CConstaterende datVeenendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Ontwerp-Transitievisie Warmte 1.0 - ontwerp-Transitievisie Warmte 1.0

Gemeenteraad 24 juni 2021, gemeente VeenendaalBij agendapunt: Ontwerp-Transitievisie Warmte 1.020.790 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

de Warmtewet 2 (zie kader) is van grote invloed op de rol van de gemeente bij eventuele verdere ontwikkeling van warmtenetten.

Warmtewet 2: waar gaan we naartoe? De warmtewet vormt een belangrijk kader bij de ontwikkeling en exploitatie van warmtenetten. Om de energietransitie te versnellen wordt de huidige warmtewet aangepast. Momenteel is de wet vooral gericht op consumentenbescherming. Dit wordt verbreed naar een wet die ook de versnelling van de uitrol en verduurzaming van warmtenetten mogelijk moet maken. De Warmtewet 2 gaat naar verwachting per 1 januari 2022 in.

Het warmtebedrijf wordt daarbij integraal verantwoordelijk voor de gehele warmteketen, van productie en distributie tot levering. C.

Er wordt de mogelijkheid gecreëerd om vanuit het Rijk een

warmtetransportbeheerder aan te wijzen, voor uitzonderlijke situaties dat de regierol van gemeenten niet toereikend zal zijn om tot besluiten te komen over de gecoördineerde inzet van grootschalige warmtebronnen in een bepaalde regio. D.

De nieuwe tariefmethodiek zal (meer) kosten-gebaseerd worden.

Dat biedt consumenten de zekerheid dat ze niet meer betalen dan de kosten die redelijkerwijs gemaakt moeten worden voor de warmte die ze afnemen. Warmtebedrijven krijgen de zekerheid dat efficiënte

De belangrijkste kenmerken van het nieuwe systeem zijn:

kosten die zij moeten maken voor de uitvoering van hun taak kunnen worden terugverdiend inclusief een redelijk rendement.

A.

De gemeente bepaalt, binnen heldere landelijke kaders en met

E.

Wettelijke normen voor betaalbaarheid (tarieven), duurzaamheid

ondersteuning vanuit het Rijk, voor welk gebied (het warmtekavel)

en leveringszekerheid gelden in principe per warmtekavel (en

een warmtebedrijf wordt aangewezen.

bijvoorbeeld niet voor de sector als geheel of voor een portfolio van

B.

een warmtebedrijf).

Het warmtebedrijf heeft de wettelijke taak om een collectief

warmtesysteem binnen een warmtekavel tegen zo efficiënt mogelijke

F.

kosten met een duurzame en betrouwbare kwaliteit te realiseren.

warmtesystemen.

Er komt een overgangsregime voor bestaande collectieve

Bron: Ministerie EZK juni 2020 bij toelichting voorstel Warmtewet 2.0

Ontwerp-Transitievisie Warmte 1.0 | 47

Inleiding 6. De verkenningswijken

2. De opgave 7. Strategie naar een aardgasvrij Veenendaal

9.5 Rol gemeente bij ontwikkeling warmtenetten Op hoofdlijnen kan de gemeente de volgende rollen kiezen bij de: • Facilitator: Stimuleren en faciliteren van initiatieven van marktpartijen en/of burgerinitiatieven.

Minder zeggenschap, minder risico

• Partner: Samenwerken met externe partner in de vorm van een concessie (1 op 1). • Aanbesteder: Kiezen tussen marktpartijen, vastleggen in de vorm van een concessie. • Opdrachtgever / zelf doen: Eigen warmtebedrijf opzetten

3. Uitgangspunten

Meer zeggenschap, meer risico

Elke rol kent voor- en nadelen, die per situatie ook nog eens kunnen verschillen. Ook zijn er verschillende tussenvarianten mogelijk.

4. Warmtevraag en warmtebronnen in Veenendaal

8. Participatie en Communicatie

9. Taken en rollen

“Overheid en bedrijfsleven staan sterker wanneer ze samenwerken” Alle nieuwbouw wordt momenteel zonder aardgasaansluiting gerealiseerd. Hoewel dit voor de nodige uitdagingen zorgt, is de markt tot nu toe in staat gebleken om de oplossingen hiervoor te ontwikkelen. Slim reguleren van deze ontwikkelingen is dan de opgave. Hoe groter de nieuwbouwontwikkelingen worden, hoe groter ook de impact op de omgeving en de openbare ruimte – bijvoorbeeld doordat er schaarse ruimte in de ondergrond wordt vergeven of doordat er kansen ontstaan om bestaande bouw mee te laten doen met de ontwikkelingen. Bij grotere nieuwbouwontwikkelingen zal dus overwogen moeten worden of een rol als facilitator nog wel passend is. In de Transitievisie 0.1 is bij de rolkeuze eerder een omvang van 200 woningen genoemd. In concept wettekst van de Warmtewet 2 ligt de grens tussen kleine en grote warmtesystemen op 500 kleinverbruikersaansluitingen. In lijn hiermee is in de Transitievisie Warmte 1.0 de grens gelegd op 500 woningen.

Elk project voor collectieve warmte is uniek, omdat elke locatie en ontwikkeling zo zijn eigen uitdagingen meebrengt. Gaat het om oudbouw of nieuwbouw? Zijn er meekoppelkansen met de omgeving? Welke warmtebronnen voeden het warmtenet? Per situatie kan de gemeente kiezen welke rol genomen wordt. Dat wil niet zeggen dat er geen algemene voorkeur is. In de basis heeft de gemeente Veenendaal de voorkeur voor de volgende rollen:

Partner bij grootschaligere nieuwbouwontwikkelingen (500+ kleinverbruikersaansluitingen) en uitrol van warmtenetten in de bestaande bouw, bijvoorbeeld in de vorm van een publiekprivate samenwerking. Wanneer ontwikkelaars en de gemeente samen de gewenste oplossingen voor warmtevoorziening verkennen en elkaar helpen om de optimale oplossing te vinden kan dit voor snellere doorgang van nieuwbouwprojecten zorgen. Bovendien kan de gemeente zo ervaringen opdoen voor de aanleg van warmtenetten in de bestaande bouw. Een actievere rol als partner heeft daarom de voorkeur bij grootschalige nieuwbouwprojecten.

Facilitator bij kleine nieuwbouwontwikkelingen (<500 kleinverbruikersaansluitingen)

In de bestaande bouw moet de gemeente grip houden op zowel tempo als betaalbaarheid en duurzaamheid van warmtenetten om

9.6 Afweging rolkeuze nieuwbouw versus bestaande bouw en grote vs. kleine projecten

5. Mogelijke warmteoplossing per wijk 10. Financiering en betaalbaarheid

voldoende vaart te maken met aardgasvrije woningen, buurten en wijken. Faciliteren volstaat niet om dat tempo te gaan maken. Dit geldt ook voor kleinere warmtenetten in de bestaande bouw. Waar kleinschalige initiatieven ontstaan om met warmtenetten van het aardgas af te gaan, moet de ambitie zijn om die initiatieven (vaak bottom-up) zo veel mogelijk te ondersteunen. Dit past ook het beste bij het karakter van het ‘Deense model’. Bij een rol als opdrachtgever/zelf doen mist de gemeente de kans om samen te werken met marktpartijen op inhoud en expertise en zijn de financiële risico’s geheel voor de gemeente. Bij een rol als aanbesteder ontstaat snel het risico dat na aanbesteding discussie ontstaat over specifieke condities en voorwaarden. Door gezamenlijk op te trekken gaan markt en gemeente zowel de doelstellingen als financiële risico’s delen. Vanuit deze overweging ligt de voorkeur in beginsel bij een rol als partner. Zoals eerder benoemd moet echter per situatie de afweging worden gemaakt. Door de Warmtewet 2 zou de rol van de gemeente op termijn kunnen verschuiven richting aanbesteder, al blijft een rol als partner mogelijk.

9.7 Bewonersparticipatie bij uitrol warmtenetten Een interessant concept dat de komende tijd verder verkend zal worden (en wat in principe in elke rol voor collectieve warmte in te passen is), is dat van bewonersparticipatie bij de ontwikkelingen van warmtenetten. Ten opzichte van individuele systemen zoals warmtepompen is het nadeel van collectieve systemen dat de bewoner zelf geen sturing heeft op de oplossingen die gekozen worden en vooral: dat de winst die na realisatie van een warmtenet geboekt kan worden, niet terechtkomt bij de gebruiker van de warmte – ook al is de winst die een warmtebedrijf mag maken gemaximaliseerd. Wanneer bewoners de keuze krijgen om op voorhand méé te investeren en zo mede-eigenaar te worden van het warmtenet, krijgen inwoners een deel van deze keuzevrijheid (en hun investeringen) terug als het systeem in gebruik is. We zien de manier waarop dit in Denemarken is vormgegeven als een inspiratiebron.

Ontwerp-Transitievisie Warmte 1.0 | 48

Inleiding 6. De verkenningswijken

2. De opgave

3. Uitgangspunten

7. Strategie naar een aardgasvrij Veenendaal

4. Warmtevraag en warmtebronnen in Veenendaal

8. Participatie en Communicatie

9. Taken en rollen

5. Mogelijke warmteoplossing per wijk 10. Financiering en betaalbaarheid

Financiering en betaalbaarheid Of het nu gaat om een gebiedsvisie, een buurtuitvoeringsplan óf een woningeigenaar die zijn woning wil verduurzamen: betaalbaarheid is essentieel om plannen ook écht uit te voeren. De mogelijkheid van woonlastenneutraal van het aardgas te gaan is nu nog niet geborgd. In veel proeftuinwijken is te zien dat er nog veel geld bij moet om de nieuwe warmtevoorziening voor de bewoner een voldoende aantrekkelijk alternatief te maken. Dit vormt een belangrijke barrière om een energievoorziening aan te bieden die betaalbaar, betrouwbaar en duurzaam is. De referentie voor bewoners en eigenaren is de huidige aardgassituatie. Prijsstijgingen van aardgas zullen invloed hebben op de relatieve betaalbaarheid van andere systemen. Bij de huidige lage aardgasprijs is een investering in nagenoeg elk alternatief te duur om binnen redelijke termijn terug te verdienen. Duidelijk is wel dat ‘spijtvrije’ maatregelen zoals isolatie altíjd een goed idee zijn, maar ook hiervoor is soms extra financiële steun gewenst.

Zo is de kostenverdeling nu geregeld: − Eigenaren betalen woningaanpassingen − Eigenaren en/of huurders betalen energielasten − Netbeheerders betalen infrastructurele aanpassingen (via inkomsten gas/elektriciteit). − Corporaties bieden ruimte aan huurders om zelf te investeren in verbetering van hun huurwoning, bijvoorbeeld met isolatie of zonnepanelen. In de transitie naar nieuwe bronnen worden investeringen gedaan. Die kunnen een besparing in energielasten opleveren. Dit betekent niet direct dat maatregelen betaalbaar en financierbaar zijn. Om dit mogelijk te maken zijn er subsidies en financieringsregelingen (duurzaamheidsleningen).

“Bij helemaal van het gas af zie ik als grootste bottleneck de hoge investeringen.”

Ontwerp-Transitievisie Warmte 1.0 | 49

Inleiding 6. De verkenningswijken

2. De opgave 7. Strategie naar een aardgasvrij Veenendaal

Subsidies zijn er met name om de ‘onrendabele top’ af te dekken. Een nieuwe maatregel levert vaak besparing op, of meerwaarde voor de woning. Soms is dit niet genoeg om de maatregel terug te kunnen betalen, of is het goed om deze maatregel extra te stimuleren. Er zijn verschillende subsidies: − Subsidie Proeftuin Aardgasvrije Wijken: voor het dekken van ontwikkelings-, onderzoeks- en proceskosten en voor het afdekken van een onrendabele top. Voor de verkenningswijk bedrijventerrein De Faktorij en De Vendel wordt een aanvraag in de derde ronde (juni 2021) voorbereid. − SAH: Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen, aan te vragen door woningcorporaties − ISDE: Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing, voor woningeigenaren en zakelijke gebruikers: subsidie voor aansluiting op een warmtenet, isolatie of duurzame installaties. − SDE++: Stimulering duurzame energieproductie en klimaatttransitie , voor o.a. hernieuwbare warmte zoals aquathermie, geothermie, restwarmte en warmtepompen. Duurzaamheidsleningen maken het mogelijk om duurzame maatregelen te treffen, zonder dat iemand daarvoor veel eigen geld hoeft te gebruiken. Een maatregel kan namelijk een voordelige keus zijn, maar niet direct te financieren. Een duurzaamheidslening moet worden terugbetaald, maar kent in de regel een lage rente.

Er zijn verschillende duurzaamheidsleningen, waaronder: − Energiebespaarfonds / warmtefonds voor particulieren (nationaal) en de lokale uitvoeringsregeling hiervan in de Duurzaamheidslening Veenendaal − Energiefondsen voor initiatieven/organisaties (regionaal)

26

3. Uitgangspunten

4. Warmtevraag en warmtebronnen in Veenendaal

8. Participatie en Communicatie

9. Taken en rollen

5. Mogelijke warmteoplossing per wijk 10. Financiering en betaalbaarheid

Gebouwgebonden financiering is een bijzondere lening die gekoppeld is aan een woning. Het voordeel is dat bij de verkoop van de woning deze lening overgaat naar de nieuwe bewoner. Op deze manier worden de kosten voor de aanpassingen niet alleen over de tijd verdeeld, maar ook over de eigenaren van de woning. Op dit moment is er nog geen gebouwgebonden financiering beschikbaar o.a. vanwege belemmeringen in Europese regelgeving. Als je een woning koopt en van plan bent deze te verduurzamen, dan kun je een hoger hypotheekbedrag krijgen. Als je energiebesparende voorzieningen financiert, mag je in 2021 tot 106 % (in plaats van 100 %) van de waarde van de woning lenen. Bij de inkomenstoetsing, waarmee wordt bepaald hoeveel je kunt lenen, blijven investeringen in energiebesparing tot maximaal € 9.000 buiten beschouwing26. Daarnaast bieden geldverstrekkers vaak lagere rentes aan voor de financiering van duurzame huizen. Er wordt dan gekeken naar de EPC norm of de energie-index. Bij het opstellen van buurtuitvoeringsplannen zal moeten blijken welke financieringsinstrumenten nodig en beschikbaar zijn en hoe deze eventueel gecombineerd kunnen worden om bewoners te helpen aan de slag te gaan.

Bron: www.hypotheker.nl

Ontwerp-Transitievisie Warmte 1.0 | 50

Adres: Raadhuisplein 1 Veenendaal Telefoon: (0318) 538 538 Postadres: Postbus 1100 3900 BC Veenendaal Website:

www.veenendaal.nl

Deze Transitievisie Warmte is ontwikkeld door de Gemeente Veenendaal in samenwerking met:

Onder begeleiding van de WarmteTransitieMakers heeft de gemeente Veenendaal deze Ontwerp-Transitievisie Warmte 1.0 ontwikkeld. Hierbij is samengewerkt met de woningcorporaties Patrimonium en de Veenendaalse Woningstichting, De Bedrijvenkring Ondernemend Veenendaal en Stedin. De WarmteTransitieMakers streven ernaar om samen met belanghebbende partijen tot een betaalbare aardgasvrije warmtevoorziening te komen. Dit verandertraject kan alleen tot uitvoering komen als het past binnen de lokale wensen. Warmtetransitiemakers: Michiel van der Vight Cédric Deverchere Aleida Verheus Joachim Kooijinga Jordi van der Velden Janneke Kreike Thijs de Booij

Bijlage 1: referentie leidraad PBL- startanalyse transitie Veenendaal Laagste maatschappelijke kosten: referentie Startanalyse Planbureau voor de Leefomgeving Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft de Startanalyse gepubliceerd. Hierin is voor elke wijk een globale doorrekening gemaakt van verschillende warmtetechnieken, met het rekenmodel Vesta MAIS. Input voor de berekeningen zijn gegevens uit algemene databases, zoals aantal woningen, bouwjaar en aanwezige warmtebronnen. Per CBS-buurt is vervolgens berekend welk scenario de laagste maatschappelijke kosten (nationale kosten) heeft. Nationale kosten zijn de totale kosten in Nederland van alle maatregelen die nodig zijn om ergens een strategie uit te voeren. Voor de berekening van nationale kosten maakt het niet uit wie die kosten betaalt. Of de investering wordt gedaan door een woningeigenaar, de netbeheerder of de gemeente heeft dus geen effect op de uitkomst. Het gaat bij nationale kosten niet strikt om kosten want er zijn ook opbrengsten. Door energie te besparen, hoeven we in Nederland minder energie in te kopen. Belastingen, heffingen en subsidies vallen weg, omdat dit vormen van overheveling zijn van kosten van de ene naar de andere partij. Zie voor meer toelichting de website van het PBL27.

Figuur 29: alternatieven voor aardgas met laagste maatschappelijke kosten per CO2 reductie -startanalyse PBL September 2020 27

PBL, Startanalyse Leidraad Transitievisie Warmte, https://themasites.pbl.nl/leidraad-warmte/

Voor Veenendaal zijn er een paar belangrijke nuances bij de online kaart van PBL:

De indeling tussen individuele oplossing en warmtenet-oplossing klopt grotendeels met de analyse uit de transitievisie.

− Het scenario warmtenet met midden of hoogtemperatuurbron (S2) is doorgerekend met restwarmtebronnen van enkele bedrijven rondom het centrum van Veenendaal. De aangenomen capaciteit van deze bronnen in de Startanalyse blijkt (te) hoog te zijn. Daarnaast is er op langere termijn een goede kans dat de restbronnen van deze bedrijven weg zullen vallen door bedrijfsverplaatsingen. − In de buurten met als voorkeurscenario S3 (warmtenet met lage temperatuurbron) worden niet per se alle gebouwen (of zelfs de meerderheid van de gebouwen) aangesloten aan een laagtemperatuur warmtenet. De gebouwen die niet aangesloten worden op het warmtenet krijgen een individuele warmtepomp in dit scenario. − Soms liggen de nationale kosten van scenario’s dicht bij elkaar, in dat geval is niet alleen de meest goedkope, maar ook de tweede of derde keus van belang. − De Startanalyse geeft altijd één uitkomst voor een hele buurt. In buurten met een gemengde bouwperiode kan het beter zijn een andere indeling te kiezen dan de CBS-buurten. In de analyse van deze transitievisie is afgeweken van de CBS-buurtgrenzen waardoor de resultaten niet 1 op 1 te vergelijken zijn. − In bijna alle gevallen wordt een groengasscenario als het goedkoopste scenario berekend. De beschikbaarheid van deze bron is echter beperkt op nationaal niveau.

De buurten in Nederland waarbij het verschil in nationale kosten tussen het groengasscenario en het tweede goedkoopste scenario het grootst is, krijgen in de Startanalyse het groengasscenario S4 (hybride of HR-ketel) toegewezen28.

Een aantal opvallende afwijkingen zijn: − Veenendaal Oost krijgt, op basis van de woningbouwtypologie (nieuwbouwwoningen met een lage energievraag), als goedkoopste oplossing het scenario S1 toegewezen (individuele warmtepomp). Deze berekening gaat echter uit van de goedkoopste oplossing om bestaande bouw aardgasvrij te maken, op basis van een aardgasaansluiting als referentie. Omdat er al een warmtenet aanwezig is en de infrastructuurinvesteringen gedaan worden bij aanleg van de wijk, is dit geen logisch scenario. − De Pol: Er is groen gas oplossing aangewezen, vermoedelijk omdat de kosten van een warmtenet hier relatief hoog berekend worden. Gezien de hoge warmtedichtheid en de ligging ten opzichte van de omliggende ‘warmtenetbuurten’ ligt het eerder voor de hand om dit gebied mee te nemen in een gemeentebreed warmtenet. − Schepenbuurt: Er is een groen gas oplossing aangewezen. De warmteoplossing voor het noordelijk deel (met relatief dichte bebouwing) lijkt geschikt te zijn voor een warmtenet terwijl voor het zuidelijk deel (met veel laagbouw) een andere (individuele of groen gas) oplossing voor de hand ligt. Aangezien de Startanalyse per CBS-buurt rekent, wordt daar geen rekening mee gehouden.

28 Daarbij is de aanname gedaan dat er in de toekomst landelijk 1.5 miljard m3 groen gas beschikbaar komt waardoor maar een gelimiteerd aantal wijken groen gas toegewezen (kunnen) krijgen.

Bijlage 2: Overzicht van participatiemomenten Participatie activiteiten 19-5-2019

Onderzoek Participatie Franse Gat

20-1-2020

Bewonersavond en infomarkt

4-3-2020

Klankbordgroep Energie neutraal Veenendaal

7-5-2020

Publieksversie TVW 0.1

30-6-2020

Enquête Burgerpanel

7-7-2020

Onderzoek Participatie Dragonder Oost & Zuid

30-8-2020

Uitnodiging Klankbordgroep

15-9-2020

Enquête inwoners en verkenningsbuurten

22-9-2020

Enquête Bedrijven

29-9-2020

Overleg Wijkmanangers

22-10-2020

Buurtdiscussietafels: Petenbos, Molenbrug, Dragonder

4-11-2020

Vragenuurtje

7-12-2020

Presentatie Klankbordgroep Algemeen

15-12-2020

Sessie Klankbordgroep Algemeen

25-1-2021

Buurtdiscussietafel Molenbrug

25-1-2021

Buurtdiscussietafel Petenbos

26-1-2021

Buurtdiscussietafel Dragonder Zuid & Oost

1-3-2021

Interviews inwoners

1-3-2021

Interviews Bedrijven

22-3-2021

Sessie Klankbordgroep Algemeen

29-3-2021

Vragenuurtje

1-4-2021

Publieksversie TVW 0.5

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10196879/1