CConstaterende datVeenendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Was-wordt-tabel achtste wijziging APV met artikelsgewijze toelichting

Gemeenteraad 30 mei 2024, gemeente VeenendaalBij agendapunt: Achtste wijziging Algemene Plaatselijke Verordening Veenendaal9.588 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Was-wordt-tabel Achtste wijziging Algemene Plaatselijke Verordening Veenendaal (APV) met artikelsgewijze toelichting Artikel 1:1 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst b.bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

Nieuwe tekst b.bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet;

c.bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1, eerste lid, van de Bouwverordening 2003;

c.bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

e.gebouw: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet daaronder wordt verstaan;

e. gebouw hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;

Toelichting: een aantal redactionele wijzigingen, vanwege de invoering van de Omgevingswet. Artikel 1:2 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 1:2 Beslistermijn 1.Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.

Nieuwe tekst Artikel 1:2 Beslistermijn 1.Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.

2.Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen.

2.Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen.

3.In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 2:10A, derde lid, of een vergunning als bedoeld in artikel 2:11, tweede lid, aanhef en onder a, artikel 2:12, eerste lid, artikel 4:11, eerste lid, of artikel 4:16, eerste lid.

3. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.

Toelichting: een redactionele wijziging, vanwege de invoering van de Omgevingswet.

Artikel 1:4 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1.Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

Nieuwe tekst Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1.Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

2.Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

2.Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Toelichting: een redactionele wijziging, vanwege de invoering van de Omgevingswet. Artikel 1:5 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 1:5 Voorschriften en beperkingen 1.Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

Nieuwe tekst Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1.Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

2.Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

2.Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Toelichting: een redactionele wijziging, vanwege de invoering van de Omgevingswet.

Artikel 1:6 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: a.indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b.indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c.indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d.indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of, e.indien de houder dit verzoekt.

Nieuwe tekst Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: a.indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b.indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c.indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d.indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of, e.indien de houder dit verzoekt. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Toelichting: een redactionele wijziging, vanwege de invoering van de Omgevingswet. Artikel 2:24 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:24 Definities 1.In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a.bioscoop- en theatervoorstellingen; b.markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22; c.kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d.het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen; e.betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f.activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39; g.sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f. 2.Onder evenement wordt mede verstaan: a.een herdenkingsplechtigheid; b.een braderie; c.een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3;

Nieuwe tekst Artikel 2:24 Definities 1.In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a.bioscoop- en theatervoorstellingen; b.markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22; c.kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d.het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen; e.betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f.activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39; g.sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f. 2.Onder evenement wordt mede verstaan: a.een herdenkingsplechtigheid; b.een braderie; c.een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3;

d.een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e.een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. 3.Evenementen zijn onderverdeeld in 3 categorieën: a.evenement categorie 1: een klein evenement met een beperkte omvang, een beperkte uitstraling naar de (woon)omgeving en een beperkt risico en eventueel een wegafsluiting, onder andere een straatbarbecue met straatafsluiting, het afsteken van professioneel vuurwerk of de Nieuwjaarsduik. b.evenement categorie 2: een middelgroot éénof meerdaags evenement met een behoorlijke omvang, een uitstraling naar de (woon)omgeving en een redelijk risico en eventueel een wegafsluiting onder andere een kermis, circus, muziekfestival of braderie. c.evenement categorie 3: een groot één- of meerdaags evenement met aanzienlijke omvang, een uitstraling naar de (woon)omgeving en een aanzienlijk risico en eventueel een of meerdere wegafsluitingen onder andere de profwielerronde of grootschalig dance-event.

4.In deze afdeling wordt onder kleinschalige activiteit verstaan een eendaagse activiteit met beperkte omvang en nauwelijks of geringe impact op de omgeving, waarbij a.het aanwezigen niet meer bedraagt dan 100 personen; b.de activiteit plaatsvindt op: -maandag, dinsdag, woensdag, donderdag, vrijdag of zaterdag tussen 10.00 uur en 24.00 uur of op: -zondag tussen 13.00 uur en 23.00 uur; c.geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 07.00 uur of na 23.00 uur; d.de activiteit niet plaatsvindt op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten; en e.slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 10 vierkante meter per object; f.geen tent wordt geplaatst waarin meer dan 50 personen tegelijkertijd aanwezig kunnen zijn; g.geen risico oplevert voor de openbare orde, veiligheid en gezondheid van deelnemers of bezoekers: en h.er een organisator is. i.er sprake is van een straatbarbecue of straatfeest zonder straatafsluiting of kinderkleedjes- of kraampjesmarkt niet zijnde een braderie.

d.een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e.een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. 3.Evenementen zijn onderverdeeld in 3 categorieën: a.evenement categorie 1: een klein evenement met een beperkte omvang, een beperkte uitstraling naar de (woon)omgeving en een beperkt risico en eventueel een wegafsluiting, onder andere een straatbarbecue met straatafsluiting, het afsteken van professioneel vuurwerk of de Nieuwjaarsduik. b.evenement categorie 2: een middelgroot éénof meerdaags evenement met een behoorlijke omvang, een uitstraling naar de (woon)omgeving en een redelijk risico en eventueel een wegafsluiting onder andere een kermis, circus, muziekfestival of braderie. c.evenement categorie 3: een groot één- of meerdaags evenement met aanzienlijke omvang, een uitstraling naar de (woon)omgeving en een aanzienlijk risico en eventueel een of meerdere wegafsluitingen onder andere de profwielerronde of grootschalig dance-event.

4.In deze afdeling wordt onder kleinschalige activiteit verstaan een eendaagse activiteit met beperkte omvang en nauwelijks of geringe impact op de omgeving, waarbij a.het aanwezigen niet meer bedraagt dan 150 personen; b.de activiteit plaatsvindt op: -maandag, dinsdag, woensdag, donderdag, vrijdag of zaterdag tussen 10.00 uur en 24.00 uur of op: -zondag tussen 13.00 uur en 23.00 uur; c.geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 07.00 uur of na 23.00 uur; d.de activiteit niet plaatsvindt op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten; en e.slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 25 vierkante meter per object; f.geen tent wordt geplaatst waarin meer dan 150 personen tegelijkertijd aanwezig kunnen zijn; g.geen risico oplevert voor de openbare orde, veiligheid en gezondheid van deelnemers of bezoekers: en h.er een organisator is. i.er sprake is van een straatbarbecue of straatfeest zonder straatafsluiting of kinderkleedjes- of kraampjesmarkt niet zijnde een braderie.

Toelichting: een redactionele wijziging, als gevolg van de invoering van de Alcoholwet. Daarnaast is de definitie van een kleinschalige activiteit verruimd. Er is nu sprake van een kleinschalige activiteit tot 150 personen in plaats van 100, er geen tent wordt geplaatst waarin meer dan 150 personen aanwezig kunnen zijn, in plaats van 50, en er geen sprake is van het plaatsen van kleine objecten van minder dan 25 vierkante meter in plaats van 10 vierkante meter. Dit betekent dat wijkverenigingen, buurthuizen, en vrijwilligersorganisaties minder beperkt worden om een kleinschalige activiteit te organiseren. Deze wijzigingen zijn in lijn met het advies van de Veiligheidsregio Utrecht(VRU) wat wij naar aanleiding van een analyse van de APV hebben ontvangen. Artikel 2:27 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:27 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder:

Nieuwe tekst Artikel 2:27 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder:

a. horecabedrijf: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies aan meer dan zeven personen wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt. Hieronder wordt in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, afhaalzaak, discotheek, buurthuis, clubhuis, shishalounge of waterpijpcafé en de bij deze bedrijven behorende terrassen en andere aanhorigheden.

a. horecabedrijf: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies aan meer dan zeven personen wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt. Hieronder wordt in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, afhaal- of bezorgzaak, discotheek, buurthuis, clubhuis, shishalounge of waterpijpcafé en de bij deze bedrijven behorende terrassen en andere aanhorigheden.

Toelichting: Dit artikel bepaalt de definitie van een horecabedrijf. Sinds de coronacrisis is er een trend ontstaan dat horecabedrijven uitsluitend bezorgen. Deze bedrijven vielen reeds onder de definitie van horecabedrijf. Echter leidde dit soms tot onduidelijkheid, omdat dit niet expliciet is benoemd. De toevoeging van bezorgzaak aan de definitie zorgt voor duidelijkheid richting horecaondernemers. Artikel 2:28 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst 5. De exploitatie van een horecabedrijf als bedoeld in het vierde lid of het vierde lid geschiedt zodanig dat daardoor de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde, veiligheid, volksgezondheid, zedelijkheid of het milieu niet op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

Nieuwe tekst 5. De exploitatie van een horecabedrijf als bedoeld in het vierde lid geschiedt zodanig dat daardoor de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde, veiligheid, volksgezondheid, zedelijkheid of het milieu niet op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

7.Horecabedrijven waarvoor op grond van het vierde lid het gestelde in het eerste lid niet geldt, blijven wel, voor zover van toepassing, aan de bepalingen van deze verordening en de Dranken Horecaverordening gebonden;

7.Horecabedrijven waarvoor op grond van het vierde lid het gestelde in het eerste lid niet geldt, blijven wel, voor zover van toepassing, aan de bepalingen van deze verordening en de Alcoholverordening gebonden;.

Toelichting: Dit artikel bepaalt de regels voor het exploiteren van een horecabedrijf. Twee redactionele wijzigingen vanwege een verschrijving, en de wijziging van de Drank- en Horecaverordening naar Alcoholverordening afgelopen jaar. Artikel 2:28A wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst 5.Het bepaalde in het tweede lid, onder a. geldt niet ten aanzien van horecabedrijven waarvoor een vergunning is verleend op grond van de Drank- en Horecawet waarop eenzelfde leidinggevende staat vermeld.

Nieuwe tekst 5.Het bepaalde in het tweede lid, onder a. geldt niet ten aanzien van horecabedrijven waarvoor een vergunning is verleend op grond van de Alcoholwet waarop eenzelfde leidinggevende staat vermeld.

8.Indien voor het horecabedrijf tevens een vergunning op grond van de Drank- en Horecawet is vereist, houdt de burgemeester, in afwijking van het bepaalde in het zesde en zevende lid, zijn beslissing aan totdat op de aanvraag om vergunning als bedoeld in de Drank- en Horecawet is beslist.

8.Indien voor het horecabedrijf tevens een vergunning op grond van de Drank- en Alcoholwet is vereist, houdt de burgemeester, in afwijking van het bepaalde in het zesde en zevende lid, zijn beslissing aan totdat op de aanvraag om vergunning als bedoeld in de Alcoholwet is beslist.

Toelichting: twee redactionele wijzigingen bij de bepalingen over de aanvraag en beslistermijn van een vergunning om een horecabedrijf te exploiteren, vanwege de invoering van de Alcoholwet Artikel 2:29 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:29 Toetsingsgronden 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 APV weigert de burgemeester de exploitatievergunning: a.indien voor de exploitatie of vestiging van een horeca-inrichting tevens een vergunning op basis van de Drank- en Horecawet is vereist en deze vergunning is geweigerd; b.indien de openbare orde en/of veiligheid ter plaatse door de aanwezigheid van de horecainrichting in gevaar komt; 2.indien de woon- en/of leefomgeving op onaanvaardbare wijze negatief zal worden beïnvloed; 3.indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet in overeenstemming is met de ingediende aanvraag. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 APV weigert de burgemeester de exploitatievergunning: a.wegens strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, een ter inzage gelegd bestemmingsplan, een voorbereidingsbesluit, een beheersverordening, een exploitatieplan of daarmee gelijk te stellen regelingen; 5.indien de termijn zoals bedoeld in artikel 1:7 derde lid nog niet is verstreken.

Nieuwe tekst Artikel 2:29 Toetsingsgronden 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 APV weigert de burgemeester de exploitatievergunning: a.indien voor de exploitatie of vestiging van een horeca-inrichting tevens een vergunning op basis van de Alcoholwet is vereist en deze vergunning is geweigerd; b.indien de openbare orde of veiligheid ter plaatse door de aanwezigheid van de horecainrichting in gevaar komt; c.indien de woon- of leefomgeving op onaanvaardbare wijze negatief zal worden beïnvloed; d.indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet in overeenstemming is met de ingediende aanvraag. 2.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 APV weigert de burgemeester de exploitatievergunning wegens strijd met het geldende omgevingsplan, een ter inzage gelegd ontwerp wijzigingsbesluit omgevingsplan, een voorbereidingsbesluit, of daarmee gelijk te stellen regelingen 3.indien de termijn zoals bedoeld in artikel 1:7 derde lid nog niet is verstreken. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 APV weigert de burgemeester al dan niet gedeeltelijk

6.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 APV weigert de burgemeester al dan niet gedeeltelijk de exploitatievergunning indien één of meer leidinggevenden niet voldoen aan de volgende eisen: a.de leidinggevende staat niet onder curatele; b.de leidinggevende is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; c.de leidinggevende van een horecabedrijf niet zijnde een dagzaak heeft de leeftijd van éénentwintig jaar bereikt. d.de leidinggevende is binnen de laatste vijf jaar geen leidinggevende geweest van een horecabedrijf die voor tenminste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 2:28 is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat de betreffende leidinggevende ter zake geen verwijt treft. 7.Voor horecabedrijven waarvan de exploitatievergunning op grond van artikel 2:29A eerste lid onder e., is ingetrokken, kan door de burgemeester worden bepaald dat een exploitatievergunning voor dat horecabedrijf gedurende een bij die intrekking vastgestelde termijn van ten hoogste vijf jaar wordt geweigerd. 8.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:4 APV kan de burgemeester in het belang van de openbare orde, veiligheid, volksgezondheid, zedelijkheid of het woon- en leefklimaat, voorschriften en beperkingen verbinden aan een exploitatievergunning.

9.Voor zover een exploitatievergunning ook betrekking heeft op één of meer bij het horecabedrijf behorende terrassen op de openbare weg, kan de burgemeester onverminderd het bepaalde in artikel 1:4 APV, daaraan tevens voorschriften en beperkingen verbinden met het oog op het doelmatig gebruik van de openbare ruimte, het uiterlijk aanzien van de gemeente, de veiligheid, en het onderhoud van de openbare weg en de zich daarop, daarin, daaronder of daarboven bevindende voorzieningen.

de exploitatievergunning indien één of meer leidinggevenden niet voldoen aan de volgende eisen: a. de leidinggevende staat niet onder curatele; b. de leidinggevende is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; c. de leidinggevende van een horecabedrijf niet zijnde een dagzaak heeft de leeftijd van éénentwintig jaar bereikt. d. de leidinggevende is binnen de laatste vijf jaar geen leidinggevende geweest van een horecabedrijf die voor tenminste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 2:28 is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat de betreffende leidinggevende ter zake geen verwijt treft. 5.Voor horecabedrijven waarvan de exploitatievergunning op grond van artikel 2:29A eerste lid onder e., is ingetrokken, kan door de burgemeester worden bepaald dat een exploitatievergunning voor dat horecabedrijf gedurende een bij die intrekking vastgestelde termijn van ten hoogste vijf jaar wordt geweigerd. 6.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:4 APV kan de burgemeester in het belang van de openbare orde, veiligheid, volksgezondheid, zedelijkheid of het woon- en leefklimaat, voorschriften en beperkingen verbinden aan een exploitatievergunning.

7.Voor zover een exploitatievergunning ook betrekking heeft op één of meer bij het horecabedrijf behorende terrassen op de openbare weg, kan de burgemeester onverminderd het bepaalde in artikel 1:4 APV, daaraan tevens voorschriften en beperkingen verbinden met het oog op het doelmatig gebruik van de openbare ruimte, het uiterlijk aanzien van de gemeente, de veiligheid, en het onderhoud van de openbare weg en de zich daarop, daarin, daaronder of daarboven bevindende voorzieningen.

Toelichting: een redactionele wijziging van de toetsingsgronden van een vergunning om een horecabedrijf te exploiteren, vanwege de invoering van de Alcoholwet, en abusievelijke onjuiste doornummering van leden en sub-leden. Artikel 2:29A wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:29A Intrekkingsgronden 1.De burgemeester trekt de exploitatievergunning in, indien:[…]

Nieuwe tekst Artikel 2:29A Intrekkingsgronden 1.De burgemeester trekt de exploitatievergunning in, indien:[…]

c.voor het horecabedrijf een vergunning op grond van de Drank- en Horecawet is vereist en deze is ingetrokken;

c.voor het horecabedrijf een vergunning op grond van de Alcoholwet is vereist en deze is ingetrokken;

Toelichting: een redactionele wijziging van de intrekkingsgronden van een vergunning om een horecabedrijf te exploiteren, vanwege de invoering van de Alcoholwet Artikel 2:34h wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:34h Tegengaan van onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat 1.De burgemeester kan gebouwen of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waarop het verbod uit artikel 2:34i, eerste lid, van toepassing is. 2.Een gebouw wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat en kan zich tot een of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. 3.Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat.

Nieuwe tekst Artikel 2:34h Tegengaan van onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat 1.De burgemeester kan gebouwen of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waarop het verbod uit artikel 2:34i, eerste lid, van toepassing is. 2. Een gebouw wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat of er een ernstige vrees bestaat dat dit het geval is en kan zich tot een of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. 3. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat of er een ernstige vrees is dat deze onder druk is komen te staan door de bedrijfsmatige activiteit.

Toelichting: een redactionele wijziging in het artikel om een vergunningsplicht te bepalen voor bepaalde branches of gebouwen vanwege ondermijnende activiteiten, Artikel 2:34i wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:34i Vergunning[…] 3. De burgemeester kan een aanvraag om een vergunning weigeren: […] e. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan;

Nieuwe tekst Artikel 2:34i Vergunning[…] 3. De burgemeester kan een aanvraag om een vergunning weigeren: […] e. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend omgevingsplan;

Toelichting: een redactionele wijziging in het artikel om een vergunningsplicht te bepalen voor bepaalde branches of gebouwen vanwege ondermijnende activiteiten, vanwege de invoering van de Omgevingswet. Artikel 2:39 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:39 Speelgelegenheden[…] 3.De burgemeester weigert de vergunning indien:

Nieuwe tekst Artikel 2:39 Speelgelegenheden[…] 3.De burgemeester weigert de vergunning indien:

a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of, b. de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan.

a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of, b. de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend omgevingsplan.

Toelichting: een redactionele wijziging vanwege de invoering van de Omgevingswet. Artikel 2:48 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:48 Verboden gebruik van drank en softdrugs 1.Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden: a.op speelruimteplekken, in winkelcentra, op scholen en in de directe omgeving daarvan, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben; b.op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor: a.een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet; b.een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet. 3.[vervallen] 4. [vervallen]

Nieuwe tekst Artikel 2:48 Verboden gebruik van drank 1.Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden: a.op speelruimteplekken, in winkelcentra, op scholen en in de directe omgeving daarvan, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben; b.op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor: a.een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet; b.een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet. 3.[vervallen] 4. [vervallen]

Toelichting: een redactionele wijziging vanwege de invoering van de Alcoholwet. Daarnaast is bij de zevende wijziging van de APV het drugsverbod anders geregeld, namelijk in artikel 2:74. Toen is abusievelijk de titel van artikel 2:48 niet aangepast. Dat wordt nu hersteld. Artikel 2:65 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:65 Bedelarij Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken.

Nieuwe tekst Artikel 2:65 Bedelarij Het is verboden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken in door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast aangewezen gebieden.

Toelichting: een redactionele wijziging waarmee is verduidelijkt dat het college alleen bedelarij kan verbieden op plekken ter voorkoming of beeinding van overlast. Artikel 2:71 wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst Artikel 2:71 Definitie In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Vuurwerkbesluit.

Nieuwe tekst Artikel 2:71 Definitie In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.

Toelichting: een redactionele wijziging waarmee de definitie van consumentenvuurwerk is verduidelijkt. Artikel 2:74 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:74 Drugshandel op straat Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.

Nieuwe tekst Artikel 2:74 Drugshandel op straat Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden, daar post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen of zich daar in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Toelichting: bij de zevende wijziging is abusievelijk in plaats van het invoegen een nieuw artikel 2:74a, het bestaande artikel 2:74 artikel vervangen. Dit wordt met deze wijziging hersteld. Dit artikel maakt het mogelijk om bestuurlijk op te treden tegen drugshandel op straat. Artikel 2:74a wordt nieuw ingevoegd. Bestaande tekst -

Nieuwe tekst 2:74a Openlijk drugsgebruik Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben

Toelichting: bij de zevende wijziging is abusievelijk in plaats van het invoegen een nieuw artikel 2:74a, het bestaande artikel 2:74 artikel vervangen. Dit wordt met deze wijziging hersteld. Dit artikel maakt het mogelijk op bestuurlijk op te treden tegen drugsgebruik. Artikel 2:78 wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen 1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen in het woon- en leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid, aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een bevel geven zich gedurende ten hoogste 72 uur, al dan niet aaneengesloten, niet in één of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 2.Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste acht weken niet in één of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 3.Een bevel krachtens het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen twaalf maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt. 4.De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt.

De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.

Nieuwe tekst Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen 1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen in het woon- en leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid, aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een tijdelijk verbod opleggen om zich gedurende ten hoogste 72 uur, al dan niet aaneengesloten, niet in één of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een tijdelijk verbod is opgelegd als bedoeld in dat lid en die binnen 12 maanden na een eerder tijdelijk verbod opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste acht weken, in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn. 3. De burgemeester beperkt het krachtens het eerste of tweede lid opgelegde verbod, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een tijdelijk verbod.4.

Als de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste of tweede lid.

Toelichting: een juridisch-technische en redactionele wijziging van het artikel waardoor het beter aansluit bij ontwikkelingen in de jurisprudentie en taalgebruik. Artikel 2:79 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:79 Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen 1.De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, of voor het publiek openstaande gebouwen of de daarbij behorende erven in een

Nieuwe tekst Artikel 2:79 Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen of bijbehoren erf 1.De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, of voor het publiek openstaande gebouwen of de daarbij behorende erven in een

bepaald gebied, in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten. 2.Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting tevens bekend gemaakt door een schrijven, waaruit van dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang(en) van het gebouw of het erf. 3.Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 4.Het is de rechthebbende op het gebouw of het erf, verboden om, nadat het bevel tot sluiting bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven. 5.Het is een ieder verboden om, nadat het bevel tot sluiting openbaar bekend gemaakt is op de in het tweede lid aangegeven wijze, een bij dit bevel gesloten gebouw, inrichting of ruimte te betreden of er te verblijven.

6.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het onderwerp van de regeling van het eerste lid elders wordt voorzien in deze verordening of in artikel 13b van de Opiumwet.

bepaald gebied, in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten. 2.Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het besluit tot sluiting tevens bekend gemaakt door een schrijven, waaruit van dat besluit tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang(en) van het gebouw of het erf. 3.Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 4.Het is de rechthebbende op het gebouw of het erf, verboden om, nadat het besluit tot sluiting bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven. 5.Het is een ieder verboden om, nadat het besluit tot sluiting openbaar bekend gemaakt is op de in het tweede lid aangegeven wijze, een bij dit bevel gesloten gebouw, inrichting of ruimte te betreden of er te verblijven.

6.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het onderwerp van de regeling van het eerste lid elders wordt voorzien in deze verordening of in artikel 13b van de Opiumwet.

Toelichting: een juridisch-technische en redactionele wijziging van het artikel waardoor het beter aansluit bij ontwikkelingen in de jurisprudentie en taalgebruik. Artikel 2:80 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:80 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet 1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. 2. Als de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht kan hij daarbij aanwijzingen geven

Nieuwe tekst Artikel 2:80 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet 1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. 2. Als de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen.

over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen. Toelichting: deze wijziging brengt de mogelijkheid met zich mee om naast de gebruiker ook de eigenaar (in de rol van verhuurder of beheerder) van een woning via bestuurlijke maatregelen een gedragsaanwijzing te kunnen geven. Deze gedragsaanwijzingen zien in beginsel op het nakomen van de zorgplicht. Artikel 3:2 wordt als volgt gewijzigd. Bestaande tekst j. seksbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie of tot het verrichten van seksuele handelingen voor een ander tegen betaling of uit het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van erotischpornografische aard in een seksinrichting tegen betaling;

Nieuwe tekst j. seksbedrijf: de activiteit, bestaande uit: het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling, of het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie, of het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van erotisch-pornografische aard in een seksinrichting tegen betaling;

Toelichting: een redactionele wijziging waardoor de definitie van seksbedrijf wordt verduidelijkt. Artikel 3:5 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 3:5 Weigeringsgronden 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, wordt een vergunning geweigerd als: a.de exploitant of de beheerder onder curatele staat; b.de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is; c.de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt; d.redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; e.redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften; f.er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000; g.de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld

tot een

Nieuwe tekst Artikel 3:5 Weigeringsgronden 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, wordt een vergunning geweigerd als: a.de exploitant of de beheerder onder curatele staat; b.de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is; c.de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt; d.redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; e.redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften; f.er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000; g.de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een

onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden; h.de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: 1°. bepalingen, gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van deze verordening; 2°. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht; 3°. artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; 4°. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede de artikelen 6 juncto 8 en 163 van de Wegenverkeerswet 1994; 5°. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of 6°. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. i.de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd zal opleveren met een geldend bestemmingsplan, een bestemmingsplan in ontwerp dat ter inzage is gelegd of een beheersverordening.

onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden; h.de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: 1°. bepalingen, gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van deze verordening; 2°. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht; 3°. artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; 4°. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede de artikelen 6 juncto 8 en 163 van de Wegenverkeerswet 1994; 5°. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of 6°. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. i.de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd zal opleveren met een geldend bestemmingsplan, een bestemmingsplan in ontwerp dat ter inzage is gelegd of een beheersverordening.

Toelichting: Een redactionele wijziging in de weigeringsgronden voor een vergunning om een seksinrichting te exploiteren, vanwege de invoering van de Omgevingswet, en de Alcoholwet. Artikel 3:7 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 3:7 Intrekkingsgronden1.De vergunning wordt ingetrokken als: a.de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest; b.de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven; c.is gehandeld in strijd met de artikelen 3:10, 3:9, aanhef en onder a, 3:10, eerste of tweede lid, 3:11 en 3:12, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onderdeel b, aanhef en onder 1; d.zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het van

Nieuwe tekst Artikel 3:7 Intrekkingsgronden1.De vergunning wordt ingetrokken als: a.de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest; b.de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven; c.is gehandeld in strijd met de artikelen 3:10, 3:9, aanhef en onder a, 3:10, eerste of tweede lid, 3:11 en 3:12, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onderdeel b, aanhef en onder 1; d.zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het van

kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde of veiligheid; e.zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:5, eerste lid, onder a tot en met h; f.de vergunninghouder dat verzoekt; g.de uitoefening van het seksbedrijf strijd oplevert met een geldend bestemmingsplan of een beheersverordening.

kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde of veiligheid; e.zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:5, eerste lid, onder a tot en met h; f.de vergunninghouder dat verzoekt; g. de uitoefening van het seksbedrijf strijd oplevert met het omgevingsplan.

Toelichting: Dit artikel regelt de intrekkingsgronden van een vergunning om een seksinrichting te exploiteren. Een redactionele wijziging vanwege de invoering van de Omgevingswet. Artikel 3:14 wordt nieuw ingevoegd Bestaande tekst -

Nieuwe tekst Artikel 3:14a Sluiting seksbedrijven 1.De burgemeester kan een seksbedrijf sluiten, indien: a. dat seksbedrijf wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning; b. dat seksbedrijf wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen. 2.De burgemeester kan één of meer seksbedrijven in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid, of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden, voor een bepaalde duur sluiten. 3.De sluiting wordt geacht in het openbaar bekend te zijn gemaakt zodra een besluit tot sluiting op, in of nabij de toegang of toegangen van het seksbedrijf is aangebracht. 4.Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 5.Het in het tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in het onderwerp van de regeling van het tweede lid wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet.

Toelichting: Op dit moment is er geen specifieke mogelijkheid om seksbedrijven te sluiten op grond van de APV. Dit artikel regelt een sluitingsmogelijkheid als er sprake is van seksbedrijven die zonder vergunning geopend zijn voor publiek. Ook kan worden besloten om een seksbedrijf te sluiten als er strijdig wordt gehandeld de bepalingen in Hoofdstuk 3 APV (Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen) . Er is aangesloten bij het reeds bestaande en vaker toegepaste artikel 2:30a, waarop horecabedrijven gesloten kunnen worden. geweken worden naar meer ingrijpende maatregelen. Artikel 4:1 wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst Artikel 4:1 Begripsbepalingen[…] In deze afdeling wordt verstaan onder: b.inrichting: inrichting type A of type C als bedoeld in het Besluit;

Nieuwe tekst Artikel 4:1 Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: b.inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; j. Activiteitenbesluit milieubeheer: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

Toelichting: een redactionele wijziging, en invoeging van een nieuw begrip, van de definities van de afdeling 1 van hoofdstuk 4: Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting, vanwege de invoering van de Omgevingswet. Artikel 4:6 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 4:6 Overige geluidhinder 1.Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2.Bij de beoordeling of er sprake is van geluidhinder gelden de geluidsnormen zoals aangegeven op de door burgemeester en wethouders vastgestelde geluidsnormeringskaart voor bedrijven. De beoordeling vindt plaats aan de hand de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai (december 2004). 3.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 4.Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van openbare sporten speelvoorzieningen en terreinen voor zover het betreft de uitoefening van sport- en speelactiviteiten. 5.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale milieuverordening.

6.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve

Nieuwe tekst Artikel 4:6 Overige geluidhinder 1.Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2.Bij de beoordeling of er sprake is van geluidhinder gelden de geluidsnormen zoals aangegeven op de door burgemeester en wethouders vastgestelde geluidsnormeringskaart voor bedrijven. De beoordeling vindt plaats aan de hand de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai (december 2004). 3.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 4.Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van openbare sporten speelvoorzieningen en terreinen voor zover het betreft de uitoefening van sport- en speelactiviteiten. 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.6.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene

beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Toelichting: een redactionele wijziging vanwege de invoering van de Omgevingswet. Artikel 4:13 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. 1.Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a.onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b.bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; c.kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of, d.mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 2.Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen. 3.Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de Wet ruimtelijke ordening of de Provinciale Ruimtelijke Verordening, Provincie Utrecht 2009.

Nieuwe tekst Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. 1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a.onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b.bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; c.kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of, d.mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 2.Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.

Toelichting: een redactionele wijziging vanwege de invoering van de Omgevingswet. Artikel 4:17 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 4:17 Definitie In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel

Nieuwe tekst Artikel 4:17 Definitie In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Toelichting: een redactionele wijziging vanwege de invoering van de Omgevingswet. Artikel 4:18 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1.Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd. 2.Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: a.natuur en landschap; of, b.een stadsgezicht. 5.[vervallen]

Nieuwe tekst Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd. 2.Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: a.natuur en landschap; of, b.een stadsgezicht. 5.[vervallen]

Toelichting: een redactionele wijziging vanwege de invoering van de Omgevingswet. Artikel 5:20 komt te vervallen Bestaande tekst Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen 1.Het verbod van artikel 5:18, eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement.

Nieuwe tekst Artikel 5:20 [vervallen]

2.De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken. Toelichting: dit artikel komt met de invoering van de Omgevingswet, en het verplaatsen van het gerelateerde artikel 5:18 naar het Omgevingsplan Deel I te vervallen. Artikel 5:25 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 5:25 Ligplaats vaartuigen 1.Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water.

Nieuwe tekst Artikel 5:25 Ligplaats vaartuigen 1.Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water.

2.Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: a.nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente; b.beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen. 3.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien doorde Woningwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de Provinciale vaarwegenverordening of de Provinciale landschapsverordening. 4. Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente. 5. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14072476/1