4.b Bijlage. BZK - commissievergoedingen-gemeenten
Tekst van het document
GEMEENTEN: VERGOEDING COMMISSIELEDEN PER VERGADERING, NIET EEN MAANDELIJKS BEDRAG PLUS VRIJWILLIGERSREGELING (september 2024) 1. Inleiding Naar aanleiding van de circulaire “Toelichting wettelijke bepalingen over commissies in Gw en Pw” is er onduidelijkheid ontstaan of de vergoeding van een lid van een commissie op grond van artikel 82, 83 of 84 van de Gemeentewet per bijgewoonde vergadering moet worden toegekend of dat een vaste vergoeding per maand ook mogelijk is. Na een beschrijving in paragraaf 2 van het juridische kader, wordt in paragraaf 3 toegelicht dat de algemene regel is dat de vergoeding per bijgewoonde vergadering wordt toegekend. Er is maar een beperkt aantal uitzonderingen. Verder is gevraagd naar de verhouding van de commissievergoeding met de vrijwilligersvergoeding. In paragraaf 4 wordt toegelicht dat de vrijwilligers vergoeding geen alternatief is voor de commissievergoeding, maar een fiscale maatregel. 2. Juridisch kader Artikel 96 van de Gemeentewet luidt: 1. De leden van een door de raad, het college of de burgemeester ingestelde commissie ontvangen, voor zover zij geen lid zijn van de raad of het college, een bij verordening van de raad vastgestelde vergoeding: a. voor het bijwonen van vergaderingen van een commissie en b. van reis- en verblijfkosten. 2.
In bijzondere gevallen kan de raad bij verordening bepalen dat de leden van het dagelijks bestuur van een bestuurscommissie of een andere commissie als bedoeld in artikel 84 een vaste vergoeding voor hun werkzaamheden en een tegemoetkoming in de kosten ontvangen. 3. Ten aanzien van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld (uitgewerkt in artikel 3.4.1 en 3.4.2 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers). Ten aanzien van de overige vergoedingen bedoeld in dit artikel kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld (niet gedaan). Artikel 99, eerste lid, van de Gemeentewet luidt: Buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend, ontvangen de leden van de raad, van een door de raad, het college of de burgemeester ingestelde commissie als zodanig geen andere vergoedingen en tegemoetkomingen ten laste van de gemeente. (Naast een beperkt aantal artikelen in de Gemeentewet vooral uitgewerkt in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers.
Op basis van dit rechtspositiebesluit bestaat er uitsluitend een verordeningsbevoegdheid ten aanzien van het instellen van een bijzondere commissie, het toekennen van een pensioenvoorziening aan raadsleden, en het openen van de mogelijkheid van loopbaanoriëntatie raadsleden 100.000-plusgemeenten). Op basis van artikel 96, tweede lid, Gemeentewet kan een vaste vergoeding worden uitgekeerd aan leden van het dagelijks bestuur van een bestuurscommissie of andere commissie als bedoeld in artikel 84, maar deze komen in de praktijk zelden voor. Het moet dan gaan om commissies waaraan een zeer veelomvattende taak is toevertrouwd. Dit was bijvoorbeeld actueel toen er dagelijks besturen van deelgemeenteraden waren. 3. Commissieleden: vergoeding per vergadering of per maand? In samenhang gelezen, betekenen de in paragraaf 2 genoemde artikelen het volgende. • Voor leden van commissies op grond van artikel 82 is enkel een vergoeding per bijgewoonde vergadering mogelijk. De hoogte ervan is bepaald in artikel 3.4.1 en 3.4.2 van het rechtspositiebesluit. • Voor leden van bestuurscommissies op grond van artikel 83 is enkel een vergoeding per bijgewoonde vergadering mogelijk. De hoogte ervan is bepaald in artikel 3.4.1 en 3.4.2 van het rechtspositiebesluit.
•
•
•
Voor leden van het dagelijks bestuur van bestuurscommissies op grond van artikel 83 is het in bijzondere gevallen op grond van artikel 96, tweede lid, Gemeentewet mogelijk om bij verordening een maandelijkse vergoeding en een tegemoetkoming in de kosten te verstrekken. Het rechtspositiebesluit is dan niet van toepassing. Als een dergelijke verordening niet beschikbaar is, geldt ook voor de leden van een dagelijks bestuur een vergoeding per vergadering op basis van het rechtspositiebesluit. Voor leden van commissies op grond van artikel 84 is enkel een vergoeding per bijgewoonde vergadering mogelijk. De hoogte ervan is bepaald in artikel 3.4.1 en 3.4.2 van het rechtspositiebesluit. Voor leden van het dagelijks bestuur van commissies op grond van artikel 84 is het in bijzondere gevallen op grond van artikel 96, tweede lid, Gemeentewet mogelijk om bij verordening een maandelijkse vergoeding en een tegemoetkoming in de kosten te verstrekken. Het rechtspositiebesluit is dan niet van toepassing. Als een dergelijke verordening niet beschikbaar is, geldt ook voor de leden van een dagelijks bestuur een vergoeding per vergadering op basis van het rechtspositiebesluit.
De formulering van artikel 3.4.2 in het Rechtpositiebesluit beperkt zich tot een afwijking in hoogte van de vergoeding en gaat niet zover dat de gemeente bij verordening ook een heel andere vergoeding kan vaststellen, zoals een vaste vergoeding. De conclusie is dus dat deze mogelijke uitzondering voor dagelijkse bestuursleden van commissies op grond van artikel 83 of 84, de regel bevestigt dat een vaste vergoeding slechts in een bijzondere situatie voor dagelijks bestuurders mogelijk is. Voor alle andere commissieleden geldt dat de vergoeding per bijgewoonde vergadering wordt toegekend zoals bepaald in artikel 3.4.1 en 3.4.2 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. 4. Vrijwilligersvergoeding De vergoeding van een lid van een commissie op grond van artikel 82, 83 of 84 van de Gemeentewet is een presentievergoeding: de vergoeding wordt toegekend per bijgewoonde vergadering. Zoals beschreven in paragraaf 3 vloeit de hoogte ervan in de regel voort uit artikel 3.4.1 en 3.4.2 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. De vrijwilligersregeling is een fiscale maatregel en bepaalt niets over de hoogte van de vergoeding of de wijze waarop deze wordt toegekend.
De fiscus beoordeelt op basis van deze vrijwilligersregeling uitsluitend of het door (in dit geval) het overheidsorgaan toegekende bedrag van de vergoeding(en) onder bepaalde maxima valt. Als dat bedrag onder die maxima valt, wordt het aangemerkt als een vrijwilligersvergoeding en dat betekent dat de vergoeding dan onbelast verstrekt kan worden. Méér wil de vrijwilligersregeling niet zeggen. De door de fiscus gehanteerde bedragen zijn maxima: een bepaald maximumbedrag per maand (2024: 210 euro) én een bepaald maximumbedrag per jaar (2024: 2100 euro). De commissievergoeding wordt dus per bijgewoonde vergadering toegekend, maar die kan onbelast worden vergoed als het totaalbedrag van die vergoeding(en) per bijgewoonde vergadering(en) in een maand onder het fiscale maximumbedrag blijft én het totaalbedrag van de vergoedingen per jaar ook onder het fiscale jaarmaximum blijft. Dat de fiscus voor de vrijwilligersvergoeding rekent met maandbedragen is geen argument om commissieleden een vaste maandelijkse vergoeding toe te kennen. Het rechtspositiebesluit bepaalt de hoogte van de commissievergoeding, de vrijwilligersregeling geeft aan of over die vergoeding al dan niet belasting moet worden geheven.
De reden waarom BZK op de mogelijkheid van de vrijwilligersregeling heeft gewezen, is uitsluitend dat de commissieleden die onder de fiscale maxima vallen, meer geld overhouden omdat de commissievergoeding dan onbelast is. --.--