4. IVSD geconsolideerd na 2e wijziging (wijzigingen zichtbaar)
Tekst van het document
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
INTEGRALE VERORDENING SOCIAAL DOMEIN GEMEENTE VEENENDAAL
Inhoud Integrale Verordening Sociaal Domein gemeente Veenendaal .............................................................. 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 2 1. Algemene Bepalingen ......................................................................................................................... 4 2. Maatschappelijke ondersteuning ......................................................................................................... 6 3. Jeugdhulp .......................................................................................................................................... 17 4. Werk en Inkomen .............................................................................................................................. 22 4.1 Re-integratie ................................................................................................................................ 22 4.2 Loonkostensubsidie ..................................................................................................................... 31 4.3 Individuele inkomenstoeslag ........................................................................................................
32 4.4 Tegenprestatie Participatiewet .................................................................................................... 33 4.5 Minimaregelingen ......................................................................................................................... 34 4.6 Regionale Cliëntenparticipatie Werk en Inkomen ........................................................................ 41 4.7 Afstemming Participatiewet, IOAW, IOAZ en BBZ ...................................................................... 45 4.8 Schuldhulpverlening ..................................................................................................................... 51 5. Handhaving........................................................................................................................................ 52 6. Slotbepalingen ................................................................................................................................... 53
1
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
INLEIDING Op 23 januari 2020 heeft de gemeente Veenendaal haar visie op het sociaal domein, de betekenis van begrippen en de uitgangspunten voor de manier van werken vastgelegd in het Integraal beleidskader (IBK) sociaal domen 2020-2023 ‘Sterker door verbinding’. Werken vanuit deze visie vraagt om het bij elkaar brengen van de wettelijke kaders van het sociaal domein. In deze integrale verordening zijn de tien huidige verordeningen samengevoegd tot één integrale verordening. Eén integrale verordening die als kompas dient voor de inwoners en de professional (gemeente/medewerkers). Bij een domein overstijgende ondersteuningsvraag kan er nu één verordening worden gebruikt. Het werken vanuit de visie van het IBK wordt hierdoor makkelijker. Dit inleidende hoofdstuk geeft een korte weergave van het IBK en kan gebruikt worden als eerste toetsing bij een ondersteuningsvraag. De rest van de verordening geeft de wettelijke kaders, ook wel de toetsingscriteria, waarmee een ondersteuningsvraag van een inwoner beantwoord kan worden.
De Integrale verordening sociaal domein Veenendaal is gebaseerd op de volgende wetten: • Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo); • Jeugdwet (Jw); • Participatiewet (Pw); • Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW); • Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ); • Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz); • Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs); • Wet inburgering 2021 (Wi2021) • Gemeentewet (Gemw); • Algemene wet bestuursrecht (Awb). Leidende principes uit het IBK In het IBK staat een uitgebreide omschrijving van de visie en uitgangspunten die Veenendaal hanteert. Hieruit is een aantal principes gehaald die als leidraad worden gebruikt bij een ondersteuningsvraag. Dit zijn: • Normaliseren: Ieder leven kent zijn hobbels. Als inwoners om ondersteuning vragen, gaan we in gesprek met inwoners over hun eigen mogelijkheden/ eigen kracht en het netwerk om de inwoner heen. Als er ondersteuning nodig is dan kijken we hoe deze zo licht en kort mogelijk kan worden ingezet met als doel het herstel van het ‘normale leven’. • Passende ondersteuning: Samen met de inwoner wordt gekeken naar welke ondersteuning passend is om dagelijks leven vorm te geven en wie erbij betrokken kan worden.
Wat passende ondersteuning is, kan per persoon, situatie en moment veranderen, maar valt binnen deze wettelijke kaders. Het uitgangspunt bij passende ondersteuning is zo licht mogelijk als het kan en zo zwaar als nodig is, zodat de persoon terug kan naar zo zelfstandig mogelijk dagelijks leven. • Uniform en integraal: Vragen die betrekking hebben op meer dan 1 domein worden in overleg met de Veenendaler (verder inwoner) integraal en via 1 regisseur/ contactpersoon afgehandeld. • Basis is op orde: Met de basis op orde bedoelen wij dat er een inkomen is, er geen schulden zijn ofwel een regeling voor schulden loopt en dat er huisvesting is. Wij kijken met de inwoner wat de situatie is en wat nodig is om het dagelijks functioneren te verbeteren. Bij het intakegesprek wordt gekeken wat de behoefte is en of de basis eventueel verstevigd dient te worden. Immers, het hebben van een goede basis versterkt het succes van andere ondersteuning. • We voeren regie op de resultaten van ondersteuning: We blijven actief monitoren of de ingezette hulp werkt. We gaan daarbij zoveel mogelijk uit van een tijdelijke ondersteuning, gericht op het toegroeien naar - of bevorderen of behouden van de zelfredzaamheid/ de eigen kracht. We kiezen voor een vorm van ondersteuning die naar verwachting een langdurig effect heeft. We blijven daarbij sturen op de doelen die gewenst zijn.
Wordt het resultaat niet behaald of blijkt gaandeweg dat de inzet niet passend is, dan kan de inzet van hulp en doelen aangepast worden. Toegang: de stappen/volgordelijkheid tot passende ondersteuning 2
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
Wanneer een inwoner met een hulpvraag bij een loket aanklopt, wordt samen gekeken naar wat de aanleiding is, wat er goed gaat, wat er minder goed gaat, wat voor de inwoner belangrijk is om aan de situatie te verbeteren en waaraan behoefte is. Vervolgens wordt samen naar een oplossing gezocht. Doel van deze werkwijze is om de mogelijkheden te verkennen om ondersteuning zo licht en dicht mogelijk bij het leven van de inwoner te organiseren. Uiteraard hoeft die volgordelijkheid niet doorlopen te worden wanneer er urgente ondersteuning nodig is.
• • • •
Veenendaal kent vier toegangsloketten. Dit zijn: Wmo-loket: voor meldingen hulp en ondersteuning o.g.v. de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; Centrum voor Jeugd en Gezin (‘loket CJG’): voor meldingen hulp en ondersteuning o.g.v. de Jeugdwet; Loket Economie & Werk: voor aanvragen om bijstand en re-integratietrajecten o.g.v. de Participatiewet; Budgetloket: voor trajecten schuldhulpverlening o.g.v. de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening.
3
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
1. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1.1.1 Algemene Definities In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken; b. cliënt: c. college: d. eigen kracht:
e. gebruikelijke hulp:
f. gemeente: g. gesprek:
h. ingezetene of inwoner:
i.
maatschappelijk werk:
j. mantelzorg: k. ondersteuningsvraag:
l.
pgb:
m. sociaal netwerk: n. uitkering:
inwoner die een vorm van ondersteuning ontvangt van de gemeente op grond van de Wmo, Pw etc.; college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal; de mogelijkheid van de inwoner om zelf (een deel van) het probleem op te lossen, al dan niet met de gebruikelijke hulp, of hulp van andere personen uit de naaste omgeving. Ook als professionele ondersteuning wordt ingezet om het probleem op te lossen zal sprake zijn van eigen kracht; hulp of inzet die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten; gemeente Veenendaal; een of meerdere gesprekken in het kader van het onderzoek vanwege een ondersteuningsvraag, als bedoeld in: • artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo; • artikel 3.1.6 van hoofdstuk 3 Jeugdhulp; of • artikel 4 lid 1 Wgs; een natuurlijke persoon die zijn woonstede heeft in Veenendaal.
Dit kan ook een ex-gedetineerde betreffen van wie duidelijk is dat hij zijn woonstede heeft in Veenendaal, althans voor zover niet blijkt dat hij door zijn wil en daden zijn woonstede in Veenendaal heeft willen opgeven (zie artikelen 1:10 en 1:11 BW); het bieden van individuele begeleiding als algemene voorziening aan een ingezetene met problemen in zijn dagelijks leven of zijn werk, zodat deze ingezetene (weer) op eigen kracht zijn problemen kan hanteren en oplossen: mantelzorg als bedoeld als bedoeld in artikel 1.1.1. van de Wmo; de behoefte aan ondersteuning op het gebied van: • maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo; • jeugdhulp als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Jw; • arbeidsinschakeling en de verlening van bijstand als bedoeld in de Pw; of • schuldhulpverlening als bedoeld in artikel 4 lid 1 Wgs; persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1. van de Wmo dan wel artikel 8.1.1. van de Jw; sociaal netwerk als bedoeld in artikel 1.1.1 Wmo; een uitkering op grond van de Pw, de IOAW en de IOAZ;
Artikel 1.1.2 college voor uniforme toegang en intake 1. Het college zorgt er in ieder geval voor dat ingezetenen die daarom verzoeken: a. kosteloos en op laagdrempelige wijze worden ondersteund bij het verhelderen van een mogelijke ondersteuningsbehoefte waarbij tevens maatschappelijke werk kan worden geboden; b. kosteloos worden voorzien van relevante informatie in begrijpelijke vorm ten aanzien van: i. het gemeentelijk beleid en de wijze waarop uitvoering wordt geven aan de wettelijke taken in het sociaal domein, en ii. hoe de toegang tot de diverse voorzieningen is georganiseerd; c. worden doorverwezen en -geleid naar de passende instanties voor verdere ondersteuning. 4
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
2. Degene die een melding, aanvraag of verzoek indient wordt door het college gewezen op de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo. 3. In het kader van de uitvoering van het eerste en tweede lid vindt geen verwerking van persoonsgegevens plaats. Op verzoek van de betrokkene kunnen de relevante bevindingen op schrift worden gesteld en aan hem of haar ter beschikking worden gesteld.
5
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
2. MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING 2.1 Maatschappelijke ondersteuning Artikel 2.1.1 Definities In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die: i. niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; ii. daadwerkelijk beschikbaar is; iii. een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot (meer) zelfredzaamheid of participatie in staat is; en iv. betaald kan worden met een inkomen op minimumniveau;; b. andere voorziening: een voorziening die de cliënt kan ontvangen op grond van andere wet en regelgeving dan de Wmo; c. bijdrage: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4 en 2.1.4a van de Wmo; d. melding: melding aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo; e. niet-professionele dienstverlener/ niet-professional: is iemand die binnen het eigen sociale netwerk, aan een ouder of familielid zorg levert, die niet hoeft te voldoen aan de voorwaarden en kwaliteitseisen zoals die door de gemeente aan de aanbieders van zorg in natura worden gesteld. Ook als diegene hiervoor gediplomeerd, BIG-geregistreerd is, of ingeschreven is bij de Kamer van Koophandel; f.
persoonlijk plan: plan waarin de cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2., vierde lid onderdeel a tot en met g van de Wmo, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest passend is ; g. professionele dienstverlener: de zorgaanbieder die: 1. voldoet aan de opleidingseisen en kwaliteitseisen zoals deze worden gesteld aan de medewerkers van de gecontracteerde in natura zorgaanbieders; 2. kennis van, en ervaring heeft met het bieden van ondersteuning die een cliënt nodig heeft; 3. gebruik maakt van een ondersteuningsplan of plan van aanpak; 4. een verklaring omtrent het gedrag heeft (art. 28 Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens); 5. de verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling toe past (Besluit verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling); en 6. niet behoort tot het sociaal netwerk van de cliënt; h. Regres: houdt in dat de gemaakte Wmo kosten verhaald kunnen worden op de veroorzaker van de schade (artikel 2.4.3 Wmo); i. verslag: schriftelijke weergave van het gesprek door middel van een format dat bestaat uit (vaste) stappen; Artikel 2.1.2 Melding ondersteuningsvraag 1. Een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning kan door of namens een cliënt worden gemeld bij het college. Dit kan schriftelijk, digitaal, telefonisch of fysiek bij het college. 2.
Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk of digitaal binnen 3 werkdagen na 6
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
ontvangst en wijst de cliënt of diens vertegenwoordiger op de mogelijkheid om binnen 7 dagen na de melding een persoonlijk plan te overhandigen. 3. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wmo verstrekt het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. 4. Voor beschermd wonen geldt tevens dat het college direct na de melding een screening uitvoert naar de plaats waar de randvoorwaarden voor het meest kansrijke traject aanwezig zijn overeenkomstig het Convenant Landelijke Toegankelijkheid Beschermd Wonen. Artikel 2.1.4 Vooronderzoek 1. Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de Wmo, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. 2. a. voor het gesprek verschaft de cliënt of diens vertegenwoordiger het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover de cliënt of diens vertegenwoordiger redelijkerwijs de beschikking kan krijgen, rekening houdend met de Algemene verordening gegevensbescherming; b. de cliënt beschikt over een identificatiedocument, als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.
Beschikt de cliënt niet over een geldig identificatiedocument dan kan deze lopende het onderzoek aangevraagd en overgelegd worden. 3. Als de cliënt voldoende bekend is bij het college, de in het eerste en tweede lid genoemde gegevens zijn bekend en er is geen wijziging in diens leefsituatie, kan het college met goedkeuring van de cliënt of diens vertegenwoordiger afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid. Artikel 2.1.5 Het gesprek 1. Het college onderzoekt in een gesprek met de cliënt of diens vertegenwoordiger en waar mogelijk met mantelzorger(s) en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig: a. de ondersteuningsbehoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt; b. of het verzoek om ondersteuning betrekking heeft op zelfredzaamheid, participatie, opvang of beschermd wonen; c. de mogelijkheden voor de cliënt om op eigen kracht met gebruikelijke hulp, mantelzorg of hulp van andere personen uit het sociaal netwerk, het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten, algemeen gebruikelijke voorzieningen of met algemene voorzieningen de zelfredzaamheid of de participatie te handhaven of te verbeteren, zodat de cliënt zo min mogelijk een beroep hoeft te doen op een maatwerkvoorziening; d. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; e.
de mogelijkheden om door middel van andere voorzieningen of door samen met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en andere partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te voorzien in de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning; f. de wijze waarop de zelfredzaamheid en participatie, al dan niet door middel van het verstrekken van een maatwerkvoorziening, kan worden versterkt; g. welke bijdragen in de kosten de cliënt, met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de Wmo, verschuldigd zal zijn; h. de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt of diens vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van deze keuze. 2. Als de cliënt of diens vertegenwoordiger een persoonlijk plan aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het gesprek, bedoeld in het eerste lid. 3. Het college informeert de cliënt of diens vertegenwoordiger over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en over de vervolgprocedure. 4. Als de ondersteuningsvraag genoegzaam bekend is, kan het college onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de Wmo, in goed overleg met de cliënt of diens vertegenwoordiger, afzien van een gesprek.
Artikel 2.1.6 Advisering Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen indien het 7
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
college dit van belang acht voor de beoordeling van de ondersteuningsvraag. Het college betrekt de cliënt of diens vertegenwoordiger of mantelzorger bij de adviesaanvraag en informeert de cliënt of diens vertegenwoordiger over de uitkomsten daarvan. Artikel 2.1.7 Verslag 1. Het college is verantwoordelijk voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek. 2. Na het gesprek verstrekt het college aan de cliënt of diens vertegenwoordiger een verslag van de uitkomsten van het onderzoek binnen de in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo gestelde termijn. 3. Opmerkingen of aanvullingen van de cliënt of diens vertegenwoordiger op het verslag kunnen aan het verslag worden toegevoegd. Artikel 2.1.8 [vervallen] Artikel 2.1.9 Aanvraag 1. Een aanvraag kan pas worden ingediend nadat het vooronderzoek, bedoeld in artikel 2.1.4 en het gesprek, bedoeld in artikel 2.1.5, hebben plaatsgehad, tenzij het vooronderzoek en het gesprek niet hebben plaatsgevonden binnen zes weken na melding. 2. Een cliënt of diens vertegenwoordiger kan schriftelijk een aanvraag om een maatwerkvoorziening indienen bij het college door middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier. 3. Het college neemt een besluit op de aanvraag binnen de in artikel 2.3.5, tweede lid, van de Wmo gestelde termijn. Artikel 2.1.10 Criteria voor een maatwerkvoorziening 1.
Het college neemt het verslag als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening. 2. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening: a. ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk, of door gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen of andere voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.1.4 en het in artikel 2.1.5 bedoelde vooronderzoek en gesprek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot een aanvaardbare mate van zelfredzaamheid of een aanvaardbare mate van participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven; en b.
ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of andere voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.1.4 en artikel 2.1.5 bedoelde vooronderzoek en gesprek , een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 3. Ten aanzien van een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid en participatie komt een cliënt alleen voor een maatwerkvoorziening in aanmerking indien: a. de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs niet vermijdbaar was; b.
de noodzaak tot voorziening voorzienbaar was, maar van de cliënt redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de ondersteuningsvraag deels of geheel opgelost had; c. niet reeds in de voorziening is voorzien, tenzij vooraf een schriftelijke toestemming door het college is gegeven of het college de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen; d. de voorziening niet alleen een therapeutisch doel beoogt; of e. de voorziening geen, mogelijk, anti-revaliderende werking heeft. 4. Een maatwerkvoorziening ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, 8
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
wordt slechts verstrekt indien uit onderzoek blijkt dat vervanging noodzakelijk is. 5. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening. 6. Het college kan nadere regels stellen over de maatwerkvoorzieningen. Artikel 2.1.10a Aanvullende criteria voor een woonvoorziening In aanvulling op het gestelde in artikel 2.1.10 komt een cliënt in aanmerking voor een woonvoorziening als: a. de beperkingen niet voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen; b. de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen; c. de woonruimten geschikt zijn voor permanente bewoning. d. het niet om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten gaat, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte; e. de noodzaak niet het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding was op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor de verhuizing is; f.
de cliënt is verhuisd naar de voor zijn beperkingen meest geschikte beschikbare woning en daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is gegeven door het college; g. als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie alleen met noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden. Artikel 2.1.10b Aanvullende criteria voor een financiële tegemoetkoming als maatwerkvoorziening 1. In aanvulling op het gestelde in artikel 2.1.10 komt een cliënt in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming voor de kosten van: a. de aanschaf, aanpassing en het onderhoud van een sportvoorziening als uit het in artikel 2.1.4 bedoelde onderzoek blijkt dat de cliënt ondersteuning nodig heeft voor sporten in het kader van zelfredzaamheid en participatie, waarbij geldt dat: i. de gebruiksduur van de sportvoorziening minimaal drie jaar is en bij technische keuring moet blijken dat deze technisch niet meer functioneel is; en ii. de hoogte van de financiële tegemoetkoming voor een sportvoorziening maximaal € 3.000,- bedraagt. b. een verhuizing en herinrichting als uit het in artikel 2.1.4. bedoelde onderzoek blijkt dat verhuizing naar een aangepaste of eenvoudig aan te passen woning, gelet op de beperkingen van de cliënt, een goedkoopst passende bijdrage levert aan zijn zelfredzaamheid en participatie, waarbij geldt dat de hoogte van de financiële tegemoetkoming maximaal € 3.250,- bedraagt. 2.
Het college kan in afwijking van het bepaalde in lid 1 een hogere financiële tegemoetkoming toekennen indien de in lid 1 opgenomen bedragen zo ver afstaan van de werkelijke kosten van de compenserende maatregel, dat de financiële tegemoetkoming geen passende bijdrage meer levert aan het verminderen of wegnemen van de gevolgen van de beperkingen. Artikel 2.1.10c Aanvullende criteria beschermd wonen 1. In aanvulling op het gestelde in artikel 2.1.10 komt een cliënt in aanmerking voor beschermd wonen indien de cliënt: a. is aangewezen op een beschermende woonomgeving, gelet op complexe problematiek; b. niet geholpen is met 24-uurs (maatschappelijke) opvang of de ambulante maatwerkvoorziening(en) begeleiding, dagactiviteit al dan niet gecombineerd met respijtverblijf in een instelling; c. niet geholpen is met de inzet van een bereikbaarheidsdienst buiten kantooruren of crisisdiensten; d. voor zover aan de orde, een intramurale behandeling voor zijn psychiatrische aandoening heeft afgerond of deze niet meer op de voorgrond is; e. een herstel- of ontwikkeltraject accepteert dat op termijn gaat plaatsvinden met inachtneming van zijn mogelijkheden, gericht op het realiseren van een situatie waarin hij in staat wordt 9
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving; en met beschermd wonen in staat wordt gesteld om zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Een beschermende woonomgeving gaat gepaard met noodzakelijk verblijf in een accommodatie van een instelling waar het toezicht en de aangewezen ondersteuning 24 uur per dag wordt geboden in de vorm van fysiek aanwezig personeel. Een maatwerkvoorziening voor beschermd wonen wordt gesteld in de vorm van een zorgarrangement waarvoor geldt dat: a. het zorgarrangement betrekking heeft op de aard van de noodzakelijke begeleiding en het bijbehorend toezicht; b. de inzet van het zorgarrangement mede afhankelijk is van de omstandigheden en mogelijkheden van de cliënt zoals die door het college zijn vastgesteld tijdens het in artikel 2.1.4 en artikel 2.1.5 bedoelde vooronderzoek en gesprek. Beschermd wonen kent een all-in tarief, inclusief hotelmatige kosten, dagbesteding en vervoer. Het college kan nadere regels stellen over de zorgarrangementen beschermd wonen. f.
2.
3.
4. 5.
Artikel 2.1.10d Voorschrift bruikleen 1. Indien het college een voorziening in bruikleen verstrekt wordt daaraan het voorschrift verbonden dat de cliënt de voorziening zorgvuldig gebruikt. 2. Als bruikleengever de voorziening inneemt omdat de cliënt de voorziening niet zorgvuldig gebruikt, onderzoekt het college de mogelijkheid om de voorziening op een andere wijze te verstrekken. 3. Mocht de voorziening niet op een ander wijze zijn te verstrekken dan kan het college het besluit tot het verstrekken van de voorziening intrekken. Artikel 2.1.11 Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt opgenomen of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en of de voorziening in eigendom of in bruikleen wordt verstrekt. 2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in aanvulling op lid 1 in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. welke voorziening wordt verstrekt en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; en c. of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening. 3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in aanvulling op lid 1 in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. voor welk doel het pgb moet worden aangewend; b.
welke (kwaliteits-)eisen gelden voor de besteding van het pgb; c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; d. welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn; e. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; f. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb; en g. of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening.
Artikel 2.1.12 Soorten pgb 1. Indien de cliënt voldoet aan de voorwaarden die zijn opgenomen in artikel 2.3.6. lid 2 van de Wmo en aan de nader door het college te stellen criteria, kan een persoonsgebonden budget worden verstrekt. 2. Er zijn twee soorten persoonsgebonden budget te onderscheiden, te weten: a. pgb voor de aanschaf van een hulpmiddel, aanpassing van een hulpmiddel, dan wel woningaanpassing. b. pgb ten behoeve van de inkoop van diensten. Artikel 2.1.13 Regels voor een pgb 1. De cliënt of diens vertegenwoordiger dient een budgetplan in waarin in ieder geval is opgenomen: a. waar de cliënt zijn ondersteuning zal inkopen; b. op welke manier deze ondersteuning bijdraagt aan zijn participatie en zelfredzaamheid; 10
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
c. hoe de kwaliteit van de ondersteuning is gewaarborgd; d. welke diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, de cliënt van het budget wil betrekken; en e. indien van toepassing, welke van deze maatregelen de cliënt wil betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. 2. Indien de cliënt ondersteuning wenst te betrekken van een persoon uit het sociaal netwerk: a. wordt door de cliënt of diens vertegenwoordiger gemotiveerd aangegeven dat dit tot een gelijkwaardig of beter resultaat leidt dan bij de inzet van een dienst in natura; b. kan het college via een onafhankelijke en daartoe deskundige derde laten toetsen of deze persoon verantwoorde ondersteuning kan leveren. 3. Bij voorzieningen, als bedoeld in artikel 2.1.12 lid 2 onder a, is de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt gelijk aan de afschrijvingstermijn van de vergelijkbare in natura verstrekte voorzieningen. 4. Het college kan nadere regels stellen over de voorschriften die worden verbonden aan het pgb. Artikel 2.1.14 Hoogte pgb 1. De hoogte van een pgb, met uitzondering van een pgb voor beschermd wonen, wordt: a. vastgesteld aan de hand van een door de cliënt of diens vertegenwoordiger opgesteld budgetplan, bedoeld in artikel 2.1.13 lid 1; b.
2.
berekend op basis van een prijs of tarief: i. waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om tijdig veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten of andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van een professionele dienstverlener te betrekken; ii. waarbij rekening is gehouden met redelijke overheadkosten en het gestelde onder iv en v; iii. waarmee indien van toepassing, het pgb toereikend is om diensten of andere maatregelen van een niet-professionele dienstverlener of persoon die behoort tot het sociale netwerk te betrekken, rekening houdend met het onder vi, vii en viii gestelde tarief, iv. voor een hulpmiddel, woningaanpassing of aanpassing van de eigen auto: op maximaal 100% van de kostprijs van de goedkoopste adequate in de gemeente tijdig beschikbare maatwerkvoorziening in natura en indien van toepassing inclusief een vergoeding voor onderhoud en verzekeringen; v. voor een dienst, geleverd door een professionele dienstverlener: op maximaal 85% van de in de betreffende situatie goedkoopste adequate in de gemeente tijdig beschikbare maatwerkvoorziening in natura, of zoveel meer, tot ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopste adequate in de gemeente tijdig beschikbare maatwerkvoorziening in natura; vi.
voor een dienst, geleverd door een niet-professionele dienstverlener of iemand uit het sociaal netwerk: een tarief waarbij rekening wordt gehouden met de hoogste periodiek voor hulp in het huishouden, of ondersteunende begeleiding (FWG 30) in de CAO VVT plus vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. ; vii. voor groepsgerichte begeleiding geleverd door een niet-professionele dienstverlener of iemand uit het sociaal netwerk: op 85% van het tarief per dagdeel voor dagbesteding licht in natura, of zoveel meer, tot ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopste, adequate, in de gemeente tijdig beschikbare maatwerkvoorziening in natura; viii. voor het logeren binnen het sociaal netwerk: op basis van een onkostenvergoeding voor het vaste bedrag van € 31,15 per etmaal met een maximum van € 141,00 per maand. Voor een aantal voorzieningen geldt in aanvulling op bovenstaande leden voor het pgb het volgende: a. voor een woonvoorziening: wordt in het geval het pgb wordt verstrekt aan een huurder, de eigenaar van de woning geïnformeerd over de aanpassing
b.
voor onderhoud, reparatie en aanpassingen aan een voorziening: is de vergoeding voor instandhoudingskosten, waaronder onderhoud en reparatie, gelijk aan de kosten in natura 11
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
wanneer deze voorziening ook in natura te verkrijgen is.
3. Als voor een bepaalde voorziening geen adequate voorziening in natura is ingekocht wordt ter bepaling van de hoogte van de kostprijs: a. een of meerdere offertes opgevraagd; b. eventueel een nader gesprek gevoerd met de aanbieder van de voorziening;
Artikel 2.1.15 Hoogte pgb beschermd wonen 1. De hoogte van het pgb voor beschermd wonen wordt: a. vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld budgetplan waarin in ieder geval uiteen is gezet: i. het voor de cliënt van toepassing zijnde zorgarrangement; ii. het aantal geïndiceerde uren; en iii. dat het PGB redelijkerwijs toereikend is om tijdig veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten of andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van een professionele dienstverlener te betrekken waarbij rekening is gehouden met redelijke overheadkosten en het gestelde in sub b.; b. berekend op basis van een prijs of tarief zijnde maximaal 90% van het uurtarief van de in de betreffende situatie goedkoopste adequate in de gemeente tijdig beschikbare maatwerkvoorziening in natura of zoveel meer, tot ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopste adequate in de gemeente tijdig beschikbare maatwerkvoorziening in natura. 2. Het college kan nadere regels stellen over de eisen die gelden voor de accommodatie waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben voor wat betreft: a. het aantal bewoners; b. de inschrijving in de Basisregistratie personen (BRP); en, c. de eisen die gelden voor de accommodatie. Artikel 2.1.16 Weigeringsgronden voor een pgb 1. Het college kan een pgb weigeren dan wel terugvorderen wanneer gebleken is dat: a.
de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de cliënt het pgb niet of voor een ander doel heeft gebruikt; c. er eerder een pgb is verleend op grond van de verordening dan wel de hieraan voorafgaande verordening(en) en de cliënt zich niet heeft gehouden aan de bij de verlening van dat eerdere pgb opgelegde verplichtingen; d. de cliënt geen budgetplan kan aanleveren; e. naar het oordeel van het college uit het budgetplan onvoldoende blijkt dat het hulpmiddel, aanpassing van een hulpmiddel, dan wel woningaanpassing, of de dienst die de cliënt inkoopt met het pgb adequaat, veilig, cliëntgericht en kwalitatief verantwoord is; f. er naar het oordeel van het college het ernstige vermoeden bestaat dat de cliënt of degene die cliënt hierbij ondersteunt, problemen heeft bij het omgaan met een pgb; g. de cliënt een mobiliteitshulpmiddel dan wel een roerende voorziening heeft aangevraagd en in een zorginstelling zonder woonlasten met of zonder behandeling verblijft; h. de cliënt niet voldoet aan de overige aan het pgb verbonden voorwaarden. Artikel 2.1.17 Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo 1.
Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Wmo. 2. Onverminderd artikel 2.3.8 van de Wmo doet een cliënt aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de Wmo. 12
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
3. Onverminderd artikel 2.3.10 van de Wmo kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de Wmo herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is aangewezen; c. de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten; d. de cliënt langer dan twee maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet; e. de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden; of f. de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt. 4. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 5.
Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb. 6. Als het recht op een in eigendom of in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd. 7. Het college kan in de uitoefening van zijn centrale rol gehouden zijn om een voorziening te (doen) treffen waarvoor een derde voor de kosten aansprakelijk kan zijn. Het college neemt regres op die aansprakelijke derde op grond van artikel 2.4.3 van de Wmo. Artikel 2.1.18 Opschorting betaling uit het pgb 1. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de Wmo. 2.
Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.1.17, derde lid, onder d. 3. Het college stelt de persoon aan wie het pgb is verstrekt schriftelijk op de hoogte van een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid. Artikel 2.1.19 Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan. Artikel 2.1.20 Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen 1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening, bij zorg in natura, een pgb of een tegemoetkoming, zolang de cliënt van de voorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het wordt verstrekt. . 2. De hoogte van de bijdrage voor het gebruik van een of meerdere van de voorzieningen in het vorige lid genoemd tezamen bedraagt, onverminderd artikel 2.1.4 derde lid juncto 2.1.4a, vierde lid van de Wmo € 20,60 per maand voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënten waarvan beide partners de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt tezamen. 3.
De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen, zijn gelijk aan de kostprijs, doch ten hoogste € 20,60 per maand, tenzij overeenkomstig hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of een lagere bijdrage is verschuldigd. 4. De kostprijs van een: a. voorziening in natura wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of in werkafspraken met de aanbieder; b. voorziening in de vorm van een pgb is gelijk aan de hoogte van dat budget; c. voorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming is gelijk aan de hoogte van de financiële tegemoetkoming. 5. In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd voor volgende 13
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
maatwerkvoorzieningen: a. sportvoorzieningen; b. rolstoelen; c. tijdelijke huisvesting; d. huurderving; e. het verwijderen van een woonvoorziening; f. voorzieningen in algemene ruimten waaronder galerijophoging of deurautomaat op centrale toegangsdeur; g. een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt. 6. In afwijking van artikel 2.1.4a, vierde lid, van de Wmo is de cliënt met een indicatie voor het collectief vraagafhankelijk vervoer een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik daarvan en de paskosten. Deze bijdrage bedraagt maximaal het tarief, zoals dit geldt voor het openbaar vervoer. Artikel 2.1.20a Bijdrage in de kosten voor beschermd wonen 1. De cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor de maatwerkvoorziening beschermd wonen, zolang de cliënt van deze maatwerkvoorziening gebruik maakt. De eigen bijdrage is afhankelijk van het inkomen en eventueel vermogen. 2. Het college hanteert voor beschermd wonen de bedragen en percentages zoals vastgelegd in de Regeling vaststelling bedragen ex Besluit langdurige zorg en Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Artikel 2.1.21 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen en stellen eisen aan de deskundigheid van beroepskrachten door: a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; b.
het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg; en c. erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard. 2. Het college kan in nadere regels bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. Artikel 2.1.22 - Kwaliteitseisen gesteld aan hulpmiddelen en aanpassingen ingekocht met een persoonsgebonden budget De kwaliteitseisen gesteld aan met het pgb ingekochte hulpmiddelen en aanpassingen, geleverd door een professionele dienstverlener, zijn gelijk aan de kwaliteitseisen die worden gesteld aan de gecontracteerde zorgaanbieders. Artikel 2.1.23 Kwaliteitseisen gesteld aan diensten ingekocht met een pgb a. Indien een cliënt of diens vertegenwoordiger een pgb wenst in te zetten voor diensten van nietprofessionele dienstverleners worden hieraan de volgende voorwaarden gesteld: a.
de ondersteuning van de niet-professional overstijgt de gebruikelijke zorg en inzet voor elkaar; b. de zorg aan de ontvanger van het pgb leidt niet tot overbelasting van de niet-professional; c. er is geen druk op de ontvanger uitgeoefend bij de besluitvorming om de ondersteuning uit te laten voeren door de niet-professional; en d.
de ondersteuning door de niet-professional leidt naar het oordeel van het college aantoonbaar tot het geïndiceerde resultaat.
Artikel 2.1.24 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de Wmo en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met een derde; of b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor: 14
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
2.
3.
4.
5.
1. een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde; en 2. de vaste prijs, bedoeld onder a van dit lid. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de Wmo; en b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de Wmo, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: a. de kosten van de beroepskracht; b. redelijke overheadkosten; c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; d. reis en opleidingskosten; e. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; en f. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen aan aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad.
Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat.
Artikel 2.1.25 Calamiteiten en geweld 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder. 2. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar. 3. De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. 4. Aanbieders houden zich aan de geldende wetgeving. 5. Aanbieders informeren cliënten over de wijze waarop zij calamiteiten en geweldincidenten kunnen melden en hoe de procedure van het verwerken van meldingen van calamiteiten en geweldincidenten eruitziet in overeenstemming met de Wet klachtrecht cliënten zorgsector (Wkcz). Artikel 2.1.26 Jaarlijkse waardering mantelzorgers Het college legt in nadere regels vast waaruit de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat. Artikel 2.1.27 Klachtenregeling 1. Het college handelt klachten van cliënten, die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in dit hoofdstuk, af conform ‘Klachtenregeling gemeente Veenendaal’. 2.
Alle aanbieders van algemene en maatwerkvoorzieningen dienen te beschikken over een effectieve en laagdrempelige klachtenregeling voor de afhandeling van klachten van cliënten, conform de Wet klachtrecht cliënten zorgsector (WKCZ) en zij dienen dit onder de aandacht te brengen van hun cliënten. 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel 2.1.28 Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle voorzieningen. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en 15
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.
Artikel 2.1.29 Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1. Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2. Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 4. De adviesraden worden gezien als belangenbehartigers van de belangen van ingezetenen die een beroep doen op Wmo-ondersteuning. 5. Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van het tweede en derde lid.
16
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
3. JEUGDHULP 3.1 Toeleiding en toegang Jeugdhulp Artikel 3.1.1 Definities In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. andere voorziening: voorziening niet vallend onder de Jw, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen; b. familiegroepsplan: het familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de Jw; c. ondersteuningsplan: het hulpverleningsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de Jw; d. individuele voorziening: via een verleningsbeschikking toegankelijke op de jeugdige of zijn ouders toegesneden jeugdhulpvoorziening die door het college in natura of bij pgb wordt verstrekt; e. algemeen toegankelijke overige voorzieningen als bedoeld in artikel 2.9, onder a, van de Jw, voorzieningen: waarvoor geen verleningsbeschikking van het college is vereist; f. hulp uit het sociale natuurlijk persoon die jeugdhulp verleent die rechtstreeks voortvloeit netwerk: uit een tussen hem en de jeugdige of zijn ouders bestaande sociale relatie en die niet beroeps- of bedrijfsmatig wordt verleend. Artikel 3.1.2 Vormen van jeugdhulp 1. De algemeen toegankelijke voorzieningen zijn beschikbaar in de vorm van laagdrempelige kortdurende ondersteuning die tot doel heeft om opvoedingsverantwoordelijken te ondersteunen in het verbeteren van de eigen opvoedsituatie. 2.
Individuele voorzieningen zijn beschikbaar in de vorm van ondersteuning: a. die betrekking heeft op een complexe ondersteuningsvraag op één of meerdere levensterreinen (intensieve ondersteuning); b. die betrekking heeft op een deel van het vakgebied van de jeugdhulp en specialistische kennis vereist voor de uitvoering ervan (specialistische ondersteuning); c. die betrekking heeft op een complexe ondersteuningsvraag en specialistische kennis vereist voor de uitvoering ervan (specialistische intensieve ondersteuning); d. waar een hoge drempel voor geldt en alleen kan worden overwogen als alle andere vormen van ondersteuning niet voldoen (excluderende ondersteuning). 3. Het college stelt bij nadere regeling vast welke algemeen toegankelijke - en individuele voorzieningen op basis van het eerste en tweede lid beschikbaar zijn. Artikel 3.1.3 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 2. De huisarts, medisch specialist of jeugdarts kunnen jeugdigen of ouders rechtstreeks verwijzen naar een algemeen toegankelijke voorziening. Artikel 3.1.4 Toegang jeugdhulp via de gemeente 1.
Jeugdigen of ouders met een ondersteuningsvraag kunnen het college verzoeken om toeleiding naar een voorziening voor jeugdhulp. 2. In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke maatregel of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jw. 3. Jeugdigen of ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot een algemeen toegankelijke voorziening. Artikel 3.1.5 Ontvangstbevestiging en vooronderzoek 1. Het college bevestigt de ontvangst van een ondersteuningsvraag schriftelijk 2. Het college verzamelt alle voor het onderzoek van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de jeugdige en zijn situatie en maakt vervolgens zo spoedig mogelijk in overleg een 17
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
3.
4.
afspraak voor een gesprek met de jeugdige of zijn ouders. Hierbij brengt het college de jeugdige of zijn ouders op de hoogte van de mogelijkheid: a. om binnen een redelijke termijn een familiegroepsplan op te stellen; b. dat als de jeugdige of zijn ouders om ondersteuning bij het opstellen van een familiegroepsplan verzoeken, het college daarvoor zorg draagt; en c. zich tijdens het gesprek te kunnen laten bijstaan door een cliëntondersteuner. Voor het gesprek verschaffen de jeugdige of zijn ouders aan het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. Hiertoe behoort in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het tweede en derde lid.
Artikel 3.1.6 Gesprek en onderzoek 1. Het college onderzoekt in een gesprek met deskundigen, de jeugdige of zijn ouders en voor zover van toepassing de cliëntondersteuner, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig: a. de behoeften, persoonskenmerken, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het probleem of de ondersteuningsvraag; b. het gewenste resultaat en of daartoe jeugdhulp is benodigd; c. het vermogen van de jeugdige of zijn ouders om op eigen kracht of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de ondersteuningsvraag te vinden; d. de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening; e. de mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking van een algemeen toegankelijke voorziening; f. de mogelijkheden om een individuele voorziening te treffen; g. de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen of veiligheid; h. hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders; i. de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb waarbij in begrijpelijke bewoordingen wordt uitgelegd wat de gevolgen zijn van die keuze. 2.
Als de jeugdige of zijn ouders een familiegroepsplan hebben opgesteld, betrekt het college dat als eerste bij het gesprek. 3 Het college informeert de jeugdige of zijn ouders over de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure. 4. Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van een gesprek. Artikel 3.1.7 Gespreksverslag of ondersteuningsplan 1. Van het gesprek wordt een verslag gemaakt, waarin ook het oordeel van het college over de wenselijkheid van een individuele of algemeen toegankelijke voorziening wordt vastgelegd onder vermelding van de aan de jeugdige of zijn ouders kenbaar gemaakte gevolgen. 2. Indien het gesprek naar het oordeel van het college leidt tot de wenselijkheid van een individuele voorziening wordt een ondersteuningsplan opgesteld. 3. Binnen 10 werkdagen na afronding van het gesprek verstrekt het college aan de jeugdige of zijn ouders het gespreksverslag en, in voorkomend geval, het ondersteuningsplan. 4. Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouders worden toegevoegd aan het gespreksverslag of, in voorkomend geval, het ondersteuningsplan. Artikel 3.1.8 Aanvraag 1. Jeugdigen en ouders kunnen een aanvraag om een individuele voorziening mondeling of schriftelijk indienen bij het college. 2. Het college bevestigt een mondelinge aanvraag schriftelijk. 3.
Het college kan een ondertekend ondersteuningsplan aanmerken als aanvraag indien de jeugdige of zijn ouders dat hebben aangegeven op het ondersteuningsplan. 4. Een aanvraag om een individuele voorziening wordt niet ingediend voordat een gesprek als bedoeld in artikel 3.1.6 heeft plaatsgevonden, tenzij het college toepassing heeft gegeven aan artikel 3.1.6, derde lid. 18
Integrale verordening sociaal domein Veenendaal
Artikel 3.1.9 Verstrekking individuele voorziening 1. Het college neemt het ondersteuningsplan als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een individuele voorziening. 2. Het college kan een individuele voorziening verstrekken voor zover in het ondersteuningsplan zoals bedoeld in artikel 3.1.7, tweede lid, is vastgesteld dat de jeugdige of zijn ouders jeugdhulp nodig hebben en deze: a. op eigen kracht of met andere personen uit zijn naaste omgeving geen oplossing voor zijn ondersteuningsvraag kan vinden; b. geen oplossing kan vinden voor zijn ondersteuningsvraag door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een algemeen toegankelijke voorziening; c. geen oplossing kan vinden voor zijn ondersteuningsvraag door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een andere voorziening. 3. Het college verstrekt een individuele voorziening als een verwijzing zoals bedoeld in artikel 3.1.3, eerste lid, is afgegeven en de jeugdhulpaanbieder, na een onderzoek overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.1.6, eerste lid onder a. tot en met i., van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 4. Het college kan afwijken van het oordeel van de jeugdhulpaanbieder als bedoeld in lid 3, indien dit oordeel niet voldoet aan het bepaalde in het derde lid of de professionele standaard. 5. Bij het verstrekken van een individuele voorziening wordt altijd uitgegaan van: a.
een passende voorziening die het meest effectief (doeltreffend) en efficiënt (doelmatig) is; b. die zo licht en kortdurend als mogelijk is; en c. tegen de laagste kosten. Artikel 3.1.10 Beslistermijn 1. Het college beslist binnen 8 weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het college kan deze termijn met ten hoogste 8 weken verlengen. Artikel 3.1.11 Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt; 2. Bij het verstrekken van een voorziening in natura worden in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. de met de jeugdige of zijn ouders gemaakte afspraken, waaronder de te treffen voorziening en het beoogde resultaat daarvan, middels een verwijzing naar het ondersteuningsplan; b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; c. hoe de voorziening wordt verstrekt; en d. indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 3. Bij het verstrekken van een voorziening als pgb wordt in de beschikking vastgelegd: a. de met de jeugdige of zijn ouders gemaakte afspraken opgenomen in het ondersteuningsplan; b. voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend; c. voor welke individuele voorziening het pgb kan worden aangewend; d. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; e.