3. Toelichting Verordening rechtspositie politieke ambtsdragers
Tekst van het document
Toelichting Verordening rechtspositie burgemeester, wethouders, raads- en commissieleden gemeente Veenendaal ALGEMEEN DEEL Wettelijke regelingen In de wet en nadere regelgeving zijn alle van belang zijnde onderwerpen geregeld betreffende de rechtspositie van gemeentelijke politieke ambtsdragers. In de Gemeentewet is aangegeven dat de nadere invulling van de rechtspositie van raads- en commissieleden alsmede de financiële voorzieningen moet worden geregeld bij of krachtens de wet (AMvB en ministeriële regeling). Deze nader regeling is vastgelegd in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers (hierna te noemen: Rechtspositiebesluit dpa). In de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers (hierna te noemen: Rechtspositieregeling dpa) zijn de (onkosten)vergoedingen nader uitgewerkt. Hoofdlijnen gemeentelijke verordening In deze verordening zijn alleen bepalingen opgenomen inzake de rechtspositie van politieke ambtsdragers zover die niet dwingend geregeld zijn in hogere wet- en regelgeving. De grondslag hiervoor is te vinden in de Gemeentewet en het Rechtspositiebesluit dpa en de Rechtspositieregeling dpa. Bij de laatste moderniserings- en harmoniseringsoperatie (Staatsblad 15 oktober 2018), betreffende de rechtspositiebesluiten voor decentrale politieke ambtsdragers zijn er wederom een aantal bepalingen imperatief in hogere wet- en regelgeving vastgelegd.
De overweging hierbij is dat het bestuurlijk wenselijk is om de voorzieningen zoals vergoedingen, tegemoetkomingen en andere rechtspositionele aanspraken voor decentrale politieke ambtsdragers dwingendrechtelijk in hogere wet- en regelgeving vast te leggen om politieke discussies te voorkomen. Dit betekent dat er voor gemeenten minder ruimte is om lokaal bij verordening van wettelijke regelingen af te wijken. Het ministerie van BZK publiceert jaarlijks circulaires waarin artikelen uit het Rechtspositiebesluit en de onderliggende Regeling wijzigen. Deze wijzigingen kunnen van invloed zijn op de gemeentelijke verordening. Indien een gemeente besluit om bij verordening voorzieningen voor politieke ambtsdragers te regelen, zijn een aantal regels van belang. In artikel 44, 66 en 99 Gemeentewet is bepaald dat ’buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend’, ontvangen de leden van de raad en/of door de raad ingestelde commissie (in de zin van artikel 82, 83 of 84 Gemeentewet) als zodanig geen andere vergoedingen en tegemoetkomingen ten laste van de gemeente. Deze verordening vormt een (nadere) uitwerking van de bij of krachtens de wet toegekende vergoedingen en tegemoetkomingen. De arbeidsverhoudingen en fiscale positie Burgemeester, wethouders, raadsleden en commissieleden hebben geen dienstbetrekking bij de gemeente. De gemeente is dus niet de werkgever.
Dat betekent bijvoorbeeld dat zij voor zover het betreft het raadslidmaatschap niet vallen onder de werknemersverzekeringen zoals de Werkloosheidswet (WW), Ziektewet (ZW) en de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA). Omdat de burgemeester en wethouders wél ambtenaar zijn in formele zin zijn, worden zij fiscaal behandeld als waren zij actief in dienstbetrekking door de Wet op de loonbelasting 1964. Er wordt daarom op de bezoldiging van de burgemeester en wethouders ook loonheffingen ingehouden. De Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) is van toepassing op burgemeester en wethouders. De burgemeester volgt de pensioenaanspraken van de ABP-Pensioenregeling. Omdat er geen sprake is van een dienstbetrekking vallen raads- en commissieleden niet onder de Wet op de loonbelasting 1964 maar worden hun inkomsten belast in de Wet inkomstenbelasting 2001. Wel kunnen raadsleden opteren voor de loonbelasting als voorheffing door samen met de gemeente te kiezen voor het fictief werknemerschap, het zogenaamde opting-in. Het fictief werknemerschap kan worden aangevraagd met behulp van een opting-in verklaring bij de Belastingdienst.
1
Voor raadsleden die niet kiezen voor het fictief werknemerschap en voor de commissieleden geldt dat de onkostenvergoedingen en raadsvergoeding als inkomsten moeten worden verantwoord en mogen de (beroeps)kosten die worden gemaakt worden afgetrokken. Het resultaat zal het raads- of commissielid moeten verantwoorden in de aangifte inkomstenbelasting, onder de post inkomsten uit overige werkzaamheden. De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en verstrekkingen voor de commissieleden en de raadsleden die niet als fictief werknemerschap te kwalificeren zijn op grond van deze verordening aan de Belastingdienst doorgeven middels een formulier IB-47 (renseigneringsverplichting). Omdat raads- en commissieleden op persoonlijke titel worden gekozen, zijn zij niet aan te merken als (fiscaal) ondernemer. Er hoeft dan ook geen modelovereenkomst ZZP overgelegd te worden aan de gemeente. De Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) is niet van toepassing op raads- en commissieleden. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Artikel 2 Verhoging vergoeding commissieleden (niet-raadsleden) voor het bijwonen van commissievergaderingen i.v.m.
bijzondere deskundigheid of zwaarte taak De hoogte van de vergoeding voor leden van gemeentelijke commissies, die zijn ingesteld op basis van artikel 82, 83 en 84 van de Gemeentewet zijn imperatief bepaald op een vast bedrag per inwonersklasse voor elke bijgewoonde vergadering van de commissie. In bepaalde gevallen, zoals bij bijzondere deskundigheid en/of zwaarte van de taak in de commissie, is het mogelijk om een hoger bedrag aan vergoeding per vergadering toe te kennen dan bepaald in het Rechtspositiebesluit dpa. Het kan bijvoorbeeld gaan om een raadscommissie met een bijzondere opdracht die een hogere belasting kent voor één of meerdere commissieleden. Artikel 3 Toelage lid onderzoekscommissie [en bijzondere commissie] van raadsleden Dit artikel betreft de toelagen voor de raadsleden die lid zijn van een onderzoekscommissie en een bijzondere commissie. zogenaamde ‘zware commissies’. De hoogte van de toelage voor de leden van de onderzoekscommissie en de bijzondere commissie moet per verordening worden vastgesteld. Toelage leden onderzoekscommissie Een lid van een onderzoekscommissie zoals bedoeld in artikel 155a lid 3 Gemeentewet (zoals bijvoorbeeld een enquêtecommissie) krijgt een verplichte toelage toegekend, waarvan de hoogte door een lokale verordening moet worden bepaald.
De maximale hoogte bedraagt op jaarbasis maximaal driemaal de maandelijkse raadsvergoeding (artikel 3.1.3 lid 1 rechtspositiebesluit dpa). In de verordening is de hoogte van de toelage per maand bepaald op een vierde deel van de raadsvergoeding per maand* . Zo volgt de toelage van de onderzoekscommissie de loonontwikkeling van de bezoldiging van de raadsleden en vindt er automatisch een indexering plaats. * De raadsvergoeding bedraagt € 1.758,87 (2024) per maand. De maximale toelage voor een lid van een onderzoekscommissie bedraagt op jaarbasis € 5.276,61 (3 x € 1.758,87). Dit betekent een bedrag van € 439,72 per maand (€ 5.276,61 : 12). Dat is een vierde deel van de raadsvergoeding ad € 1.758,87. Het bedrag wordt naar rato van de duur van de activiteiten toegepast. Zolang een commissie «slapend» is, althans niet actief, ontvangen de leden geen toelage: niet de duur van het lidmaatschap is van belang, maar de duur van de activiteiten.
2
Toelage leden bijzondere commissies Leden van bijzondere commissies krijgen een verplichte toelage toegekend, waarvan de hoogte door een lokale verordening moet worden bepaald. (artikel 3.1.4 lid 1 Rechtspositiebesluit dpa). Het is aan de gemeenteraad overgelaten om door middel van een raadsbesluit vast te stellen wat bijzondere commissies zijn (bijv. de werkgeverscommissie, het presidium, de auditcommissie of een commissie In de verordening is voor de hoogte van de toelage aansluiting gezocht bij het maximale bedrag zoals bepaald in artikel 3.1.4 lid 1 Rechtspositiebesluit dpa ( € 139,90 per maand per 1 januari 2024 en € 153,33 per maand per 1 april 2024). De toelage van leden van een bijzondere commissie volgt de loonontwikkeling van de bezoldiging van het personeel in de sector Rijk. Dit is met zoveel woorden bepaald in artikel 3.1.4 lid 3 Rechtspositiebesluit dpa. Het bedrag wordt naar rato van de duur van de activiteiten toegepast. Zolang een commissie «slapend» is, althans niet actief, ontvangen de leden geen toelage: niet de duur van het lidmaatschap is van belang, maar de duur van de activiteiten.
Artikel 4 & 8 Niet-partijpolitiek georiënteerde scholing Voor politieke ambtsdragers is expliciet bepaald dat de kosten voor een niet-partijpolitiek georiënteerde functionele scholing, zoals deelname aan congressen en opleidingen, ten laste kunnen worden gebracht van de gemeente. Partijpolitieke scholing komt niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking. De inhoud van de scholing is bepalend of deze al dan niet partijpolitiek georiënteerd is. Wanneer scholing verzorgd wordt door een politieke partij betekent dat niet automatisch dat die scholing partijpolitiek georiënteerd is. Om in aanmerking te komen voor vergoeding van de scholingskosten, moet gemotiveerd worden dat het gaat om functiegerichte scholing. Scholing is functiegericht als zij beoogt voor de functie benodigde vakkennis en vaardigheden te verwerven dan wel actueel te houden. Scholing is partijpolitiek georiënteerd als zij geheel of gedeeltelijk tot doel heeft betrokkene op te leiden in het gedachtegoed van de desbetreffende partij. Overigens kan de gemeente ook zelf dit soort scholing (laten) verzorgen. Ook die lasten komen ten laste van de gemeente. De gemeentesecretaris beslist vooraf over scholingsverzoeken van individuele wethouders of burgemeester. De griffier beslist vooraf over scholingsverzoeken van individuele raads- of schaduwraadsleden.
Mocht er verschil van inzicht zijn over de beoordeling van de aanvraag, dan kan de griffier de casus voorleggen aan de fractievoorzitters. Een scholingstraject kan niet alleen voor een individueel raadslid nuttig zijn, maar ook voor een gehele fractie. Wanneer een fractie een aanvraag indient, wordt ook een maximale vergoeding gehanteerd. Daarbij wordt uitgegaan van het aantal zetels die een fractie op dat moment bezet in de gemeenteraad met het aantal schaduw-raadsleden op dat moment. Heeft een fractie een aanvraag ingediend ten bedrage van de maximale vergoeding, dan betekent dit dat een individueel lid van die fractie (of het schaduw-raadslid) in datzelfde jaar geen aanvraag meer kan indienen.
Artikel 5 & 9 Informatie- en communicatievoorzieningen Het college van burgemeester en wethouders stelt ten laste van de gemeente aan een raadslid, wethouder of de burgemeester voor de duur van de uitoefening van zijn functie de noodzakelijke informatie- en communicatievoorzieningen ter beschikking. Ook schaduwraadsleden kunnen aanspraak maken op ICT-middelen op grond van art. 3.4.4 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. Onder informatie- en
3
communicatievoorzieningen wordt ook verstaan een smartphone een computer en de daarbij behorende (internet)abonnementen. Er mag slechts één computer verstrekt worden. Een computer is een desktop, laptop, tablet- of minicomputer. Een smartphone is niet te kwalificeren als computer. De gemeente verstrekt informatie- en communicatievoorzieningen in bruikleen aan de politieke ambtsdrager omdat dit noodzakelijk gereedschap is voor het vervullen van de politieke functie. Het fiscale noodzakelijkheidscriterium vereist dat dit digitale gereedschap bij aftreden of ontslag weer door de ambtsdrager wordt ingeleverd bij de gemeente. Dit geeft de gemeente ook de mogelijkheid om dit ICT-middel te schonen. Als het middel is geschoond, dan is het aan de gemeente of het dit desbetreffende ICT-middel wil hergebruiken. Als dat niet zo is, dan kan de gemeente ambtsdragers de mogelijkheid bieden het ICT-middel over te nemen. Dit overnemen is dus geen recht van de ambtsdrager maar het gevolg van een keuze van de gemeente. In dit geval is er bereidheid het ICTmiddel af te stoten. Een circulaire vereist in dat geval dat de gemeente ervoor zorgt dat het ICT-middel door of namens de gemeente is geschoond met speciale software (conform Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO)).
Verder dient de politieke ambtsdrager voor het overnemen van het ICT-middel op grond van de circulaire een vergoeding te betalen. Deze vergoeding dient gelijk te zijn aan de resterende waarde van het ICT-middel in het economisch verkeer. Artikel 6 Collectieve verzekeringen Raadsleden zijn vaak een significant deel van de werkweek voor de gemeenteraad bezig en kunnen daardoor vaak in hun hoofdfunctie minder pensioen opbouwen. Raadsleden hebben bovendien niet allemaal een hoofdfunctie in loondienst. In artikelen 3.1.9 is daarom de grondslag gecreëerd om bij verordening te bepalen dat de raadsleden een bedrag per jaar ontvangen ter hoogte van één maandbedrag van hun vergoeding voor de werkzaamheden, waarmee zij voorzieningen kunnen treffen ter zake van arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden. Op basis van artikel 5.1, zevende lid, van het besluit geldt overgangsrecht. Voor zover voor raadsleden al op grond van het (oude) Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden collectieve verzekeringen zijn afgesloten voor arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden, kunnen die gehandhaafd blijven. De betrokken raadsleden ontvangen in dat geval uiteraard geen bedrag om zelf een dergelijke verzekering en/of voorziening te treffen.
Artikel 7 & 10 Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel In het kader van de werkkostenregeling op grond van artikel 31 Wet op de Loonbelasting 1964 zijn een aantal vergoedingen in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en de verordening aangewezen als eindheffingsbestanddeel. De gemeente draagt in dat geval de loonbelasting, waardoor de vergoeding belastingvrij (netto) aan de politieke ambtsdrager kan worden overgemaakt. Anders worden deze door de Belastingdienst als loon gezien en moet hierover bij de politieke ambtsdragers loonbelasting worden ingehouden. In het kader van de werkkostenregeling kan in de financiële administratie worden aangegeven of een verstrekking of vergoeding onder de gerichte vrijstellingen, intermediaire kosten of onder de nihil-waarderingen valt. Gemeenten mogen daarnaast een verstrekking of vergoeding in de vrije ruimte – percentage van de fiscale loonsom - onderbrengen zonder fiscale consequenties. Indien de vrije ruimte wordt overschreden, zal de gemeente 80% eindheffing moeten betalen. Artikel 11 Betaling vaste vergoedingen & artikel 12 Betaling en declaratie van onkosten Het Rechtspositiebesluit en Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers regelen op welk moment vergoedingen en onkosten betaald worden aan de politieke ambtsdragers. Daar waar geen expliciete termijn is genoemd, kan dit artikel uitkomst bieden.
De betaling van onkosten kan worden voorgeschoten uit eigen middelen, later gedeclareerd worden of de factuur wordt rechtstreeks naar de gemeente verstuurd. Hierbij gaat de voorkeur uit naar rechtstreeks facturering bij de gemeente. Burgemeesters, wethouders en commissieleden, niet zijnde schaduwraadsleden declareren hun kosten bij de gemeentesecretaris. Raads- en schaduwraadsleden
4
declareren hun kosten bij de griffier. Ze dienen daarbij bewijsstukken te verstrekken. Het vereiste om bewijsstukken te verstrekken geldt niet wanneer de vergoeding een forfaitair bedrag betreft
5