3.c Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 1e Melmseweg, fase 3 - toelichting
Tekst van het document
Conclusie
Het vaststellen van dit bestemmingsplan is niet in strijd met het beleid en de regelgeving ten aanzien van externe veiligheid. Wel wordt geadviseerd maatregelen te nemen om zelfredzaamheid te vergroten.
bestemmingsplan
25
bestemmingsplan 1e Melmseweg fase 3
5.4
Archeologie
5.4.1
Wettelijk kader
In 1992 ondertekende Nederland het Europese Verdrag inzake de bescherming van het archeologische erfgoed – kortweg ‘het Verdrag van Malta’ (of Valletta). Sindsdien is het uitgangspunt van het (rijks)beleid dat archeologische waarden volwaardig meetellen in beslissingen over de ruimtelijke inrichting van ons land. De Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) heeft als doel bodemverstorende activiteiten beter te reguleren. Centraal daarbij staat de verplichting om archeologische waarden in bestemmingsplannen vast te leggen. Gemeenten zijn daarbij bevoegd gezag inzake de omgang met archeologische waarden. Binnen de kaders van rijks- en provinciaal beleid hebben zij de vrijheid naar eigen inzicht financieel en beleidsmatig invulling te geven aan de zorg voor de archeologie binnen hun grondgebied. Het verdrag is in 2007 wettelijk verankerd in de herziene Monumentenwet 1988. Een deel hiervan is op 1 juli 2016 overgegaan naar de Erfgoedwet. Zowel archeologie als een deel van cultuurhistorie zijn namelijk sinds 1 juli 2016 verankerd in de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. In juli 2015 nam de Tweede Kamer een amendement op de Omgevingswet aan, waarin gesteld wordt dat gemeente de archeologische dubbelbestemmingen beter moeten onderbouwen.
Daarbij is van belang dat de archeologische monumenten aantoonbaar moeten worden gemaakt. Het archeologisch erfgoed heeft hiermee een prominente plaats gekregen in het proces van de ruimtelijke planvorming. Uitgangspunten zijn het vroegtijdig betrekken van archeologische belangen in de planvorming, het behoud van archeologische waarden in situ (ter plaatse) en de introductie van het zogenaamde "veroorzakerprincipe". Dit principe houdt in dat degene die de ingreep pleegt financieel verantwoordelijk is voor behoudsmaatregelen of een behoorlijk onderzoek van eventueel aanwezige archeologische waarden. Gemeenten dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan of beheersverordening als bedoeld in artikel 3.1 en 3.38 Wro altijd rekening te houden met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Deze bestemmingsplanverplichting brengt met zich mee dat gemeenten het kader moeten stellen voor de archeologische monumentenzorg. Zij hebben dus een kerntaak in de uitvoering van de archeologische monumentenzorg en moeten bij ruimtelijke besluitvorming het archeologische belang afwegen tegen de andere belangen. In de afgelopen 8 jaar zijn diverse archeologische onderzoeken binnen de gemeente uitgevoerd en zijn er nieuwe bronnen beschikbaar die relevant zijn voor de archeologische verwachting.
Daarom is de archeologische beleidskaart uit 2010 geactualiseerd en heeft er een verfijning plaatsgevonden van het verwachtingenmodel. Dit heeft geresulteerd in een geactualiseerde archeologische beleidskaart die op 25 juni 2020 door de gemeenteraad is vastgesteld. De beleidskaart is vervolgens juridisch vertaald in het bestemmingsplan 'Parapluplan 2020', welke eveneens is vastgesteld door de raad op 25 juni 2020. 5.4.2
Toetsing bouwplan
Door de ligging in archeologisch waardevol gebied, is een archeologisch onderzoek uitgevoerd door Synthegra (Bijlage 4). Dit onderzoek is uitgevoerd in het kader van de bestemmingsplanprocedure. Uit het vooronderzoek bleek dat de locatie voor het grootste gedeelte in een gebied met geen archeologische verwachting ligt. Alleen in het noorden en in het zuiden ligt een klein gedeelte binnen een gebied met hoge verwachting, bebouwd gebied (categorie 3). Deze hoge verwachting is gebaseerd op de geomorfologische ligging van het plangebied op een lage stuwwal, waar mogelijk dekzandafzettingen aanwezig zijn. Op basis van eerder uitgevoerd archeologisch bureauonderzoek op dezelfde locatie en archeologisch bureauonderzoek in de omgeving kunnen archeologisch resten aanwezig zijn die dateren vanaf de Prehistorie tot en met de Nieuwe Tijd. Echter op basis van inventariserend veldonderzoek wordt duidelijk dat de bodem ter plaatsten grotendeels is verstoord en verontreinigd tot aan de natuurlijke ondergrond. Op basis van dit gegeven worden in het plangebied geen archeologische resten verwacht. Op basis van de resultaten van het
26
bestemmingsplan
bestemmingsplan 1e Melmseweg fase 3 uitgevoerde onderzoek is de verwachting van dit deelgebied voor archeologische waarden naar beneden bijgesteld. Daarmee wordt in dit bureauonderzoek een lage archeologische verwachting voor Laat-Paleolithicum tot en met Nieuwe Tijd aangehouden. Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt voor de voorgenomen herinrichting van het plangebied zoals omschreven in het bestemmingsplan geen nader archeologisch onderzoek geadviseerd. 5.4.3
Conclusie
Uit het archeologisch onderzoek is gebleken dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan. Mochten tijdens de werkzaamheden toch archeologische vondsten gedaan worden, dan wordt dit gemeld aan de gemeente Veenendaal en wordt er passend mee omgegaan.
5.5
Cultuurhistorie
5.5.1
Wettelijk kader
In 2010 is in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. In 2018 is de cultuurhistorische waardenkaart door het college van burgemeester en wethouders van Veenendaal vastgesteld. De cultuurhistorische waardenkaart bestaat uit kenmerkenkaarten voor de disciplines landschap en gebouwde omgeving, uit waardenkaarten voor diezelfde aspecten, uit een viertal themakaarten en uit een integrale ensemblekaart, waarop de gebieden die staan die – samen met de sectorale landschappelijke en gebouwde kaarten – het palet aan cultuurhistorisch erfgoed van de gemeente Veenendaal laten zien. De thema’s waarop in het bijzonder ingezoomd is, zijn vervening, industrie, religie en militair erfgoed. Deze vier thema’s vormen een belangrijk deel van het ‘verhaal van Veenendaal’, waarvan in wisselende hoeveelheden ook nog relicten in het huidige Veenendaal – ondergronds, landschappelijk of gebouwd – terug te vinden zijn. 5.5.2
Toetsing bouwplan
Synthegra heeft een cultuurhistorisch onderzoek uitgevoerd (Bijlage 5). Hierin wordt het plangebied als volgt omschreven. Het plangebied ligt ten westen van de Nieuweweg. De Nieuweweg volgt de loop van een oude grift, de Veldjesgraaf die is gegraven aan het einde van de Late Middeleeuwen. Oorspronkelijk lag ten westen van de Veldjesgraaf het buurtschap De Melm. Dit buurtschap is afgebeeld op kaarten vanaf het begin van de 18e eeuw. In de huidige situatie is de structuur van De Melm niet meer herkenbaar. De dichte lintbebouwing langs de Nieuweweg heeft zich vanaf de vroege 20e eeuw ontwikkeld en bestaat voornamelijk uit woningen en kleinschalige bedrijfspanden. Het stedenbouwkundig ensemble langs de Nieuweweg onderscheidt zich ondanks enkele nieuwe woningen nog steeds als herkenbaar historisch lint en is daarom van cultuurhistorische waarde. Een pand in het noorden van het plangebied, aan de 1e Melmseweg 10, wordt op de themakaart bouwkunst en stedenbouw van de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Veenendaal gewaardeerd met een middelhoge erfgoedwaarde vanwege de karakteristieke bouwstijl. Geadviseerd wordt om bij de planvorming rekening te houden met de bestaande lagere lintbebouwing langs de Nieuweweg. Bijvoorbeeld door een geleidelijke overgang tussen de bestaande lintbebouwing langs de Nieuweweg en de hogere Nieuwbouw. 5.5.3
Conclusie
Met de uitwerking van voorliggende plannen is rekening gehouden met het advies uit het cultuurhistorisch onderzoek. Er wordt een geleidelijke overgang gecreëerd tussen de lintbebouwing aan de Nieuweweg en het 'landmark' in de noordoosthoek van het plangebied.
bestemmingsplan
27
bestemmingsplan 1e Melmseweg fase 3
5.6
Conventionele explosieven
5.6.1
Wettelijk kader
Het is bekend dat in de gemeente Veenendaal tijdens de Tweede Wereldoorlog oorlogshandelingen zijn geweest. Dit houdt in dat er op plaatsen mogelijk conventionele explosieven in de bodem kunnen zijn achtergebleven. Uit de praktijk is gebleken dat circa 10% van de afgeworpen bommen niet is geëxplodeerd en in de bodem is achtergebleven als blindganger. De gemeente Veenendaal heeft in mei 2018 beleid ten aanzien van conventionele explosieven vastgesteld. Door het vaststellen van een gemeentelijk beleid wordt geborgd dat activiteiten met betrekking tot CE binnen de gemeente worden getoetst en daar waar nodig beheersmaatregelen kunnen worden genomen en/of voorgeschreven. Het beleid is tevens bedoeld om eenieder die van plan is grondroerende werkzaamheden binnen de gemeente uit te voeren, te verplichten de benodigde acties te ondernemen met betrekking tot de mogelijke aanwezigheid en risico's van CE op de betreffende locatie. Het opsporen en verwijderen van (mogelijke) CE wordt alleen uitgevoerd om het risico met betrekking tot CE weg te nemen, en daarmee een veilige werkomgeving en leefomgeving te creëren tijdens uit te voeren werkzaamheden of activiteiten. Dit is ook de reden dat de gemeente Veenendaal altijd ingelicht moet worden als er projectmatig bodemroerende activiteiten plaatsvinden binnen gebieden die als verdacht zijn aangemerkt.
Voor het gehele grondgebied van de gemeente Veenendaal is een vooronderzoek uitgevoerd waarbij de kans op aanwezigheid van CE is bepaald. Dit heeft geresulteerd in een CE bodembelastingkaart. Deze kaart laat een tweedimensionele afbakening zien van de primair "verdachte" gebieden, naar de situatie ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. Onverdacht houdt niet in dat er in het betreffende gebied geen CE achtergebleven kan zijn, maar dat dit niet kan worden aangetoond aan de hand van historisch feitenmateriaal. Daarom werkt de gemeente Veenendaal binnen alle onverdachte gebieden conform het protocol "Toevalsvondst". Hierin is aangegeven op welke wijze dient te worden omgegaan met het aantreffen van een (vermoedelijk) CE. 5.6.2
Toetsing bouwplan
Op basis van het vooronderzoek dat in 2018 over heel Veenendaal is uitgevoerd, blijkt dat het plangebied aan de 1e Melmseweg geen verdacht gebied is in het kader van conventionele explosieven. Nader onderzoek is niet benodigd.
28
bestemmingsplan
bestemmingsplan 1e Melmseweg fase 3
Figuur 5.1: Uitsnede kaart met verdachte gebieden conventionele explosieven
5.6.3
Conclusie
Voor de bestemmingswijziging en de bijbehorende grondroerende werkzaamheden zijn geen belemmeringen vanuit dit aspect.
5.7
Ecologie
5.7.1
Wettelijk kader
Voor ecologie moet er bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening worden gehouden met soortbescherming gericht en met gebiedsbescherming. De natuurbescherming in Nederland is geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming zorgt voor een goede natuurbescherming van planten- en diersoorten, natura 2000-gebieden, en bossen. Sommige plant- en diersoorten worden beschermd omdat ze als kwetsbaar worden gekenmerkt. De Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet, en de Flora- en Faunawet zijn vanaf 1 januari 2017 opgenomen in de Wet natuurbescherming. De provincie is het bevoegd gezag voor de Wet natuurbescherming (Wnb). Hierin worden de soortbescherming en de gebiedsbescherming nader belicht omdat beide voor het bestemmingsplan van belang zijn. De regels die voorheen in de Boswet waren opgenomen zijn binnen het plangebied niet van toepassing omdat het gehele gebied binnen de bebouwde kom ligt. Een nadere beschrijving van dit deel van de wet is dan ook niet opgenomen. Soortbescherming Een belangrijk doel van de wet is het beschermen van alle soorten planten- en dieren die in het wild in Nederland voorkomen. De wet gebiedt dat alle in het wild levende dieren en planten in principe met rust worden gelaten, wat is vastgelegd in de algemene zorgplicht. In de regelgeving heeft de gunstige staat van in stand houding van soorten een prominentere plek gekregen.
De Wet natuurbescherming verdeelt beschermde soorten in twee groepen: Strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. bestemmingsplan
29
bestemmingsplan 1e Melmseweg fase 3 In de tweede categorie staan andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst. Provincies hebben de mogelijkheid om voor bepaalde soorten aanvullende maatregelen vast te stellen. De provincie Utrecht heeft hiervoor al een lijst opgesteld met prioritaire soorten en aanvullende maatregelen per soort. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is van toepassing op natuurgebieden die door de overheid zijn aangewezen in het kader van de vogelrichtlijn en/of de Habitatrichtlijn. De Habitatrichtlijn richt zich op de bescherming van natuurlijke habitat en leef gebieden van aangewezen planten- en dierensoorten. De Vogelrichtlijn richt zich op de bescherming van leefgebied van beschermde vogel soorten. Belangrijk is dat ruimtelijke projecten niet zonder meer mogen worden gerealiseerd in beschermde natuurgebieden (Natura 2000). Projecten die in de nabijheid van beschermde natuurgebieden (inclusief de Habitatrichtlijn gebieden) worden geprojecteerd, dienen te worden getoetst op de mogelijke negatieve effecten die zij op deze gebieden kunnen hebben (externe werking). Indien een negatief effect vermoed wordt dan moet bij de Provincie een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd worden. De Provincie zal naar aanleiding van de aanvraag een beschikking opstellen.
De beschikking kan een verbod van het project betekenen of voorwaarden verbinden aan de uitvoer. De Wet natuurbescherming beschermt geen gebieden buiten de natura 2000 gebieden. Natuurnetwerk Nederland Naast de volgens de wet aangewezen gebieden kent Nederland het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS). Het NNN is bedoeld voor het ontwikkelen van ecologische zones tussen verschillende natuurgebieden zodat populaties met elkaar in verbinding blijven en versnippering van natuur wordt tegen gegaan. Het is uiteraard niet wenselijk dat een ontwikkeling een verstorende werking heeft op de functie van deze verbindingszones. Deze zones zijn niet beschermd volgens de Wet natuurbescherming maar krijgen planologische bescherming doordat deze in bestemmingsplannen worden opgenomen. Projecten en bestemmingsplannen worden getoetst aan dit provinciale beleid. 5.7.2
Toetsing bouwplan
Soortenbescherming Om na te gaan of de beoogde ruimtelijke ontwikkeling een negatief effect heeft op de aanwezige natuurwaarden, is in het verleden een ecologisch onderzoek uitgevoerd voor het noordelijke gedeelte van fase 3 wat heeft geleid tot een verleende ontheffing van de Flora- en faunawet met nummer FF175C12015/0029, door de Rijksdienst voor ondernemend Nederland. In de notitie in Bijlage 6 wordt inzicht gegeven in de huidige stand van zaken met betrekking tot de verplichtingen vanuit de verleende ontheffing. In aanvulling daarop is een quickscan flora en fauna voor het zuidelijke gedeelte van het plangebied (Nieuweweg 225-229) uitgevoerd (Bijlage 7). Uit dit onderzoek is gebleken dat aanvullend onderzoek nodig is naar de vleermuis, steenmarter en de gierzwaluw nodig is. Aanvullend onderzoek naar de vleermuis, huismus en gierzwaluw is uitgevoerd (Bijlage 8). Hier uit is gebleken dat er geen geschikte plaatsen zijn voor vleermuizen en gierzwaluwen. De metingen moeten nog aangepast worden confor de richtlijnen. Dit zal gebeuren in de periode tot de vaststelling van het bestemmingsplan. De kans is klein dat er andere beschermde soorten aangetroffen worden dan de huismus. Omdat er een een nest van een huismus gevonden en dit nest niet behouden kan blijven in de ontwikkeling zal er een ontheffing aangevraagd worden.
Op basis van vergelijkbare cases ligt de verkrijging van een ontheffing in het kader van de wet natuurbescherming in de lijn de verwachting. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt aan de noordkant van Veenendaal. Het ligt niet in of grenst niet aan beschermd natuurgebied. Rondom Veenendaal liggen diverse gebieden die zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland. Al deze beschermde natuurgebieden liggen op meer dan een halve kilometer afstand van het plangebied, waardoor op voorhand kan worden uitgesloten dat de ontwikkeling negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van het natuurnetwerk Nederland. Een uitzondering hierop is de stikstofdepositie op de beschermde Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied
30
bestemmingsplan
bestemmingsplan 1e Melmseweg fase 3 betreft het Binnenveld, dat op ruim 2,5 kilometer ten zuidoosten van het plangebied is gelegen. De overige beschermde gebieden in de directe omgeving zijn enkel onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland en betreffen geen Natura 2000-gebied. Ruimtelijke ingrepen in of nabij Natura 2000-gebieden zijn niet toegestaan wanneer deze significante negatieve effecten op de kernkwaliteiten veroorzaken.
Figuur 5.2: Kaart met beschermde natuurgebieden in de directe omgeving van het plangebied weergegeven (bron: provinciale verordening)
Er vinden geen activiteiten in een Natura 2000-gebied plaats. Echter, door de aard van de activiteiten en door de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied 'Binnenveld' en overige Natura 2000-gebieden, is getoetst of eventuele nadelige effecten op deze beschermde Natura 2000-gebieden, en dan specifiek het Natura 2000-gebied 'Binnenveld', op voorhand zijn uit te sluiten. Daarom is een stikstofdepositieberekening gedaan met de AERIUS-calculator (Bijlage 9). Uit de AERIUS berekeningen volgt dat er geen natuurgebieden zijn met rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Middels de gedane berekeningen is dan ook aangetoond dat het ontwikkelplan haalbaar is. Er is geen verplichting voor een Wnb vergunning. 5.7.3
Conclusie
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
5.8
Geluid
5.8.1
Wettelijk kader
Tussen de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet geluidhinder (Wgh) is een koppeling gelegd. Dat blijkt uit art. 76 en 76a van de Wgh. Dit betekent dat de geluidssituatie binnen het plangebied moet voldoen aan de voorwaarden uit de Wgh. Als nadere invulling van deze voorwaarden heeft de gemeente Veenendaal de beleidsregel hogere waarden Wgh opgesteld.
bestemmingsplan
31
bestemmingsplan 1e Melmseweg fase 3
In het kader van de Wet geluidhinder liggen er zones rond wegen en spoorlijnen en gezoneerde industrieterreinen. Wegen op een woonerf of met een maximumsnelheid van 30 km/uur hebben geen zone. Binnen een zone moet voor het realiseren van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen, onderzoek worden gedaan naar de geluidbelasting. Binnen de geluidszone geldt een voorkeurswaarde voor de geluidsbelasting ter plaatse van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen of terreinen. Hierbij geldt een afzonderlijke toetsing per weg, spoorweg of industrieterrein. Bij overschrijding van de voorkeurswaarde moet worden onderzocht of geluid reducerende maatregelen getroffen kunnen worden, waarbij de volgorde bron- overdracht- en ontvangermaatregelen de voorkeur geniet. Beleidsregel hogere waarden Pas als blijkt dat niet aan de voorkeurswaarde kan worden voldaan kan het college van Burgemeester en Wethouders een hogere waarde verlenen (ontheffing van de voorkeurswaarde). Hierbij geldt wel een maximale ontheffingswaarde. Voordat een hogere waarde vast te stellen dienen bron- en overdrachtsmaatregelen afgewogen te worden. In deze beleidsregel worden randvoorwaarden genoemd voor het toestaan van hogere geluidsbelastingen dan de voorkeurswaarde. De voorwaarden zijn geformuleerd als eis of als inspanningsverplichting.
Indien niet aan de inspanningsverplichting kan worden voldaan dient de initiatiefnemer te motiveren waarom dit niet kan of waarom voor een alternatieve oplossing is gekozen. 5.8.2
Toetsing bouwplan
Effecten van de omgeving op het plan Het plangebied ligt wat de geluidbelasting betreft binnen de invloedssfeer van de Rondweg-West, Grote Beer + Vendelier, Nieuweweg en de Rijksweg A12, waardoor een akoestisch onderzoek is uitgevoerd (Bijlage 10). Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat ter plaatse van de noord-, west-, oost- maar ook zuidgevels (buitengevels) nagenoeg overal ten gevolge van tenminste een van de zone-plichtige verkeerswegen de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. Tijdens het vorige akoestisch onderzoek ten behoeve van de planfasen 1 en 2 van Veense Poort is volgens de voorkeursvolgorde al onderzocht of middels bron- of overdrachtsmaatregelen de geluidbelastingen konden worden verlaagd. Hieruit bleek dat maatregelen dienaangaande onvoldoende resultaat zouden geven of niet reëel of wenselijk zijn vanuit bijvoorbeeld stedenbouwkundig oogpunt. Het is dus niet te voorkomen dat de voorkeursgrenswaarde overschreden zal worden. Conform het geluidbeleid van de gemeente dient bij overschrijding van de voorkeursgrenswaarde de woning dan ten minste een gevel(zijde) met een lager (luw) geluidsniveau te hebben. Het geluidsniveau op deze gevel(zijde) is niet hoger dan de voorkeurswaarde voor elk van te onderscheiden geluidsbronnen (= eis). Deze eis is opgenomen als voorwaardelijke verplichting in de regels van dit uitwerkingsplan.
De woning heeft per etage minimaal een verblijfsruimte aan de zijde van de geluidluwe gevel (= inspanningsverplichting). Indien de woning beschikt over een of meer buitenruimten dan is er minimaal een gelegen aan de geluidluwe zijde. Indien dit niet mogelijk is dan dient het geluidsniveau op de gevel niet meer dan 5 dB hoger te zijn dan bij de geluidluwe gevel (= inspanningsverplichting). Wanneer de exacte indeling van de bouwblokken bekend is, zal per woning/appartement aangegeven worden welke maatregelen getroffen dienen te worden om aan de Wet geluidhinder en het gemeentelijk hogere waarde beleid te voldoen. Hiervoor wordt aangegeven welke gevels doof worden uitgevoerd en hoe elke woning een geluidluwe gevel krijgt. Voor het creëren van geluidluwe gevels zal met berekeningen worden aangetoond dat de voorgestelde voorzieningen inderdaad zorgen voor een geluidbelasting van ten hoogste de voorkeurswaarde voor elke weg. Daarnaast moeten extra geluidwerende maatregelen genomen worden om te voldoen aan het Bouwbesluit. Deze dienen beschreven te worden in een akoestisch onderzoek naar de geluidwering van de gevels dat bijgevoegd moet worden bij de omgevingsvergunning bouwen. Tot slot wordt op meerdere gevels geluidbelasting veroorzaakt door de omliggende wegen hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB.
Daarom wordt tegelijkertijd met de procedure voor het vaststellen van voorliggend bestemmingsplan, de hogere waarde procedure doorlopen.
32
bestemmingsplan
bestemmingsplan 1e Melmseweg fase 3
Effecten van het plan op de omgeving Door Peutz is tevens een onderzoek uitgevoerd naar de optredende geluidbelasting vanwege het bestemmingsverkeer van en naar Fase 3 van het plan Veense Poort te Veenendaal (Bijlage 11). De realisatie van Fase 3 van Veense Poort leidt namelijk tot een toename van het bestemmingsverkeer op de wegen in de directe omgeving van het plan. De geluidbelasting op de nabijgelegen woningen neemt hierdoor enigszins toe, variërend van 0,2 tot 1,9 dB. Op de hoogst belaste gevels is sprake van een verwaarloosbare toename van 0,2 dB. Dit zal niet leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat. 5.8.3
Conclusie
Vanuit het aspect akoestiek zijn er geen belemmeringen voor de gewenste ontwikkeling, mits er een hogere waarde procedure wordt doorlopen en de aanbevelingen uit het akoestisch rapport worden opgevolgd.
5.9
Bedrijven- en milieuzonering
Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Der basis hiervoor vormt de Wet milieubeheer. In de VNG handreiking 'bedrijven en milieuzonering' 2009 zijn de aan te houden afstanden opgenomen. Hieraan wordt het plan dan ook getoetst. Milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) dienen binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. 5.9.1
Toetsing bouwplan
Het woningbouwplan is gelegen nabij diverse bedrijven. Deze bedrijven hebben bepaalde vergunde rechten op grond van hun milieuvergunning of het Activiteitenbesluit. Indien het plan binnen de milieuruimte van de bestaande bedrijven gevestigd wordt, kan dit problemen bij het bedrijf veroorzaken. Daarom is door Sweco een onderzoek uitgevoerd naar de milieuzonering (Bijlage 12). De bedrijven gelegen aan de Nieuweweg 221, 222 en 224 liggen op afstanden groter dan 10 m van de geplande nieuwbouw. Deze bedrijven voldoen akoestisch gezien aan de gestelde richtlijnen uit de VNG-publicatie. De geplande nieuwbouw wordt tegen het bedrijf gelegen aan de Nieuweweg 223 aangebouwd. Dit betreft de ’plint’ van het gebouw met een hoogte van 3 meter boven maaiveld. De afstand tot de op deze plint te bouwen woningen bedraagt >10 m. Voor het bedrijf gelegen aan de Nieuweweg 223 is aanvullend onderzoek verricht. Hoewel er op basis van de milieucategorie voldoende afstand is zijn er enkele activiteiten die de geluidswaarden overschreiden. doordat deze activiteiten zeer berperkt plaatsvinden zijn er echter geen overtredingen van het bestemmingsplan of activiteitenbesluit. Dit wordt nader onderbouwd in de notitie van Sweco (Bijlage 13).
Conclusie daaruit is: Indien het bedrijf gelegen Nieuweweg 223 te Veenendaal zich houdt aan hetgeen in de melding Activiteitenbesluit is omschreven, dan zal aan de geluideisen worden voldaan. Hierdoor is de aangevraagde bedrijfssituatie anders dan die omschreven in het door Sweco opgestelde rapport met referentienummer SWNL0243903 met datum 22-05-2019. Met het sporadisch uitvoeren van activiteiten, waarbij de roldeur en alle te openen delen in de buitengevels gesloten zijn, zal het geluid ter plaatse van de gevels van de geplande woningen voldoen aan geluideis van ten hoogste 50 dB(A) etmaalwaarde. Hierdoor vormt het bedrijf geen belemmering voor de realisatie van de geplande woningen. Indien er door het bedrijf wordt afgeweken van hetgeen is aangevraagd dan zal dit onderzocht moeten worden of er zal door de gemeente Veenendaal handhavend opgetreden moeten worden. 5.9.2
Conclusie
Het planvoornemen is qua milieuzonering inpasbaar op deze locatie.
bestemmingsplan
33
bestemmingsplan 1e Melmseweg fase 3
5.10
Luchtkwaliteit
5.10.1 Wettelijk kader Voor luchtkwaliteit zijn de luchtkwaliteitseisen (hoofdstuk 5.2) van de Wet milieubeheer van kracht. Hierin is vastgelegd dat onder meer ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de in de wet opgenomen grenswaarden en richtwaarden. Deze Wet is nader uitgewerkt in Besluiten en Regelingen, waarvan het Besluit en de Regeling niet in betekenende mate (nibm), het Besluit gevoelige bestemmingen en de Regeling beoordeling de belangrijkste zijn. Daarnaast is ook het beginsel van een goede en duurzame ruimtelijke ordening van belang. Niet in betekenende mate (nibm) Alleen projecten die ‘in betekenende mate’ bijdragen aan de concentraties luchtvervuiling worden getoetst aan de grenswaarden. Er dient te worden onderzocht of een project ‘in betekenende’ mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Het Besluit nibm bepaalt dat een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie luchtvervuiling als deze minder dan 3% van de grenswaarde, ofwel 1,2 microgram per m3. De Regeling nibm is hier een nadere uitwerking van. Hierin is bepaald dat woningbouwprojecten tot 1.500 woningen en kantoren tot 100.000 m 2 zijn vrijgesteld van toetsing aan de wettelijke grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof. Besluit gevoelige bestemmingen Kinderen, ouderen en zieken zijn gevoeliger voor luchtvervuiling en worden daarom extra beschermd.
Op basis van het Besluit gevoelige bestemmingen gelden voor gevoelige bestemmingen nabij wegen zwaardere beperkingen. Zo mogen binnen 300 meter van rijkswegen en 50 meter vanaf provinciale wegen geen bestemmingen voor langdurig verblijf als kinderdagverblijven, scholen of verzorgingstehuizen worden gebouwd, als de wettelijke grenswaarden worden overschreden. Het Besluit verplicht overheden om onderzoek uit te voeren naar de concentraties stikstofdioxide en fijn stof. Voor gemeentelijke wegen geldt een zwaardere motiveringsplicht. Concentraties stikstofdioxide en (ultra) fijn stof De Omgevingsdienst heeft de concentraties stikstofdioxide en (ultra) fijn stof voor het jaar 2015 en 2025 berekenend met het rekenmodel GeoMilieu. De wettellijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde ligt op 40 microgram per m3. De uurgemiddelde grenswaarde voor stikstofdioxide van 200 microgram per m3 wordt overschreden wanneer de concentraties gemideld op jaarbais boven de 60 microgram per m3 uitkomen. 5.10.2 Toetsing bouwplan Door Aveco de Bondt is een onderzoek naar de luchtkwaliteit uitgevoerd (Bijlage 14). In het onderzoek is getoetst aan de Wet luchtkwaliteit en is gekeken naar het woon- een leefklimaat. Toetsing Wet luchtkwaliteit Voor woningbouwlocaties geldt een NIBM-grens van 1.500 woningen. Binnen het plangebied worden circa 165 woningen gerealiseerd.
De ontwikkeling valt daarmee ruimschoots binnen de NIBM-grens. Goed woon- en leefklimaat Naast de effecten van de voorgenomen ontwikkeling op de luchtkwaliteit, moet worden bezien of er voor de te realiseren woningen voldaan kan worden aan een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. Hiervoor is gebruik gemaakt van de luchtkwaliteitkaarten uit het Geoloket. Daaruit blijkt dat de wettelijke grenswaarden voor stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof bij lange na niet overschreden worden (zie navolgende tabel). Er wordt niet voldaan aan de advieswaarden van de GGD en de WGH van 20 µg/m3 voor fijn stof en stikstofdioxide en 10 µg/m3 voor zeer fijn stof, maar door de afnemende concentratie van (zeer) fijn stof en stikstofdioxide kan aangenomen worden dat daar op termijn wel aan voldaan wordt.
34
bestemmingsplan
bestemmingsplan 1e Melmseweg fase 3
Soort stof
Concentratie 2018
Concentratie 2030
Wettelijke grenswaarde jaargemiddelde
Stikstofdioxide (NO2)
20-24 µg/m3
12-16 µg/m3
40 µg/m3
Fijn stof (PM10)
20-21 µg/m3
17-18 µg/m3
40 µg/m3
Zeer fijn stof (PM2,5)
12,5-13 µg/m3
10-10,5 µg/m3
25 µg/m3
5.10.3 Conclusie Het project kan worden beschouwd als een NIBM-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan dan ook achterwege blijven. Daarnaast is gebleken dat er in het kader van de luchtkwaliteit sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plekke van het plangebied.
5.11
Mobiliteit
5.11.1 Wettelijk kader Op 26 november 2020 heeft de raad de Notitie parkeernormen Veenendaal 2020 vastgesteld. De parkeernormen zijn hiermee herzien. In het vastgestelde beleid worden flexibelere parkeernormen toegepast, waardoor er meer maatwerk mogelijk is bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in Veenendaal. Hierbij wordt meer rekening gehouden met het bestaande stedelijk gebied en met de mogelijkheden om met andere vervoerswijzen te reizen naast de personenauto. Ook worden er fietsparkeernormen geïntroduceerd om de positie van Veenendaal als fietsstad verder te versterken. Tot slot kunnen initiatiefnemers van grote ruimtelijke ontwikkelingen met behulp van een mobiliteitsplan gemotiveerd een reductie op de parkeernormen verdienen door andere vormen van mobiliteit aan te bieden en gebruik te maken van de kwaliteiten die aanwezig zijn in de nabije omgeving van het plangebied. 5.11.2 Toetsing bouwplan Als onderdeel van de bestemmingsplan procedure is er een verkeersonderzoek uitgevoerd (Bijlage 15).De volgende onderdelen zijn opgenomen in het verkeersonderzoek: Afwikkeling van het verkeer Analyse van de huidige situatie Parkeerbalans Aangepast verkeersonderzoek n.a.v.
geactualiseerd verkeersmodel Veenendaal Voor de berekening van de afwikkeling van het verkeer is de doorstroming onderzocht op de kruispunten die de ontwikkeling ontsluit op de Nieuweweg en het kruispunt Nieuweweg – Grote Beer – RondwegWest. In een eerdere versie van dit verkeersonderzoek (februari 2021) zijn de berekeningen uitgevoerd op basis van verkeerscijfers uit een eerdere versie van het verkeersmodel Veenendaal. Op 13 juli 2021 is het geactualiseerde verkeersmodel Veenendaal vastgesteld door het college van burgemeester & wethouders van Veenendaal. Dit verkeersmodel heeft als basisjaar 2020 en als toekomstjaar 2035. In dit model is de verbreding van de N233 en de ongelijkvloerse aansluiting bij de de Prins Clauslaan en Van Essenlaan meegenomen als vaststaande ontwikkeling. Deze ontwikkelingen dragen bij aan een afname van het verkeer op het kruispunt Rondweg-West – Grote Beer in 2035 ten opzichte van 2020. In het verkeersonderzoek dat hoort bij de bestemmingsplan procedure voor Veense Poort Fase 3 zijn een aantal aandachtspunten benoemd. Uit de berekening met de Methode Harders blijkt dat de gemiddelde wachttijd voor het verkeer op het kruispunt Nieuweweg met De Kweek zowel in de ochtendals avondspits acceptabel is. De afwikkeling van het verkeer op het kruispuntencomplex Nieuweweg – Grote Beer – Rondweg-West is onvoldoende.
Dit kruispunt is zowel in de ochtend- als avondspits oververzadigd, waardoor er wachtrijen ontstaan. De mate van oververzadiging is sterk vergelijkbaar met de autonome situatie in 2035, waarin de ontwikkeling van Veense Poort Fase 1 & 2 is meegenomen. De kruispunten Rondweg-West – Grote Beer – Nieuweweg kunnen niet veel meer verkeer verwerken dan in de autonome situatie het geval is. Door extra woningen (Veense Poort Fase 3) toe te voegen in de directe omgeving van deze kruispunten wordt een klein gedeelte van het oorspronkelijke verkeer bestemmingsplan
35
bestemmingsplan 1e Melmseweg fase 3 verdrongen naar andere routes door Veenendaal. Op routes waar het verkeer naar toe verdrongen wordt ontstaan geen knelpunten in de afwikkeling. Zie voor de onderbouwing hiervan Bijlage 16. Parkeerbalans Op basis van de parkeernormen (2020) van de gemeente Veenendaal is berekend dat voor Fase 3 179 parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden. Het plan voldoet aan de Notitie parkeernormen Veenendaal 2020. Het aspect parkeren vormt dan ook geen belemmering voor de realisatie van de ontwikkeling. Participatie Door middel van diverse participatiebijeenkomsten zijn de omwonenden meegenomen in het verkeersproces behorende bij de ontwikkeling van deze fase. De verkeersonderzoeken en uitkomsten daarvan zijn met de buurt gedeeld. In februari 2022 heeft de laatste bijeenkomst plaats gevonden. 5.11.3 Conclusie Vanuit het aspect mobiliteit zijn er geen bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling.
5.12
Windhinder
In 2006 is de NEN 8100 'Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving' uitgekomen. Deze norm bevat een beslismodel op basis waarvan een inschatting kan worden gedaan of er windhinder is te verwachten en of er een onderzoek nodig is. Uit het beslismodel blijkt dat bij gebouwen die een bouwhoogte van 30 meter of hoger krijgen, een windklimaatonderzoek noodzakelijk is. Met voorliggend bestemmingsplan wordt bebouwing tot een hoogte van 55 meter mogelijk gemaakt, waardoor er een windklimaatonderzoek is uitgevoerd (Bijlage 17). Uit de resultaten van het onderzoek blijkt het volgende. In de geplande bebouwingssituatie is een goed tot lokaal matig windklimaat voor het criterium doorlopen vastgesteld. Er is geen sprake van een slecht windklimaat of een overschrijding van het gevaarcriterium. Voor de gevels van de geplande nieuwbouw is met name rond de gebouwhoeken en langs de gevel aan de Nieuweweg is plaatselijk sprake van een matig windklimaat voor slenteren. Deze plaatsen zijn op voorhand minder geschikt voor het plaatsen van gebouwentrees. Het windklimaat rond gebouwentrees van de geplande bebouwing kan desgewenst plaatselijk worden verbeterd met windafschermende maatregelen. Hierbij kan worden gedacht aan het plaatsen van schermen rond de entree of het plaatsen van de entree in een nis.
Geconcludeerd kan worden dat er vanuit het aspect windhinder geen belemmeringen zijn voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
5.13
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
In juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r) in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de procedure voor de vormvrije m.e.r.- beoordeling. Voor een aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, zal door de initiatiefnemer een aanmeldnotitie opgesteld moeten worden. Na het indienen van de aanmeldnotitie dient het bevoegd binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbeslissing te nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden. Vervolgens moet de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is vereist als een besluit wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst en de besluiten (kolom 4) die daaraan zijn gekoppeld, in gevallen waarin de omvang van activiteiten onder de drempelwaarden (kolom 2 van de D-lijst) liggen.
36
bestemmingsplan
bestemmingsplan 1e Melmseweg fase 3
5.13.1 Toetsing bouwplan Voor de ontwikkeling is een vormvrije m.e.r. beoordeling opgesteld (Bijlage 18). Hierin worden alle relevante aspecten beoordeeld. Hieruit volgt dat op basis van de huidige kennis en uitgangspunten ten tijde van het uitvoeren van deze m.e.r.-beoordeling, kan voor alle aspecten worden uitgesloten dat onderhavig plan nadelige gevolgen voor het milieu oplevert. Het voorstel is om het college van B&W van de gemeente Veenendaal op basis van deze notitie te laten besluiten dat geen milieueffectrapportage nodig is 5.13.2 Conclusie Er is geen milieueffectrapportage nodig, het college van B&W van de gemeente Veenendaal zal dat besluiten bij het besluit op het ontwerp bestemmingsplan.
5.14
Totaalbeeld aspecten
Uit alle gevoerde onderzoeken komt naar voren dat het bestemmingsplan niet op onacceptabele gevolgen of belemmeringen stuit voor de directe omgeving.
bestemmingsplan
37
bestemmingsplan 1e Melmseweg fase 3
Hoofdstuk 6 6.1
JURIDISCHE PLANOPZET
Inleiding
Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels (zogenaamde planregels). De regels zijn gerelateerd aan de verbeelding, zodat verbeelding en regels te allen tijde in onderlinge samenhang dienen te worden bezien en toegepast. Verbeelding Zoals reeds eerder gesteld is de verbeelding gerelateerd aan de regels (en vice versa) en heeft tevens de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Verder kunnen er binnen een bestemming verklaringen zijn aangegeven. Deze hebben juridisch gezien geen enkele betekenis en zijn uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van de kaart (bijvoorbeeld topografische gegevens). De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en overheid bindende deel van het bestemmingsplan. Regels De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in meerdere hoofdstukken.
Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken. Toelichting De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Door de grote flexibiliteit, of beter vrijheid in de regels, kan de rechtszekerheid van belanghebbenden in het gedrang komen. In de toelichting dienen derhalve duidelijk de beleidsintenties te worden aangegeven met betrekking tot toekomstig grondgebruik. De toelichting heeft echter geen rechtsreeks burgers bindende werking.
6.2
De indeling van de planregels
Het gemeentelijk beleid is vertaald in de planregels. Het deelplan bevat normatieve regels, die bindend zijn voor zowel de overheid als de burger. Daarbij is geprobeerd een flexibel stelsel van regels te ontwikkelen zonder daarbij tekort te doen aan eisen van rechtszekerheid. Gekozen is daarom om het aantal bestemmingen op de verbeelding te beperken tot datgene wat noodzakelijk wordt geacht. Het is voor beide partijen van groot belang, dat de verbeelding en de planregels duidelijke informatie verschaffen. Door het aantal bestemmingen met een minimum te beperken wordt de leesbaarheid en duidelijkheid van zowel de verbeelding als de planregels vergroot. Een leesbaar en duidelijk plan zorgt bovendien voor een plan dat handhaafbaar is. De indeling van de planregels is als volgt: 6.2.1
Inleidende regels (hoofdstuk1)
Dit hoofdstuk bevat alle bepalingen die nodig zijn om de overige planregels goed te kunnen hanteren: begrippen: bevat in het plan gebruikte begrippen die uitleg behoeven; wijze van meten: bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlaktes, percentages, hoogtes, dieptes, breedtes en dergelijke. Hieronder valt tevens de wijze van peilbepaling.
38
bestemmingsplan
bestemmingsplan 1e Melmseweg fase 3
6.2.2
Bestemmingsregels (hoofdstuk2)
De gronden van het gehele plangebied hebben een positieve bestemming. Een positieve bestemming betekent dat het gebruik van de gronden voor de verschillende bestemmingen direct mogelijk is. Bovendien betekent het dat oprichting van gebouwen direct mogelijk is nadat burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning hebben verleend, welke dient te voldoen aan onder meer de regels van het bestemmingsplan, het Bouwbesluit en de Bouwverordening. De opbouw van de bestemmingen ziet er in beginsel als volgt uit: Bestemmingsomschrijving; Bouwregels; Nadere eisen; Specifieke gebruiksregels; Afwijken van de gebruiksregels. Binnen dit plan komen de bestemmingen 'Wonen', 'Groen' en 'Verkeer' voor.
6.2.3
Algemene regels (hoofdstuk3)
Hoofdstuk 3 bestaat in het beginsel achtereenvolgens uit de volgende artikelen: Anti-dubbeltelregel; Algemene bouwregels; Algemene gebruiksregels; Algemene afwijkingsregels; Algemene wijzigingsregels; Overige regels.
6.2.4
Overgangs- en slotregels (hoofdstuk4)
In hoofdstuk 4 van de regels is het overgangrecht geformuleerd. De formulering is conform de tekst als in het Bro omschreven. Zonder vergunning opgerichte, dus illegale, bouwwerken vallen niet onder het overgangsrecht. Indien de bouwwerken door wetgeving inmiddels vergunningvrij kunnen worden opgericht, worden deze niet als illegaal beschouwd. In de slotregel wordt genoemd hoe het plan kan worden aangehaald.
6.3
Bestemmingen
De bestemmingen bestaan uit een opsomming van omschrijvingen die aangeven hoe een bepaalde plek gebruikt mag worden en wat er op een bepaalde plek gebouwd mag worden. Dit wordt respectievelijk opgesomd in de bestemmingsomschrijving en de bouwregels. Daarnaast gelden er voor sommige bestemmingen aanvullende specifieke gebruiksregels (bijvoorbeeld verboden) en mogelijkheden tot afwijken van de gebruiks- en bouwregels. In dit bestemmingsplan is el sprake van de bestemming Wonen. De voor Wonen aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen in gestapelde woningen. Ondergeschikt is het mogelijk om de begane grond en 1e verdieping te gebruiken ten behoeve van gemengde doeleinden. Gebouwen mogen uitsluitend binnen het op de verbeelding opgenomen bouwvlak worden gebouwd. Het gehele bouwvlak mag bebouwd worden. De op de verbeelding opgenomen bouwhoogte is de maximaal toelaatbare bouwhoogte voor de voorgenomen ontwikkeling. Daarnaast is een maximum aantal van 14.000 m2 GBO toegestaan. Dit is in de regels van het bestemmingsplan geregeld.
bestemmingsplan
39
bestemmingsplan 1e Melmseweg fase 3
Hoofdstuk 7
FINANCIEEL-ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Tegelijkertijd met de vaststelling van een bestemmingsplan kunnen exploitatieplannen (ex. art. 6.12 Wro) worden vastgesteld. Op basis van het exploitatieplan kunnen (plan)kosten worden verhaald. Een exploitatieplan hoeft niet opgesteld te worden bij een bestemmingsplan met alleen conserverende bestemmingen of wijzigingsbevoegdheden. Een exploitatieplan hoeft ook niet opgesteld te worden als het kostenverhaal ‘anderszins verzekerd’ is, door middel van bijvoorbeeld anterieure overeenkomsten of als de gemeente eigenaar is van de gronden. Met de ontwikkelende partijd is een exploiatieovereenkomst aangegaan. Daarom is het opstellen van een exploitatieplan niet noodzakelijk.
40
bestemmingsplan
bestemmingsplan 1e Melmseweg fase 3
Hoofdstuk 8
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID
Het gemeentelijke beleid is er op gericht om in de voorbereiding op de bestemmingsplanprocedure een participatietraject te volgen. Om in het voortraject inspraak te kunnen hebben worden belanghebbenden uitgenodigd om te participeren in de totstandkoming van het bestemmingsplan. Dit vervangt de ter inzagelegging van het voorontwerpbestemmingsplan. Met de burgerparticipatie wordt eenieder in de gelegenheid gesteld om kennis te nemen van het plan en te reageren op de inhoud. Burgerparticipatie heeft meedere malen plaatsgevonden. Zowel fysiek al online. Tijdens deze bijeenkomsten zijn de aanwezigen meegenomen in de ontwikkeling van het plan. Eventuele opmerkingen zijn zoveel mogelijk in het plan verwerkt.
8.1
Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening kan vooroverleg worden gepleegd met de besturen van betrokken gemeenten, waterschappen en diensten van provincie en Rijk. Indien geen belangen van die partijen in het geding zijn kan worden afgezien van het vooroverleg. Vooroverleg vindt gelijktijdig met de terinzagelegging van het plan plaats.
8.2
Ontwerp ter inzage legging
Het ontwerpbestemmingsplan 1e Melmseweg is op 29 december 2021 gepubliceerd op de daarvoor bestemde locaties. Vanaf donderdag 30 december 2021 tot en met woensdag 9 februari 2022 heeft het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegen. Tegen het ontwerpbestemmingsplan was 1 pro-forma zienswijze ingediend. Deze zienswijze is op dinsdag 29 maart 2022 ingetrokken.
bestemmingsplan
41