CConstaterende datVeenendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

3a Bestemmingsplan Brandmeesters (toelichting+regels)

Gemeenteraad 18 april 2024, gemeente VeenendaalBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan “Brandmeesters"29.619 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

5.5.2

Cultuurhistorische kenmerken

In 2018 is de cultuurhistorische waardenkaart door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld. De cultuurhistorische waardenkaart bestaat uit kenmerkenkaarten voor de disciplines landschap en gebouwde omgeving, uit waardenkaarten voor diezelfde aspecten, uit een viertal themakaarten en uit een integrale ensemblekaart, waarop de gebieden die staan die – samen met de sectorale landschappelijke en gebouwde kaarten – het palet aan cultuurhistorisch erfgoed van de gemeente Veenendaal laten zien. De thema’s waarop in het bijzonder ingezoomd is, zijn vervening, industrie, religie en militair erfgoed. Deze vier thema’s vormen een belangrijk deel van het ‘verhaal van Veenendaal’, waarvan in wisselende hoeveelheden ook nog relicten in het huidige Veenendaal – ondergronds, landschappelijk of gebouwd – terug te vinden zijn.

5.5.3

Toetsing bouwplan

Het plangebied is gelegen op een laaggelegen dekzandvlakte. Dit gebied is onderdeel van de Utrechts-Gelderse veenkolonie die relatief hoog gelegen is. In het eerste verveningsblok van 1550 tot 1560 is in dit gebied begonnen met het industrieel ontginnen van veen en is hier een ontginningslandschap gecreëerd. Met de verschillende uitbreidingen van Veenendaal in de tweede helft van de 20e eeuw is er binnen het plangebied nog weinig te herkennen van de vervening van het landschap. Als het gaat om het religieus, industrieel en militair verleden van Veenendaal heeft het plangebied geen specifieke rol gespeeld.

5.5.4

Conclusie

Het aspect 'cultuurhistorie' vormt géén belemmering voor deze ontwikkeling.

5.6

Ontplofbare oorlogsresten

Het is bekend dat in de gemeente Veenendaal tijdens de Tweede Wereldoorlog oorlogshandelingen zijn geweest. Dit houdt in dat er op plaatsen mogelijk ontplofbare oorlogsresten (OO) in de bodem kunnen zijn achtergebleven. Uit de praktijk is gebleken dat circa 10% van de afgeworpen bommen niet is geëxplodeerd en in de bodem is achtergebleven als blindganger. De gemeente Veenendaal heeft in mei 2018 beleid ten aanzien van OO vastgesteld. Door het vaststellen van een gemeentelijk beleid wordt geborgd dat activiteiten met betrekking tot OO binnen de gemeente worden getoetst en daar waar nodig beheersmaatregelen kunnen worden genomen en/of voorgeschreven. Het beleid is tevens bedoeld om eenieder die van plan is grondroerende werkzaamheden binnen de gemeente uit te voeren, te verplichten de benodigde acties te ondernemen met betrekking tot de mogelijke aanwezigheid en risico's van OO op de betreffende locatie. Het opsporen en verwijderen van (mogelijke) OO wordt alleen uitgevoerd om het risico met betrekking tot OO weg te nemen, en daarmee een veilige werkomgeving en leefomgeving te creëren tijdens uit te voeren werkzaamheden of activiteiten. Dit is ook de reden dat de gemeente Veenendaal altijd ingelicht

26

bestemmingsplan

bestemmingsplan Brandmeesters moet worden als er projectmatig bodemroerende activiteiten plaatsvinden binnen gebieden die als verdacht zijn aangemerkt. Vanwege voortschrijdende inzichten in de gebeurtenissen tijdens de Tweede Oorlog heeft er in 2020 een update van de bodembelastingkaart conventionele explosieven plaatsgevonden.

5.6.1

Toetsing bouwplan

Het plangebied ligt niet binnen één van de aandachtsgebieden die aangegeven zijn op de bodembelastingkaart. De locatie is niet verdacht van gedumpte geschutmunitie, afwerpmunitie of lucht-gronddoelraketten. Om die reden is verder onderzoek niet noodzakelijk.

5.6.2

Conclusie

Het aspect 'ontplofbare oorlogsresten' vormt géén belemmering voor deze ontwikkeling.

5.7

Ecologie

5.7.1

Wettelijk kader

Voor ecologie moet er bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening worden gehouden met soortbescherming gericht en met gebiedsbescherming. De natuurbescherming in Nederland is geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming zorgt voor een goede natuurbescherming van planten- en diersoorten, natura 2000-gebieden, en bossen. Sommige plant- en diersoorten worden beschermd omdat ze als kwetsbaar worden gekenmerkt. De Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet, en de Flora- en Faunawet zijn vanaf 1 januari 2017 opgenomen in de Wet natuurbescherming. De provincie is het bevoegd gezag voor de Wet natuurbescherming (Wnb). Hierin worden de soortbescherming en de gebiedsbescherming nader belicht omdat beide voor het bestemmingsplan van belang zijn. De regels die voorheen in de Boswet waren opgenomen zijn binnen het plangebied niet van toepassing omdat het gehele gebied binnen de bebouwde kom ligt. Een nadere beschrijving van dit deel van de wet is dan ook niet opgenomen. Soortbescherming Een belangrijk doel van de wet is het beschermen van alle soorten planten- en dieren die in het wild in Nederland voorkomen. De wet gebiedt dat alle in het wild levende dieren en planten in principe met rust worden gelaten, wat is vastgelegd in de algemene zorgplicht. In de regelgeving heeft de gunstige staat van in stand houding van soorten een prominentere plek gekregen.

De Wet natuurbescherming verdeelt beschermde soorten in twee groepen: Strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. In de tweede categorie staan andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst. Provincies hebben de mogelijkheid om voor bepaalde soorten aanvullende maatregelen vast te stellen. De provincie Utrecht heeft hiervoor al een lijst opgesteld met prioritaire soorten en aanvullende maartregelen per soort. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is van toepassing op natuurgebieden die door de overheid zijn aangewezen in het kader van de vogelrichtlijn en/of de habitatrichtlijn. De Habitatrichtlijn richt zich op de bescherming van natuurlijke habitats en leefgebieden van aangewezen planten- en dierensoorten. De Vogelrichtlijn richt zich op de bescherming van leefgebied van beschermde vogelsoorten. Belangrijk is dat ruimtelijke projecten niet zonder meer mogen worden gerealiseerd in beschermde natuurgebieden (Natura 2000). Projecten die in de nabijheid van beschermde natuurgebieden (inclusief de Habitatrichtlijngebieden) worden geprojecteerd, dienen te worden getoetst op de mogelijke negatieve effecten die zij op deze gebieden kunnen hebben (externe werking).

bestemmingsplan

27

bestemmingsplan Brandmeesters

Indien een negatief effect vermoed wordt dan moet bij de Provincie een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd worden. De Provincie zal naar aanleiding van de aanvraag een beschikking opstellen. De beschikking kan een verbod van het project betekenen of voorwaarden verbinden aan de uitvoer. De Wet natuurbescherming beschermt geen gebieden buiten de natura 2000 gebieden. Natuurnetwerk Nederland Naast de volgens de wet aangewezen gebieden kent Nederland het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS). Het NNN is bedoeld voor het ontwikkelen van ecologische zones tussen verschillende natuurgebieden zodat populaties met elkaar in verbinding blijven en versnippering van natuur wordt tegen gegaan. Het is uiteraard niet wenselijk dat een ontwikkeling een verstorende werking heeft op de functie van deze verbindingszones. Deze zones zijn niet beschermd volgens de Wet natuurbescherming maar krijgen planologische bescherming doordat deze in bestemmingsplannen worden opgenomen. Projecten en bestemmingsplannen worden getoetst aan dit provinciale beleid.

5.7.2

Toetsing bouwplan

Om de risico's op schade aan beschermde soorten en beschermde gebieden in te schatten, is een verkennend ecologisch onderzoek uitgevoerd door FF Solutions - RI-Buitenbouw BV, d.d. 8 september 2021, toegevoegd als Bijlage 2 bij deze toelichting. Daaruit is gebleken dat uitgebreider onderzoek nodig is voor zowel soortenbescherming als gebiedsbescherming. Om die reden is een Quickscan Wet Natuurbescherming uitgevoerd, eveneens door FF Solutions - RI-Buitenbouw BV, d.d. 22 september 2021, toegevoegd als Bijlage 3 bij deze toelichting. De quickscan schrijft voor dat verdiepend onderzoek nodig is naar de aanwezigheid van een huismus foerageergebied, vleermuis en gierzwaluw verblijfsplaatsen en vleermuisvliegroutes naast het plangebied. Daarnaast is voor de stikstofuitstoot in de bouw- en aanlegfase een AERIUS-berekening noodzakelijk. Het Natura 2000-gebied 'het Binnenveld' is op ongeveer 1 kilometer van het plangebied gelegen en het is mogelijk dat er stikstof depositie op dit gebied plaatsvindt door de ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt met dit bestemmingsplan.

Soortenbescherming Voor bovengenoemde onderwerpen is nader onderzoek uitgevoerd, uitgevoerd door FF Solutions RI-Buitenbouw BV, d.d. 28 september 2023, toegevoegd als Bijlage 4 bij deze toelichting. Uit dit onderzoek is gebleken dat er inderdaad negatieve effecten op de beschermde soort kunnen plaastvinden door deze ontwikkeling. Echter, door mitigerende maatregelen te treffen en dat te verankeren in een ecologisch activiteitenplan is door de provincie een ontheffing in het kader van de Wet natuurbeheer afgegeven. Zo worden bijvoorbeeld (tijdelijke) vleermuiskasten geplaatst om nadelige effecten op broedplaatsen van vleermuizen op te vangen.

Gebiedsbescherming Om eventuele negatieve effecten op het Natura 2000-gebied 'Binnenveld' te onderzoeken is een AERIUS-berekening uitgevoerd door Langelaar Milieuadvies. Het rapport dat hoort bij deze berekening, eveneens opgesteld door Langelaar Milieuadvies, d.d. 29 januari 2024, is te vinden als Bijlage 5 bij deze toelichting. Voor de ontwikkeling geldt dat er géén significante stikstofdepositie op beschermde natuurgebieden is in de gebruiksfase. Voor de aanlegfase geldt dat er een overschrijding is van de kritische waarde. De provincie Utrecht zal voor de overschrijding van de kritische waarde een ontheffing verlenen op basis van een ecologische onderbouwing. Deze is opgesteld door Waardenburg Ecology, d.d. 23 februari 2024, en opgenomen als Bijlage 6 bij deze toelichting. Doordat het hier een tijdelijke overschrijding betreft en algemene maatregelen worden getroffen om de toestand van de natuur op termijn te verbeteren, kunnen de instandhoudingsdoelen voor dit natuurgebied gewoon worden behaald. Dit project heeft daar géén significante invloed op.

28

bestemmingsplan

bestemmingsplan Brandmeesters

5.7.3

Conclusie

Het aspect 'ecologie' vormt géén belemmering voor deze ontwikkeling.

5.8

Geluid

5.8.1

Wettelijk kader

Tussen de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet geluidhinder (Wgh) is een koppeling gelegd. Dat blijkt uit art. 76 en 76a van de Wgh. Dit betekent dat de geluidssituatie binnen het plangebied moet voldoen aan de voorwaarden uit de Wgh. Als nadere invulling van deze voorwaarden heeft de gemeente Veenendaal de beleidsregel hogere waarden Wgh opgesteld. In het kader van de Wet geluidhinder liggen er zones rond wegen en spoorlijnen en gezoneerde industrieterreinen. Wegen op een woonerf of met een maximumsnelheid van 30 km/uur hebben geen zone. Binnen een zone moet voor het realiseren van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen, onderzoek worden gedaan naar de geluidbelasting. Binnen de geluidszone geldt een voorkeurswaarde voor de geluidsbelasting ter plaatse van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen of terreinen. Hierbij geldt een afzonderlijke toetsing per weg, spoorweg of industrieterrein. Bij overschrijding van de voorkeurswaarde moet worden onderzocht of geluid reducerende maatregelen getroffen kunnen worden, waarbij de volgorde bron- overdracht- en ontvangermaatregelen de voorkeur geniet. Beleidsregel hogere waarden Pas als blijkt dat niet aan de voorkeurswaarde kan worden voldaan kan het college van Burgemeester en Wethouders een hogere waarde verlenen (ontheffing van de voorkeurswaarde). Hierbij geldt wel een maximale ontheffingswaarde.

Voordat een hogere waarde vast te stellen dienen bron- en overdrachtsmaatregelen afgewogen te worden. In deze beleidsregel worden randvoorwaarden genoemd voor het toestaan van hogere geluidsbelastingen dan de voorkeurswaarde. De voorwaarden zijn geformuleerd als eis of als inspanningsverplichting. Indien niet aan de inspanningsverplichting kan worden voldaan dient de initiatiefnemer te motiveren waarom dit niet kan of waarom voor een alternatieve oplossing is gekozen. 5.8.2

Toetsing bouwplan

Wegverk eerslawaai Voor deze ontwikkeling is een akoestisch onderzoek uitgevoerd met betrekking tot wegverkeerslawaai. Deze is opgesteld door Deerns Nederland B.V., d.d. 30 oktober 2023, en toegevoegd als Bijlage 7 bij deze toelichting. Het wegverkeer van de Industrielaan veroorzaakt een te hoge geluidbelasting op de gevel van enkele woningen van 57 dB. Dat betekent dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB met 9 dB wordt overschreden. Door het nemen van geluidreducerende maatregelen op en/of aan de gevel in combinatie met het vaststellen van een hogere waarde in het kader van de Wet geluidhinder voldoet de ontwikkeling aan de regelgeving met betrekking tot het aspect wegverkeerslawaai.

Industrielawaai Naast een onderzoek naar wegverkeerslawaai is tevens een onderzoek uitgevoerd met betrekking tot industrielawaai. Deze is ook opgesteld door Deerns Nederland B.V., d.d. 31 oktober 2023, en toegevoegd als Bijlage 8 bij deze toelichting. Het onderzoek is uitgevoerd ten gevolge van de bouw van de nieuwe brandweerkazerne en de geluidhinder die dit veroorzaakt op de nieuw te bouwen woningen binnen deze ontwikkeling. De geluidniveaus die ontstaan bij de brandweerkazerne zijn te hoog en voldoen niet aan de standaardwaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Het gaat hier voornamelijk om het geluid van de sirene die bij vertrek van de brandweerwagen aan moet worden gezet. Bronmaatregelen kunnen niet worden getroffen om te zorgen voor een acceptabel geluidniveau. Om die reden moeten geluidreducerende maatregelen worden getroffen aan de gevels van de woningen om een goed woon- en leefklimaat te kunnen garanderen. Gelet op de aard van de ontwikkeling, zowel

bestemmingsplan

29

bestemmingsplan Brandmeesters woningbouw als de bouw van een brandweerkazerne, zullen hogere waarden worden vastgesteld middels een maatwerkvoorschrift. Deze combinatie zorgt ervoor dat de ontwikkeling kan voldoen aan de regelgeving met betrekking tot het aspect industrielawaai.

5.8.3

Conclusie

Het aspect 'geluid' vormt géén belemmering voor deze ontwikkeling.

5.9

Bedrijven- en milieuzonering

Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. De basis hiervoor vormt de Wet milieubeheer. In de VNG handreiking 'bedrijven en milieuzonering' 2009 zijn de aan te houden afstanden opgenomen. Hieraan wordt het plan dan ook getoetst. Milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) dienen binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen.

5.9.1

Toetsing bouwplan

Onderdeel van de ontwikkeling is het verplaatsen van de gemeentewerf naar een andere locatie binnen de gemeente Veenendaal. Dat is een verbetering van de milieuhygiënische situatie op deze locatie. De herbouw van de brandweer is voor de bestaande woningen geen verslechtering van de situatie, aangezien dit voor het grootste deel binnen de huidige planologische kaders past. Voor de nieuwe woningen binnen het plangebied is aanvullend geluidonderzoek gedaan om de milieuhygiënische situatie te toetsen. De geluidshinder die wordt geproduceerd door de brandweerkazerne en enkele bedrijven aan de Nijverheidslaan is hierin nader onderzocht. Het rapport van dit onderzoek, opgesteld door Deerns Nederland BV, d.d. 31 oktober 2023, is te vinden in Bijlage 8 van deze toelichting. De conclusie van het onderzoek is dat een combinatie van geluidreducerende maatregelen én het vaststellen van hogere waarden middels een maatwerkvoorschrift zorgt voor een goed woon- en leefklimaat en ervoor zorgt dat de brandweerkazerne niet wordt belemmerd in het handelen door de woningen in de omgeving. Op de hoek van de Nijverheidslaan en de Industrielaan zijn een aantal percelen bestemd voor maatschappelijke voorzieningen, zoals een apotheek en gezondheidszorg. De richtafstand die aangehouden wordt voor dit type voorzieningen is over het algemeen 10 meter voor geluidhinder.

De afstand van deze bedrijvigheid tot de nieuw te bouwen woningen is ruim meer dan de richtafstand voorschrijft. Er hoeft geen nader onderzoek te worden gedaan met betrekking tot de milieuhygiënische situatie die ontstaat door de maatschappelijke bestemming op de Nijverheidslaan 1 en 3. Ten zuiden van de Nijverheidslaan 1 en 3 is een bedrijfsbestemming gelegen. Deze bestemming maakt de vestiging van bedrijven van milieucategorie 3.1 of lager mogelijk. De richtafstand die geldt voor deze milieucategorie is 50 meter. De woningbouw die mogelijk wordt gemaakt door dit bestemmingsplan ligt binnen de richtafstand van deze bedrijven. In het onderzoek naar industrielawaai, zie Bijlage 8, is onderzocht dat voor wat betreft industrielawaai sprake is van een goede milieuhygiënische situatie. Het gebied is namelijk te classificeren als een gemengd gebied. Hierdoor is de richtafstand van 50 meter teruggebracht naar 30 meter. De woningbouw ligt daarmee niet binnen de richtafstand die geldt voor dit gebied. De bedrijven worden niet belemmerd in hun uitbreidingsmogelijkheden door deze ontwikkeling. Daarnaast worden de bedrijven in de omgeving van de ontwikkeling niet belemmerd in hun uitbreidingsmogelijkheden. Met name aan de oostzijde van het plangebied komen de woningen relatief dicht bij de bedrijven te liggen. 5.9.2

Conclusie

Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt géén belemmering voor deze ontwikkeling, omdat geluidreducerende maatregelen op de gevels van de nieuw te bouwen woningen worden getroffen.

30

bestemmingsplan

bestemmingsplan Brandmeesters

5.10

Luchtkwaliteit

5.10.1 Wettelijk kader Voor luchtkwaliteit zijn de luchtkwaliteitseisen (hoofdstuk 5.2) van de Wet milieubeheer van kracht. Hierin is vastgelegd dat onder meer ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de in de wet opgenomen grenswaarden en richtwaarden. Deze Wet is nader uitgewerkt in Besluiten en Regelingen, waarvan het Besluit en de Regeling niet in betekenende mate (nibm), het Besluit gevoelige bestemmingen en de Regeling beoordeling de belangrijkste zijn. Daarnaast is ook het beginsel van een goede en duurzame ruimtelijke ordening van belang. Niet in betekenende mate (nibm) Alleen projecten die ‘in betekenende mate’ bijdragen aan de concentraties luchtvervuiling worden getoetst aan de grenswaarden. Er dient te worden onderzocht of een project ‘in betekenende’ mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Het Besluit nibm bepaalt dat een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie luchtvervuiling als deze minder dan 3% van de grenswaarde, ofwel 1,2 microgram per m3. De Regeling nibm is hier een nadere uitwerking van. Hierin is bepaald dat woningbouwprojecten tot 1.500 woningen en kantoren tot 100.000 m 2 zijn vrijgesteld van toetsing aan de wettelijke grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof. Besluit gevoelige bestemmingen Kinderen, ouderen en zieken zijn gevoeliger voor luchtvervuiling en worden daarom extra beschermd.

Op basis van het Besluit gevoelige bestemmingen gelden voor gevoelige bestemmingen nabij wegen zwaardere beperkingen. Zo mogen binnen 300 meter van rijkswegen en 50 meter vanaf provinciale wegen geen bestemmingen voor langdurig verblijf als kinderdagverblijven, scholen of verzorgingstehuizen worden gebouwd, als de wettelijke grenswaarden worden overschreden. Het Besluit verplicht overheden om onderzoek uit te voeren naar de concentraties stikstofdioxide en fijn stof. Voor gemeentelijke wegen geldt een zwaardere motiveringsplicht. Concentraties stikstofdioxide en (ultra) fijn stof De Omgevingsdienst heeft de concentraties stikstofdioxide en (ultra) fijn stof voor het jaar 2015 en 2025 berekenend met het rekenmodel GeoMilieu. De wettelijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde ligt op 40 microgram per m3. De uurgemiddelde grenswaarde voor stikstofdioxide van 200 microgram per m3 wordt overschreden wanneer de concentraties gemiddeld op jaarbasis boven de 60 microgram per m3 uitkomen.

5.10.2 Toetsing bouwplan De voorgenomen ontwikkeling maakt de bouw van 140 woningen mogelijk binnen het plangebied. In de huidige situatie zijn 6 woningen aanwezig binnen het plangebied. Dat betekent een toename van netto 135 woningen. Dat is ruim onder de IBM-grens van 1.500 woningen. Hieruit volgt dat de ontwikkeling in Niet In Betekenende Mate (NIBM) bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.

5.10.3 Conclusie Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt géén belemmering voor deze ontwikkeling.

bestemmingsplan

31

bestemmingsplan Brandmeesters

5.11

Mobiliteit

5.11.1 Wettelijk kader Op 26 november 2020 heeft de raad de Notitie parkeernormen Veenendaal 2020 vastgesteld. De parkeernormen zijn hiermee herzien. In het vastgestelde beleid worden flexibelere parkeernormen toegepast, waardoor er meer maatwerk mogelijk is bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in Veenendaal. Hierbij wordt meer rekening gehouden met het bestaande stedelijk gebied en met de mogelijkheden om met andere vervoerswijzen te reizen naast de personenauto. Ook worden er fietsparkeernormen geïntroduceerd om de positie van Veenendaal als fietsstad verder te versterken. Tot slot kunnen initiatiefnemers van grote ruimtelijke ontwikkelingen met behulp van een mobiliteitsplan gemotiveerd een reductie op de parkeernormen verdienen door andere vormen van mobiliteit aan te bieden en gebruik te maken van de kwaliteiten die aanwezig zijn in de nabije omgeving van het plangebied. De raad heeft in mei 2023 een herziening van de Notitie parkeernormen Veenendaal 2020 vastgesteld. Daarin zijn alle parkeernormen die gelden in de gemeente Veenendaal gebundeld. Daarnaast heeft het fietsparkeren een plek gekregen in de Notitie parkeernormen Veenendaal 2020, herziening 2023. 5.11.2 Toetsing bouwplan Het plan betreft de bouw van maximaal 140 woningen. Dat vindt zijn weerslag op de verkeer- en parkeersituatie in het plangebied en de omgeving.

Verkeersstromen Voor de verkeersgeneratie die het plan oplevert is onderzoek uitgevoerd. Het rapport, opgesteld door Sweco Nederland B.V., d.d. 27 februari 2024, bijgevoegd als Bijlage 9 bij deze toelichting. Uit onderzoek blijkt dat de verkeersgeneratie die ontstaat door deze ontwikkeling kan worden gedragen door de omliggende wegen en kruisingen. Het effect van deze ontwikkeling op de doorstroming van deze wegen is zeer beperkt. De Nijverheidslaan is in zijn volledigheid omgezet naar een 30km/u weg, waardoor de verkeersveiligheid op deze weg wordt verbeterd.

Parkeersituatie Voor de 140 woningen van verschillende typologiën zijn in totaal 181,6 parkeerplaatsen nodig voor zowel de bewoners van de woningen als bezoekers. Voor een groot deel wordt in de parkeerbehoefte voorzien door de realisatie van een overdekte parkeervoorziening. Aan de randen van het plangebied aan de Recterstraat, Ambachtsstraat en de Nijverheidslaan worden eveneens parkeerplaatsen gerealiseerd, zoals verbeeld in de onderstaande plantekening.

32

bestemmingsplan

bestemmingsplan Brandmeesters

Afbeelding 4 - Weergave parkeersituatie Naast de realisatie van parkeerplaatsen maakt het plan aanspraak op een reductie van de totale parkeerbehoefte van in totaal 20%. Dit is nader toegelicht in het mobiliteitsplan, een uitwerking op bovengenoemde verkeersnotitie en toegevoegd als bijlage bij deze verkeersnotitie. De nabijheid van het trein- en busstation levert een reductie van 5% van het totaal op. Dat betekent dat er 9,08 parkeerplaatsen minder hoeven te worden gerealiseerd, omdat de verwachting is dat een aantal bewoners en/of bezoekers intensief gebruik gaat maken van het openbaar vervoer in plaats van de auto. Daarnaast is een reductie van 5% van het totaal toegepast door de doelgroepen die de woningen naar verwachting aan zullen trekken. Niet iedereen binnen de doelgroepen die hier komen wonen zullen in het bezit zijn van een auto. Initiatiefnemer verbindt zich daarnaast aan het mogelijk maken van deelmobiliteit door vier deelauto's aan te bieden. De verwachting is dat het gebruik van deelauto's de parkeerdruk op de omgeving zal verlichten. Om die reden is een reductie van 10% over het totaal aantal parkeerplaatsen toegekend. In totaal wordt door het mobiliteitsplan een reductie van 36,32 parkeerplaatsen bewerkstelligd.

Doordat voor de deelauto's vier parkeerplaatsen dienen te worden gerealiseerd is het een uiteindelijke reductie van 32,32 parkeerplaatsen over een totale parkeereis van 181,6 parkeerplaatsen. Dit komt neer op een theoretisch aantal van 149,28 parkeerplaatsen. Het feitelijke aantal dat nodig is, is daarmee 150 parkeerplaatsen. Het plan voorziet in dit aantal parkeerplaatsen. 5.11.3 Conclusie Het aspect 'mobiliteit' vormt géén belemmering voor deze ontwikkeling.

bestemmingsplan

33

bestemmingsplan Brandmeesters

5.12

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

In juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r) in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de procedure voor de vormvrije m.e.r.- beoordeling. Voor een aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, zal door de initiatiefnemer een aanmeldnotitie opgesteld moeten worden. Na het indienen van de aanmeldnotitie dient het bevoegd binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbeslissing te nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden. Vervolgens moet de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is vereist als een besluit wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst en de besluiten (kolom 4) die daaraan zijn gekoppeld, in gevallen waarin de omvang van activiteiten onder de drempelwaarden (kolom 2 van de D-lijst) liggen.

5.12.1 Toetsing bouwplan De ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt komt voor op de D-lijst, onder activiteit D 11.2 'aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject'. Met een plangebied van circa 1,4 hectare en de bouw van 140 woningen worden de drempelwaarden die horen bij deze activiteit niet overschreden. Daarmee volstaat het om een vormvrije m.e.r.-beoordeling uit te voeren. Deze is opgesteld door Sweco Nederland BV., d.d. 10 februari 2023, en toegevoegd bij deze toelichting als Bijlage 10. In de vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt, in samenhang met de onderzoeken uit deze toelichting, per milieuaspect besproken waarom géén nader onderzoek noodzakelijk is met betrekking tot de m.e.r.-beoordeling.

5.12.2 Conclusie Het aspect 'm.e.r.-beoordeling' vormt géén belemmering voor deze ontwikkeling.

5.13

Totaalbeeld aspecten

Uit alle gevoerde onderzoeken komt naar voren dat het bestemmingsplan niet op onacceptabele gevolgen of belemmeringen stuit voor de directe omgeving.

34

bestemmingsplan

bestemmingsplan Brandmeesters

Hoofdstuk 6 6.1

JURIDISCHE PLANOPZET

Inleiding

Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels (zogenaamde planregels). De regels zijn gerelateerd aan de verbeelding, zodat verbeelding en regels te allen tijde in onderlinge samenhang dienen te worden bezien en toegepast. Verbeelding Zoals reeds eerder gesteld is de verbeelding gerelateerd aan de regels (en vice versa) en heeft tevens de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Verder kunnen er binnen een bestemming verklaringen zijn aangegeven. Deze hebben juridisch gezien geen enkele betekenis en zijn uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van de kaart (bijvoorbeeld topografische gegevens). De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en overheid bindende deel van het bestemmingsplan. Regels De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in meerdere hoofdstukken.

Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken. Toelichting De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Door de grote flexibiliteit, of beter vrijheid in de regels, kan de rechtszekerheid van belanghebbenden in het gedrang komen. In de toelichting dienen derhalve duidelijk de beleidsintenties te worden aangegeven met betrekking tot toekomstig grondgebruik. De toelichting heeft echter geen rechtsreeks burgers bindende werking.

6.2

De indeling van de planregels

Het gemeentelijk beleid is vertaald in de planregels. Het deelplan bevat normatieve regels, die bindend zijn voor zowel de overheid als de burger. Daarbij is geprobeerd een flexibel stelsel van regels te ontwikkelen zonder daarbij tekort te doen aan eisen van rechtszekerheid. Gekozen is daarom om het aantal bestemmingen op de verbeelding te beperken tot datgene wat noodzakelijk wordt geacht. Het is voor beide partijen van groot belang, dat de verbeelding en de planregels duidelijke informatie verschaffen. Door het aantal bestemmingen met een minimum te beperken wordt de leesbaarheid en duidelijkheid van zowel de verbeelding als de planregels vergroot. Een leesbaar en duidelijk plan zorgt bovendien voor een plan dat handhaafbaar is. De indeling van de planregels is als volgt: 6.2.1

Inleidende regels (hoofdstuk 1)

Dit hoofdstuk bevat alle bepalingen die nodig zijn om de overige planregels goed te kunnen hanteren: begrippen: bevat in het plan gebruikte begrippen die uitleg behoeven; wijze van meten: bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlaktes, percentages, hoogtes, dieptes, breedtes en dergelijke. Hieronder valt tevens de wijze van peilbepaling.

bestemmingsplan

35

bestemmingsplan Brandmeesters

6.2.2

Bestemmingsregels (hoofdstuk 2)

Binnen dit plan komen de volgende bestemmingen voor: Maatschappelijk Wonen

M W

Gebiedsaanduidingen milieuzone - boringsvrije zone In paragraaf 6.3 van deze toelichting wordt per bestemming aangegeven wat de gebruiksmogelijkheden en de bouwmogelijkheden zijn. Indien bestemmingsspecifieke flexibiliteitsregels aan de orde zijn worden deze per artikel opgenomen. Algemene flexibiliteitsregels zijn in hoofdstuk 3 opgenomen. 6.2.3

Algemene regels (hoofdstuk 3)

Hoofdstuk 3 bestaat achtereenvolgens uit de volgende artikelen: Anti-dubbeltelregel; Algemene bouwregels; Algemene gebruiksregels; Algemene afwijkingsregels; Algemene wijzigingsregels; Algemene procedureregels; Overige regels.

6.3

Bestemmingen

De bestemmingen bestaan uit een opsomming van omschrijvingen die aangeven hoe een bepaalde plek gebruikt mag worden en wat er op een bepaalde plek gebouwd mag worden. Dit wordt respectievelijk opgesomd in de bestemmingsomschrijving en de bouwregels. Daarnaast gelden er voor de woonbestemming aanvullende specifieke gebruiksregels en mogelijkheden tot afwijken van de gebruiksen bouwregels. Voor de maatschappelijke bestemming geldt een wijzigingsbevoegdheid waarmee het college bevoegd is om de bestemming, onder voorwaarden, te wijzigen. Dit is overgenomen uit het bestemmingsplan 'woongebieden 2018'. In dit bestemmingsplan is bij de bestemmingsomschrijvingen het begrip additionele voorzieningen toegevoegd. Deze voorzieningen vormen een onderdeel van de bestemming of functie en zijn daaraan ondergeschikt. Met deze ruime begripsomschrijving worden meerdere voorzieningen aan de bestemmingen gekoppeld om flexibiliteit voor (kleine) bouwwerken in het plan te waarborgen. Hieronder wordt de voor dit plan geldende bestemming toegelicht. Er wordt aangegeven wat de gebruiksen bouwmogelijkheden zijn.

Maatschappelijk - M Gebruiksmogelijkheden De voor 'Maatschappelijk - M' aangewezen gronden zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen, met daarbij behorende horecavoorzieningen, welke direct en ondergeschikt een verband met de maatschappelijke voorzieningen hebben, zoals een kantine. Over de gehele maatschappelijke bestemming is de aanduiding 'brandweerkazerne' gelegen. Dat houdt in dat hier enkel de realisatie van een brandweerkazerne mogelijk is. Andere maatschappelijke voorzieningen zijn in dit bestemmingsplan niet mogelijk. Bouwmogelijkheden

36

bestemmingsplan

bestemmingsplan Brandmeesters

Gebouwen mogen uitsluitend binnen het op de verbeelding opgenomen bouwvlak worden gebouwd. Het gehele bouwvlak mag bebouwd worden. De op de verbeelding opgenomen goot- en bouwhoogte zijn van toepassing op de hoofdgebouwen.

Wonen - W Gebruiksmogelijkheden Op de gronden met de bestemming 'Wonen - W' mag gewoond worden. Daarnaast is het direct toegestaan om beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteiten uit te oefenen in hoofd- of bijgebouw tot een maximum van 45 m². Dit gebruik is echter wel aan voorwaarden onderhevig, de voorwaarden worden in specifieke gebruiksregels binnen de bestemming opgenomen. Binnen het plangebied zijn de volgende woningtypen toegestaan: 1. ter plaatse van de aanduiding [aeg] mogen alleen aaneengesloten woningen worden gebouwd; 2. ter plaatse van de aanduiding [gs] mogen alleen gestapelde woningen worden gebouwd; Bouwmogelijkheden Het gedeelte van een woonperceel waarop hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken kunnen worden gebouwd is bedekt met een bouwvlak. In de bestemmingsregeling wordt onderscheid gemaakt tussen twee zones: het bouwvlak; gebied voor de voorgevel. Het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak gebouwd worden. Er is één uitzondering waarbij het gebied voor de voorgevel (dus buiten het bouwvlak) wel bebouwd mag worden. Deze uitzondering is de erker- en luifelregeling. Er is een regeling opgenomen voor bijbehorende bouwwerken, waarin de maximum oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken als volgt is gerelateerd aan de grootte van het bouwperceel: 1.

in geval van een bouwperceel kleiner dan of gelijk aan 200 m2: 25% van dat bouwperceel; 2. in geval van een bouwperceel groter dan 200 m2: 50m², vermeerderd met 20% van het deel van het bouwperceel dat groter is dan 200 m2, tot een maximum van in totaal 120m². Daarnaast mogen bijbehorende bouwwerken vanaf 1 meter achter de voorgevelrooilijn gebouwd worden. Bij zowel de gestapelde woningen als de aaneengebouwde woningen zijn de maximale bouwhoogten op de verbeelding aangeduid. Voor de bouw van de parkeergarage geldt een aanduiding. Binnen die aanduiding kan een parkeergarage van maximaal 3,5 meter hoogte worden gebouwd. Voor de bouw van de slangentoren, inclusief bijgebouw, geldt eveneens een aanduiding. Daar kan de slangentoren die onderdeel uit heeft gemaakt van de voormalige brandweerkazerne worden herbouwd, of een nieuw gebouw worden gebouwd dat verwijst naar de voormalige slangentoren. In het bijgebouw kunnen bewoners activiteiten met elkaar ondernemen.

Overgangsrecht In hoofdstuk 4 is het overgangsrecht geformuleerd. De formulering is conform de tekst als in het Bro omschreven. Zonder vergunning opgerichte, dus illegale, bouwwerken vallen niet onder het overgangsrecht. Indien de bouwwerken door wetgeving inmiddels vergunningvrij kunnen worden opgericht, worden deze niet als illegaal beschouwd.

bestemmingsplan

37

bestemmingsplan Brandmeesters

Hoofdstuk 7

FINANCIEEL-ECONOM ISCHE UIT VOERBAARHEID

Tegelijkertijd met de vaststelling van een bestemmingsplan kunnen exploitatieplannen (ex. art. 6.12 Wro) worden vastgesteld. Op basis van het exploitatieplan kunnen (plan)kosten worden verhaald. Een exploitatieplan hoeft niet opgesteld te worden bij een bestemmingsplan met alleen conserverende bestemmingen of wijzigingsbevoegdheden. Een exploitatieplan hoeft ook niet opgesteld te worden als het kostenverhaal ‘anderszins verzekerd’ is, door middel van bijvoorbeeld anterieure overeenkomsten of als de gemeente eigenaar is van de gronden. Voor dit bestemmingsplan is een anterieure overeenkomst met de ontwikkelaar afgesloten. Daarin is onder andere het kostenverhaal en afwenteling van eventuele planschade geregeld. Het kostenverhaal is daarmee anderszins verzekerd.

38

bestemmingsplan

bestemmingsplan Brandmeesters

Hoofdstuk 8

M AAT SCHAPPELIJKE UIT VOERBAARHEID

Het gemeentelijke beleid is er op gericht om in de voorbereiding op de bestemmingsplanprocedure een participatietraject te volgen. Om in het voortraject inspraak te kunnen hebben worden belanghebbenden uitgenodigd om te participeren in de totstandkoming van het bestemmingsplan. Dit vervangt de ter inzagelegging van het voorontwerpbestemmingsplan. Met de burgerparticipatie wordt eenieder in de gelegenheid gesteld om kennis te nemen van het plan en te reageren op de inhoud. Dit plan komt voort uit een tender die de gemeente heeft uitgeschreven. Inwoners hebben hun stem kunnen uitbrengen op verschillende ontwerpen voor dit gebied. Deze ontwikkeling kwam als winnaar naar voren. Op 27 juni heeft daarnaast een bijeenkomst plaatsgevonden waarin het gehele plan, dus de ontwikkeling van de woningen en de nieuwbouw van de brandweer aan omwonenden is gepresenteerd.

8.1

Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) verplicht een bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, indien nodig overleg te voeren met de besturen van betrokken gemeenten, waterschappen, provincie(s) en het Rijk. Gezien de ligging van het plan is overleg met naastgelegen gemeenten niet nodig. Het waterschap wordt meegenomen in de procedure die hoort bij dit bestemmingsplan. De provincie en het Rijk hebben aangegeven bij wat voor type ontwikkelingen vooroverleg plaats dient te vinden. Voor dit type ontwikkeling is het niet nodig om een provinciaal vooroverleg te voeren. Uiteraard is het bestemmingsplan ter inzage gelegd voor een reactie.

8.2

Ontwerp ter inzage legging

Het ontwerpbestemmingsplan is ter inzage gelegd op 7 december 2023 en heeft zes weken ter inzage gelegen tot en met 17 januari 2024. Tijdens deze periode zijn géén zienswijzen op het plan ingediend.

bestemmingsplan

39

bestemmingsplan Brandmeesters

40

bestemmingsplan

bestemmingsplan Brandmeesters

Bijlagen

bestemmingsplan

41

bestemmingsplan Brandmeesters

Bijlage 1 Rapport bodemonderzoek

42

bestemmingsplan

VERKENNEND, AANVULLEND EN NADER BODEMONDERZOEK Gemeentewerf en brandweerkazerne Nijverheidslaan 2 en Industrieweg 18 Veenendaal kenmerk PJ Milieu BV: 20015202A

VERKENNEND, AANVULLEND EN NADER BODEMONDERZOEK Gemeentewerf en brandweerkazerne Nijverheidslaan 2 en Industrieweg 18 Veenendaal kenmerk PJ Milieu BV: 20015202A

opdrachtgever:

Gemeente Veenendaal

datum rapport:

30 september 2021

kenmerk:

20015202A

status:

Definitief

uitgevoerd door:

PJ Milieu BV

projectleider en rapporteur:

ing. Mark Dorland | dorland@pjmilieu.nl

autorisatie:

ir. Henk-Jan van Dasselaar

PJ Milieu BV | Nijverheidsstraat 21 | 3861 RJ Nijkerk | 033-2458511 | info@pjmilieu.nl | www.pjmilieu.nl

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING ......................................................................................................... 4

2

VOORONDERZOEK ............................................................................................... 5 2.1 Werkwijze ................................................................................................... 5 2.2 Voorgaand verkennend bodem- en asfaltonderzoek ........................................... 5 2.3 Aanvullend vooronderzoek ............................................................................. 6 2.4 Hypothese en onderzoeksopzet ...................................................................... 7

3

VERKENNEND EN AANVULLEND BODEMONDERZOEK .............................................. 10 3.1 Uitvoering veldonderzoek ............................................................................ 10 3.2 Resultaten veldonderzoek ............................................................................ 10 3.3 Laboratoriumonderzoek ............................................................................... 11 3.4 Analyseresultaten ....................................................................................... 12 3.5 Deelconclusie verkennend en aanvullend bodemonderzoek ............................... 13

4

NADER BODEMONDERZOEK ................................................................................ 14 4.1 Onderzoeksopzet ........................................................................................ 14 4.1.1 Conceptueel model ............................................................................... 14 4.1.2 Opzet veld- en laboratoriumonderzoek .................................................... 15 4.2 Uitvoering veldonderzoek ............................................................................ 16 4.3 Resultaten veldonderzoek ............................................................................ 16 4.4 Laboratoriumonderzoek ............................................................................... 18 4.5 Analyseresultaten ....................................................................................... 18 4.6 Bijgewerkt conceptueel model (deelconclusie) ................................................ 20

5

SAMENVATTING, CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ............................................... 22 5.1 Resultaten ................................................................................................. 22 5.2 Conclusies ................................................................................................. 23 5.3 Aanbevelingen ........................................................................................... 24

BIJLAGEN 1|

Boorprofielen met legenda en verklaring onafhankelijkheid uitvoering veldwerk

2|

Analysecertificaten

3|

Toetsing analyseresultaten

4|

Achtergrondinformatie

5|

Tekeningen

1

INLEIDING

In opdracht van Gemeente Veenendaal is door PJ Milieu BV in augustus 2021 een verkennend, aanvullend en nader bodemonderzoek uitgevoerd. De onderzoekslocatie bevindt zich ter plaatse van de huidige gemeentewerf en brandweerkazerne aan de Nijverheidslaan 2 en Industrieweg 18 te Veenendaal. Aanleiding Aanleiding tot het uitvoeren van het verkennend, aanvullend en nader bodemonderzoek is de mogelijke herontwikkeling en herinrichting van de locatie en het aantonen van licht tot sterk verontreinigingen tijdens een voorgaand verkennend bodem- en asfaltonderzoek. Dit voorgaand verkennend bodem- en asfaltonderzoek van PJ Milieu BV met kenmerk 20015201A (d.d. 7 april 2020) vormt de basis voor het onderhavig uitgevoerde verkennend, aanvullend en nader bodemonderzoek. Doelstelling Het algemene doel van het onderzoek is het vaststellen van de actuele milieuhygiënische kwaliteit. De doelstelling per deelonderzoek is in de volgende hoofdstukken weergegeven. Indeling rapport In de rapportage worden de resultaten van de deelonderzoeken in achtereenvolgende separate hoofdstukken uitgewerkt. Het rapport sluit af met een samenvatting met conclusies en aanbevelingen. Verantwoording Dit onderzoek is uitgevoerd met de grootst mogelijke nauwkeurigheid en conform de daarvoor opgestelde normen en richtlijnen 1.

Desondanks dient opgemerkt te worden dat een bodemonderzoek slechts bestaat uit een steekproef, waarbij een relatief gering aantal boringen en analyses uitgevoerd wordt. Het kan niet geheel uitgesloten worden dat op de locatie een verontreiniging aanwezig is, die bij dit onderzoek niet aangetroffen is. Het onderzoek is, voor zover van toepassing, onder certificaat (KWALIBO) uitgevoerd, maar een bodemonderzoek is geen partijkeuring. Door derden kan, ongeacht de resultaten van dit bodemonderzoek, een keuring van een af te voeren partij (grond of verhardingsmaterialen) verlangd worden. Tenslotte wordt opgemerkt dat PJ Milieu BV geen financieel of zakelijk belang heeft bij de kwaliteit van de onderzochte locatie.

1

De gebruikte normen en richtlijnen zijn in de navolgende hoofdstukken weergegeven

20015202A | Nijverheidslaan 2 en Industrieweg 18 Veenendaal

4

2

VOORONDERZOEK

Op 7 april 2020 is door PJ Milieu BV een verkennend bodem- en asfaltonderzoek gerapporteerd onder kenmerk 20015201A. Tijdens het onderzoek is een vooronderzoek uitgevoerd. Hierbij is beperkt vooronderzoek gedaan naar de mogelijke oorzaak van de aangetoond verontreinigingssituaties. Het doel van het vooronderzoek is het verder inzicht krijgen in een mogelijke oorzaak van de aangetoonde verontreinigingen. Het vooronderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5725 2, aanleiding A 3. 2.1

Werkwijze

Het vooronderzoek heeft betrekking op de onderzoekslocatie en de omgeving (inclusief de zuidelijk gelegen gebiedsontwikkeling Pionierkwartier). Hierbij zijn de opdrachtgever en het archief van PJ Milieu BV als aanvullende bronnen geraadpleegd. Voorafgaand aan de uitvoering van het bodemonderzoek zijn de onderzoekslocatie en de omgeving geïnspecteerd. 2.2

Voorgaand verkennend bodem- en asfaltonderzoek

Door PJ Milieu BV is op 7 april 2020 een verkennend bodem- en asfaltonderzoek gerapporteerd onder kenmerk 20015201A. Uit het onderzoek zijn de volgende verontreinigingssituaties met bijbehorende conclusies en aanbevelingen bekend geworden. Voor overige relevante zaken, conclusies en resultaten wordt verwezen naar de genoemde rapportage. Deellocatie B – Werkplaats, wasplaats, olie-afscheiders en brandstoffenopslag In het grondwater uit peilbuis 101 is een sterk verhoogd gehalte 1,2-dichloorethenen en een matig verhoogd gehalte vinylchloride aangetoond. Vanuit het historische onderzoek is ter plaatse van peilbuis 101 geen aantoonbare bron van 1,2-dichloorethenen en vinylchloride naar voren gekomen. Geadviseerd is in eerste instantie een herbemonstering van peilbuis 101 (filterstelling 1,9 – 2,9 m-mv) en analyse op 1,2-dichloorethenen en vinylchloride (VOCL) uit te voeren en de gehalten te verifiëren. Indien alsnog matig of sterk verhoogde gehalten worden aangetoond, wordt een nader onderzoek geadviseerd. Deellocatie C – Werkplaats en chemicaliënopslag Ter plaatse van boring 205 is sprake van diverse licht verhoogde gehalten (waaronder minerale olie) en is een lichte olie-indicatie waargenomen. Hoewel een aanvullend of nader onderzoek niet direct noodzakelijk is, wordt wel aanbevolen op een natuurlijk moment (bv.

na sloop van het pand) onder het pand een bodemonderzoek uit te voeren. Dit om de aanwezigheid van een geval van bodemverontreiniging voorafgaand aan bijvoorbeeld herontwikkeling vroegtijdig te traceren. Deellocatie E – Autowrakkenopslag In verband met het aantreffen van sterk verhoogde gehalten minerale olie en vluchtige aromaten (BTEXN) in grond en grondwater wordt geadviseerd een nader onderzoek uit te voeren naar de aard, mate en omvang van deze verontreiniging. Ter plaatse van deze deellocatie is in het kader van een bouwvergunning voor een oefenruimte reeds door BOOT een bodemonderzoek uitgevoerd (kenmerk M04210-02-53, d.d. 10 februari 2005). Hierin is vermeld dat op de locatie 2 ondergrondse brandstoftanks van 6.000 liter (benzine en gasolie) met twee elektrische aftappunten aanwezig waren. De tanks zijn rond 1964 aangelegd. Omtrent eventuele verwijdering of sanering van de tanks zijn geen gegevens bekend, echter in de rapportage is vermeld dat de brandstoftanks en aftappunten circa een tiental jaren zijn 2 3

NEN 5725, Bodem. Strategie voor het uitvoering van milieuhygiënisch vooronderzoek, Delft 2017 De (verplicht) te onderzoeken aspecten worden in de NEN 5725 afhankelijk gesteld van de aanleiding van het onderzoek. Aanleiding A is als volgt geformuleerd: opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek

20015202A | Nijverheidslaan 2 en Industrieweg 18 Veenendaal

5

verwijderd (ten tijde van onderhavig onderzoek 20 á 25 jaar). Tijdens dit onderzoek zijn geen significante verontreinigingen aangetoond. Deellocatie H – Overig terrein Ter plaatse van het overig terrein is een overschrijding van de maximale hergebruikswaarde voor wonen/industrie aangetoond voor de PFAS. Dit betreft de parameter 6:2 fluortelomeer sulfonzuur (6:2 FTS) is in mengmonster MM-704 van boringen 3, 5, 102, 103, 106, 110 en 201. Aangezien het Handelingskader ten tijde van het onderzoek, nog tijdelijk van aard is en er nog geen definitief beleidskader is vastgesteld, wordt geadviseerd voorafgaand aan herontwikkeling of afvoer van grond/zand het verhoogde gehalte aanvullend te onderzoeken. 2.3

Aanvullend vooronderzoek

Onderzoekslocatie Met betrekking tot de onderzoekslocatie zijn aanvullende gegevens opgevraagd in het archief van de gemeente Veenendaal. Tijdens dit archiefonderzoek is echter aangegeven dat diverse gegevens reeds verwijderd of vernietigd zijn. Er zijn omtrent de aangetoonde verontreinigingen en eventuele bronnen van de verontreinigingen geen aanvullende gegevens beschikbaar gekomen. Omgeving Ter plaatse van het zuidelijk gelegen plangebied Pionierkwartier zijn tijdens een voorgaand aanvullend onderzoek van Ingenieursbureau Land (kenmerk R01-65050-RSC, d.d. 20 augustus 2015) diverse malen licht tot sterk verhoogde gehalten VOCL (m.n. vinylchloride en 1,2,-dichloorethenen) aangetoond. De oorzaak van deze verontreinigingen is tijdens dit onderzoek niet duidelijk geworden. Tijdens een aanvullend onderzoek naar de bovengenoemde sterk verontreinigingen door Ingenieursbureau Land (kenmerk B01-65050.01-ROS, d.d. 30 november 2015) zijn op verschillende diepte aanvullende peilbuizen geplaatst. Tijdens dit onderzoek zijn enkel nog licht verhoogde gehalten aangetoond. Er is met name sprake van afbraakproducten vinylchloride en 1,2-dichloorethenen. Er is geen aanleiding om een geval van ernstige bodemverontreiniging te verwachten. Wel wordt geconcludeerd dat diffuus over de locatie sporen van VOCl in het grondwater zijn aangetoond.

Het voorkomen van kleinere spots VOCL zijn derhalve niet uit te sluiten. Er is tevens geen concrete informatie omtrent het gebruik van VOCL op de locatie naar voren gekomen. Met betrekking tot de bovengenoemde verontreinigingen is door PJ Milieu BV op 06 december 2018 een grondwateronderzoek gerapporteerd (kenmerk 1784503M). Door diverse ontwikkelingen zijn nieuwe peilbuizen geplaatst ter plaatse van of nabij de voorgenoemde verontreinigingen met VOCL. Tijdens dit onderzoek zijn enkel licht verhoogde gehalten vinylchloride en 1,2-dichloorethenen aangetoond. Een aanvullend of nader onderzoek wordt niet zinvol geacht. Op basis van de bovengenoemde onderzoeken kan geconcludeerd worden dat in het gebied Pionierkwartier en mogelijk ter plaatse van de onderzoekslocatie, VOCL veelal in licht verhoogde gehalten voorkomen. Plaatselijk worden VOCL in matig of sterk verhoogde gehalten aangetoond. In geen van de onderzoeken is een duidelijk aanwijsbare bron gevonden en niet bekend is geworden of de gehalten afkomstig zijn van het jarenlang gebruik van de locatie(s). Aannemelijk is dat de VOCL-verontreiniging aangetoond in peilbuis 101 eenzelfde karakter of achtergrond heeft.

20015202A | Nijverheidslaan 2 en Industrieweg 18 Veenendaal

6

2.4

Hypothese en onderzoeksopzet

Op basis van de resultaten van het voorgaand onderzoek wordt op de volgende deellocaties in de onderstaande tabel een verkennend, aanvullend of nader onderzoek uitgevoerd. Tabel 1

Te onderscheiden deellocaties

DL

Omschrijving

Verwachte stoffen

Oppervlakte (m2)

Soort onderzoek

B

Werkplaats, wasplaats, olieafscheiders en brandstoffenopslag

VOCL

-

Aanvullend bodemonderzoek

C

Werkplaats en chemicaliënopslag

Minerale olie

250

Verkennend bodemonderzoek

E

Autowrakkenopslag

Minerale olie, vluchtige aromaten en MTBE en ETBE

-

Nader bodemonderzoek

H

Overig terrein (PFAS)

PFAS

-

Aanvullend bodemonderzoek

DL

=

deellocatie

Het verkennend bodemonderzoek ter plaatsen van deellocatie C wordt uitgevoerd volgens de NEN 5740 4. Het nader onderzoek ter plaatse van deellocatie E wordt uitgevoerd conform de NTA-5755 5. Het algemene doel van het bodemonderzoek is: het vaststellen van de actuele milieuhygiënische kwaliteit. Per deellocatie is de doelstelling als volgt:  deellocatie B: het verifiëren van de eerder aangetoonde sterk verhoogde gehalten;  deellocatie C: het bepalen van de aard van een heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming. Tevens wordt vastgesteld of de concentraties van de vermoede verontreinigende stof in de grond en het freatische grondwater boven respectievelijk de achtergrondwaarde en de streefwaarde wordt aangetroffen;  deellocatie E: het bepalen van de aard, mate, oorzaak, omvang tijdstip van ontstaan en ligging van de bodemverontreiniging. Daarnaast wordt bepaald of sprake is van een ernstige bodemverontreiniging. Verder wordt bepaald in hoeverre een risicobeoordeling (wel of geen onaanvaardbare risico’s) uitgevoerd dient te worden;  deellocatie H: het bepalen of en op welke locatie verhoogde gehalten PFAS aanwezig zijn. Deellocatie B – Werkplaats, wasplaats, olieafscheiders en brandstoffenopslag Ten aanzien van deellocatie B wordt in eerste instantie ter verificatie een herbemonstering van het grondwater uit peilbuis 101 uitgevoerd.

Indien opnieuw een matig of sterk verhoogd gehalte VOCL wordt aangetoond wordt in overleg met de opdrachtgever bepaald in hoeverre een nader onderzoek, gezien de doelstelling en het bijbehorende tijdspad, noodzakelijk is. Deellocatie C – Werkplaats en chemicaliënopslag De werkplaats en chemicaliënopslag hebben een totale oppervlakte van circa 250 m2. Aangezien de zintuiglijk en analytisch verontreinigde boring 205 buiten het pand is verricht, kan niet uitgesloten worden dat inpandig een sterke verontreiniging aanwezig is. Derhalve wordt het onderzoek ten dele inpandig uitgevoerd.

4 5

NEN 5740+A1, Bodem. Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek, Delft 2016 Nederlandse Technische Afspraak-5755: 2010. Bodem – Landbodem. Strategie voor het uitvoeren van nader Onderzoek – Onderzoek naar de aard en omvang van bodemverontreiniging

20015202A | Nijverheidslaan 2 en Industrieweg 18 Veenendaal

7

Tabel 2

Onderzoeksstrategie en veld- en laboratoriumonderzoek

C - Werkplaats en chemicaliënopslag NEN 5740: Onderzoeksstrategie voor een verdachte niet-lijnvormige locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming (VED-HE-NL) Veldonderzoek Aantal boringen en peilbuizen

Laboratoriumonderzoek Aantal (meng)monsters

Boring tot

èn boring tot

èn boring met

Grond

0,5 m in de verdachte laag

onderzijde van de verdachte laag met een maximum van 2 m

peilbuis

(verdachte laag)

3

2

-

2

Grondwater

-

Minerale olie

In deze fase van onderzoek wordt een aanvullend onderzoek naar het grondwater niet noodzakelijk geacht. Echter bij het aantreffen van matige of sterke olie-water-indicaties kan een aanvullend grondwateronderzoek noodzakelijk zijn. Deellocatie E – Autowrakkenopslag Ten aanzien van deze deellocatie wordt een nader onderzoek naar minerale olie en vluchtige aromaten in grond en grondwater uitgevoerd. Hierbij dient voor grond horizontale en verticale afperking uitgevoerd te worden. Aangezien de verontreiniging naar verwachting beperkt is, kan de verticale afperking van het grondwater naar verwachting achterwege blijven. Tabel 3

Onderzoeksstrategie en veld- en laboratoriumonderzoek

E – Autowrakkenopslag NTA 5755: Nader onderzoek Veldonderzoek Aantal boringen en peilbuizen

Laboratoriumonderzoek Aantal (meng)monsters

Boring tot

èn boring tot

èn boring met

Grond

1,5 m-mv of tot zintuiglijk schoon

zintuiglijk schone onderzijde

peilbuis

(verdachte laag)

4

1

4

7

Grondwater

5

Minerale olie en Minerale olie en vluchtige aromaten vluchtige aromaten MTBE en ETBE

Verwacht wordt dat inpandig 2 boringen verricht dienen te worden. De bestaande peilbuis wordt nogmaals bemonsterd, maar ditmaal wordt het grondwater aanvullend geanalyseerd op MTBE en ETBE. Deellocatie E – Overig terrein In mengmonster MM-704 (boringen 3, 5, 102, 103, 106, 110 en 201) uit voorgaand onderzoek zijn verhoogde gehalten PFAS aangetoond, waardoor meerdere delen mogelijk als niet toepasbare grond dienen te worden beschouwd. Daar de locatie formeel verdacht is ten aanzien van PFAS (brandweerkazerne) is analyse van de deelmonsters van het mengmonster gewenst.

20015202A | Nijverheidslaan 2 en Industrieweg 18 Veenendaal

8

Tabel 4

Onderzoeksstrategie en veld- en laboratoriumonderzoek

H - overig terrein Uitplitsing mengmonster MM-704 Veldonderzoek Aantal boringen en peilbuizen Boring tot

Boring tot grondwater

1,0 m-mv 7

Laboratoriumonderzoek Aantal (meng)monsters èn boring met

Grond

Grondwater

7

-

peilbuis -

-

PFAS

20015202A | Nijverheidslaan 2 en Industrieweg 18 Veenendaal

9

3

VERKENNEND EN AANVULLEND BODEMONDERZOEK

In dit hoofdstuk is het uitgevoerde onderzoek voor deellocaties B, C en H omschreven volgens de opzet en de doelstelling in de vorige paragraaf. Het nader onderzoek wordt uitgevoerd ter plaatse van deellocatie E wordt in hoofdstuk 4 behandeld. 3.1

Uitvoering veldonderzoek

Het veldonderzoek is uitgevoerd door minimaal 1 gecertificeerd persoon van PJ Milieu BV (bijlage 1, verklaring onafhankelijkheid uitvoering veldwerk) conform de Beoordelingsrichtlijn voor de SIKB-procescertificaten voor veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek (BRL SIKB 2000 6) en de protocollen 2001 7 en 2002 8. Op 16 en 17 augustus 2021 is het veldwerk uitgevoerd als omschreven in paragraaf 2.3. De verricht boringen en bemonsterde peilbuis zijn per deellocatie als volgt gecodeerd:  deellocatie B: nummer 101;  deellocatie C: nummers 1001 t/m 1007;  deellocatie H: nummers 3, 5, 102, 103, 106, 110 en 201; Gelijktijdig met de bemonstering van peilbuis 101 zijn de stand, de zuurgraad (pH), het geleidingsvermogen (ec) en de troebelheid van het grondwater bepaald. De situering van de boorpunten is aangegeven op de tekening (bijlage 4). Een uitgebreide omschrijving van de onderzoeksmethodiek is opgenomen in bijlage 4. 3.2

Resultaten veldonderzoek

Bodemopbouw In bijlage 1 is van elke boring een boorprofiel opgenomen. De globale bodemopbouw van de locatie is te omschrijven als zand met plaatselijk in de ondergrond veen of humeus zand. Ter plaatse van eventuele groenstroken is in de bovengrond humeus zand aangetroffen. Zintuiglijke waarnemingen vaste bodem Bij de uitvoering van het veldwerk zijn in de boringen geen bijzonderheden (waaronder olieindicaties) en/of bodemvreemde materialen aangetroffen, die kunnen duiden op aanwezigheid van bodemverontreiniging. Op het maaiveld en in het omhoog gebrachte materiaal zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Grondwaterstand, zuurgraad, geleidingsvermogen en troebelheid In tabel 5 zijn de resultaten van de veldmetingen aan het grondwater uit peilbuis 101 (deellocatie B) schematisch weergegeven. Tabel 5

Veldmetingen grondwater

Peilbuis

Datum monstername

Grondwaterstand (m-mv)

Zuurgraad (-)

Geleidbaarheid (µS/cm)

Troebelheid (NTU)

17-08-2021

1,4

7,6

690

4,3

101

De in tabel 5 genoemde waarden aan zuurgraad, geleidbaarheid en troebelheid kunnen als normaal worden beschouwd. 6 7

8

Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen Het nemen van grondwatermonsters

20015202A | Nijverheidslaan 2 en Industrieweg 18 Veenendaal

10

Zintuiglijke waarnemingen grondwater In tabel 6 zijn de waarnemingen bij de watermonstername schematisch weergegeven. Tabel 6

Waarnemingen grondwater

Peilbuis

Zintuiglijke waarnemingen

Goed-/slechtlopend

Belucht

Geen

Goedlopend

Niet belucht

101

3.3

Laboratoriumonderzoek

De monsters zijn aangeboden aan het RvA-geaccrediteerde laboratorium Eurofins Analytico Milieu B.V. te Barneveld. De resultaten van het veldonderzoek geven geen aanleiding meerdere (meng)monsters te onderzoeken of andere analyses uit te voeren dan conform de gehanteerde strategie (zie paragraaf 2.3). In tabel 7 zijn per deellocatie de voor analyses geselecteerde monsters en de stoffen waarop de monsters zijn onderzocht, schematisch weergegeven. Tabel 7

Monsteromschrijvingen en geanalyseerde parameters

Monstercode

Boringen

Traject (m-mv)*

Geanalyseerde parameters

B – Werkplaats, wasplaats, olieafscheiders en brandstoffenopslag (grondwater) 101-1-1 101 1,9 – 2,9 VOCL C - Werkplaats en chemicaliënopslag (grond) MM-1001

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13958223/1