenen slechts een omgevingsvergunning voor het bouwen, het uitbreiden en het wijzigen van de functie van bouwwerken en gronden, met inachtneming van het de voor het gebied ten tijde van de indiening van de aanvraag geldende parkeernormenbeleid
5.5
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een omgevingsvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bouwregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan, mag eveneens worden voortgezet. 43
Slotregel Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.
44
6 6.1
Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Doorgaans is de vraag of er gemeentelijke kosten zijn en hoe deze verhaald worden. Deze vraag omhelst tevens eventuele planschade. Sinds de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in 2008 is het onder omstandigheden verplicht om aan het opstellen van een bestemmingsplan een exploitatieplan te koppelen. Er is sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1 van de Wro als onderdeel van afdeling 6.4 inzake de grondexploitatie. Een exploitatieplan is niet verplicht indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie van de in het plan opgenomen gronden op een andere wijze is verzekerd (artikel 6.12, lid 2 sub a Wro). De aansluiting van de wijk Groenpoort is een gemeentelijk initiatief. De Rondweg-Oost is echter een provinciale weg. De uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling is geregeld conform een samenwerkingsovereenkomst tussen gemeente en ontwikkelingsbedrijf Veenendaal oost. Daarin zijn ook de financiële aspecten opgenomen. Daarmee is het project economisch uitvoerbaar.
6.2
Overleg Conform ex artikel 3.1.1. van het Bro dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de Rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In dit kader is het bestemmingsplan voor advies toegezonden aan de betrokken instanties.
6.3
Omgevingsdialoog Op 24 mei 2022 is in zorgcentrum De Meent een inloopavond gehouden over de aansluiting Groenpoort op de Rondweg-oost. Hiervoor zijn 120 adressen aangeschreven in omgeving Willem Barentszstraat en Petrus Planciusstraat en is op social media (o.a. Facebook Veenendaal-oost) een uitnodiging geplaatst. De opkomst was laag (8%); aanwezigen waren allen afkomstig van de omgeving Willem Barentszstraat. Er heerste een positief sentiment! Er werd vooral informatie opgehaald wanneer de realisatie zal plaatsvinden en over de te treffen geluidswerende voorzieningen, de hoogte ervan en beoogde uitvoering. De huidige begroeide geluidswal met schanskorven wordt zeer gewaardeerd; het geeft naast de benodigde geluidswering een fijne, groene uitstraling. Meerdere keren
45
is aangegeven dat bij eventuele aanpassing/ophoging het bestaande groen en de groene uitstraling aan de zijde van de woningen behouden moeten blijven. Verder werd aandacht gevraagd voor een geluidlek in de huidige geluidwerende voorziening ter hoogte van het pompstation / Petrus Planciusstraat. In het ontwerptekening is hierin voorzien. Naast het verkeer op de rondweg zelf, is ook aandacht gevraagd voor het huidige verkeer en gedrag op de Buurtlaan-oost. Het weghalen van de verhoogde rijbaanscheiding heeft geleid tot hogere snelheden en geluidshinder van de aanwezige drempels 16 bij de aansluiting Willem Barentszstraat. Het verslag van de inloopavond is bijgevoegd in de bijlagen.
6.4
Zienswijzen Op de bestemmingsplanprocedure is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. In navolging hiervan heeft het ontwerpbestemmingsplan Aansluiting Groenpoort, Veenendaal-oost van 1 september 2022 tot en met 12 oktober 2022 voor een ieder ter inzage gelegen. Een ieder kon in deze periode zienswijzen indienen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
16
Gemeente Veenendaal. Verslag Inloopavond Aansluiting Groenpoort op Rondweg-oost. 24-05-2022. 46