CConstaterende datVeenendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

4. Bijlage 2 TAM-omgevingsplan Franse Gat deelgebied 3 Regels

Gemeenteraad 2 juli 2026, gemeente VeenendaalBij agendapunt: Vaststellen TAM omgevingsplan Franse Gat deelgebied 37.961 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

bestemmingsplan

TAM-omgevingsplan Franse Gat deelgebied 3 Veenendaal

DATUM IMRO IDN

16-04-2026 NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-vg01

PROJECT PROJECTLEIDER

Franse Gat deelgebied 3 M.M.W. Backx

OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER

Veenvesters 20250653

AUTEUR STATUS

S. Breukhoven, S. Drost vastgesteld

Inhoudsopgave

Regels

5

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

6

Artikel 1

Begripsbepalingen

6

Artikel 2

Toepassingsbereik

11

Artikel 3

Meet- en rekenbepalingen

12

Artikel 4

Algemeen gebruiks- en bouwverbod

14

Hoofdstuk 2

Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving

15

Artikel 5

Archeologisch waardevol gebied - aanwijzing

15

Artikel 6

Grondwaterbeschermingsgebied - aanwijzing

16

Hoofdstuk 3

Benutten van de fysieke leefomgeving

17

Artikel 7

Gebruiksactiviteiten algemeen - verbod

17

Artikel 8

Verkeer - activiteiten binnen verkeer - toegestaan

18

Artikel 9

Wonen - wonen - toegestaan

19

Ondergeschikte gebruiksactiviteiten

20

Wonen - Beroep of bedrijf aan huis - toegestaan

20

Bouwactiviteiten

21

Artikel 11

Algemene regels bouwactiviteiten

21

Artikel 12

Gebouw bouwen - vergunningplicht

23

Artikel 13

Hoofdgebouw bouwen - vergunningplicht

24

Artikel 14

Bijbehorend bouwwerk bouwen - toegestaan

25

Artikel 15

Bijbehorend bouwwerk bouwen - meldingsplicht

26

Artikel 16

Bijbehorend bouwwerk bouwen - vergunningplicht

27

Artikel 17

Ander bouwwerk bouwen - vergunningplicht

28

Artikel 18

Bouwactiviteiten in archeologisch waardevol gebied - vergunningplicht

29

Aanlegactiviteiten

31

Artikel 19

Aanlegactiviteiten algemeen - toegestaan

31

Artikel 20

Aanlegactiviteiten in archeologisch waardevol gebied - toegestaan

32

Artikel 21

Aanlegactiviteiten in archeologisch waardevol gebied - vergunningplicht

33

Artikel 22

Aanlegactiviteiten in grondwaterbeschermingsgebied - toegestaan

35

Artikel 23

Aanlegactiviteiten in grondwaterbeschermingsgebied - vergunningplicht

36

Hoofdstuk 4 Artikel 10

Hoofdstuk 5

Hoofdstuk 6

3/39

Hoofdstuk 7

Overige activiteiten

37

Artikel 24

Parkeren

37

Artikel 25

Laad- en losruimte

38

Overgangs - en slotregels

39

Overgangsrecht

39

Hoofdstuk 8 Artikel 26

4/39

Regels Preambule Dit plan beoogt maximaal 168 woningen mogelijk te maken op de locatie Franse Gat, deelgebied 3 te Veenendaal. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Veenendaal (hierna: het omgevingsplan). De in deze wijziging van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als afdelingen van hoofdstuk 22c van het omgevingsplan. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22c' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22c' gelezen worden.

5/39

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit TAM-omgevingsplan gelden de volgende begripsbepalingen: 1.1 toepassing omgevingsplan artikel 1.1 van het Omgevingsbesluit, artikel 1.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, artikel 1.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn van overeenkomstige toepassing op dit TAM-omgevingsplan, tenzij hierna daarvan is afgeweken. 1.2 plan het omgevingsplan van de gemeente Veenendaal. 1.3 TAM-omgevingsplan het TAM-omgevingsplan 'TAM-omgevingsplan Franse Gat deelgebied 3' met identificatienummer NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-vg01 van de gemeente Veenendaal. 1.4 aanduiding een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het uitvoeren van activiteiten. 1.5 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.6 aaneengebouwd hoofdgebouw blokken van meer dan twee niet-gestapelde woningen waarvan de hoofdgebouwen aan elkaar zijn gebouwd. 1.7 achtergevel een van de weg of openbaar toegankelijk gebied afgekeerde gevel van een (hoofd)gebouw. 1.8 additionele voorzieningen voorzieningen die een onderdeel vormen van en ondergeschikt zijn aan een activiteit of functie.

1.9 ambachtelijk bedrijf een bedrijf, dat is gericht op het geheel of overwegend door middel van handwerk vervaardigen, bewerken of herstellen van goederen. 1.10 archeologisch onderzoek onderzoek verricht door een dienst, bedrijf of instelling erkend door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) en werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA).

6/39

1.11 archeologisch vooronderzoek archeologisch vooronderzoek dat kan bestaan uit locatiegericht bureauonderzoek, booronderzoek, geofysisch prospectieonderzoek, het graven van proefsleuven of een combinatie daarvan. De verschillende vormen van onderzoek worden verricht door een erkende partij en uitgevoerd volgens de desbetreffende specificaties in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). De resultaten van het onderzoek worden weergegeven en geïnterpreteerd in een rapport. 1.12 archeologische verwachting de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische relicten in dat gebied. 1.13 archeologische waarde de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende archeologische relicten. 1.14 balkon een buiten de gevel stekende constructieve open buitenruimte van een gebouw die niet verbonden is met de begane grond of een aan- of uitbouw. 1.15 bebouwing één of meer gebouwen of bouwwerken, geen gebouw zijnde. 1.16 bestaand bouwwerk legaal bouwwerk dat op het moment van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien mag worden gebouwd op grond van een verleende omgevingsvergunning.

1.17 bodemgevoelig bijbehorend bouwwerk een op de grond staand (gedeelte van een) bijbehorend bouwwerk van meer dan 50 m2 waarin personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. 1.18 bouwgrens de grens van een locatie waarbinnen bouwactiviteiten zijn toegelaten. 1.19 bouwlaag een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder. 1.20 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.21 bouwperceelgrens de grens van een bouwperceel.

7/39

1.22 dakkapel uitbouw in een schuin dakvlak van een gebouw, zonder aanpassing van de nok van dit gebouw en waarbij rondom de dakkapel sprake is van dak(bedekking). 1.23 dakopstand de verticale verhoogde dakrand bij een plat dak. 1.24 dakoverstek het deel van het dakvlak dat uitsteekt onder de gevel. 1.25 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.26 dienstverlening het bedrijfsmatig verlenen van diensten aan of ten gerieve van bedrijven en/of personen, zoals administratie-, reclame-, advocaten-, makelaars-, notaris-, werkbemiddelings-, reis-, advies- en ingenieursbureaus, kappers, medische praktijken en voorzieningen ten behoeve van sport en sportieve recreatie. 1.27

erkende partij

een dienst, bedrijf of instelling, erkend door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) en werkend volgens de specificaties van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. 1.28 erker een ondergeschikt uitgebouwd gedeelte (uitbouw) van een woning aan een gevel, in één bouwlaag 1.29 gestapeld hoofdgebouw een woongebouw dat bestaat uit twee of meer boven -of nagenoeg boven- elkaar gesitueerde woningen. 1.30 huishouden persoon of groep personen die een huishouding voert, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan. 1.31 infrastructuur voorzieningen ten behoeve van verkeer en waterhuishouding zoals stuwen, bruggen, tunnels, duikers, aanlegsteigers, vlonders, kadewanden, keermuren, lichtmasten, beeldende kunst, openbaar vervoer haltes, overkappingen, stallingsruimten, verkeersborden, verkeersgeleiders, verkeersregelinstallaties en afvalcontainers, alsmede parkeervoorzieningen, en een geluidbeperkende voorziening. 1.32 kaart de digitale voorstelling van de in dit TAM-omgevingsplan opgenomen digitale ruimtelijke informatie.

8/39

1.33 laden en lossen onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht bij voortduring inladen of uitladen van goederen van enige omvang of enig gewicht, gedurende de tijd die daarvoor nodig is. 1.34 locatie een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waarmee ingevolge de regels bepaalde activiteiten zijn toegelaten. 1.35 locatiegrens de grens van een locatie. 1.36 nutsvoorzieningen voorzieningen ten behoeve van (de aansluiting op) het openbare net van gas, water, elektriciteit, riolering, stadsverwarming en het telecommunicatieverkeer of daaraan gelijk te stellen voorzieningen. 1.37 ondergronds bouwwerk een (gedeelte van een) bouwwerk, waarvan de vloer is gelegen beneden peil. 1.38 oorspronkelijk hoofdgebouw het hoofdgebouw zoals dat ten tijde van de afronding van de bouwwerkzaamheden, overeenkomstig de voor het hoofdgebouw verleende vergunning, is opgeleverd. 1.39 opgraving de ontsluiting van een archeologische vindplaats met als doel de informatie te verzamelen en vast te leggen die nodig is voor het beantwoorden van de in het Programma van Eisen verwoorde onderzoeksvra(a)g(en) en het behalen van de onderzoeksdoelstellingen. Opgravingen worden verricht door een erkende partij en uitgevoerd volgens de desbetreffende specificatie in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA).

1.40 overkapping een bijbehorend bouwwerk in de vorm van een bouwwerk van één bouwlaag dat dient ter overdekking en waarvan de steunconstructie uit ten hoogste één wand bestaat. 1.41 parkeren een voertuig dat langer stilstaat dan nodig is voor het in- en uitstappen of voor het laden en lossen. 1.42 perceel een aaneengesloten stuk grond waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar horende bebouwing is toegelaten. 1.43 perceelgrens de grens van een perceel. 1.44 plaatselijke verhoging een verhoging van een gebouw van beperkte omvang zoals luchtkokers, liftkokers, lichtkappen en technische installaties.

9/39

1.45 Programma van Eisen (PvE) document waarin onderzoeksvragen en uitvoeringseisen voor het uit te voeren archeologisch onderzoek in de vorm van proefsleuven of een opgraving staan geformuleerd. Voor aanvang van het onderzoek dient het PvE door burgemeester en wethouders te zijn goedgekeurd. 1.46 recreatief nachtverblijf gebruik van bebouwing, uitsluitend bestemd om te dienen voor kortdurend recreatief nachtverblijf door een persoon, gezin of andere groep van personen, die zijn/hun vaste woon- of verblijfplaats elders hebben; onder recreatief nachtverblijf is in ieder geval niet begrepen permanente bewoning door eenzelfde persoon, gezin of andere groep van personen. 1.47 voertuig vervoermiddel dat dient om goederen of personen over land te vervoeren. 1.48 voorgevel de naar de openbaar toegankelijk gebied gekeerde gevel van het hoofdgebouw, erkers en luifels niet meegerekend. 1.49 voorgevelrooilijn de denkbeeldige lijn waarop de voorgevel(s) van het hoofdgebouw is/zijn geplaats. 1.50 woning een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor huisvesting in een zelfstandige woning van maximaal één huishouden. 1.51 wooneenheid een woning. 1.52 zelfstandige woning een woning met eigen toegang, eigen keuken en toilet. 1.53 zijgevel een gevel van een (hoofd)gebouw, niet zijnde een voor- of achtergevel.

10/39

Artikel 2

Toepassingsbereik

a. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld onder d. b. De regels in artikel 4.5 en paragraaf 5.6.5 van het plan zijn niet van toepassing op de locatie bedoeld onder d. c. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 van het plan zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit TAM-omgevingsplan. d. De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie 'TAM-omgevingsplan Franse Gat deelgebied 3', waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-vg01.

11/39

Artikel 3

Meet- en rekenbepalingen

In aanvulling op artikel 22.24 van het plan, gelden de volgende meet- en rekenbepalingen: 3.1 de afmetingen, diepte en breedte van overige bouwwerken tussen de verst van elkaar gelegen punten van die bouwwerken, horizontaal, dan wel verticaal gemeten; 3.2 de afstand tot de (zijdelingse) perceelgrens de kortste afstand tussen de grens van een bouwperceel en enig punt van het op het bouwperceel voorkomende of nog te bouwen gebouw; 3.3 de afstand tussen gebouwen de kortste afstand tussen de buitenwerkse gevelvlakken van de gebouwen; 3.4 de ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk vanaf het peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend; 3.5 de brutovloeroppervlakte van een gebouw gemeten (op alle bouwlagen) op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande scheidingsconstructies, of tot het hart van de desbetreffende scheidingsconstructie, indien de binnenruimte van het gebouw grenst aan de binnenruimte van een ander gebouw; 3.6 de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 3.7 de dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 3.8 de lengte, breedte en diepte van een bouwwerk tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde

van de gevels (en/of hart van scheidingsmuren); 3.9 de goothoogte van een bouwwerk de hoogte van het snijpunt van het dakvlak met het zijdelingse gevelvlak, gemeten vanaf het peil; 3.10 de hoogte van een bouwlaag de horizontale projectie van de ruimte tussen de harten van de vloeren of balklagen; 3.11 de oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 3.12 de inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

12/39

3.13 het buitenwerks meten van maten voor het meten van maten geldt dat uitstekende delen van ondergeschikte aard tot maximaal 0,5 meter buiten beschouwing blijven, zoals bij dakgoten, dakoverstekken, regenafvoerpijpen, rookgasafvoeren en kleine schoorstenen; 3.14 het peil a. voor een gebouw, waarvan de hoofdtoegang grenst aan de weg: de hoogte van de kruin van de weg; b. voor andere gebouwen en overige bouwwerken: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein.

13/39

Artikel 4

Algemeen gebruiks- en bouwverbod

Niet genoemde gebruiks- en bouwactiviteiten en gebruiks- en bouwactiviteiten die in strijd zijn met dit TAM-omgevingsplan zijn niet toegestaan, met uitzondering van het in stand houden en gebruiken van bestaande bouwwerken.

14/39

Hoofdstuk 2 Artikel 5

Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving

Archeologisch waardevol gebied - aanwijzing

De gronden ter plaatse van de locatie 'Waarde - Archeologie' zijn aangewezen als archeologisch waardevol gebied.

15/39

Artikel 6

Grondwaterbeschermingsgebied - aanwijzing

De gronden ter plaatse van de locatie 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' zijn aangewezen als grondwaterbeschermingsgebied.

16/39

Hoofdstuk 3 Artikel 7

Benutten van de fysieke leefomgeving

Gebruiksactiviteiten algemeen - verbod

7.1 Toepassingsbereik De regels van dit artikel zijn van toepassing op gebruiksactiviteiten. 7.2 Gebruiksactiviteiten algemeen - verbod In aanvulling op hoofdstuk 5 van het plan is het verboden om de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten: a. het gebruiken van bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, maar die zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan; a. het gebruiken van nieuw op te richten bouwwerken die niet in overeenstemming zijn met de regels van het plan of dit TAM-omgevingsplan; b. het gebruiken van niet-bebouwde grond als staan- of ligplaats voor kampeermiddelen buiten de daarvoor aangewezen gronden; c. het gebruiken van niet-bebouwde grond als staan- of ligplaats voor: 1. (menselijk of dierlijk) verblijf geschikte, al dan niet aan hun bestemming onttrokken, vaar- of voertuigen en arken; of 2. andere objecten, voor zover die niet als bouwwerk zijn aan te merken; d. het gebruiken van niet-bebouwde grond voor het opslaan, storten of bergen van al dan niet afgedankte stoffen, voorwerpen en producten, tenzij dit gebruik noodzakelijk is voor of verband houdt met het toegestane gebruik van de gronden.

17/39

Artikel 8

Verkeer - activiteiten binnen verkeer - toegestaan

8.1 Toepassingsbereik De regels van dit artikel zijn van toepassing op activiteiten ter plaatse van de locatie 'Verkeer - Activiteiten binnen verkeer - toegestaan'. 8.2 Activiteiten binnen verkeer - toegestaan De volgende activiteiten zijn toegestaan: a. het aanleggen, in gebruik nemen en in stand houden van: 1. voorzieningen ten behoeve van wegverkeer; 2. infrastructuur; 3. nutsvoorzieningen; 4. standplaatsen; 5. groenvoorzieningen; 6. (speel)pleinen; en 7. additionele voorzieningen.

18/39

Artikel 9

Wonen - wonen - toegestaan

9.1 Toepassingsbereik a. De regels in dit artikel zijn van toepassing op wonen ter plaatse van de locatie 'Wonen - Wonen - toegestaan'. b. Onder wonen, als bedoeld in dit artikel wordt verstaan: 1. het bewonen van een zelfstandige woning door één huishouden; 2. het gebruik van gronden als parkeer- en stallingsvoorzieningen ondergeschikt aan het wonen; 3. het gebruik van nutsvoorzieningen ondergeschikt aan het wonen; 4. het gebruik van additionele voorzieningen ondergeschikt aan het wonen. c. Onder wonen, als bedoeld in dit artikel wordt niet verstaan: 1. het bewonen van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk; 2. het aanbieden van recreatief nachtverblijf in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk. 9.2 Wonen - toegestaan a. Wonen is toegestaan als: 1. ten minste 30% van de woningen sociale woningen zijn die voldoen aan paragraaf 6.1.1 van het plan ten tijde van de aanvraag op grond van artikel 22.26 van het plan voor het bouwen van een hoofdgebouw; en 2. ten minste twee derde van de sociale woningen sociale huurwoningen zijn die voldoen aan paragraaf 6.1.1 van het plan ten tijde van de aanvraag op grond van artikel 22.26 van het plan voor het bouwen van een hoofdgebouw. b. Het aantal wooneenheden dat mag worden gebruikt ten behoeve van wonen bedraagt niet meer dan: 1. 13 wooneenheden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 3a1' 2.

26 wooneenheden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 3a2' 3. 56 wooneenheden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 3b'; 4. 20 wooneenheden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 3c1'; 5. 17 wooneenheden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 3c2'; 6. 8 wooneenheden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 3c3'; 7. 3 wooneenheden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 3c4'; en 8. 25 wooneenheden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 3d'.

19/39

Hoofdstuk 4

Ondergeschikte gebruiksactiviteiten

Artikel 10 Wonen - Beroep of bedrijf aan huis - toegestaan 10.1 Toepassingsbereik a. De regels van dit artikel zijn van toepassing op de uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis ter plaatse van de locatie 'Wonen - Beroep of bedrijf aan huis - toegestaan'. b. Onder de uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis als bedoeld in dit artikel wordt verstaan: 1. het door bewoners uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, geheel of overwegend door middel van handwerk; 2. het door bewoners verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig en ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied; en 3. internetverkoop zonder afhaal- of uitstalfunctie. 10.2 Beroep of bedrijf aan huis - toegestaan De uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis is toegestaan als: a. niet meer dan 30% van de oppervlakte van de bebouwing op het bouwperceel ten behoeve van deze activiteit wordt gebruikt, tot een maximum van 45 m2; b. geen afbreuk wordt gedaan aan de woonfunctie waar de activiteit bij wordt uitgeoefend; c. geen afbreuk wordt gedaan aan het woonkarakter en de woonkwaliteit van de directe omgeving als gevolg van de activiteit; d. wordt voldaan aan afdeling 22.3 van het plan; e. geen sprake is van zodanig verkeersaantrekkende activiteiten die verkeersoverlast veroorzaken of die verkeersmaatregelen noodzakelijk maken; en f.

de parkeercapaciteit in de directe omgeving voldoende is om de toename van de parkeerbehoefte op te vangen, wat moet worden beoordeeld volgens de “Notitie Parkeernormen Veenendaal 2020, herziening 2023”.

20/39

Hoofdstuk 5

Bouwactiviteiten

Artikel 11 Algemene regels bouwactiviteiten 11.1 Toepassingsbereik Dit artikel is van toepassing op het bouwen en in stand houden van bouwwerken. 11.2 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven, of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing. 11.3 Plaatselijke verhogingen 11.3.1 Plaatselijke verhogingen - specifieke aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning op grond van artikel 22.26 van het plan, voor het overschrijden van bouwhoogten ten behoeve van plaatselijke verhogingen, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. tekening waaruit blijkt wat de overschrijding van de bouwhoogte is; en b. toelichting waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de beoordelingsregels als genoemd in artikel 11.3.2 van dit TAM-omgevingsplan. 11.3.2 Plaatselijke verhogingen - beoordelingsregels In aanvulling op artikel 22.29 van het plan wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan, voor het overschrijden van bouwhoogten ten behoeve van plaatselijke verhogingen, alleen verleend als: a. de geldende maximale bouwhoogte met niet meer dan 20% wordt overschreden; b. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad; en c.

het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad. 11.3.3 Plaatselijke verhogingen - voorschriften Aan een omgevingsvergunning op grond van artikel 22.26 van het plan kunnen voorschriften worden verbonden. 11.4 Overschrijding bouwgrenzen 11.4.1 Overschrijding bouwgrenzen - specifieke aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning op grond van artikel 22.26 van het plan, voor het overschrijden van bouwgrenzen van de locatie 'Hoofdgebouw bouwen - vergunningplicht' of 'Gebouw bouwen vergunningplicht', worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. tekening waaruit blijkt wat de overschrijding van de bouwgrens is. 11.4.2 Overschrijding bouwgrenzen - beoordelingsregels In aanvulling op artikel 22.29 van het plan wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan, voor het overschrijden van bouwgrenzen van de locatie 'Hoofdgebouw bouwen - vergunningplicht' of 'Gebouw bouwen - vergunningplicht', alleen verleend als: a. de overschrijding plaatsvindt door ingangspartijen, luifels, (franse) balkons, loggia's, galerijen of trappenhuizen; en b. de overschrijding niet meer dan 1,5 meter bedraagt.

21/39

11.4.3 Overschrijding bouwgrenzen - voorschriften Aan een omgevingsvergunning op grond van artikel 22.26 van het plan kunnen voorschriften worden verbonden. 11.5 Regels over het uiterlijk van bouwwerken 11.5.1 Bouwwerk bouwen - algemene regel In afwijking van artikel 22.7 van het plan geldt dat het uiterlijk van de volgende bouwwerken niet in ernstige mate in strijd mag zijn met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld aan de hand van beleidsregel 'Beeldkwaliteitsplan Franse Gat deelgebied 3': a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. 11.5.2 Bouwwerk bouwen - beoordelingsregel In afwijking van artikel 22.29, eerste lid, onder b, van het plan wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan, voor het bouwen van een bouwwerk, alleen verleend als: a. het uiterlijk van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan niet in strijd is met de omgevingskwaliteit, welke wordt beoordeeld aan de hand van beleidsregel 'Beeldkwaliteitsplan Franse Gat deelgebied 3'.

11.5.3 Bouwwerk bouwen - inwinnen advies Voordat wordt besloten op de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan, wint het college advies in van de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit.

22/39

Artikel 12 Gebouw bouwen - vergunningplicht 12.1 Toepassingsbereik Dit artikel is van toepassing op het bouwen en in stand houden van gebouwen ter plaatse van de locatie 'Gebouw bouwen - vergunningplicht'. 12.2 Gebouw bouwen - beoordelingsregels In aanvulling op artikel 22.29 van het plan wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan, voor het bouwen van een gebouw, alleen verleend als: a. het gebouw in de naar de weg gekeerde bouwgrens wordt gebouwd; b. een gestapeld gebouw wordt gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld'; c. de afstand van de vrijstaande zijde van een gebouw tot de zijdelingse perceelgrens: 1. 0 meter bedraagt; of 2. niet minder bedraagt dan 1 meter; d. de maximum bouwhoogte niet meer bedraagt dan is aangegeven met de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)'; e. in afwijking van het bepaalde onder d mag de geldende maximum bouwhoogte met niet meer dan 0,5 meter worden overschreden voor het realiseren van een dakopstand bij een gebouw als dat gebouw is afgedekt met een plat dak. 12.3 Gebouw bouwen - voorschriften Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan kunnen voorschriften worden verbonden.

23/39

Artikel 13 Hoofdgebouw bouwen - vergunningplicht 13.1 Toepassingsbereik Dit artikel is van toepassing op het bouwen en in stand houden van hoofdgebouwen ter plaatse van de locatie 'Hoofdgebouw bouwen - vergunningplicht'. 13.2 Hoofdgebouw bouwen - beoordelingsregels In aanvulling op artikel 22.29 van het plan wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan, voor het bouwen van een hoofdgebouw, alleen verleend als: a. het hoofdgebouw in de naar de weg gekeerde bouwgrens wordt gebouwd; b. het hoofdgebouw aaneen wordt gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd'; c. een gestapeld hoofdgebouw wordt gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld'; d. de afstand van een vrijstaand hoofdgebouw of de vrijstaande zijde van een aaneengebouwd hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelgrens: 1. 0 meter bedraagt; of 2. niet minder bedraagt dan 1 meter; e. de maximum goot- en bouwhoogte niet meer bedraagt dan is aangegeven met de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)'; f. de maximum bouwhoogte niet meer bedraagt dan is aangegeven met de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)'; g. in afwijking van het bepaalde onder e geldt er geen maximale goothoogte voor het plaatsen van een dakkapel, niet zijnde een dakopbouw; h.

in afwijking van het bepaalde onder e en f mag de geldende maximum bouwhoogte met niet meer dan 0,5 meter worden overschreden voor het realiseren van een dakopstand bij een hoofdgebouw als dat hoofdgebouw is afgedekt met een plat dak; en i. de diepte van het hoofdgebouw niet meer bedraagt dan 12 meter. 13.3 Hoofdgebouw bouwen - voorschriften Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan kunnen voorschriften worden verbonden.

24/39

Artikel 14 Bijbehorend bouwwerk bouwen - toegestaan 14.1 Toepassingsbereik Dit artikel is van toepassing op het bouwen en in stand houden van bijbehorende bouwwerken ter plaatse van de locatie 'Bijbehorend bouwwerk bouwen - toegestaan' en geldt als aanvulling op artikel 22.27 en artikel 22.36 van het plan. 14.2 Aanvulling op artikel 22.27 en artikel 22.36 van het plan Bij de toepassing van artikel 22.27 en 22.36 van het plan moet ook worden voldaan aan de volgende regels: a. het bijbehorend bouwwerk wordt gebouwd binnen de locatie 'Bijbehorend bouwwerk bouwen toegestaan'; en b. de oppervlakte van een bodemgevoelig bijbehorend bouwwerk bedraagt niet meer dan 50 m2.

25/39

Artikel 15 Bijbehorend bouwwerk bouwen - meldingsplicht 15.1 Toepassingsbereik Dit artikel is van toepassing op het bouwen en in stand houden van bijbehorende bouwwerken ter plaatse van de locatie 'Bijbehorend bouwwerk bouwen - meldingsplicht'. 15.2 Bijbehorend bouwwerk bouwen - meldingsplicht a. Het is verboden zonder voorafgaande melding een bodemgevoelig bijbehorend bouwwerk te bouwen als de oppervlakte meer bedraagt dan 50 m². b. Het gevoelig bijbehorend bouwwerk als bedoeld onder a moet ook voldoen aan de voorwaarden uit artikel 22.27 of artikel 22.36 van het plan en moet worden gebouwd binnen de locatie 'Bijbehorend bouwwerk bouwen - meldingsplicht'; en c. De bouwactiviteit als bedoeld onder a wordt ten minste vier weken voorafgaand aan de start van de activiteit gemeld bij het college. 15.3 Bijbehorend bouwwerk bouwen - indieningsvereisten De melding als bedoeld in artikel 15.2 bevat in ieder geval: a. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving of een document waaruit blijkt dat een overschrijding van de waarde als bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving redelijkerwijs is uit te sluiten;' b. de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht; c. het adres waarop de bouwactiviteit wordt verricht; d. de dagtekening; en e.

bij overschrijding van de waarde als bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.

26/39

Artikel 16 Bijbehorend bouwwerk bouwen - vergunningplicht 16.1 Toepassingsbereik Dit artikel is van toepassing op het bouwen en in stand houden van bijbehorende bouwwerken ter plaatse van de locatie 'Bijbehorend bouwwerk bouwen - vergunningplicht', tenzij toepassing kan worden gegeven aan artikel 14 of artikel 15 van dit TAM-omgevingsplan en artikel 22.27 of artikel 22.36 van het plan. 16.2 Bijbehorend bouwwerk bouwen - beoordelingsregels In aanvulling op artikel 22.29 van het plan wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan, voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk, alleen verleend als: a. de totale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken niet meer bedraagt dan: 1. in geval van een bouwperceel kleiner dan of gelijk aan 200 m2: 25% van dat bouwperceel; 2. in geval van een bouwperceel groter dan 200 m2: 50 m², vermeerderd met 20% van het deel van het bouwperceel dat groter is dan 200 m2, tot een maximum van in totaal 120 m2; 3. de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken gelegen binnen de maximale begrenzing van het hoofdgebouw als bedoeld in artikel 13.2 blijft buiten beschouwing; b. de bijbehorende bouwwerken minimaal 1 meter achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw worden gebouwd; c. de goothoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken niet meer dan 3,3 meter bedraagt; d.

de bouwhoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken niet meer dan 5 meter bedraagt; e. de bouwhoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken niet meer dan 0,3 meter bedragen boven de aansluitende verdiepingsvloer bedraagt, tot een maximum van 3,3 meter; f. in afwijking van het bepaalde onder e mag een bijbehorend bouwwerk aan de zijgevel van het hoofdgebouw hoger worden gebouwd, mits: 1. de goothoogte niet meer dan 3,3 meter bedraagt; 2. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 80% van de bouwhoogte van het bestaande hoofdgebouw, tot een maximum van 7,5 meter; 3. wanneer sprake is van een hogere bouwhoogte dan 3,3 meter, dan mag de achterkant van de kapconstructie van het bijbehorende bouwwerk niet meer dan 1 meter achter de achtergevel van het hoofdgebouw worden gebouwd; 4. de dakhelling gelijk is aan die van het hoofdgebouw. 16.3 Bijbehorend bouwwerk bouwen - voorschriften Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan kunnen voorschriften worden verbonden.

27/39

Artikel 17 Ander bouwwerk bouwen - vergunningplicht 17.1 Toepassingsbereik a. Dit artikel is van toepassing op het bouwen, verbouwen en in stand houden van andere bouwwerken ter plaatse van de locatie 'Ander bouwwerk bouwen - vergunningplicht', tenzij toepassing kan worden gegeven aan artikel 22.27 of artikel 22.36 van het plan. b. Onder ander bouwwerk als bedoeld in dit artikel wordt verstaan: 1. bouwwerken, geen gebouw en geen overkapping zijnde. 17.2 Ander bouwwerk bouwen ten behoeve van activiteiten binnen verkeer - beoordelingsregels In aanvulling op artikel 22.29 van het plan wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan, voor het bouwen van een ander bouwwerk, alleen verleend als: a. het bouwwerk wordt gebouwd binnen de locatie 'Verkeer - activiteiten binnen verkeer - toegestaan'; a. de maatvoering van reclame-uitingen ten behoeve van een beroep aan huis of bedrijf aan huis voldoet aan de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold; b. de bouwhoogte van beeldende kunst niet meer bedraagt dan 10 meter; c. de bouwhoogte van overige andere bouwwerken niet meer bedraagt dan 6 meter. 17.3

Ander bouwwerk bouwen ten behoeve van wonen - beoordelingsregels

In aanvulling op artikel 22.29 van het plan wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan, voor het bouwen van een ander bouwwerk, alleen verleend als: a. het bouwwerk wordt gebouwd binnen de locatie 'Wonen - wonen - toegestaan'; a. de maatvoering van reclame-uitingen ten behoeve van een beroep aan huis of bedrijf aan huis voldoet aan de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold; b. de bouwhoogte van overige andere bouwwerken niet meer bedraagt dan 3 meter. 17.4 Ander bouwwerk bouwen - voorschriften Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan kunnen voorschriften worden verbonden.

28/39

Artikel 18 Bouwactiviteiten in archeologisch waardevol gebied - vergunningplicht 18.1 Toepassingsbereik a. Dit artikel is van toepassing op het bouwen, verbouwen en in stand houden van bouwwerken ter plaatse van de locatie 'Bouwactiviteiten in archeologisch waardevol gebied - vergunningplicht' en geldt als aanvulling op artikel 22.29 van het plan en de artikelen 12, 13, 14, 15, 16 en 17 van dit TAM-omgevingsplan. b. De regels in dit artikel zijn niet van toepassing op het bouwen en in stand houden van bouwwerken als: 1. het de vervanging van bestaande bouwwerken betreft waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid en waarbij uitsluitend de bestaande fundering wordt benut; of 2. het nieuw te bouwen oppervlak kleiner is dan 5.000 m2 en de bouwactiviteit niet dieper steekt dan 0,5 meter onder peil. 18.2 Oogmerk De regels in dit artikel zijn gesteld met het oog op: a. het behoud, de bescherming van en onderzoek naar de in de grond aanwezige of verwachte archeologische waarden; b. de archeologische monumentenzorg. 18.3 Bouwactiviteiten in archeologisch waardevol gebied - specifieke aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning op grond van artikel 22.26 van het plan worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. informatie over de te gebruiken materialen; b.

informatie over de mate waarin sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie; c. informatie over de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan aan het verrichten van de activiteit; en d. een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld. 18.4 Bouwactiviteiten in archeologisch waardevol gebied - beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan wordt, voor het bouwen van bouwwerken in archeologisch waardevol gebied, alleen verleend als: a. de archeologische waarde van het terrein in voldoende mate is vastgesteld; b. de archeologische waarden door het uitvoeren van de bouwactiviteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud van die waarden, of c. er geen archeologische waarden zijn. 18.5 Bouwactiviteiten in archeologisch waardevol gebied - inwinnen advies Voordat de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan wordt verleend, wint het college van burgemeester en wethouders advies in van een door hen aan te wijzen ter zake deskundige. 18.6 Bouwactiviteiten in archeologisch waardevol gebied - voorschriften Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan kan het college van burgemeester en wethouders in ieder geval de volgende voorschriften verbinden: a.

de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;

29/39

b. de verplichting tot het doen van opgravingen door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en een door burgemeester en wethouders goedgekeurd archeologisch Programma van Eisen (PvE); c. de verplichting de uitvoering van de werkzaamheden die leiden tot bodemverstoring te laten begeleiden volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en een door burgemeester en wethouders goedgekeurd archeologisch Programma van Eisen (PvE).

30/39

Hoofdstuk 6

Aanlegactiviteiten

Artikel 19 Aanlegactiviteiten algemeen - toegestaan 19.1 Toepassingsbereik a. Dit artikel is van toepassing op het uitvoeren van aanlegactiviteiten. b. Onder aanlegactiviteiten als bedoeld in dit artikel wordt verstaan: 1. het uitvoeren van graafwerkzaamheden of grondbewerkingen; 2. het saneren, egaliseren, afplaggen en baggeren van gronden; 3. het roeren en omwoelen van gronden, waaronder begrepen het aanleggen van drainage, kabels, leidingen en rioleringen; 4. het ophogen en egaliseren van gronden; 5. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem; 6. het maken en/of het buitengebruik stellen van boorputten; 7. het realiseren van ondergrondse bouwwerken; 8. het indrijven van voorwerpen in de bodem zoals damwanden, diepwanden of schermen, alsmede het verwijderen van deze voorwerpen; 9. het realiseren van funderingswerken, zoals het aanbrengen van palen in de grond. 10. het verwijderen van fundamenten of heipalen; 11. het aanbrengen en het verwijderen van diepwortelende beplantingen; 12. het verlagen en verhogen van het waterpeil; en 13. het graven, verbreden of verdiepen van watergangen en waterpartijen. 19.2 Aanlegactiviteiten algemeen - toegestaan Aanlegactiviteiten zijn in ieder geval toegestaan: a. in het kader van normaal beheer en onderhoud; b.

in het kader van archeologisch (voor)onderzoek of in het kader van archeologische opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige; c. als het gaat om het verlagen en verhogen van het waterpeil door of in opdracht van het bevoegde waterschap; d. in het kader van onderhoudsbaggerwerkzaamheden die aantoonbaar niet dieper gaan dan in het recente verleden bereikte baggerdieptes; e. zolang de activiteiten plaatsvinden in bestaande weg- en leidingcunetten.

31/39

Artikel 20 Aanlegactiviteiten in archeologisch waardevol gebied - toegestaan 20.1 Toepassingsbereik a. Dit artikel is van toepassing op het uitvoeren van aanlegactiviteiten ter plaatse van de locatie 'Aanlegactiviteiten in archeologisch waardevol gebied - toegestaan'. b. Onder aanlegactiviteiten uitvoeren als bedoeld in dit artikel wordt verstaan: 1. het uitvoeren van graafwerkzaamheden of grondbewerkingen; 2. het saneren, egaliseren, afplaggen en baggeren van gronden; 3. het roeren en omwoelen van gronden, waaronder begrepen het aanleggen van drainage, kabels, leidingen en rioleringen; 4. het ophogen en egaliseren van gronden; 5. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem; 6. het verwijderen van fundamenten of heipalen; 7. het aanbrengen en het verwijderen van diepwortelende beplantingen; 8. het verlagen en verhogen van het waterpeil, tenzij dit een maatregel is van het bevoegde waterschap; en 9. het graven, verbreden of verdiepen van watergangen en waterpartijen. 20.2 Aanlegactiviteiten in archeologisch waardevol gebied - toegestaan Het is toegestaan aanlegactiviteiten in archeologisch waardevol gebied uit te voeren als: a.

het aanlegactiviteiten betreft die een oppervlakte van maximaal 5.000 m2 beslaan en in de periode van 24 maanden voor de datum van de voorgenomen werken of werkzaamheden deze bepaling niet van toepassing is geweest op aangrenzende terreinen op een afstand van minder dan 25 meter van het onderhavige terrein; of b. het aanlegactiviteiten betreft die plaatsvinden op een diepte van maximaal 0,5 meter onder peil.

32/39

Artikel 21 Aanlegactiviteiten in archeologisch waardevol gebied - vergunningplicht 21.1 Toepassingsbereik a. Dit artikel is van toepassing op het uitvoeren van aanlegactiviteiten ter plaatse van de locatie 'Aanlegactiviteiten in archeologisch waardevol gebied - vergunningplicht', tenzij toepassing kan worden gegeven aan artikel 19 of artikel 20 van dit TAM-omgevingsplan. b. Onder aanlegactiviteiten uitvoeren als bedoeld in dit artikel wordt verstaan: 1. het uitvoeren van graafwerkzaamheden of grondbewerkingen; 2. het saneren, egaliseren, afplaggen en baggeren van gronden; 3. het roeren en omwoelen van gronden, waaronder begrepen het aanleggen van drainage, kabels, leidingen en rioleringen; 4. het ophogen en egaliseren van gronden; 5. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem; 6. het verwijderen van fundamenten of heipalen; 7. het aanbrengen en het verwijderen van diepwortelende beplantingen; 8. het verlagen en verhogen van het waterpeil; 9. het graven, verbreden of verdiepen van watergangen en waterpartijen. 21.2 Oogmerk De regels in dit artikel zijn gesteld met het oog op: a. het behoud, de bescherming van en onderzoek naar de in de grond aanwezige of verwachte archeologische waarden; b. de archeologische monumentenzorg.

21.3 Aanlegactiviteiten in archeologisch waardevol gebied - vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning aanlegactiviteiten uit te voeren. 21.4 Aanlegactiviteiten in archeologisch waardevol gebied - specifieke aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning op grond van artikel 21.3 van dit TAM-omgevingsplan worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. informatie over de te gebruiken materialen; b. informatie over de mate waarin sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie; c. informatie over de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan aan het verrichten van de activiteit; en d. een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld. 21.5 Aanlegactiviteiten in archeologisch waardevol gebied - beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.3 van dit TAM-omgevingsplan wordt alleen verleend als: a. de archeologische waarde van het terrein in voldoende mate is vastgesteld; en b. de archeologische waarden door het uitvoeren van de aanlegactiviteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud van die waarden, of c. er geen archeologische waarden zijn.

33/39

21.6 Aanlegactiviteiten in archeologisch waardevol gebied - inwinnen advies Voordat de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.3 van dit TAM-omgevingsplan wordt verleend, wint het college van burgemeester en wethouders advies in van een door hen aan te wijzen ter zake deskundige. 21.7 Aanlegactiviteiten in archeologisch waardevol gebied - voorschriften Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.3 van dit TAM-omgevingsplan kan het college van burgemeester en wethouders in ieder geval de volgende voorschriften verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en een door burgemeester en wethouders goedgekeurd archeologisch Programma van Eisen (PvE); c. de verplichting de uitvoering van de werkzaamheden die leiden tot bodemverstoring te laten begeleiden volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en een door burgemeester en wethouders goedgekeurd archeologisch Programma van Eisen (PvE).

34/39

Artikel 22 Aanlegactiviteiten in grondwaterbeschermingsgebied - toegestaan 22.1 Toepassingsbereik a. Dit artikel is van toepassing op het uitvoeren van aanlegactiviteiten ter plaatse van de locatie 'Aanlegactiviteiten in grondwaterbeschermingsgebied - toegestaan'. b. Onder aanlegactiviteiten uitvoeren als bedoeld in dit artikel wordt verstaan: 1. het maken en/of het buitengebruik stellen van boorputten; 2. het realiseren van ondergrondse bouwwerken; 3. het indrijven van voorwerpen in de bodem zoals damwanden, diepwanden of schermen, alsmede het verwijderen van deze voorwerpen; 4. het realiseren van funderingswerken, zoals het aanbrengen van palen in de grond. 22.2 Aanlegactiviteiten in grondwaterbeschermingsgebied - toegestaan Het is toegestaan aanlegactiviteiten in grondwaterbeschermingsgebied uit te voeren als: a. de aanlegactiviteiten plaatsvinden op een diepte van minder dan 30 meter onder het maaiveld.

35/39

Artikel 23 Aanlegactiviteiten in grondwaterbeschermingsgebied - vergunningplicht 23.1 Toepassingsbereik a. Dit artikel is van toepassing op het uitvoeren van aanlegactiviteiten ter plaatse van de locatie 'Aanlegactiviteiten in grondwaterbeschermingsgebied - vergunningplicht', tenzij toepassing kan worden gegeven aan artikel 22 van dit TAM-omgevingsplan. b. Onder aanlegactiviteiten uitvoeren als bedoeld in dit artikel wordt verstaan: 1. het maken en/of het buitengebruik stellen van boorputten; 2. het realiseren van ondergrondse bouwwerken; 3. het indrijven van voorwerpen in de bodem zoals damwanden, diepwanden of schermen, alsmede het verwijderen van deze voorwerpen; 4. het realiseren van funderingswerken, zoals het aanbrengen van palen in de grond. 23.2 Oogmerk De regels in dit artikel zijn gesteld met het oog op: a. de bescherming van het grondwater. 23.3 Aanlegactiviteiten in grondwaterbeschermingsgebied - vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning aanlegactiviteiten uit te voeren. 23.4 Aanlegactiviteiten in grondwaterbeschermingsgebied - beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 23.3 van dit TAM-omgevingsplan wordt alleen verleend als: a.

door die aanlegactiviteiten dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachte gevolgen, geen onevenredige aantasting van de belangen van bescherming van het grond- en oppervlaktewaterwinning voor menselijke consumptie ontstaat of kan ontstaan. 23.5 Aanlegactiviteiten in grondwaterbeschermingsgebied - voorschriften Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 23.3 van dit TAM-omgevingsplan kan het college van burgemeester en wethouders voorschriften verbinden in het belang van de bescherming van het grondwater.

36/39

Hoofdstuk 7

Overige activiteiten

Artikel 24 Parkeren 24.1 Parkeren - toepassingsbereik Dit artikel is van toepassing op bouwactiviteiten als bedoeld in artikel 22.26 van het plan. 24.2 Parkeren - beoordelingsregels In aanvulling op artikel 22.29 van het plan wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan alleen verleend als: a. bij de aanvraag aangetoond wordt dat op eigen terrein of onmiddellijke omgeving daarvan in voldoende (fiets)parkeergelegenheid voor zowel bewoners als bezoekers wordt voorzien zoals vastgelegd in de beleidsregels “Notitie Parkeernormen Veenendaal 2020, herziening 2023 ” en wijzigingen of rechtsopvolgers daarvan en de (fiets)parkeergelegenheid in stand wordt gehouden; of b. aangetoond wordt dat het voldoen aan de regels onder a door bijzondere omstandigheden of overwegende bezwaren stuit en op andere wijze in de nodige (fiets)parkeergelegenheid wordt voorzien, waarbij de verwachte effecten inzichtelijk zijn gemaakt en is aangetoond op welke wijze de hinder voor de directe omgeving geminimaliseerd wordt. 24.3 Parkeren - voorschriften Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan kunnen voorschriften worden verbonden, in ieder geval over: a. de instandhouding van (fiets)parkeergelegenheid.

37/39

Artikel 25 Laad- en losruimte 25.1 Laad- en losruimte - toepassingsbereik Dit artikel is van toepassing op bouwactiviteiten als bedoeld in artikel 22.26 van het plan. 25.2 Laad- en losruimte - beoordelingsregels In aanvulling op artikel 22.29 van het plan wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan alleen verleend als: a. bij de aanvraag aangetoond wordt dat op eigen terrein of onmiddellijke omgeving daarvan in voldoende mate in de behoefte aan ruimte voor het laden en lossen van goederen wordt voorzien zoals vastgelegd in de beleidsregels “Notitie Parkeernormen Veenendaal 2020, herziening 2023 ” en wijzigingen of rechtsopvolgers daarvan en de laad- en losruimte in stand wordt gehouden; of b. aangetoond wordt dat het voldoen aan de regels onder a door bijzondere omstandigheden of overwegende bezwaren stuit en op andere wijze in de nodige laad- en losruimte wordt voorzien, waarbij de verwachte effecten inzichtelijk zijn gemaakt en is aangetoond op welke wijze de hinder voor de directe omgeving geminimaliseerd wordt. 25.3 Laad- en losruimte - voorschriften Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan kunnen voorschriften worden verbonden, in ieder geval over: a. de instandhouding van laad- en losruimte.

38/39

Hoofdstuk 8

Overgangs - en slotregels

Artikel 26 Overgangsrecht 26.1 Overgangsrecht gebruik 1. Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. 2. Het is verboden het met dit TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit TAM-omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. 5. Het overgangsrecht voor gebruik zoals bedoeld in artikel 26.1 van dit TAM-omgevingsplan, heeft een geldingstermijn van 10 jaar vanaf de dag van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan. 26.2 Overgangsrecht bouwwerken 1.

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit TAM-omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 4. Het overgangsrecht voor bouwwerken zoals bedoeld in artikel 26.2 van dit TAM-omgevingsplan, heeft een geldingstermijn van 10 jaar vanaf de dag van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan.

39/39

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16872449/2