CConstaterende datVeenendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

4.Technische vragen en antwoorden - Visie bedrijventerreinen

Gemeenteraad 16 december 2021, gemeente VeenendaalBij agendapunt: Visie Bedrijventerreinen 2021- 20403.122 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

TECHNISCHE VRAGEN Raadscyclus d.d.

December 2021

Naam fractie:

CDA, ProVeenendaal, Lokaal Veenendaal

Onderwerp:

Raadsvoorstel Visie bedrijventerreinen 2021-2040

CDA 1. Wat is de inhoudelijke reden dat de gemeente de conclusies van het rapport van Kubiek over de vestiging van BikeBear niet heeft overgenomen? Is dit juridisch getoetst? En kunt u de rapportage van Kubiek als bijlage opnemen bij de beantwoording? Enerzijds beroept Kubiek zich op de uitzonderingsregel (artikel 3.4.2 onder a) van het vigerende bestemmingsplan ‘Het Noorderwerk’, waarin wordt gesteld dat detailhandel in auto's, boten, caravans, tenten en motoren is toegestaan, voor zover deze plaatsvindt in bestaande detailhandelsvestigingen die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan in het plangebied aanwezig zijn. Anderzijds doet men ook een beroep op dezelfde uitzonderingsregel (artikel 3.4.2 onder c) van het vigerende bestemmingsplan, waarin wordt gesteld dat fietsen onder de noemer ‘nevenartikelen’ vallen. Voor beiden argumenten geldt dat deze niet corresponderen met de uitzonderingsregels in het bestemmingsplan ‘Het Noorderwerk’, omdat een deel van het assortiment ‘(fietsen en fietsentrailers) niet onder de noemer ‘ABC-goederen’ valt en in het andere geval ook niet onder doe noemer ‘nevenartikelen’. Voor de volledige overwegingen verwijzen wij u gemakshalve naar het collegebesluit van 14 april 2021 op de conceptaanvraag van Bike Bear Adventure (Galileistraat 20). Aan dit besluit ligt ook een juridische/planologische toets aan ten grondslag.

Deze is opgenomen in de overweging van het besluit op de conceptaanvraag van Bike Bear Adventure (Galileistraat 20). De memo van Kubiek ruimtelijke plannen is als bijlage 2 en 3 toegevoegd. 2. Hoe kan het dat niet alle fietsenwinkels in Veenendaal zijn meegenomen in de quickscan? Er zijn al fietsenwinkels gevestigd op bedrijventerreinen: op welke wijze heeft dit als precedent invloed op de vestiging van BikeBear? Het bureau heeft voor de Quick Scan de cijfers van Locatus gebruikt, een veelgebruikte bron. Voor zover bekend zijn daarin alle fietsenwinkels meegenomen. Het is dan ook niet duidelijk op welke fietsenwinkels gedoeld wordt. Ook het handelsregister en internet leveren geen nieuwe informatie op. Wellicht worden twee fietsreparatiebedrijven aangezien voor fietswinkels. Voor zover wij weten verkopen zij echter geen fietsen en zijn daarom geen detailhandel. Overigens is ondergeschikte detailhandel voor (productie- of reparatie) bedrijven toegestaan. 3. Kunt u inzicht geven in de opmerkingen die de jurist heeft gemaakt ten aanzien van de quickscan en ten aanzien van de vestiging van BikeBear? Indien hierbij op de geraadpleegde jurist via het bureau wordt gedoeld: Het bureau heeft een ervaren advocaat omgevingsrecht gesproken en geraadpleegd. Daaruit komen de twee lijnen uit de conclusie in de Quick Scan voort. 4.

BikeBear haalt een groot deel van zijn omzet uit andere zaken dan fietsen (bijna de helft). Ook komt ruim de helft van de klanten van BikeBear niet uit Veenendaal, maar van verder, doordat BikeBear bijzondere sportfietsen en merkartikelen verkoopt. Indien u blijft bij het standpunt dat de huidige locatie niet geschikt is: Zijn er locaties waar BikeBear de verkoop van auto’s, motoren, e-Bikes, boten en tenten wel goed kan combineren met een goed bereikbare sportfietsenhandel met regionale/landelijke uitstraling? Welke locaties cq bestemmingsplannen acht u wel geschikt en waarom? Het is uiteraard aan het betreffende bedrijf om een geschikte locatie voor haar concept te vinden of een passend concept voor een bepaalde locatie. Wij kunnen slechts aangeven welke functies op welke locatie zijn toegestaan conform het bestemmingsplan, maar denken graag met ondernemers mee over de mogelijkheden. In geval van de verkoop van fietsen gaat het om een pand met de bestemming detailhandel. In de Quick Scan wordt aangegeven dat er in het centrum 9 winkelpanden van 500 m2 of meer leegstaan (Locatus juli 2021). Als detailhandel wordt toegestaan op de huidige locatie geldt dat voor het gehele pand, ongeacht het aandeel in de omzet. Dat betekent dat ook 100% van de omzet de verkoop van fietsen mag betreffen.

ProVeenendaal -

-

Wat is de reactie op de inbreng van BOVAG? Waarom is dit niet meegenomen in het rapport? Het rapport is op 2 november in het college vastgesteld samen met de raadsinformatiebrief. De brief van de BOVAG kwam pas op 12 november bij ons binnen. Daarin werden een aantal overwegingen meegegeven en het verzoek de brief ter kennis te stellen van de verantwoordelijk wethouder en de gemeenteraad. De brief gaf voor het college geen nieuwe argumenten of een andere aanleiding om ons standpunt te herzien. Er wordt geen juridische onderbouwing gegeven voor een eenmalige uitzondering. De inbreng van de BOVAG op de participatieavond van 1 september is wel meegewogen in de Quick Scan. In een rapport van het bureau van 20 april 2020 in opdracht van oa het ministerie van binnenlandse zaken genaamd ‘naar een vitale buitenstad en de relevantie van de dienstenrichtlijn’ noemt het bureau het twijfelachtig dat een gemeente kan onderbouwen om bijvoorbeeld een fietsenzaak tegen te houden op een buitenstadlocatie. Waarom is dit niet meegenomen in het verslag aan de gemeente Veenendaal? Zoals in de vraag is beschreven is dit niet gesteld in dit document. Er worden conclusies aangehaald uit de Handreiking Dienstenrichtlijn (Handreiking_Dienstenrichtlijn-en-Ruimtelijke-ordening_oktober2019.pdf (retailland.nl).

Het hanteren van vestigingsbeperkingen vereist een toets aan de voorwaarden die de Dienstenrichtlijn daaraan stelt. De onderbouwing van de noodzakelijkheid en de evenredigheid van de vestigingsbeperkingen moet op de specifieke situatie worden toegespitst. Niet alle vestigingsbeperkingen die voorkomen in bestemmingsplannen zijn te onderbouwen conform de voorwaarden van de Dienstenrichtlijn. Met name de beperkingen die ingegeven zijn door een economische motief zonder ruimtelijke overwegingen zijn vermoedelijk niet meer houdbaar. We hebben bij deze casus echter wel te maken met ruimtelijke motieven. Dan geldt dat de gemeente voor deze branches een zorgvuldige afweging moet maken ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij geldt dat de gemeente coherent en systematisch handelt. De gemeente Veenendaal kent al jarenlang consistent beleid betreft deze casus.

Aanvullende vragen (vrijdag 13.00 uur): - Zijn er voorbeelden te noemen waarbij de Raad van State al een uitspraak heeft gedaan? Er zijn (tot op heden) geen uitspraken van de Raad van State waarbij een onderbouwing voor een eenmalige uitzondering of een uitzondering voor fietsen stand houdt. Er zijn wel enkele uitspraken die enige houvast of een vergelijkbare casus betreffen, en waardoor wij concluderen dat het maken van een uitzondering voor fietsen op bedrijventerreinen, óf het maken van één uitzondering omdat het een bijzonder/innovatief concept betreft óf het toevoegen van fietsenwinkels aan de autosector moeilijk stand zullen houden. Het betreffen de volgende uitspraken: o Uitspraak 201708519/1/A1 (Datum uitspraak 6 februari 2019) – betreft het vergunning verlenen door college Twenterand van een fietsenwinkel in bedrijfshal in Vroomshoop > Het besluit van het college voor deze vergunning door te motiveren dat (elektrische) fietsenwinkels volumineuze goederen betreffen. > RvS beslist dat: (elektrische) fietsen geen goederen zijn die per eenheid een groot vloer- en/of grondoppervlak beslaan en uit dien hoofde moeilijk inpasbaar zijn in een traditioneel winkelgebied, zodat geen sprake is van volumineuze detailhandel.

o Uitspraak 202004412/1/R4 (Datum uitspraak 11 augustus 2021) – betreft een uitspraak dat (elektrische) fietsenwinkels niet als normaal onderdeel van autobedrijven worden geschaard: De standaardbedrijfsindeling 2008 (SBI), die ten grondslag ligt aan de Staat van Bedrijfsactiviteiten, onderscheidt de categorie "Handel in en reparatie van auto’s, motorfietsen en aanhangers (45) en "Detailhandel (niet auto’s)" (47), waaronder "Winkels in fietsen en bromfietsen". In de toelichting op de SBI wordt omschreven wat daar wel en niet toebehoort. De SBI noch de toelichting bieden aanknopingspunten voor het oordeel dat de handel in (elektrische) fietsen en fietsaccessoires als normaal bestanddeel van een autobedrijf kan worden beschouwd. Evenmin kan dat oordeel worden gebaseerd op maatschappelijke opvattingen of maatschappelijke ontwikkelingen. Dat beide branches zich richten op mobiliteit en duurzaamheid en combinatie van auto- en fietshandel zou passen binnen de doelen en missies van verschillende brancheorganisaties, is daarvoor onvoldoende. De fietsenwinkel kan dan ook niet worden aangemerkt als een normaal bestanddeel van de totale bedrijfsuitoefening van [bedrijf C], als bedoeld in het bestemmingsplan.

o Uitspraak 201908991/1/R3 en 201908992/1/R3 (Datum uitspraak 28 oktober 2020) – betreft dat RvS besluit dat er geen uitzondering gemaakt kan worden voor een Decathlon conceptstore (voor alle sporten en zoveel als mogelijk producten kunnen uitproberen, testen en "beleven") op basis van motieven dat er 1) onvoldoende ruimte is binnen de reguliere structuur en 2) dat het een innovatief project betreft. Daarbij wordt ook uitspraak gedaan dat er bij de overwegingen

rekening gehouden dient te worden met de mogelijke effecten van precedentwerking. Enkele punten uit de uitspraak betreffen: ▪ Naar het oordeel van de Afdeling onderscheidt grootschalige sportdetailhandel zich van detailhandel in goederen die qua aard of omvang niet of niet goed inpasbaar is in de centra, omdat het assortiment van een grootschalige sportdetailhandelszaak vooral uit kleinere, hanteerbare goederen bestaat, zoals kleding, schoenen, sportattributen (zoals ballen en rackets) en dergelijke. Dit betekent, anders gezegd, dat grootschalige sportdetailhandel op grond van deze bepaling in beginsel inpasbaar is in de centra. ▪ Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen moet van de ontheffingsmogelijkheid een terughoudend gebruik worden gemaakt en moeten de bijzondere omstandigheden als bedoeld in het eerste lid van artikel 4.1a van de Wro zijn gelegen in de ruimtelijke kwaliteit van de ontwikkeling waarvoor de ontheffing is gevraagd. Zie onder meer de uitspraak van 5 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2651, onder 4.8, en de uitspraak van 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1424, onder 18.5.

Wat [appellante sub 4] en andere en [appellante sub 3] en andere hebben aangevoerd over het "try & buy"-concept heeft het college van gedeputeerde staten naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid kunnen aanmerken als niet zodanig innovatief als bedoeld in de parlementaire geschiedenis van artikel 4.1a van de Wro. Daarbij heeft het college van gedeputeerde staten in aanmerking kunnen nemen dat geen sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling met een zodanig belangrijk innovatief karakter dat om die reden had moeten worden afgeweken van de regel dat detailhandel die qua aard of omvang van de aangeboden goederen inpasbaar is in de centra zich niet buiten de centra mag vestigen. ▪ Betreft precedent staat er in deze uitspraak het volgende: Bepalend is hier immers niet de aanvaardbaarheid van de effecten, maar de absolute en relatieve omvang daarvan. Niet valt uit te sluiten dat in de centra een of enkele winkels zullen verdwijnen, zodat er naar verwachting te onderkennen effecten zullen zijn. Dit geldt temeer als daarbij rekening wordt gehouden met de door het college van gedeputeerde staten gestelde precedentwerking. De stelling van [appellante sub 4] en andere en [appellante sub 3] en andere dat precedentwerking hier geen rol zou kunnen spelen vanwege het unieke karakter van de ontheffing dan wel het concept, deelt de Afdeling niet. -

-

-

Er zal in ieder geval herbestemd moeten worden in de toekomst omdat het aantal vestigingen van met name autobedrijven gaat afnemen. Waarom dit niet invullen met andere vormen van mobiliteit? Behalve de reële mogelijkheid van precedentwerking voor andere branches in de detailhandel, is het grote tekort aan bedrijventerrein en bedrijfsruimte het belangrijkste argument. Mochten er dus panden vrijkomen dan zijn deze hard nodig voor bedrijven en is het onverstandig deze in te vullen met detailhandel. Daarnaast willen wij in de Visie Bedrijventerreinen inzetten op arbeidsintensieve bedrijvigheid en op het bedrijventerrein Compagnie-Oost in de toekomst de ICT-Tech Campus realiseren. Ook daar is ruimte voor nodig. Daarnaast is het beleid er opgericht om leegstand in de binnenstad zoveel mogelijk te voorkomen door detailhandel te concentreren in de winkelstructuur. Ziet het college het centrum als een gewenste locatie voor fietsretail Zoals de huidige spreiding van fietsenwinkels nu al laat zien zijn met name panden met detailhandelsbestemming in de aanloopstraten en buurtwinkelcentra geschikt voor de fietsenbranche. Dat zijn locaties die of binnen de detailhandelsstructuur vallen of de bestemming detailhandel reeds hebben. Daar zijn ook voldoende testmogelijkheden aanwezig.

Uiteindelijk neemt de consument zijn nieuwe fiets mee naar huis, dus ook qua testmogelijkheid is het een goede locatie. Hoeveel ongevallen vinden er plaats in het centrum door mobiliteit? RTL Nieuws heeft op basis van registraties van de politie en Rijkswaterstaat alle ongelukken tussen 2017 t/m 2019 in kaart gebracht. In het Koopcentrum gebeurden 30 ongelukken tussen 1 januari 2017 en 31 december 2019. Bij 7 ongelukken vielen gewonden of doden. Bij de gemeente zijn onderstaande cijfers bekend. Het is daarbij wel van belang welke definities er gebruikt worden: wat wordt verstaan onder centrum? Wat wordt er verstaan onder ongeval?

Jaar (Code)

Ongevallen

2014

6

2015

10

2016

13

2017

13

2018

24

2019

11

2020

10

-

Er werd aangegeven dat fietsen die verkocht worden door autodealers alleen aan bedrijven leveren. is dat goed uitgezocht? Wel voor wat betreft de verkoop/lease vanuit de Vallei Auto Groep (Fietsjefit). Het is onbekend of nog andere autodealers fietsen verkopen/leasen.

Lokaal Veenendaal - In de Quickscan staat dat er in het centrumplan voldoende ruimte is om grote winkelconcepten met een vraag naar meer dan 500 vierkante meters te huisvesten. Hoeveel locaties betreft dit concreet in het centrum. In de Quick Scan (blz. 20) staat hierover: In het centrum van Veenendaal staan meerdere panden leeg met een winkelvloeroppervlak van meer dan 500 m² wvo, namelijk negen (Locatus juli 2021). - De visie geeft aan dat het huisvesten van locaties met meer dan 500m2 onrendabel is, hoeveel zou de subsidie moeten bedragen om het rendabel te maken? ( Het subsidiëren van de onrendabele top) o In deze aannames zitten twee aspecten die niet zo zijn opgenomen in de quickscan, dan wel niet zo bedoeld: 1) Er wordt niet gesteld dat een vestiging in het centrum per definitie onrendabel is, maar dat dit een mogelijkheid is doordat de huren per vierkante meter hoger liggen, daarbij 2) betreft dit geen kwestie van winkels kleiner en groter dan 500 m² wvo, maar dat de huren van de grotere winkels vanzelfsprekend hoger liggen dan kleinere winkels doordat er per m² huur wordt betaald. Wel is er bijna altijd sprake van een afnemende stijging: de huren van een pand nemen niet evenredig toe met de toename in meters, maar vlakken af. o Daarbij dalen de huurprijzen in de meeste (centrum)gebieden op dit moment en zijn er ook huurop-maat constructies te sluiten met de eigenaar.

Daardoor komen meer panden in beeld voor nieuwe retailers. - Valt een eventuele subsidie wel of niet onder niet toegestane staatssteun? Zeer vermoedelijk staatssteun. En bovendien onwenselijk, want daarmee zouden de huurprijzen in het centrum worden opgedreven en bepaalde vastgoedeigenaren worden bevoordeeld. - Er worden ook fietsen en andere branchevreemde producten verkocht op de PDV locaties en op de huidige autoboulevard. o Wat zijn hiervoor de exacte regels voor zowel de PDV locaties als de ABC Locaties. Per locatie vernemen wij de mogelijkheden en onmogelijkheden. Zie bijlage 1. GERT o Zijn die regels gelet op de dienstenrichtlijn juridisch houdbaar? Ja o Op welke wijze is die juridische houdbaarheid recent getoetst. Zowel het PDV-beleid als het Detailhandelsbeleid zijn opgesteld na het ingaan van de Dienstenrichtlijn (2018) en daarom getoetst op juridische houdbaarheid. o Houdt de gemeente ook actief toezicht dat de regels hierop worden nageleefd en is de handhaving actief of passief. Handhaving vindt plaats op grond van het geldende VTH-beleid (vergunningen, toezicht en handhaving). Het handhavingsbeleid omvat de gemeentelijke toezicht- en handhavingstaken die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving en geeft op hoofdlijnen aan hoe en waar de gemeente haar prioriteiten legt. In het bijbehorende uitvoeringsprogramma worden de prioriteiten gesteld.

Detailhandel op bedrijventerreinen heeft daarbij een hoge prioriteit. - De visie bedrijventerreinen kan alleen worden uitgevoerd als de provincie, de provinciale Kantorenvisie aanpast. Is er al met de provincie overleg geweest en wat was de reactie? Er is geen provinciale Kantorenvisie maar een regionale Kantorenvisie Foodvalley. In deze Kantorenvisie, vastgesteld in 2019, is opgenomen dat nieuwe initiatieven voor kantoren geconcentreerd zullen worden in campusachtige ontwikkelingen. De Visie Bedrijventerreinen kan daarom zonder aanpassing worden uitgevoerd. Verder heeft de provincie een Provinciaal Inpassingsplan vastgesteld (PIP) waarin solitaire grootschalige kantoorpanden niet meer zijn toegestaan. In de Visie Bedrijventerreinen is ook aangeven dat wij ons hard blijven maken voor versoepeling van dit PIP. Overigens heeft de provincie Utrecht duidelijk uitgesproken dat het PIP de ambitie voor ICT-campusachtige ontwikkelingen niet in de weg zal staan. - Is er een juridische verkenning geweest of de provinciale Kantorenvisie voor Veenendaal niet disproportioneel is? Zo niet zijn hiervoor wel plannen? Er van uitgaande dat met de provinciale Kantorenvisie het provinciale Inpassingsplan (PIP) wordt bedoeld. Er is in verleden getoetst of dit binnen bevoegdheid van de provincie past. Naar onze mening past dit.

Wij zijn het er inhoudelijk mee oneens, daarom hebben wij destijds zienswijzen ingediend tegen het provinciale Inpassingsplan. Tegen de vaststelling zijn wij niet in beroep gegaan, omdat ICT-campusachtige ontwikkelingen mogelijk blijven. Op

-

-

-

de inhoud is het plan disproportioneel. Er is dus sinds de invoering van dit plan bezwaar gemaakt en er wordt tot op heden continu de boodschap uitgedragen dat dit plan disproportioneel is en niet aansluit op de provinciale, lokale en regionale ambities om hoogwaardige, arbeidsintensieve bedrijventerreinen te ontwikkelen. Op dit moment is er detailhandel op de bedrijventerreinen. Heeft het college een overzicht om hoeveel bedrijven dit gaat en om welke goederen dit gaat. Graag ontvangen wij hiervan een overzicht. Er zijn enkele bedrijven aan wie een paar jaar geleden een tijdelijke afwijking is toegestaan. Deze tijdelijke afwijking eindigt op 31-12-2022 en betreft voornamelijk perifere detailhandel (houten meubels, tapijt en zonwering/serres e.d). Het betreft een tijdelijke legalisatie, waartoe in 2017 is besloten met het oog op een mogelijke herontwikkeling van de westzijde van de Groeneveldselaan, waar een wijzigingsbevoegdheid op ligt voor o.a. PDV. Daarnaast is de tijdelijke afwijking gebaseerd op het detailhandelsbeleid wat op dat moment nog in onderzoek was. Daarnaast is een aantal detailhandelsvestigingen (voornamelijk PDV en grove bouwmaterialen) ingepast op grond van besluitvorming uit het verleden via een specifieke staat van detailhandelsactiviteiten, welke deel uit maakt van het bestemmingsplannen Ambacht en Nijverkamp.

Als deze bedrijven hun bedrijfsactiviteiten staken, eindigt deze detailhandel. Heeft het handhavingsverzoek wat er is ( zie de eerdere vragen en antwoorden over dit onderwerp) consequenties voor die ondernemingen die detailhandel drijven op bedrijven en wat is die consequentie, als het gelijkheidsbeginsel wordt toegepast? Dit betreffende bedrijf valt niet onder perifere detailhandel. Het betreft een nieuwvestiging die niet voldoet aan zowel het oude als het nieuwe detailhandelsbeleid. Het gelijkheidsbeginsel betekent dat gelijke gevallen gelijk moeten worden behandeld. De zaak van het betreffende bedrijf betreft geen perifere detailhandel en alleen daarom al niet gelijk aan de situatie van de tijdelijke afwijkingen. Het gelijkheidsbeginsel is hier dan ook niet van toepassing Mag een webwinkel, waarbij op afspraak producten getest of afgehaald worden, wel gevestigd worden op een bedrijventerrein? Als voorbeeld een bedrijf uit Ede. Zie hiervoor regel 5 PDV-beleid (bijlage 1). Alleen met een afwijkingsbevoegdheid kan een afhaalmogelijkheid worden geboden (max.10 m2) en er mag geen voor het publiek toegankelijke showroom aanwezig zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10880401/4