4. Technische vragen en antwoorden RV Hervormingsagenda Grenzen aan onze jeugdzorg
Tekst van het document
TECHNISCHE VRAGEN Raadscyclus
7 oktober 2025
Naam fractie:
ChristenUnie, D66 en SP
Onderwerp:
Raadsvoorstel Hervormingsagenda Grenzen aan onze jeugdzorg
Vragen ChristenUnie 1. Welk aanbod van ondersteuning is er vanuit de gemeente/CJG rondom: a. ondersteuning van relaties b. begeleiding van gezinnen met (dreigende) scheiding c. kinderen van gescheiden ouders d. ondersteuning van aanpalende zorgvragen rondom relatie ondersteuning/scheidingen/etc. Antwoord: Vanuit CJG kunnen er verschillende soorten jeugdhulp worden ingezet. Denk hierbij aan een doorverwijzing naar een SCHIP traject1 bij jeugdhulpaanbieders of ‘ouderschap blijft2’. Verder bieden wij al jaren het ‘Familiehuis’ aan voor ouders in scheiding waar CJG ook bij betrokken is. Ook biedt het CJG de ‘KIES-training’3 aan voor kinderen van gescheiden ouders. Daarnaast zijn via de website Sociaal startpunt Veenendaal meerdere vormen van relatiehulp bij diverse aanbieders te vinden. Zie Home | Sociaal startpunt Veenendaal en dan zoeken op het trefwoord ‘relatie’. Tot slot verwijzen wij naar de RIB van 8 mei 2024, zaaknummer 2170732 met onderwerp: beantwoording schriftelijke vragen ‘Online relatietrainingen’. 2. Wie bepaalt in dit voorstel wie welk zorg krijgt? Antwoord: in de Jeugdwet wordt beschreven wie (verwijzende partijen) mag verwijzen naar jeugdhulp, denk hierbij aan huisartsen, Gecertificeerde Instellingen (GI) en het CJG. Omdat de wet boven de verordening gaat, kunnen wij hier niets aan veranderen en wordt dit ook niet aangepast door het huidige voorstel.
Wel hebben wij in het voorstel maatregelen (4.2 en 4.7) opgenomen om afspraken te maken met huisartsen en partijen betrokken in het veiligheidsdomein, zoals een GI, door middel van een convenant of samenwerkingsafspraken. We kunnen de verwijsroute zelf niet afsnijden, maar wél afspraken maken met deze partijen over inhoud en vorm van die route.
1
De SCHIPaanpak is erop gebaseerd dat conflict ook verlies met zich meebrengt en dat een verlies regelmatig tot een conflict leidt. Verlies van vertrouwen, zekerheden of liefde. Bij relatieproblemen of scheiding is het daarom niet genoeg om een conflict te hanteren maar moeten ook de verschillende manieren van verliesverwerking aandacht krijgen. Pas dan kan er opnieuw worden verbonden, afspraken gemaakt worden omtrent de toekomst, en pas dan kunnen (ex-)partners ook samen ouders zijn voor de kinderen. Het is een methode voor het begeleiden van, of doorleven van relaties in slecht weer. Bron: www.schipaapak.com 2 Jeugdprofessionals kunnen met de toepassing van de gecertificeerde methodiek Ouderschap Blijft hulp bieden. Het doel is dat het kind een onbelemmerd contact heeft met beide ouders. Bron: https://ouderschapblijft.nl/ 3 KIES staat voor Kinderen In Een Scheiding, een professionele, wetenschappelijk onderbouwde methodiek voor het begeleiden van kinderen, jongeren, jongvolwassenen én ouders bij scheiding. KIES staat verder, niet in de laatste plaats, voor kiezen voor het kind. Bron: https://kiesvoorhetkind.nl/kies
D66 1. Bij paradigmaverschuiving punt b staat het volgende: " We houden de verantwoordelijkheid waar deze hoort en verwijzen in deze gevallen niet door naar individuele jeugdhulp." Het is ons niet helemaal duidelijk wat wordt bedoeld met "deze" gevallen. Zou hier meer toelichting op gegeven kunnen worden? Antwoord: Het gaat hier om situaties waarin jeugdhulp wordt ingezet om de symptomen te bestrijden, zonder dat de oorzaak daadwerkelijk wordt aangepakt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan jeugdzorgmedewerkers die signaleren dat zij kinderen hulp en/of ondersteuning bieden voor de gevolgen van problemen/oorzaken die zich in hun omgeving (school, gezin/huishouden/bestaanszekerheid) afspelen. Daarmee zijn zij spreekwoordelijk het kind van de rekening. Met het raadsvoorstel roepen wij vooral de andere domeinen op om hier zelf mee aan de slag te gaan. Ook vragen wij professionals om ouders/opvoeders aan te spreken op hun verantwoordelijkheid om eerst te werken aan hun eigen problematiek. In de verordening en beleidsregels werken wij dit verder concreet uit.
2. Op pagina 28 mist volgens ons de eerste zin. Kan worden toegelicht wat hier had moeten staan? Antwoord: Dat klopt, hier had moeten staan “II Versterking van het gewone leven en de samenwerking met andere domeinen (school, gezin/huishouden, sport/cultuur etc.) stimuleren, zodat er een verschuiving van inzet van individuele jeugdhulptrajecten naar jeugdhulp in groepsverband ontstaat. Jeugdhulp wordt ingezet om…
3. Op pagina 33 bij kopje 1.5 staat aangegeven: "Dit vraagt dan een aanvullende opdracht". Wordt hier bedoeld dat een aanvullende opdracht noodzakelijk is om dit verder uit te zoeken? Of dat als in het vervolg project blijkt dat er onvoldoende capaciteit is, er dan een aanvullende opdracht noodzakelijk is? Of een andere interpretatie? Antwoord: Bedoeld wordt ‘dat als in het vervolg project blijkt dat er onvoldoende capaciteit is, er dan een aanvullende opdracht noodzakelijk is’, zodat het college en daarna, indien nodig,de raad hiervoor capaciteit en middelen ter beschikking kan stellen.
4. In bijlage B lezen wij niet goed terug wat de plannen zijn om meer behandelingen in groepsverband aan te bieden. Kan toegelicht worden of dit in de plannen zit en waar dit in het voorstel is opgenomen? Antwoord: zie pagina 33, de tekst bij maatregel 1.8
5. Op pagina 35 bij het kopje 3.2 staat het volgend: "In gesprek met het CJG via de jaarlijkse afspraken de bestuurlijke opdracht te geven om de expertise en inzet op triage, casusregie en hulpverlening middels een narratieve benadering". Kan nader worden toegelicht hoe we dit moeten lezen? Wordt hier gezegd dat we met dit voorstel besluiten om het CJG opdracht te geven om 1 vorm van behandeling meer toe te gaan passen, namelijk de narratieve benadering?
Antwoord: Nee, om het onderscheid te maken tussen incidentele en structurele problematiek vragen wij het CJG extra aandacht te besteden aan de triage en het voeren van casusregie. Ten aanzien van de narratieve benadering is het goed om te benoemen dat het geen methodiek is en ook geen behandeling. Dit raadsvoorstel roept het CJG op om ook gebruik te maken van de narratieve benadering naast de andere vormen van hulpverlening. Het gaat er vooral om dat de stem van de jongeren en zijn/haar netwerk goed gehoord wordt en dat de jongeren mee kunnen besluiten in hun traject, zodat dit bijdraagt aan het herstel. Denk hierbij ook aan wat Friso van Doesburg heeft verteld tijdens de raadsavond van 9 september jl. Het kwadrantenmodel spreekt over ‘structurele’ en ‘incidentele’ problematiek, maar dit zijn nog steeds systeemtaalbegrippen. Jongeren zelf vertellen geen kwadranten. Ze leven verhalen, ervaringen, verlangens, en trauma’s. Als we écht willen differentiëren, moeten we leren luisteren naar de onderliggende betekenis van gedrag. Zijn advies is daarom: integreer in het CJG, onderwijs en hulpverlening een narratieve benadering: bijvoorbeeld via levensverhalen, reflectiegesprekken en de inzet van herstelgerichte methodiek waarin jongeren hun eigen pad leren duiden - niet alleen hun dossier. Daarmee draagt deze benadering bij aan de voorgestelde paradigmaverschuivingen.
6. Kan meer toelichting gegeven worden over het beoogde project rondom een prikkel a la het Deltaplan Eindhoven? Het Deltaplan Eindhoven lijkt aan meerdere dingen tegelijkertijd te werken. Welk aspect van het Deltaplan wordt hier bedoeld? Antwoord: Wat ons aanspreekt in het Deltaplan Eindhoven is dat er gewerkt wordt aan de hand van business cases, waarin succes gemeten wordt aan de hand van meerdere criteria. In het raadsvoorstel hebben wij deze vertaald naar kennis, ervaring en data, zie pag. 44 in de toelichting. Ook heeft Eindhoven een subsidieregeling opgezet om lacunes in het zorg/ondersteuningsaanbod te signaleren en daarop aanbod te laten ontwikkelen. Daarmee willen wij zorgaanbieders aansporen om zelf ook actief mee te denken en mee te doen in de transformatie zoals we die in het raadsvoorstel beogen. Door een (financiële) prikkel als die subsidie te bieden, hopen we te bereiken dat aanbieders zelf actief aan de slag gaan '. Tot slot spreekt het ons aan om als Gemeente Veenendaal, CJG/ Uniforme Toegang Veenendaal én aanbieders samen te werken om inhoudelijk e.e.a. te verbeteren. Waarbij er gewerkt wordt aan een win-win situatie zowel in zorginhoudelijk alsook in financieel/ bedrijfsmatig opzicht.
Concreet: In Veenendaal willen wij onderzoeken hoe wij samen met een aantal zorgaanbieders kunnen samenwerken om echt een verbetering te maken bij de gezinnen/huishoudens die structureel hulp vragen, ook als dat op langere termijn gevolgen heeft voor de bedrijfsvoering van deze aanbieders. Om met elkaar bij te bijdragen aan het realiseren van de paradigmaverschuivingen.
7. Uit het advies van de Jongerenraad komt naar voren dat er gezorgd moet worden voor een goede overgang naar 18+. Kan aangegeven worden hoe dit in het voorstel is meegenomen en waar we dit kunnen terugvinden? Antwoord: dit is meegenomen in het voorstel en terug te vinden in op pagina 39, zie paragraaf 5.3.
8. Er staat aangegeven dat het CJG laagdrempelige zorg zelf gaat aanbieden. Kan financieel worden onderbouwd waarom dit voordeliger is dan bij een laagdrempelige vraag direct doorverwijzen naar een zorgverlener? Als deze informatie niet beschikbaar is, is het dan mogelijk om alsnog een (zo cijfermatig mogelijke) onderbouwing voor deze keuze te geven? Antwoord: Op dit moment kunnen wij daar geen verdere cijfermatige onderbouwing (dan genoemd in de raadsconsultatie en het raadsvoorstel) over geven over de kosten en de financiële baten. In Nijmegen hebben zij een soortgelijke beweging gemaakt. Daarbij constateren zij dat de samenwerking in de gemeente tussen alle partijen sterk verbeterd is maar konden zij door een gebrekkige nulmeting onvoldoende vaststellen of het een besparing opleverde. Verder verwachten wij dat het sterk bijdraagt aan het normaliseren van diverse opvoedingsvraagstukken en het bevorderen van het pedagogisch handelen door ouders/opvoeders en mensen die vanuit hun professie dagelijks met kinderen werken. Dit kan naast een kwalitatief effect ook een financieel effect hebben, op langere termijn. In de gemeente Veenendaal zullen de financiële effecten ook sterk afhangen van de samenwerking tussen scholen, gezinnen en algemeen toegankelijke voorzieningen.
Stel dat het lukt om in kwadrant I veel cliënten uit de jeugdzorg te houden dan bespaart dat al veel tijd van andere professionals maar zijn de financiële effecten nog gering.
9. In eerdere gesprekken over dit onderwerp hebben we het gehad over het belang van het hebben van 1 contactpersoon voor een gezin. Wij lezen dit niet zo snel terug in het stuk. Kan worden toegelicht wat de plannen op dit gebied zijn en waar we dit in het stuk kunnen terugvinden? Antwoord: het is een mooi streven om één contactpersoon per gezin te hebben maar voor veel situaties in de jeugdzorg is dat lastiger dan het lijkt en bij lichtere vraagstukken wellicht ook niet altijd nodig. Denk hierbij aan de verschillende verwijzers (huisarts, GI en Gemeente) naar de jeugdzorg, waardoor alleen de gemeente weet wie welke hulp krijgt; de kennis en expertise die dit van deze persoon vraagt; wet- en regelgeving rondom privacy tussen diverse organisaties; het voorkomen van dubbel werk tussen diverse hulpverleners etc. Eerder werd (landelijk) zelfs uitgegaan van 1 hulpverlener per persoon/gezin, dat was in de praktijk (zo goed als) onmogelijk. Dit is daarna 1 regisseur geworden, die dan als eerste contactpersoon kan dienen. In de basis wordt dit waar dit mogelijk én nodig (denk aan complexere casuïstiek) is nog nagestreefd. Omdat het in de uitvoering uiterst lastig is hebben wij dit niet opgenomen in het raadsvoorstel.
Wel is goed om te weten dat wij met het CJG in gesprek zijn om te bekijken of zij bij alle hulpvragen die structureel en/of complex zijn een vast contactpersoon voor een gezin kunnen hebben. Bij eenvoudige problematiek zal het CJG dit niet doen, zodat de aandacht kan gaan naar de gezinnen die dit echt nodig hebben. Bij de gezinnen die een kinderbeschermingsmaatregel hebben, is de gezinsvoogd/jeugdbeschermer de vaste contactpersoon voor het gezin.
10. Kan inzicht worden gegeven hoe een traject er voor een jongere in kwadrant 3 uit gaat zien voordat een behandeling/ de begeleiding begint? Hoe lang is de wachttijd voor het CJG? Hoe lang is het CJG betrokken voordat er een doorverwijzing plaats vindt? Hoe lang is de wachttijd vervolgens? Volgt dan nog een intakeproces? Antwoord: Nee, het is niet goed aan te geven hoelang het duurt voordat het traject van een jongere in kwadrant III start. Allereerst is het kwadrantenmodel een theoretisch model en het is niet bedoeld om dit op individuele cliënten toe te passen. Daarbij is er ook geen standaard toegangsproces omdat dit kan verschillen bij wie verwijst en de aard
van de hulpvraag/problematiek. Bijvoorbeeld de huisarts heeft een andere werkwijze dan het CJG. Als daar een GI bij betrokken is, kan het proces er weer anders uit zien. Kwadrant III gaat voornamelijk over de GGZ. Deze hulp verloopt veel via de huisarts, waarbij en het CJG niet of nauwelijks is betrokken. Verlengingen van de GGZ verlopen bij veelal via de huisarts (toegang) ook de administratieve afhandeling via de back-office van de gemeente. Daarbij wisselen de wachttijden bij aanbieders en verschilt dat ook weer per aard van de hulpvraag. Voor de toegang via het CJG worden meerdere bepalingen in de verordening gewijzigd. Hier komen wij later bij u op terug. U zult daarin ook lezen hoe wij de gedifferentieerde aanpak hanteren die van toepassing is op het CJG en de Gemeente. Als u daarna nog meer toelichting wenst hoe dit via het CJG verloopt, kunt u het beste met hen in contact komen voor een werkbezoek. Tot slot is het goed om te weten dat gezinnen/jongeren op de wachtlijst van het CJG komen, maar dat als er spoed is, zij met voorrang opgepakt worden.
11. Op meerdere plekken lezen we iets over lotgenoten contact en ervaringsdeskundige, maar het wordt ons niet helemaal duidelijk wat de plannen hiermee precies zijn. Kan hier meer over worden toegelicht, inclusief waar we dit in het voorstel kunnen vinden? Antwoord: zie de maatregelen op pagina 35 bij paragraaf 3.1 en pagina. 36 paragraaf 4.4. Als u hierover nog meer wilt weten, horen wij dat graag. Verder zijn wij als Gemeente in het programma Sociaal Domein bezig, via het uitvoeringsplan, met een 'visie’ op de inzet van ervaringsdeskundigheid in brede zin en hoe wij daar als gemeente mee aan de slag willen.
SP
1. Tijdens de beeldvormende avond is er door een van de sprekers als voorbeeld gegeven dat voor mensen in het zwaarste en langdurige categorie er ook als proefproject gekozen kan worden voor het in overleg op een andere wijze besteden van dezelfde kosten om de levensomstandigheden van de persoon te versteken. Op welke wijze zou het mogelijk worden om dit ook als gemeente te faciliteren? Antwoord: ja, de suggestie die daar gedaan werd is om ‘hypermaatwerk’ te leveren, door te onderzoeken per persoon/huishouden wat er nodig is en dit als gemeente dan ook te leveren door bijvoorbeeld schulden af te kopen, huisvesting te regelen, vervoersmogelijkheden beschikbaar te stellen etc. Het uitvoeren van een dergelijk proeftraject kan veel informatie opleveren voor de gemeente over de problemen waar deze mensen tegenaan lopen. Voordat een dergelijke proef gestart wordt moeten de randvoorwaarden goed bepaald worden. Denk hierbij aan financieel, juridisch maar ook over de bevoegdheden van de mensen die het uitvoeren en de resultaten op lange termijn die verwacht worden van een dergelijke eenmalige impuls.
2. Werkt de gemeente binnen de jeugdzorg volledig met één vast aanspreekpunt per gezin? Antwoord: Nee, zie ook vraag en antwoord nummer 9 van D66.
3. Op welke wijze worden ervaringsdeskundigen op dit moment ingezet? Antwoord: Bij diverse aanbieders zijn ervaringsdeskundigen actief op initiatief van de aanbieders. Wij hebben de indruk dat deze nog beperkt worden ingezet. Verder maken wij als JeugdFV gebruik van de ervaringsdeskundigen van Team ED in het Regionaal Expertise Team (RET), zodat zij daar de jeugdige ondersteunen. Daarnaast worden begeleidingstrajecten van de ervaringsdeskundigen van Team ED ingezet in een aantal complexe casussen. Zie ook de beantwoording van vraag 11 bij D66. 4. Is er in Veenendaal een Blijf van mijn lijf huis, of een gelijkwaardig iets? a. Indien dit er niet is, is op een andere wijze dan in dit type voorziening voorzien? Antwoord: Veenendaal valt onder de veiligheidsregio Utrecht. Er is geen Blijf van mijn lijfhuis of iets dergelijks in Veenendaal. Moviera biedt hulp in de regio’s Utrecht en Gelderland. Zij werken vanuit het Oranje Huis in Utrecht, Gelderland (Arnhem) de opvang in Nijmegen en de opvang in Apeldoorn. Moviera zet zich samen met ketenpartners vanuit onder andere de (centrum)gemeenten, de politie, Veilig Thuis, Jeugdzorg, de Raad voor Kinderbescherming, wijkteams, buurtteams en andere (vrouwen)opvangorganisaties in.
Moviera biedt zorgcoördinatie mensenhandel, opvang (veilig onderdak in bovengenoemde voorzieningen), ambulante hulp, voorlichting &training en speciale opvang voor tienermoeders/ jonge vrouwen die met huiselijk geweld te maken hebben. Stichting de Tussenvoorziening biedt, vanuit de veiligheidsregio Utrecht, onder de naam Belle hulp aan (ex-) sekswerkers en slachtoffers van mensenhandel. Zij zijn ook in Veenendaal actief en hebben een goede samenwerking met de politie in Veenendaal. Daarnaast vangt Welkom in Veenendaal mensen op die in een moeilijke situatie zijn beland en wordt hen de kans geboden om weer tot rust te komen. Ook loopt er een proces om tot kaders te komen voor regionale afspraken over het huisvesten van mensen uit 13 aandachtsgroepen. Hier vallen ook uitstromers van de vrouwenvang onder, slachtoffers van mensenhandel en uitstappende sekswerkers.