4. Fiscaliseren en optimalisatie parkeergarages - memo nadere onderbouwing
Tekst van het document
MEMO Extra onderbouwing raadsvoorstel Fiscalisering parkeergarages. Het telefonisch overleg met de Belastingdienst bevestigt ons standpunt Tijdens de raadscommissie is er nogmaals gevraagd om een uitspraak van de Belastingdienst en het goed laten uitzoeken van de consequenties voor onze BTW betaling en BTW aftrek. Er is contact gezocht met de Belastingdienst. In dat gesprek is nogmaals bevestigd dat de gemeente in het kader van Horizontaal Toezicht alleen een casus voorlegt indien dat onderwerp voor discussie vatbaar is. Aangegeven is dat op dit moment in de gemeenteraad het inhoudelijk-politieke debat rond parkeren en btw speelt. De gemeente en de belastingdienst zijn gezamenlijk van mening dat bij parkeren voor de btw de kern van de discussie gaat om het verzekeren van de betaling: op geen enkele manier mag bij de ingang of bij de uitgang een fysieke barrière of een registratie plaatsvinden ter verzekering van de betaling (art 3 uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968). Wanneer dat correct verloopt, betreft het ‘straatparkeren’ waarvan de inkoop-btw compensabel is. Dan maakt het niet meer zoveel uit of op straat wordt geparkeerd of drie-laags onder de grond. Op basis van dit gesprek hebben Belastingdienst en gemeente gezamenlijk de conclusie getrokken dat dit geen casus is die moet worden voorgelegd. De vraag formeel voorleggen zou ook veel vertraging kunnen opleveren.
Ook bij de uitwerking houdt de gemeente zich aan bovenstaande regel. Er vindt op geen enkele manier bij de in- of uitgang registratie plaats ter verzekering van de betaling. Er vindt alleen controle door de BOA plaats. Het arrest van de Hoge Raad heeft geen invloed op ons standpunt Tijdens de voorbereiding van de raadsvergadering van 25 maart 2021, is het college op de hoogte gesteld van het Ordevoorstel van Lokaal Veenendaal, waarin gevraagd wordt om het raadsbesluit nog niet te nemen en dit raadsvoorstel op een later tijdstip te laten agenderen. Het college hecht eraan om de raadsleden van tevoren extra te informeren. Daarom is deze memo geschreven als reactie op de inhoud van dit ordevoorstel. Het arrest van de Hoge Raad (HR) doet een uitspraak over het kunnen verrekenen van de BTW via het BTW compensatiefonds (BCF) bij het in bedrijf hebben van een begraafplaats. Draagt de gemeente terecht geen BTW af over de activiteiten (begraven, uitstrooien) op de begraafplaats, omdat zij dit doet in het kader van de Wet op de lijkbezorging? De HR oordeelt (kort samengevat) dat de gemeente hiervoor geen overheidsprerogatief heeft. De gemeente zet geen instrumenten in die, voor het begraven, alleen vanuit de overheid kunnen worden ingezet, zoals bijvoorbeeld handhaving, naheffing en een stelsel van vergunningen.
De situatie rondom het fiscaliseren van de parkeergarages is om een aantal redenen niet vergelijkbaar: 1. Het arrest van de Hoge Raad bevestigt ons standpunt Het heffen van parkeerbelasting op basis van een parkeerverordening is noodzakelijk om te kunnen heffen en te kunnen handhaven. Maar het heffen van parkeerbelasting maakt nog niet dat het parkeren voor de btw ook als een overheidstaak wordt beschouwd. Daarvoor is meer nodig. 2. In de uitvoeringsbeschikking OB 1968 wordt, anders dan voor begraven, parkeren expliciet benoemd (artikel 3: Publiekrechtelijke lichamen worden als ondernemer aangemerkt met betrekking tot het geven van gelegenheid tot parkeren waarbij een fysieke barrière ter verzekering van de betaling van het parkeergeld dient). Daar waar geen (virtuele) slagboom wordt gebruikt ter verzekering van de betaling, maar een systeem van handhaving en naheffingen wordt toegepast, is op basis van dit artikel sprake van overheidshandelen. 3. De wet BCF en de wet op omzetbelasting (wet OB 1968) maken gebruik van dezelfde definities en bepalingen. Dit zal ook leiden tot dezelfde conclusies: het gefiscaliseerde parkeren is in het
kader van de wet op de omzetbelasting een overheidshandeling en komt voor BTWcompensatie in aanmerking. Aan zowel de juridische adviseur (Nysingh) als aan de fiscale adviseur (EFK) is advies gevraagd over hoe het arrest van de Hoge Raad (18/01712) van invloed is op de besluitvorming rondom het fiscaliseren. Nysingh geeft aan dat juridisch gezien de situatie rondom de parkeergarages door dit arrest niet wijzigt, en dat het vooral de visie onderbouwt dat een AB-besluit noodzakelijk is. EFK bevestigt de stelling dat bij het gebruiken van de voorgestelde uitwerking in de parkeergarages wij vrijgesteld zijn van de BTW-heffing. Desgevraagd bevestigt zij ook dat de uitspraak van de Hogeraad inzake de BTW verrekening in verband met de begraafplaats geen invloed heeft op dit raadsvoorstel en dat bij de voorgestelde werkwijze de gemeente niet BTW-plichtig zal zijn. Wat betekent uitstel van besluitvorming voor het parkeerbedrijf. Uitstel van besluitvorming heeft grote consequenties voor het parkeerbedrijf en heeft met name gevolgen voor: a. De nieuwe aanbesteding van de parkeerdiensten. Het huidige contract met P1 loopt tot 1 september en het is voor P1 niet in te passen dit te verlengen. Nu wordt gewerkt aan de aanbesteding van de verschillende parkeertaken.
Voor een goede overgang, waar ook onze klanten zo min mogelijk last van hebben, is het van belang dat P1 en de nieuwe contractant(en) enige tijd samen kunnen oplopen, een nieuwe partij start bij voorkeur in juli met voorbereidingen zodat zij 1 september volop aan de slag kunnen. Er is dan twee maanden tijd om alles goed in te regelen en over te dragen. Ervaring bij de vorige aanbesteding leert dat twee maanden hiervoor een goede termijn is. Indien deze termijn korter is, zal dit in het begin consequenties hebben voor het functioneren van het parkeerbedrijf. Om het aanbestedingsproces zo efficiënt mogelijk te laten verlopen is het noodzakelijk goede informatie te geven over de eventuele fiscalisering. Hiermee voorkomen we dat in een latere fase in de aanbesteding weer andere informatie moet worden verstrekt wat leidt tot onduidelijkheid en meer werk bij de inschrijvers. Dit geldt met name voor de aanbesteding van de handhaving via een scanauto. b. Na uw besluit tot fiscaliseren moet de software (en hardware) van de parkeerapparatuur worden aangepast. De voorbereidingen hiervoor starten direct na uw besluit. Bij een later besluit is het technisch gezien nog mogelijk het fiscaliseren rond 1 juli te effectueren, alleen de tijd om eventuele tegenslag te verwerken is zeer beperkt. Dit kan nadelig zijn voor de klantvriendelijkheid. c.
Tot slot moet ook nog besluitvorming (in het college) plaatsvinden over het aanwijzingsbesluit parkeren Veenendaal, waarmee de ‘regels’ voor het gebruik van de parkeergarages worden vastgelegd. Op dit besluit is bezwaar mogelijk. Dit betekent dat dit besluit wordt gepubliceerd en dat belanghebbenden vervolgens gedurende 6 weken bezwaar mogen maken. Alhoewel een bezwaar het besluit niet opschort, is het wel behoorlijk bestuur deze periode af te wachten voor de situatie daadwerkelijk te wijzigen en enige tijd in te plannen voor eventuele reacties. Eventueel zou ook bij later besluitvorming de ingangsdatum van het fiscaliseren later in kunnen gaan. Dit heeft een positief effect op het aanpassen van de software (ad b) en de besluitvorming rondom het aanwijzingsbesluit parkeren Veenendaal (ad c). Wat betreft de nieuwe aanbesteding van de parkeerdiensten blijven de nadelen echter bestaan omdat er op 1 september wel een functionerend parkeerbedrijf moet staan. Conclusie: Het college adviseert de raad om het raadsvoorstel over het fiscaliseren van de parkeergarages te behandelen op 25 maart 2021.