4. Technische vragen en antwoorden Programmaplan Energieneutraal Veenendaal 2022-2025
Tekst van het document
TECHNISCHE VRAGEN Raadscyclus d.d.
15 juni 2021
Naam fractie:
VVD, ChristenUnie
Onderwerp:
7. Raadsvoorstel Programmaplan Energieneutraal Veenendaal 2022-2025
VVD In het raadsvoorstel staat op blz 3; “Voor het hoofddoel van de duurzame opwek hebben we tot 2021 bijna 5%” behaald en streven we naar 10% eind 2025.” a. Hoe moeten we deze percentages lezen? 10% van welk totaal? Antwoord: De doelstelling is dat 5 resp. 10% van het totale energieverbruik in de gemeente Veenendaal binnen de gemeentegrenzen duurzaam opgewekt wordt. b. Staan deze percentages 1 op 1 in verhouding tot ons aandeel in het bod in de RES, te weten 0,047 TWh opwek in 2030? Antwoord: Nee niet 1-op-1. Onze percentages in het programmaplan voor duurzame opwek in Veenendaal zullen grotendeels gerealiseerd moeten worden door toename van zonne-energie. Kleinere daken (<15kWpiek) zijn (conform richtlijnen) niet meegenomen in het bod van de RES, maar vormen wel een onderdeel van de doelstelling in het programmaplan, omdat de kleinere daken een onmisbaar onderdeel zijn van de verduurzamingsaanpak voor woningeigenaren en kleine bedrijfspanden. c. Worden er duurzame opwek meegerekend in de programma energieneutraal en niet in het RES bod of visaversa? Antwoord: Zie deels antwoord op vraag b (kleine daken zijn geen onderdeel van RES-bod). Ook duurzame opwek uit bijv. geothermie, aquathermie, biogas en duurzame waterstof zijn geen onderdeel van het huidige RES-bod, maar tellen wel mee voor monitoring van de doelen van het programma Energieneutraal Veenendaal.
Het verschil wordt voornamelijk verklaard tussen het verschil in scope tussen de RES en het programmaplan: Waar het programmaplan zich richt op lokale energietransitie in de breedste zin, is een belangrijk onderdeel van de RES de bijdrage van meer grootschalige opwek aan de landelijke opgave van 35TWh, met de randvoorwaarden die daarvoor landelijk gesteld zijn. d. Hoeveel m2 aan zonnepanelen zijn er al door de bedrijven op de daken gelegd tot op heden? En hoeveel m2 door de woningbouwverenigingen? En hoeveel m2 door particulieren? Antwoord: Er is geen inzicht in m2 aan zonnepanelen. Wij geven wel op basis van gegevens van Stedin jaarlijks aan hoeveel in totaal door kleinverbruikers wordt opgewekt (zie jaarlijkse raadsinformatiebrief Energietransitie) . Eind 2020 was dat 16,23 megawatt (in 2017 was dat 5,6 megawatt).
ChristenUnie Ook hier is onze fractie blij met het goede werk dat is geleverd en daar zullen wij nog woorden aan geven. Bij het voorstel heeft onze fractie de volgende vragen: Met betrekking tot de doelstelling van het programma: 1. Heeft het college al in beeld wat het betekent om energieneutraal te zijn in 2050. Hoeveel energie en welke energie gebruiken we in 2050 en hoe kunnen we die lokaal opwekken? Antwoord: De stip op de horizon voor de situatie van energieneutraal zijn is dat we in 2050 evenveel energie duurzaam opwekken als we verbruiken (energieneutraal zijn). Voor de periode tot eind 2025 is de doelstelling voor duurzame opwek 10% van het totale verbruik op dat moment. Voor de periode tot eind 2030 is dit
vooralsnog 20% van het totale verbruik in 2030 en voor 2035 is dit 35% van het totale verbruik in 2035. Voor de periode daarna is het nog niet goed in te schatten hoe de verdeling tussen besparing en opwek zal zijn . Met andere woorden, in welke mate het lukt om energie te besparen. Op welke wijze we het percentage opwek kunnen realiseren, is een traject waarin we op kortere termijn de kansen benutten van opwek op daken (woningen en bedrijven) en opwek met zonnepanelen in de openbare ruimte (solarparking, bermen, etc.). Voor de langere termijn richting 2050 bekijken we per periode wat de beste kansen zijn en benutten we steeds de nieuwste technologische en subsidie mogelijkheden. 2. Is energieneutraliteit wel een verstandig doel voor dit programma, acht het college het haalbaar om de benodigde energie lokaal op te wekken? Antwoord: In de afgelopen programmaperiode hebben we gezien dat energieneutraliteit op eigen grondgebied een erg grote uitdaging is. De ambitie van energieneutraal in 2050 geeft een eindbeeld, waarbij we op de weg daarnaar toe, ons in de periode tot 2030 vooral richten op het naar mogelijkheid bijdragen aan landelijke en regionale doelen.
Het is niet uitgesloten dat richting 2050 ook andere oplossingen nodig zijn, bijvoorbeeld de invoer van groene waterstof of biogas en/of de “import” van duurzaam opgewekte elektriciteit van buiten de gemeente om de balans sluitend te maken. 3. Welke rol ziet het college voor de RES regio? Is overwogen om de doelstelling te herformuleren op RES niveau? Antwoord: de RES regio heeft voor de gemeente Veenendaal met name een rol in het ondersteunen van het bevorderen van grootschalig zon-op-dak opwek. Dit wordt onder andere gerealiseerd met de voornemens voor een Regionaal Energie Expertisecentrum Foodvalley in het RES bod. Een heroverweging van de doelstellingen in het programmaplan is niet overwogen omdat die breder dan die in het RES bod, omdat in het RES bod alleen de grootschalige opwek wordt meegenomen (dus niet de vele zon-op-dak op woningen). 4. Heeft het college ook overwogen om in lijn met landelijke en provinciale doelen te streven naar een klimaat neutrale energievoorziening in 2050? Antwoord: Dat is geen overweging geweest bij de Omgevingsvisie 2030 en het nieuwe programmaplan ENV. We blijven vasthouden aan de richting die de raad ons in 2014 heeft meegegeven, totdat uitgesloten is dat de ambitie gehaald kan worden. De koers en acties die we de komende jaren willen inzetten is niet anders bij een klimaatneutrale ambitie.
Het programma ENV is ontstaan op basis van uitwerking van een motie uit 2014 bij het raadsprogramma 2014-2018 waarbij de raad oproept ‘om zich als gemeente in te zetten om de opwekking van duurzame energie in Veenendaal te vergroten en om er naar te streven om in 2035 evenveel duurzame energie op te wekken als er in Veenendaal gebruikt wordt’. In de aanloop naar het eerste programma ENV uit 2017 is de raad gewezen op de uitdagingen die Veenendaal heeft om energieneutraal te worden. Dit was toen geen reden om de ambitie anders te formuleren. Naar aanleiding van de kaderbegroting van 2022 heeft de raad het besluit genomen om de streefdatum te verschuiven naar 2050 omdat is gebleken op voorstel van het college dat de ambitie niet realistisch is: de kosten voor gemeente en inwoners worden te hoog en het draagvlak voor de energietransitie staat onder druk als we willen blijven inzetten op 2035. 5. Kan Veenendaal een reëel doelstelling zetten op duurzaam opgewekte elektriciteit in 2030, 2040 en 2050 als eigen bijdrage aan de doelstellingen? Antwoord: Zie ook antwoord op vraag 1. Voor 2030 zetten we in op een percentage van 20% van het verbruik in 2030 en 35% in 2035. Voor 2040 en 2050 is dit nog niet bepaald. Dit hangt ook af van de ontwikkelingen en mogelijkheden voor energiebesparingen: immers de energie die we niet gebruiken hoeven we ook niet duurzaam op te wekken.
Met betrekking tot de impact van het besluit op inwoners: 6. Verwacht het college dat inwoners zicht willen krijgen op de impact van hun plannen op wonen en werken en mobiliteit? Antwoord: Een van de manieren om inwoners te enthousiasmeren en in beweging te krijgen, is door middel van het zichtbaar maken van de impact op gebruikersniveau. Het is belangrijk dat de inwoner kan zien welke bijdrage zijn/haar inzet (individueel of als gebouwcomplex of straat-coöperatie) aan het totaal van de doelstellingen van de gemeente? In het programmaplan wordt hier met diverse maatregelen invullingen aan gegeven, waarbij we ook steeds meer per buurt gegevens in beeld kunnen brengen en via het Trefpunt een energiedisplay aan
bewoners uitreiken waarin op een eenvoudige portable display in realtime het energieverbruik in het huis in beeld gebracht wordt. 7. Verwacht het college dat hiervoor nog extra inspanningen nodig zijn? Antwoord: Zie ook antwoord op vraag 6. Veel inspanningen in het programmaplan voor de periode 2022-2025 zijn hier op gericht. De huidige succesvolle inspanningen zoals de warmtescans en de energieadviezen en informatie voorziening in het Trefpunt worden verder uitgebouwd. Daarbij is het belangrijk dat de vrijwilligers (de energie-ambassadeurs) goed ondersteund worden en voorzien worden van goede instrumenten om bewoners te helpen (zoals de uitleen van energiemeters en energiedisplays). Ook inspanningen die gericht zijn op financiële ondersteuning zijn hierbij belangrijk, zoals doorgaan met (en zo mogelijk uitbreiden van) de duurzaamheidslening en advies over landelijke subsidies.