4. Voorbeeld achtste wijziging APV
Tekst van het document
Lokale wet- en regelgeving
Preview van Algemene Plaatselijke Verordening Veenendaal Geldend van t/m heden
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder:
a. bebouwde kom:
het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;
b. beperkingengebiedactiviteit:
hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;
c. bevoegd gezag:
bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet;
d. bouwwerk:
hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;
e. bromfiets:
hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994;
f. college:
het college van burgemeester en wethouders;
g. gebouw:
hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;
h. handelsreclame:
iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;
i. motorvoertuig:
hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
j. openbaar water:
wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;
k. openbare plaats:
hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties
l. parkeren:
hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
m.rechthebbende:
degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht;
n. voertuig:
hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens, zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen.
o.weg:
hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994
Artikel 1:2 Beslistermijn 1.
Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.
2.
Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen.
3.
Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.
Artikel 1:3 Indiening aanvraag [vervallen]
Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1.
Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.
2.
Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.
3.
Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 1.
De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 1.
De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:
a.
indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
b.
indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;
c.
indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
d.
indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of,
e.
indien de houder dit verzoekt.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Artikel 1:7 Termijnen 1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.
2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd indien het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.
Artikel 1:8 Weigeringsgronden 1.
2.
Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a.
de openbare orde;
b.
de openbare veiligheid;
c.
de volksgezondheid;
d.
de bescherming van het milieu.
Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan 3 weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
Hoofdstuk 2 Openbare orde, veiligheid, volksgezondheid en milieu Afdeling 1 Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 1.
Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, op enigerlei wijze de orde te verstoren, te vechten, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.
2.
Degene die op een openbare plaats: a.
aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;
b.
aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of,
c.
zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;
is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3.
Het is verboden zich te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.
4.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid.
5.
Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.
6.
[vervallen]
Artikel 2:2 [vervallen] [opgenomen in artikel 2:24 lid 2 onder c]
Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen
1.
Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.
2.
De kennisgeving bevat: a.
naam en adres van degene die de betoging houdt;
b.
het doel van de betoging;
c.
de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;
d.
de plaats en, voor zover van toepassing, de route;
e.
voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en,
f.
maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.
3.
Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.
4.
Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur.
5.
De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.
Artikel 2:4 [vervallen] [opgenomen in artikel 2:3]
Artikel 2:5 [vervallen] [opgenomen in artikel 2:3]
Artikel 2:6 Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 1.
Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen.
2.
Het college kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.
3.
Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen.
4.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
5.
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:7 [vervallen]
Artikel 2:8 [vervallen]
Artikel 2:9 Vertoningen op openbare plaatsen 1.
Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatmuzikant, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu aangewezen openbare plaatsen.
2.
De burgemeester kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.
3.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.
4.
Op een aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Afdeling 2 Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen Artikel 2:10A [vervalt per 09-02-2024] Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke functie ervan 1.
Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als: a.
het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;
b.
het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.
2.
Het bevoegd bestuursorgaan kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van uitstallingen.
3.
Het bevoegd bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
4.
Het verbod in het eerste lid geldt niet voor: a.
evenementen als bedoeld in artikel 2:24;
b.
standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18.
5.
Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet, of het Provinciaal wegenreglement.
6.
Op de ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2.10B [vervallen]
Artikel 2.10C [vervalt per 09-02-2024] Het plaatsen van tijdelijke reclame-uitingen op of aan de weg Het is verboden zonder vergunning van het college tijdelijke reclame-uitingen op of aan de weg te plaatsen.
Artikel 2.10D [vervallen]
Artikel 2.10E [vervallen]
Artikel 2:11 [vervalt per 09-02-2024] (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
2.
De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit
3.
Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.
4.
Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de provinciale wegenverordening, de waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening.
5.
Op een aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:12 [vervalt per 09-02-2024] Maken of veranderen van een uitweg 1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
2.
De omgevingsvergunning kan alleen worden geweigerd, als:
3.
a.
door de uitweg een verkeersonveilige situatie kan ontstaan;
b.
de aanleg van de uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;
c.
het openbaar groen door de uitweg wordt aangetast;
d.
het perceel al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van de tweede uitweg ten koste gaat van het openbaar groen;
e.
de afstand van de uitweg tot een kruising of bocht op de openbare weg minder is dan 5 meter;
f.
de ruimte om de uitweg aan te leggen op het perceel minder dan 5 meter lang, in diepte gemeten vanaf de openbare weg, en minder dan 2,5 meter breed is; of
g.
er voor de aanleg van de uitweg één of meerdere bomen verplaatst of verwijderd moeten worden, zonder dat daarvoor een benodigde omgevingsvergunning voor kappen is verleend.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur of de provinciale wegenverordening.
Artikel 2:13 [vervallen]
Artikel 2:14 [vervalt per 09-02-2024] Winkelwagentjes 1.
2.
Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt is verplicht deze a.
te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken, en
b.
terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf.
Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten.
3.
De winkelier kan verplicht worden voorzieningen te treffen om te voorkomen dat winkelwagentjes buiten een door het college aangewezen gebied kunnen komen.
4.
Het in het eerste lid onder b bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
Artikel 2:15 [vervalt per 09-02-2024] Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.
Artikel 2:16 [vervalt per 09-02-2024] Openen straatkolken e.d. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.
Artikel 2:17 [vervallen]
Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1.
Het is verboden in bossen, op heide of veengronden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: a.
te roken gedurende een door het college aangewezen periode;
b.
voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.
2.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3˚, van het Wetboek van Strafrecht.
3.
Het verbod is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.
Artikel 2:19 [vervallen]
Artikel 2:20 [vervallen]
Artikel 2:21 [vervalt per 09-02-2024] Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.
De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht.
Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn 1.
Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.
2.
Het college kan van het verbod ontheffing verlenen indien de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.
3.
Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.
4.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:23 [vervallen]
Afdeling 3 Evenementen en kleinschalige activiteiten Artikel 2:24 Definities 1.
2.
3.
4.
In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a.
bioscoop- en theatervoorstellingen;
b.
markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22;
c.
kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
d.
het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;
e.
betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;
f.
activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39;
g.
sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f.
Onder evenement wordt mede verstaan: a.
een herdenkingsplechtigheid;
b.
een braderie;
c.
een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3;
d.
een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;
e.
een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s.
Evenementen zijn onderverdeeld in 3 categorieën: a.
evenement categorie 1: een klein evenement met een beperkte omvang, een beperkte uitstraling naar de (woon)omgeving en een beperkt risico en eventueel een wegafsluiting, onder andere een straatbarbecue met straatafsluiting, het afsteken van professioneel vuurwerk of de Nieuwjaarsduik.
b.
evenement categorie 2: een middelgroot één- of meerdaags evenement met een behoorlijke omvang, een uitstraling naar de (woon)omgeving en een redelijk risico en eventueel een wegafsluiting onder andere een kermis, circus, muziekfestival of braderie.
c.
evenement categorie 3: een groot één- of meerdaags evenement met aanzienlijke omvang, een uitstraling naar de (woon)omgeving en een aanzienlijk risico en eventueel een of meerdere wegafsluitingen onder andere de profwielerronde of grootschalig dance-event.
In deze afdeling wordt onder kleinschalige activiteit verstaan een eendaagse activiteit met beperkte omvang en nauwelijks of geringe impact op de omgeving, waarbij a.
het aanwezigen niet meer bedraagt dan 150 personen;
b.
de activiteit plaatsvindt op: -
maandag, dinsdag, woensdag, donderdag, vrijdag of zaterdag tussen 10.00 uur en 24.00 uur of op:
c.
zondag tussen 13.00 uur en 23.00 uur; geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 07.00 uur of na 23.00 uur;
d.
de activiteit niet plaatsvindt op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten; en
e.
slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 25 vierkante meter per object;
f.
geen tent wordt geplaatst waarin meer dan 150 personen tegelijkertijd aanwezig kunnen zijn;
g.
geen risico oplevert voor de openbare orde, veiligheid en gezondheid van deelnemers of bezoekers: en
h.
er een organisator is.
i.
er sprake is van een straatbarbecue of straatfeest zonder straatafsluiting of kinderkleedjes- of kraampjesmarkt niet zijnde een braderie.
Artikel 2:25 Evenement en kleinschalige activiteit 1.
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.
2.
Bij de indiening van een de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd, voor zover voor het evenement een gebruiksmelding moet worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen.
3.
In afwijking van het bepaalde in artikel 1:3 geldt dat een aanvraag om een vergunning voor een evenement categorie 2 of categorie 3 tenminste 12 weken voor aanvang van het evenement wordt ingediend.
4.
Voor evenementen categorie 1 geldt een aanvraagtermijn van 8 weken zoals bepaald in artikel 1:3.
5.
Er wordt voor ten hoogste zes evenementen op zondag vergunning verleend.
6.
Het derde lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:24, tweede lid, onder f, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s.
7.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
8.
Geen vergunning is vereist voor een kleinschalige activiteit indien de organisator ten minste 10 werkdagen voorafgaand aan de kleinschalige activiteit daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester.
9.
De burgemeester kan binnen 2 dagen na ontvangst van de melding besluiten een kleinschalige activiteit te verbieden indien door de kleinschalige activiteit de openbare orde, de openbare veiligheid, zedelijkheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar kan komen.
10.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994.
11.
Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:26 Ordeverstoring Het is verboden bij een evenement of een kleinschalige activiteit de orde te verstoren.
Afdeling 4 Toezicht op horecabedrijven
Artikel 2:27 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: a.
horecabedrijf: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies aan meer dan zeven personen wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt. Hieronder wordt in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, afhaal of bezorgzaak, discotheek, buurthuis, clubhuis, shishalounge of waterpijpcafé en de bij deze bedrijven behorende terrassen en andere aanhorigheden.
b.
terras: een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel daarvan waar sta- en zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt.
c.
exploitant: de natuurlijke persoon of rechtspersoon voor wiens rekening en risico het horecabedrijf wordt uitgebaat.
d.
leidinggevende: de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon voor wiens rekening en risico wordt uitgebaat alsmede de natuurlijke personen die de algemene leiding en/of dagelijkse leiding van het horecabedrijf heeft.
e.
bezoeker: een ieder die zich in het horecabedrijf bevindt, met uitzondering van
f.
a.
personeel van de horeca-inrichting;
b.
personen waarvan de aanwezigheid in de horeca-inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.
paracommerciële rechtspersoon: een rechtspersoon niet zijnde een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die zich naast activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard richt op de exploitatie in eigen beheer van een horecabedrijf.
g.
uitgaansgebied: een door de burgemeester aangewezen gebied van twee of meer aaneengesloten straten met daarin gevestigd een concentratie van horeca- inrichtingen.
h.
Dagzaak: detailhandel-ondersteunend horecabedrijf waar geen alcoholhoudende dranken worden verstrekt, zoals croissanteries, koffiebars, lunchrooms, ijssalons en tearooms, automatieken, cafetaria’s en snackbars, met een sluitingstijd die overeenkomt met datgene dat bepaald is in de Winkeltijdenwet.
Artikel 2:28 Exploitatievergunning horecabedrijf 1.
Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
2.
De exploitatievergunning wordt verleend aan de exploitant en bevat een aanhangsel waarop de namen van de leidinggevenden zijn vermeld.
3.
Het is verboden de aard van het het horecabedrijf te wijzigen zonder daartoe strekkende vergunning.
4.
De burgemeester kan bepalen dat het gestelde in het eerste lid niet geldt voor één of meer in dat besluit aangeduide soorten horecabedrijven in de gehele gemeente dan wel in één of meer daarin aangewezen delen van de gemeente.
5.
De exploitatie van een horecabedrijf als bedoeld in het vierde lid geschiedt zodanig dat daardoor de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde, veiligheid, volksgezondheid, zedelijkheid of het milieu niet op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.
6.
Indien een horecabedrijf, als bedoeld in het vierde lid, wordt geëxploiteerd op een wijze die strijdig is met het bepaalde in het vijfde lid kan de burgemeester besluiten dat voor dat betreffende horecabedrijf, in afwijking van het gestelde in lid 4 alsnog het bepaalde in lid 1 van toepassing is.
7.
Horecabedrijven waarvoor op grond van het vierde lid het gestelde in het eerste lid niet geldt, blijven wel, voor zover van toepassing, aan de bepalingen van deze verordening en de Alcoholverordening gebonden;
8.
De exploitatievergunning vervalt wanneer: a.
de exploitatie van het horecabedrijf feitelijk is beëindigd of gedeeltelijk overgedragen;
b.
zes maanden zijn verlopen na het onherroepelijk worden van de exploitatievergunning, zonder dat van deze exploitatievergunning gebruik is gemaakt;
c.
gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen gebruik is gemaakt van de exploitatievergunning.
Artikel 2:28A Aanvraag en beslistermijn 1.
De aanvraag om een exploitatievergunning geschiedt door middel van een door de burgemeester vastgesteld formulier.
2.
Bij de aanvraag dienen in ieder geval de volgende gegevens te worden overgelegd: a.
een geldig legitimatiebewijs van iedere leidinggevende;
b.
een nauwkeurige beschrijving van de indeling van het horecabedrijf en als het ook om een terras gaat een nauwkeurige beschrijving van de ligging en omvang van dat terras.
c.
indien het beoogde terras is gelegen op gemeentegrond, volstaat het verzoek aan het bevoegd gezag om daar terras in te mogen nemen. Het bevoegd gezag stelt dan de maximale afmetingen vast.
3.
Indien de burgemeester dit voor de beoordeling van de aanvraag nodig acht kan hij de overlegging van aanvullende bescheiden en gegevens verzoeken.
4.
In geval dat een aanvraag uitsluitend betrekking heeft op wijziging van de leidinggevende(n) dan is het tweede lid onder b. en c. niet van toepassing.
5.
Het bepaalde in het tweede lid, onder a. geldt niet ten aanzien van horecabedrijven waarvoor een vergunning is verleend op grond van de Alcoholwet waarop eenzelfde leidinggevende staat vermeld.
6.
De burgemeester beslist op de aanvraag om vergunning binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag is ingekomen.
7.
De burgemeester kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen.
8.
Indien voor het horecabedrijf tevens een vergunning op grond van de Alcoholwet is vereist, houdt de burgemeester, in afwijking van het bepaalde in het zesde en zevende lid, zijn beslissing aan totdat op de aanvraag om vergunning als bedoeld in de Alcoholwet is beslist.
9.
Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunningen en ontheffingen in deze afdeling.
Artikel 2:29 Toetsingsgronden 1.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 APV weigert de burgemeester de exploitatievergunning: a. indien voor de exploitatie of vestiging van een horeca-inrichting tevens een vergunning op basis van de Alcoholwet is vereist en deze vergunning is geweigerd; b. indien de openbare orde of veiligheid ter plaatse door de aanwezigheid van de horeca-inrichting in gevaar komt; c. indien de woon- of leefomgeving op onaanvaardbare wijze negatief zal worden beïnvloed; d. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet in overeenstemming is met de ingediende aanvraag.
2.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 APV weigert de burgemeester de exploitatievergunning wegens strijd met het geldende omgevingsplan, een ter inzage gelegd ontwerp wijzigingsbesluit omgevingsplan, een voorbereidingsbesluit, of daarmee gelijk te stellen regelingen
3.
indien de termijn zoals bedoeld in artikel 1:7 derde lid nog niet is verstreken.
4.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 APV weigert de burgemeester al dan niet gedeeltelijk de exploitatievergunning indien één of meer leidinggevenden niet voldoen aan de volgende eisen: a. de leidinggevende staat niet onder curatele; b. de leidinggevende is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; c. de leidinggevende van een horecabedrijf niet zijnde een dagzaak heeft de leeftijd van éénentwintig jaar bereikt. d. de leidinggevende is binnen de laatste vijf jaar geen leidinggevende geweest van een horecabedrijf die voor tenminste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 2:28 is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat de betreffende leidinggevende ter zake geen verwijt treft.
5.
Voor horecabedrijven waarvan de exploitatievergunning op grond van artikel 2:29A eerste lid onder e., is ingetrokken, kan door de burgemeester worden bepaald dat een exploitatievergunning voor dat horecabedrijf gedurende een bij die intrekking vastgestelde termijn van ten hoogste vijf jaar wordt geweigerd.
6.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:4 APV kan de burgemeester in het belang van de openbare orde, veiligheid, volksgezondheid, zedelijkheid of het woon- en leefklimaat, voorschriften en beperkingen verbinden aan een exploitatievergunning.
7.
Voor zover een exploitatievergunning ook betrekking heeft op één of meer bij het horecabedrijf behorende terrassen op de openbare weg, kan de burgemeester onverminderd het bepaalde in artikel 1:4 APV, daaraan tevens voorschriften en beperkingen verbinden met het oog op het doelmatig gebruik van de openbare ruimte, het uiterlijk aanzien van de gemeente, de veiligheid, en het onderhoud van de openbare weg en de zich daarop, daarin, daaronder of daarboven bevindende voorzieningen.
Artikel 2:29A Intrekkingsgronden 1.
2.
De burgemeester trekt de exploitatievergunning in, indien: a.
ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt, waardoor op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;
b.
niet langer wordt voldaan aan de in artikel 2:29 lid 6 gestelde eisen;
c.
voor het horecabedrijf een vergunning op grond van de Alcoholwet is vereist en deze is ingetrokken;
d.
er een persoon leidinggevende is geworden en deze niet op grond van artikel 2:31A is gemeld;
e.
zich in of vanuit het betrokken horecabedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de exploitatievergunning gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid;
f.
de openbare orde, veiligheid of het woon - en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf op ontoelaatbare wijze wordt verstoord door de aanwezigheid van dat horecabedrijf.
g.
de aard van het horecabedrijf is gewijzigd zonder daartoe strekkende vergunning als bedoeld in artikel 2:28 lid 2;
De burgemeester kan een exploitatievergunning intrekken, indien: a.
gehandeld wordt in strijd met enig bij of krachtens deze verordening gegeven voorschrift of beperking;
b.
de omstandigheden of inzichten zodanig zijn gewijzigd, dat de exploitatievergunning, indien zij thans was aangevraagd, zou zijn geweigerd.
c.
de exploitant daarom verzoekt;
d.
een vergunninghouder in een periode van twee jaar tenminste driemaal op grond van artikel 2:31A om bijschrijving van een persoon als leidinggevende op het aanhangsel bij de vergunning heeft verzocht en de burgemeester die wijziging van het aanhangsel tenminste driemaal heeft geweigerd op grond van artikel 2:31A, zesde lid.
Artikel 2:30 Openings- en sluitingstijden 1.
Een horecabedrijf mag, met uitzondering van een bijbehorend terras, dagelijks voor bezoekers geopend zijn van 06.00 uur tot 24.00 uur.
2.
Een bij het horecabedrijf behorend terras mag dagelijks voor het publiek geopend zijn van 09.00 uur tot 24.00 uur.
3.
De burgemeester kan bij vergunningvoorschrift een afwijkend sluitingstijdstip vaststellen.
4.
De burgemeester kan afwijkende openingstijden vaststellen voor een bij, één of meer categorieën horecabedrijven behorend terras, in een door hem aan te wijzen gebied en gedurende een bepaalde periode.
5.
De burgemeester kan, onverminderd het bepaalde in het derde lid, in het belang van de openbare orde, veiligheid, volksgezondheid of zedelijkheid of ter bescherming van het woon- en leefklimaat of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden, voor één of meer horecabedrijven of voor horecabedrijven in een bepaald gebied - in het kader van het door hem voor dat gebied gevoerde beleid de openingstijden als bedoeld in het eerste, tweede en vierde lid al dan niet tijdelijk beperken of verruimen.
6.
De bepalingen van dit artikel gelden slechts voor een horecabedrijf voor zover daarvoor bij of krachtens de Winkeltijdenwet geen andere openingstijden zijn bepaald.
7.
De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing voor zover op de Wet Milieubeheer gebaseerde voorschriften in het onderwerp van dit artikel is voorzien.
Artikel 2:30A Sluiting van een horecabedrijf 1.
De burgemeester kan een horecabedrijf sluiten, indien: a.
dat bedrijf wordt geëxploiteerd zonder geldige exploitatievergunning;
b.
dat bedrijf wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de exploitatievergunning verbonden voorschriften of beperkingen.
2.
De burgemeester kan één of meer horecabedrijven in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid, of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden, voor een bepaalde duur sluiten.
3.
De sluiting wordt geacht in het openbaar bekend te zijn gemaakt zodra een besluit tot sluiting op, in of nabij de toegang of toegangen van het horecabedrijf is aangebracht.
4.
Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.
5.
Het in het tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in het onderwerp van de regeling van het tweede lid wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet.
Artikel 2:31 Aanwezigheid leidinggevende Het is verboden een horecabedrijf voor bezoekers geopend te hebben, indien niet in het horecabedrijf aanwezig is: a.
een leidinggevende die op het aanhangsel bij de exploitatievergunning is vermeld;
b.
een persoon wiens bijschrijving als leidinggevende op grond van artikel 2:31A, eerste lid, is gemeld, mits de ontvangst van die melding is bevestigd, zolang nog niet op die melding is beslist.
Artikel 2:31A Melden leidinggevende
1.
De vergunninghouder meldt aan de burgemeester welke persoon hij verzoekt als leidinggevende bij of af te schrijven.
2.
De melding op grond van het eerste lid geldt als aanvraag tot wijziging van het aanhangsel.
3.
De aanvraag tot wijziging moet geschieden door middel van een door de burgemeester vastgesteld formulier of elektronische informatiedrager en moet van de benodigde bijlagen zijn voorzien.
4.
De burgemeester bevestigt schriftelijk of elektronisch onverwijld de ontvangst van de aanvraag.
5.
Direct na bevestiging van ontvangst van de melding mag de leidinggevende als zodanig werkzaam zijn.
6.
De burgemeester weigert de wijziging van het aanhangsel indien niet voldaan wordt aan het gestelde in artikel 2:29, lid 6.
7.
De burgemeester verwijdert de leidinggevende uit het aanhangsel indien:
8.
a.
de leidinggevende hier zelf om verzoekt;
b.
de vergunninghouder hier om verzoekt;
c.
de vergunninghouder ter verkrijging van het gewijzigde aanhangsel onjuiste dan wel onvolledige gegevens heeft verstrekt;
d.
niet langer wordt voldaan aan het gestelde in artikel 2:29.
De vergunninghouder ontvangt een gewijzigd aanhangsel.
Artikel 2:32 Aanwezigheid in een gesloten horecabedrijf 1.
Het is bezoekers verboden in een horecabedrijf aanwezig te zijn gedurende de tijd dat dit bedrijf bij of krachtens deze verordening gesloten is.
2.
Het is verboden een horecabedrijf geopend te hebben, daarin bezoekers te ontvangen, toe te laten of aanwezig te hebben, gedurende de tijd dat dit bedrijf bij of krachtens deze verordening gesloten is.
Artikel 2:33 Handel in horecabedrijven 1.
In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
2.
De exploitant van een horecabedrijf laat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.
Artikel 2:34 Ordeverstoring Het is verboden in een horecabedrijf de orde te verstoren.
Afdeling 5 [gereserveerd] Artikelen 2:34a tot en met 2:34f [gereserveerd]
Afdeling 6 Bijzondere bepalingen en toezicht op bedrijfsmatige activiteiten en gebouwen Artikel 2:34g Definities In deze afdeling wordt verstaan onder:
a.
exploitant: natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;
b.
beheerder: de exploitant of andere natuurlijke personen die de algemene of onmiddellijke leiding hebben over de bedrijfsmatige activiteiten;
c.
bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor publiek toegankelijk gebouw, of een daarbij behorend perceel, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.
Artikel 2:34h Tegengaan van onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat 1.
De burgemeester kan gebouwen of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waarop het verbod uit artikel 2:34i, eerste lid, van toepassing is.
2.
Een gebouw wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat, of een ernstige vrees bestaat voor het onder druk staan van de openbare orde en veiligheid en de leefbaarheid, en kan zich tot een of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken.
3.
Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat.
Artikel 2:34i Vergunning 1.
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen: a.
in een door de burgemeester op grond van artikel 2:34h, tweede lid, aangewezen gebouw voor door de burgemeester genoemde bedrijfsmatige activiteiten; of
b.
Als de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van artikel 2:34h, derde lid, aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft.
2.
De aanvraag om een vergunning geschiedt door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier.
3.
De burgemeester kan een aanvraag om een vergunning weigeren: a.
in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;
b.
indien de beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
c.
indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag in overeenstemming zal zijn;
d.
indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;
e.
indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan;
f.
indien de beheerder van het bedrijf binnen drie jaar vóór de indiening van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken.
4.
Aan de vergunning wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het bedrijf alleen geopend is voor bezoekers als een op de vergunning vermelde beheerder in het bedrijf aanwezig is.
5.
In afwijking van het eerste lid geldt het verbod voor de beheerder die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties: a.
pas drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit; of
b.
met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is.
6.
Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op aanvraag om de vergunning.
Artikel 2:34j Intrekking of wijziging vergunning 1.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het vorige artikel intrekken of wijzigen indien: a.
door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast;
b.
door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;
c.
de voorwaarden of de voorschriften uit de vergunning niet worden nageleefd;
d.
de beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
e.
de beheerder betrokken is of nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;
f.
er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden;
g.
er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;
h.
de bedrijfsmatige activiteiten door de beheerder zijn beëindigd; of
i.
redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is.
2.
Indien er een voor de vergunningverlening relevante verandering van omstandigheden optreedt, dient de exploitant onverwijld een wijzigingsaanvraag in.
3.
Indien deze aanvraag niet binnen een maand na de verandering van omstandigheden is ingediend, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken op basis van de inmiddels gewijzigde omstandigheden.
Artikel 2:34k Sluiting van een gebouw 1.
De burgemeester kan de sluiting van een gebouw of gedeelte van een gebouw bevelen indien het daarin gevestigde bedrijf in strijd met het verbod uit artikel 2:34h, eerste lid, wordt geëxploiteerd of indien een van de situaties als bedoeld in artikel 2:34j, eerste lid onder a tot en met i., van toepassing is.
2.
Het is een ieder verboden een overeenkomstig het vorige lid gesloten gebouw te betreden of daarin te verblijven.
3.
De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven.
Afdeling 7 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel 2:35 Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.
Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.
Artikel 2:37 [vervallen]
Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.
Afdeling 8 Toezicht op speelgelegenheden Artikel 2:38a Definities In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.
Artikel 2:39 Speelgelegenheden 1.
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren.
2.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen of de Verordening speelautomatenhal Veenendaal.
3.
4.
a.
speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend;
b.
speelgelegenheden waarvoor de raad van bestuur van de kansspelautoriteit bevoegd is vergunning te verlenen; en,
c.
speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als in artikel l, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten.
De burgemeester weigert de vergunning indien: a.
naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of,
b.
de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan.
Op een aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:40 Kansspelautomaten 1.
In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan.
2.
In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.
Afdeling 9. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal
1.
Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal of een daarbij behorend erf behorend erf te betreden.
2.
Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.
3.
Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is. 4. De burgemeester is bevoegd ontheffing te verlenen van de verboden.
Artikel 2:42 Plakken en kladden 1.
Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
2.
Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:
3.
a.
een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;
b.
met kalk, krijt, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.
Het verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. 4. De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht deze aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.
5.
Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.
6.
Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.
7.
Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.
8.
[vervallen]
Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d. 1.
Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben.
2.
Het verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.
Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen 1.
Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.
2.
Het verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.
Artikel 2:44A Vervoer geprepareerde voorwerpen 1.
Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te vergemakkelijken.
2.
Het verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen.
Artikel 2:45 [vervallen]
Artikel 2:46 [vervallen]
Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1.
2.
Het is verboden op een openbare plaats: a.
te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;
b.
zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:48 Verboden gebruik van drank 1.
2.
3.
Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden: a.
op speelruimteplekken, in winkelcentra, op scholen en in de directe omgeving daarvan, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben;
b.
op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.
Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor: a.
een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;
b.
een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.
[vervallen] 4. [vervallen]
Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen 1.
2.
Het is verboden: a.
zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden;
b.
zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.
Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.
Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten
Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval begrepen: portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.
Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen of bromfietsen Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek indien: a.
dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek; of,
b.
daardoor die ingang versperd wordt.
Artikel 2:52A Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d. Het is verboden zich op door het college aangewezen uren en plaatsen met een fiets of bromfiets te bevinden te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.
Artikel 2:52B [vervalt per 09-02-2024] Overlast van buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen geplaatste fiets, snorfiets of bromfiets 1.
Het is verboden om: a.
in door het college aangewezen gebieden een fiets, snorfiets of bromfiets buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan;
b.
fietsen, snorfietsen of bromfietsen, die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in verwaarloosde toestand verkeren, op de weg te laten staan;
c.
in door het college aangewezen gebieden een fiets, snorfiets of bromfiets langer dan vier weken onbeheerd in een fietsenstalling achter te laten.
2.
Bij overtreding van het verbod zoals genoemd in het eerste lid kan de fiets, snorfiets of bromfiets weggehaald worden.
3.
Het verbod zoals genoemd in het eerste lid en de mogelijke gevolgen zoals bepaald in het tweede lid moeten duidelijk kenbaar zijn voor bezoekers van het aangewezen gebied.
Artikel 2:53 [vervallen]
Artikel 2:54 [vervallen]
Artikel 2:55 [vervallen]
Artikel 2:56 [vervallen]
Artikel 2:57 [vervalt per 09-02-2024] Loslopende honden 1.
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a.
op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte speelruimteplek of op een andere door het college aangewezen plaats;
b.
binnen de bebouwde kom en een openbare plaats indien de hond niet is aangelijnd;
c. 2. 3.
indien die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. De verboden in het eerste lid aanhef en onder a en b zijn niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond: a.
die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond, sociale hulphond of gezelschapshond laat begeleiden; of,
b.
die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.
Artikel 2:58 [vervalt per 09-02-2024] Verontreiniging door honden 1.
2.
Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft, is verplicht: a.
middelen bij zich te dragen om eventuele uitwerpselen van de hond te verwijderen en af te voeren;
b.
ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.
Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond: a.
die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond, sociale hulphond of gezelschapshond laat begeleiden en niet in staat is de middelen om eventuele uitwerpselen van de hond te verwijderen en af te voeren zoals genoemd is het eerste lid, onderdeel a, te hanteren; of,
b.
die vanwege een blessure niet in staat is de middelen om eventuele uitwerpselen van de hond te verwijderen en af te voeren zoals genoemd is het eerste lid, onderdeel a, te hanteren.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op plaatsen die door het college zijn aangewezen op grond van artikel 2:57 lid 2.
4.
Het is verboden om zich met een hond te begeven in een door het college aangewezen gebied.
5.
Het college kan ontheffing verlenen van het in het vierde lid bedoelde verbod.
Artikel 2:59 Gevaarlijke honden 1.
Indien de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.
2.
De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.
3.
De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die:
4.
a.
vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;
b.
door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en,
c.
zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.
Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid onder c, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
Artikel 2:60 [vervalt per 09-02-2024] Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren
1.
Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: a.
aanwezig te hebben;
b.
aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels;
c.
aanwezig te hebben in een groter aantal dan in het aanwijzingsbesluit is aangegeven; of,
d.
te voeren.
2.
Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een plaats die krachtens het eerste lid is aangewezen, ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het eerste lid.
3.
[vervallen]
Artikel 2:61 [vervallen]
Artikel 2:62 [vervalt per 09-02-2024] Loslopend vee De rechthebbende op herkauwende en eenhoevige dieren of varkens (vee) die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.
Artikel 2:63 [vervalt per 09-02-2024] Duiven 1.
De rechthebbende op duiven is verplicht ervoor te zorgen dat die duiven niet kunnen uitvliegen tussen 8.00 uur en 18.00 uur in een door het college te bepalen tijdvak dat ligt tussen 1 maart en 1 juni.
2.
Het college kan ontheffing verlenen van het gebod in het eerste lid.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de provinciale ophokverordening.
4.
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:64 [vervalt per 09-02-2024] Bijen 1.
Het is verboden bijen te houden: a.
binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven;
b.
binnen een afstand van 30 meter van de weg.
2.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen.
3.
Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing voor de bijenhouder die rechthebbende is op de woningen of gebouwen bedoeld in dat lid.
4.
Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement.
5.
Het college kan van het verbod in het eerste lid ontheffing verlenen.
6.
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:65 Bedelarij Het is verboden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken in door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast aangewezen gebieden.
Afdeling 10 Bestrijding van heling van goederen Artikel 2:66 Definitie In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: de handelaar aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister 1.
De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en door de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen: a.