CConstaterende datVeenendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Begroting 2024-2028 Rembrandt College Veenendaal

Gemeenteraad 29 februari 2024, gemeente VeenendaalBij agendapunt: Begroting 2024 Stichting Openbaar Voortgezet Onderwijs Veenendaal (SOVOV) Rembrandt College5.441 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

REMBRANDT COLLEGE VEENENDAAL

Begroting 2024 en ramingen 2025-2028 Versie 4 – 15 november 2023

1

1.

Inleiding

Voor u ligt de begroting voor het kalenderjaar 2024 alsmede ramingen voor de jaren 2025 tot en met 2028. Deze ramingen hebben de begroting voor 2024 als vertrekpunt en bevatten de financiële gevolgen van de verschillende beleidsmaatregelen die in 2024 in gang worden gezet. Voorafgaand aan het uitwerken en doorrekenen van de begroting voor 2024 is eerst een analyse gemaakt van de financiële resultaten over het lopende boekjaar 2023. Op basis van de exploitatiegegevens tot en met september 2023 is een prognose gemaakt van het financiële resultaat voor het hele jaar 2023. Mede aan de hand van deze prognose is vervolgens de begroting voor 2024 uitgewerkt. Hieronder zal op de diverse onderdelen van de begroting een uitgebreide toelichting worden gegeven. Daarbij zullen de begrotingscijfers worden vergeleken met de geprognosticeerde cijfers voor 2023 en met de vorig jaar voor 2023 begrote cijfers. Het totale overzicht van de begroting 2024-2028 en de daaruit voortvloeide balans en kasstroomoverzichten zijn weergeven in de bijlagen. Het Rembrandt College staat onder stevige druk. De begroting voor 2023 ging al uit van een negatief exploitatieresultaat over 2023. De prognosecijfers voor 2023 blijken negatiever dan begroot.

En ook voor de komende jaren blijkt het niet mogelijk positieve cijfers te begroten, tenzij we stevig gaan bezuinigen door het onderwijs ander te organiseren en de personeelsformatie aan te passen. Dit is een reden tot (grote) zorg en vraagt om verscherpte aandacht. De bekostiging voor 2023 was gebaseerd op de telling per 1 oktober 2022. Het aantal leerlingen bedroeg toen 898. Voor het begrotingsjaar 2024 is de telling per 1 oktober 2023 bepalend. In de prognoses van DUO en VOION wordt uitgegaan van 863 respectievelijk 899 (DUO en VOION gemiddeld: 881). Het werkelijke aantal is uitgekomen op 829. Een daling van maar liefst 69 leerlingen ten opzichte van de telling van vorig jaar en 52 leerlingen minder dan de gemiddelde prognose van DUO/VOION. De tabel hieronder geeft een overzicht van de ontwikkelingen weer: Teldatum

1-okt 2018

1-okt 2019

1-okt 2020

1-okt 2021

1-okt 2022

1-okt 2023

1-okt 2024

1-okt 2025

1-okt 2026

1-okt 2027

Werkelijk / Prognose

1.132

1.019

943

930

898

829

843

836

840

849

DUOprognose

827

813

817

831

VOIONprognose

858

859

863

868

Om de financiële resultaten en daarmee de financiële positie ten goede te keren zal de school een groter leerlingenaantal moeten krijgen én een aantal bezuinigingen moeten doorvoeren. We zien dat we in de huidige situatie de kritische grens dicht naderen of eigenlijk al voorbij zijn. Immers, een daling van leerlingen zal niet gepaard gaan met een evenredige teruggang in kosten (met name personeel), zonder dat dit impact heeft op de organisatie van het onderwijs. In deze begroting zijn de financiële consequenties ‘meegenomen’ van acties die gericht zijn op een stijging van het leerlingenaantal in 2024 en verder . Daarover in de volgende paragraaf meer. Daarnaast is het ook het werken aan schaalvergroting in de vorm van een samenwerking met andere scholen - in welke vorm dan ook – zeer wenselijk. Er zijn al eerste concrete stappen gezet en een verdere oriëntatie

2

op een mogelijke samenwerking staat op stapel. Dit zal verder geconcretiseerd moeten worden in het huidige schooljaar 2023-2024.

2.

Beleidsrijk begroten

In deze begroting zijn uitgaven verbonden aan doelen en resultaten. De financiële ruimte om een beleidsrijke begroting op te stellen is echter beperkt. Desondanks worden er toch financiële keuzes gemaakt die het resultaat zijn van beleidsprioriteiten. Duidelijk is dat Rembrandt qua uitgaven ‘scherp aan de wind zal moeten zeilen’. Maar naast de noodzakelijke bezuinigingen op de materiële en personele kosten zijn ook investeringen noodzakelijk.

Beleidsintensiveringen Een belangrijk speerpunt is en blijft PR & Communicatie binnen het Rembrandt College. Er is een hoger budget dan voorgaande jaren om beter te communiceren. Intensievere externe (digitale) campagnes moeten hierbij leiden tot een stijging van het aantal nieuwe leerlingen voor het schooljaar 2024-2025. In de tweede plaats investeren we in onderwijsprogramma’s die aantrekkelijk moeten zijn voor leerlingen die geïnteresseerd zijn in uitdagend onderwijs op hun niveau of verrijkingsprogramma’s. Hier wordt met name ingezet op Cambridge English en vooral de gefaseerde invoering van tweetalig onderwijs (TTO) vanaf het schooljaar 2024-2025. Dit zal tevens onderdeel moeten zijn van de PR-campagne. E.e.a. betekent ook dat in deze begroting extra kosten zijn opgenomen voor TTO. Naast kosten voor training en opleiding van de huidige docenten en externe ondersteuning zal een deel van de OP formatie bestemd worden voor de TTO klas(sen). In deze begroting is een inschatting gemaakt van de ontwikkeling van het aantal leerlingen als gevolg van deze beleidsintensiveringen: 1-okt 2023

1-okt 2024

1-okt 2025

1-okt 2026

1-okt 2027

829

843

836

840

849

PR-effect: Jaarlijkse extra instroom

10

10

10

10

Cumulatief PR-Effect

10

20

30

40

TTO-effect: Jaarlijkse extra instroom

10

11

12

12

Cumulatief TTO-effect

10

21

33

45

863

877

903

934

Aantal leerlingen volgens prognose

Leerling prognose Begroting 2024-2028

829

De stijging van het aantal leerlingen moet minimaal leiden tot een omvang van 900, als kritische grens om het aanbod in stand te houden. (NB. 50 leerlingen levert € 450.000,- meer aan baten op, terwijl de vaste lasten minder dan evenredig zullen stijgen).

3

Een derde belangrijke beleidsintensivering is het invoeren van een zgn. flexrooster, gericht op het kunnen bieden van meer maatwerk aan leerlingen. Met het invoeren hiervan ontstaan flexuren, d.w.z. lesuren waarin leerlingen zelf mogen kiezen welk vak of activiteit zij volgen. Invoering van een flexrooster heeft gevolgen voor de formatie en de verhouding tussen OP en OOP. Er zal meer behoefte zijn aan de inzet van OOP in de vorm van onderwijsassistenten en relatief gezien kan de OP formatie hierdoor dalen. In deze begroting zijn de effecten van deze beleidsintensivering verwerkt met ingang van het schooljaar 2024-2025. Hiermee is een begin gemaakt met het anders organiseren van het onderwijs en de personeelsformatie aan te passen. Een passende en betaalbare personeelsformatie, geholpen door een andere opzet van het onderwijs en een gewijzigd taakbeleid, is noodzakelijk.

Meerjarenonderhoud aan het gebouw Een ander belangrijk aspect in deze begroting is de status van het onderhoud aan ons gebouw. Onlangs is het meerjarig onderhoudsplan (MJOP) voor ons gebouw geactualiseerd. Het nieuwe plan is verrijkt met een aantal maatregelen die moeten zorgen voor een verdere verduurzaming van ons gebouw. Gezien het feit dat gedurende de afgelopen jaren een aantal investeringen is doorgeschoven of opgeschort, zijn in deze planperiode een aantal noodzakelijke investeringen opgenomen, inclusief een aantal verduurzamingsinvesteringen. Deze moeten mede bijdragen aan een goede uitstaling van ons gebouw, om het schoolgebouw zodoende een energiezuinige, gezonde, schone en prettige leer- en werkomgeving te laten zijn. Opgemerkt moet worden dat vooralsnog een deel van de voorgenomen verduurzamingsactiviteiten niet in deze begroting is meegenomen, omdat een gewenste subsidie (nog) niet toegekend is.

3.

Baten

Rijksbijdragen Hieronder is een overzicht gegeven van de geprognosticeerde rijksbijdragen voor 2023 en de begrote rijksbijdragen voor de jaren 2024 en verder. Bepalende factor is hier het verwachte aantal leerlingen.

Voor deze begroting is de berekening gebaseerd op het aantal leerlingen conform de tabel van pagina 3 (d.w.z. inclusief de verwachte stijging als gevolg van de beleidsintensiveringen). Als gezegd leidt een verschil van 50 leerlingen tot een verschil in baten van ca. € 450.000,-. Wanneer we de berekeningen zouden baseren op de

4

aantallen conform de tabel op pagina 2 (gemiddelde van DUO en VOION) dan zou dit leiden tot onderstaand verschil in baten:

Overige Rijksbaten In 2023 is nog sprake van een significant bedrag aan eenmalige subsidies (NPO). Deze vallen weg in 2024. Hierdoor zien we het bedrag per leerling dalen van 2023 naar 2024. Voor de bijdrage van 2024 is uitgegaan van een te verwachten indexering van 3,5%. In 2023 zijn de bekostigingsbedragen geïndexeerd met 6,3%. Als gevolg van de CAO-aanpassing van 10%, ingaande 1 juli 2023 wordt in 2024 derhalve nog een aanvullende indexering verwacht. Eind 2022 werd duidelijk dat het Samenwerkingsverband VO Barneveld-Veenendaal (SWV) een bezuinigingsopdracht heeft en dat dit financiële gevolgen zal hebben voor het Rembrandt College. Of het bedrag dat de school krijgt in het kader van de lichte ondersteuning wordt kleiner, òf bepaalde bovenschoolse voorzieningen gaan tot de basisondersteuning van elke school behoren. Hierdoor dienen de zorgvoorzieningen (en wellicht ook de zorgstructuur) uitgebreid te worden. De meest recente informatie vanuit het SWV is dat de middelen lichte ondersteuning (€125,- per leerling) niet zullen worden uitbetaald, dan wel naar een veel lager niveau zullen worden teruggebracht. In de prognosecijfers voor 2023 is voorzichtigheidshalve uitgegaan van het feit dat over 2023 de bijdrage vanuit het SWV nihil zal zijn. We verwachten dat ook voor 2024.

Daarnaast zijn we voor de begroting met ingang van 2024 uitgegaan van extra personeelskosten, omdat we - met het oog op de situatie binnen het Samenwerkingsverband - zelf bepaalde zorgvoorzieningen binnen onze school zullen moeten opbouwen. Naast de Rijksbekostiging is er tevens sprake van een bedrag aan overige baten, bestaande uit ouderbijdragen, kantine opbrengsten en incidentele overige baten. Voor 2023 is dit bedrag geprognosticeerd op € 310.000,-. Voor de begroting 2024 is uitgegaan van een bedrag van € 260.000,-.

Eenmalige Subsidie Basisvaardigheden In 2022 is op onze aanvraag een subsidie verbetering basisvaardigheden toegekend van € 1.516.128,-. Deze subsidie werd in zijn geheel ontvangen in december 2022. Dit bedrag is in 2022 niet als bate verantwoord, maar ‘geparkeerd’ op de balans als vooruitontvangen subsidie. De bestedingstermijn van de subsidie verbetering basisvaardigheden van 2022 is verlengd tot 31 juli 2024. Dat betekent dat een deel van de subsidie besteed kan worden in 2023 (en dat is ook gebeurd) en een substantieel deel in 2024. Nog niet alle activiteiten uit het onderliggende projectplan zijn uitgevoerd. Op basis van de in 2023 uitgevoerde activiteiten kan over 2023 een kleine € 300.000,- van deze subsidie als bate in 2023 worden verantwoord. Dit bedrag is (als aparte regel onder baten) meegenomen in de prognose voor 2023 (zie het exploitatie overzicht: vrijval subsidie basisvaardigheden). Dat betekent dat er een bedrag van ruim € 1,2 mln. resteert om vrij te vallen in 2024. Hiervoor zullen (de geplande en begrote) activiteiten moeten worden uitgevoerd. De regeling voorziet dat als na uitvoering van alle activiteiten een bedrag resteert, dit kan 5

vrijvallen ten gunste van de exploitatie. Derhalve is in de begroting voor 2024 het volledige bedrag van € 1,2 mln. als (eenmalige) bate verantwoord. Ondanks dit (eenmalige) bedrag is de begroting niet sluitend!

4.

Lasten

Personeelslasten In bijlage 1 is een overzicht gegeven van de formatie per 1 oktober 2023. Deze formatie en de daarmee gepaard gaande kosten zijn vertrekpunt voor bepaling van de prognose 2023 en de te begroten kosten voor 2024. Samengevat ziet het overzicht er als volgt uit:

DIR OP OOP Totaal

Vaste bezetting

Contracten Bepaalde tijd

2,8 38,4 15,4 56,6

1,1 14,9 5,1 21,1

Contracten Bepaalde tijd (vervanging) 1,4 0,2 1,6

Totaal

3,9 54,7 20,7 79,3

In verband met reeds geplande uitstroom in 2023 zal de formatie per einde 2023 uitkomen op 78,8 fte’s (3,9 / 53,6 / 21,3). Zou deze formatie vervolgens in onveranderde samenstelling worden ingezet in 2024, dan zou dit over heel 2024 leiden tot een bedrag van ruim € 7,0 mln. aan loonkosten. Nagenoeg alle contracten met een bepaalde looptijd eindigen per 31 juli 2024. Daarnaast is er sprake van een aantal tijdelijke contracten (uitbreidingen van de betrekkingsomvang) voor vast personeel, in verband met het toekennen van extra ontwikkeltaken en dus uren. Deze worden bekostigd uit de ontvangen subsidies NPO en Basisvaardigheden. Deze uitbreidingen zullen met ingang van het nieuwe schooljaar komen te vervallen (in totaal 4,6 fte). Daarnaast is bij het doorrekenen van de begroting uiteraard kritisch gekeken naar de benodigde formatie voor het schooljaar 2024-2025, met inachtneming van de voorgenomen invoering van het flexrooster (-2 fte OP, +1 fte OOP), de extra uitstroom van fte’s met een contract voor bepaalde tijd (-5 fte OP) en de bestaande vacatures (LO en maatschappijleer, in totaal 1,45 fte) die naar verwachting in 2024 zullen zijn ingevuld. Dit alles moet per saldo leiden tot een teruggang van 9 fte. Daarnaast is rekening gehouden met de instroom van nieuwe collega’s in verband met de opstart van TTO in schooljaar 2024-2025 (1,2 fte).

Daarnaast zijn we voor de begroting met ingang van 2024 uitgegaan van een extra fte (OOP), omdat we verwachten dat we zelf bepaalde zorgvoorzieningen binnen onze school zullen moeten opbouwen, gezien de situatie binnen het Samenwerkingsverband. Per saldo zal de formatie gedurende 2024 moeten dalen naar 71,8 fte. Hiermee komt de gemiddelde formatie over 2024 uit op 76,9 (de grootste uitstroom is per einde juli 2024). Op basis van deze formatieplanning zijn de loonkosten voor 2024 becijferd op € 6,8 mln. Als we kijken naar de verschillende personele ratio’s dan zien we het volgende:

6

Gem. Formatie DIR Gem. Formatie OP Gem. Formatie OOP Gem. Formatie Totaal

2023 3,9 52,5 19,7 76,1

2024 3,9 50,6 22,4 76,9

2025 3,9 45,2 23,2 72,3

2026 3,9 46,5 23,2 73,6

2027 3,9 46,5 23,2 73,6

2028 3,9 48,0 23,2 75,1

Leerlingen / fte Leerlingen / fte OP

11,8 17,1

10,8 16,4

11,9 19,1

12,1 18,8

12,3 19,4

12,5 19,5

Huisvestinglasten De huisvestingslasten bevatten de kosten voor huur van externe ruimten (gymzalen), de kosten voor verzekeringen en voor jaarlijks onderhoud. Daarnaast bestaat een belangrijk deel van de huisvestingslasten uit kosten voor gas, water en elektra. Onderstaand een overzicht van het kostenverloop:

Huren Verzekeringen Onderhoud Energie en water Schoonmaakkosten Overige huisvestingslasten TOTAAL

Werkelijk 2022 € 118.528 € 5.379 € 103.825 € 121.736 € 135.991 € 6.065 € 491.524

Prognose 2023 € 120.000 € 5.500 € 112.000 € 152.000 € 174.000 € 4.500 € 568.000

Begroting 2024 € 120.000 € 6.000 € 134.000 € 184.000 € 175.000 € 5.000 € 624.000

Met name voor de energiekosten verwachten wij een toename in 2024. Daarnaast zullen doorlopende jaarlijkse onderhoudskosten toenemen. Dit in verband met het wegvallen van de voorziening voor groot onderhoud (deze begroting gaat uit van de overgang naar een stelsel van activeren en afschrijven; daarover later meer).

Overige materiële lasten Onderstaand is een overzicht gegeven van de bedragen in deze kostencategorie.

Administratie en Beheer PR & Communicatie Inventaris, apparatuur, leermiddelen Schoolactiviteiten (uit Ouderbijdrage) Dotatie Onderhoudsvoorziening Overige kosten TOTAAL

Werkelijk 2022 € 177.384 € 24.344 € 533.324 € 213.435 € 349.000 € 141.001 € 1.438.488

Prognose 2023 € 239.000 € 71.000 € 605.000 € 189.000 € 140.000 € 138.000 € 1.382.000

Begroting 2024 € 170.000 € 125.000 € 680.000 € 213.000 € 99.000 € 1.287.000

7

De verwachte stijging van de kosten voor Administratie en Beheer in 2023 wordt met name veroorzaakt door kosten voor de werving van personeel (+€ 70.000). In 2023 zijn wervingskosten gemaakt voor het een teamleider HAVO en in de prognose is rekening gehouden met extra wervingskosten voor de werving van een nieuwe rector-bestuurder. De hoge kosten voor werving en selectie vallen in 2024 weg. Ten opzichte van 2022 wordt er in 2023 bijna € 50.000 meer besteed aan PR & Communicatie kosten. Voor 2024 is een verdere verhoging van dit bedrag begroot (€ 125.000). De stijging van kosten voor ‘inventaris, apparatuur, leermiddelen’ in de begroting voor 2024 wordt veroorzaakt door een voor 2024 begroot bedrag van € 80.000 aan onderwijsontwikkeling, in het licht van de invoering van TTO.

5.

Investeringsplan en afschrijvingskosten

Stelselwijziging Groot Onderhoud Met ingang van 2024 zijn de verslaggevingsvoorschriften voor het verwerken van de kosten van groot onderhoud gewijzigd. Dat zal impact hebben op het financieel beleid en de vermogenspositie. Schoolbesturen (zoals wij) die de voorziening groot onderhoud op dit moment nog opbouwen volgens de zogenaamde egalisatiemethode, zullen een keuze moeten maken tussen het activeren/afschrijven van groot onderhoud en het vormen van een voorziening die per component moet worden opgebouwd. Uiterlijk per 1 januari 2024 zal deze keuze doorgevoerd moeten zijn. Bij de totstandkoming van deze begroting is een analyse gemaakt van de impact van de verschillende verwerkingswijzen van de kosten voor groot onderhoud op het financieel beleid en de vermogenspositie. In bijlage 7 is een analyse weergegeven van het effect van deze stelselwijziging voor het Rembrandt College. Uitkomst is dat met ingang van 2024 de verwerking van de kosten voor groot onderhoud zal wijzigen. In deze begroting wordt uitgegaan dat met in gang van 2024 wordt overgegaan naar een stelsel van het activeren en afschrijven van de kosten voor groot onderhoud. Dat betekent dat in 2023 nog een laatste dotatie gedaan zal moeten worden aan de voorziening voor groot onderhoud.

In 2022 is een dotatie gedaan ten laste van het resultaat ter grootte van € 349.000 (€ 140.000 ‘normale’ dotatie en een extra dotatie van € 209.000). Voor de prognose cijfers van 2023 is uitgegaan van een ‘normale’ dotatie van € 140.000. Als gevolg van de stelselwijziging zal deze dotatie met ingang van 2024 komen te vervallen. Het toepassen van de componentenmethode zou per ultimo 2023 leiden tot een benodigde onderhoudsvoorziening van bijna € 3,3 mln. Dit betekent dat er een inhaaldotatie zou moeten plaatsvinden van bijna € 1,6 mln., ten laste van de algemene reserve. De huidige algemene reserve (€ 1.341.937) is echter niet toereikend voor het doen van een dergelijke inhaaldotatie. Wanneer wordt overgegaan naar een stelsel van activeren en afschrijven zal de voorziening voor groot onderhoud in zijn geheel vrijvallen ten gunste van het eigen vermogen. Alle kosten voor groot onderhoud zullen worden geactiveerd. De materiele vaste activa zullen in de loop van de jaren toenemen. Hetzelfde geldt voor de afschrijvingskosten. Deze zullen in het begin (direct na de stelselwijziging) laag zijn, maar naarmate er meer wordt geactiveerd zullen deze toenemen. De berekeningen laten zien dat de afschrijvingskosten in een periode van ongeveer 30 jaar toegroeien naar een bedrag van € 190.000 per jaar.

8

Bij de overgang naar activeren en afschrijven zullen de jaarlijkse exploitatiekosten in beginsel dalen. De jaarlijkse dotatie aan de voorziening valt in zijn geheel weg. Daarvoor in de plaats komen (vooral in het begin) lage afschrijvingskosten. Dit betekent echter niet dat er meer geld overblijft voor onderwijs en personeel. Het geplande onderhoud zal moeten plaatsvinden. Dus er zal in de tijd evenveel geld uitgegeven worden aan onderhoud, ongeacht welk stelsel dan ook. Dat betekent dat in een scenario van activeren en afschrijven er financieel beleid gevoerd zal moeten worden om te allen tijde over voldoende middelen te beschikken waarmee (groot) onderhoud gedaan kan worden wanneer dit gepland en noodzakelijk is. De teruggang in kosten zal gepaard moeten gaan met het realiseren van een evenzo groot jaarlijks begrotingsoverschot. Uit dit begrotingsoverschot kan dan een bestemmingsreserve gevormd worden ten behoeve van het toekomstige groot onderhoud. Nu is dit in een situatie van krimp en begrotingstekorten natuurlijk een extra opgave. Door het wegvallen van de dotatie en de in het begin lage afschrijvingskosten lijkt het begrotingstekort minder dan het in werkelijkheid is.

In feite moet ook ten laste van dit negatieve resultaat eerst een jaarlijkse toevoeging aan de bestemmingsreserve worden gedaan, waarna het ‘echte’ negatieve resultaat ten laste van de algemene reserve moet worden gebracht (andere bestemmingsreserves daargelaten). In dit verband kan verwezen worden naar het volgende hoofdstuk (het overzicht van het verloop van het eigen vermogen en algemene reserve).

Investeringsplan Hieronder is een financiële samenvatting gegeven van het investeringsplan voor 2024:

In Bijlage 2 is een detailoverzicht gegeven van de geplande investeringen op basis van het geactualiseerde MJOP. Voor 2024 staat voor een bedrag van € 597.000 aan groot onderhoud gepland alsmede een bedrag van € 81.000 aan investeringen om het gebouw verder te verduurzamen. Voor de totale planperiode zijn volgens het MJOP de volgende investeringen gepland: 9

Groot Onderhoud Gebouw Verduurzaming Gebouw TOTAAL

2024 € 597.000 € 81.000 € 678.000

2025 € 780.000 € 63.000 € 843.000

2026 € 190.000 € 13.000 € 203.000

2027 € 75.000 € 75.000

2028 € 40.000 € 40.000

Afschrijvingskosten Als gevolg van de geplande stelselwijziging voor de verwerking van de kosten voor groot onderhoud zullen de afschrijvingskosten voor gebouwen en terreinen in 2024 en verdere jaren toenemen. De afschrijvingskosten voor de overige activa kennen een kortere cyclus. Worden (vervangings-)investeringen doorgeschoven dan leidt dit op niet al te lange termijn tot een daling van de afschrijvingskosten (als apparatuur in gebruik blijft die wel is afgeschreven). In de begroting voor 2024 en verder zijn de afschrijvingskosten afgeleid van de geplande investeringen.

6.

Resultaat en Balans

Zoals gezegd leidt de huidige situatie van krimp en de bestaande formatie tot een negatief exploitatieresultaat. In 2023 en 2024 worden we ‘gered’ door de vrijval van de subsidie basisvaardigheden . Een uitgebreid overzicht van de begroting in weergegeven in de bijlagen 3 t/m 6 (exploitatie, balans en cashflow). Samengevat ziet het exploitatieoverzicht er als volgt uit:

Deze negatieve resultaten zullen ten laste van het eigen vermogen worden gebracht. Jaarlijks zal moeten worden bezien in hoeverre (een deel van) het negatieve resultaat kan worden gedekt vanuit speciaal daarvoor bestaande bestemmingsreserve. Is dit niet het geval dan wordt het negatieve resultaat in mindering gebracht op de algemene reserve. In onderstaand overzicht is een projectie gemaakt van de resultaatsbestemming:

10

Hierbij is uitgegaan van een uitloop van de bestemmingsreserve NPO-gelden in 2024. De bestemmingsreserves heterogene brugklassen, onnodig zittenblijven lopen in 2023 af. De bestemmingsreserve school en omgeving kent een uitloop in 2025. Conform hetgeen beschreven bij de stelselwijziging groot onderhoud wordt er jaarlijks een bedrag toegevoegd aan de bestemmingsreserve voor groot onderhoud (het verschil tussen de oorspronkelijke dotatie en de afschrijvingskosten). Het restant wordt in eerste instantie afgeboekt van de bestemmingsreserves conform bovenstaand overzicht. Op het moment dat de bestemmingsreserves zijn gebruikt zal er een bedrag in mindering worden gebracht op de algemene reserve. Vanwege de toevoeging aan de bestemmingsreserve voor groot onderhoud is dit een hoger bedrag dan het uiteindelijke exploitatieverlies (zie 2026-2028)!

Ontwikkeling financiële ratio’s Het moge duidelijk zijn dat de financiële ratio’s zich niet naar tevredenheid ontwikkelen. Hieronder een overzicht van de belangrijkste ratio’s:

Rentabiliteit Liquiditeit Solvabiliteit 1 Solvabiliteit 2 Weerstandsvermogen

2022 -1,6% 2,16 31,0% 63,9% 21,9%

2023 -0,4% 2,51 31,6% 67,9% 22,1%

2024 -1,5% 3,89 71,6% 83,7% 37,4%

2025 -6,6% 2,46 68,5% 81,5% 34,7%

2026 -4,6% 1,93 65,9% 79,4% 29,6%

2027 -1,6% 1,86 65,3% 78,4% 27,2%

2028 0,0% 2,24 65,9% 78,2% 26,4%

De mutatie in solvabiliteit 1 in 2024 wordt veroorzaakt door de vrijval van de onderhoudsvoorziening ten gunste van het eigen vermogen. Als gevolg hiervan blijft de solvabiliteit redelijk op peil en boven onze norm van 50%. De liquiditeit beweegt zich richting 2028 boven de norm van 2,0. Het weerstandsvermogen beweegt zich in de plan periode naar een niveau onder de 30% (= minimale norm).

Risico’s Hieronder een overzicht van de belangrijkste risico’s en maatregelen: Risico Leerlingenaantal onder kritische grens Afdeling te klein voor meer dan basispakket

Maatregel Onderwijs anders organiseren of afdeling op termijn afstoten Keuzevrijheid ernstig beperken of afdeling op termijn afstoten 11

School verliest aantrekkelijkheid Personele lasten drukken zwaar OOP formatie is relatief te groot Kwetsbare overhead School wordt weggeconcurreerd Medewerkers lopen weg in verband met (bezuinigings-)beleid

7.

School onderwijskundig anders positioneren Bezuinigen op prijs en/of hoeveelheid Bepaalde OOP taken afstoten en uitbesteden Samenwerking met andere scholen zoeken Samenwerking met andere scholen zoeken Op andere terreinen (personeels)beleid voeren waardoor de school een aantrekkelijke werkgever blijft

Tot Slot

Of de financiële positie zich de komende jaren ten goede keert, is in sterke mate afhankelijk van de omvang van de school. Daarom zal alles op alles moeten worden gezet om de school een goed imago te laten behouden en een aantrekkelijk onderwijskundig profiel te geven. Daarnaast zal er actief beleid gevoerd moeten worden voor een efficiënte personeelsformatie en zullen er keuzes gemaakt moeten worden in aanbod en zorg. Parallel daaraan is het zaak om te focussen op de oriëntatie op een samenwerking met andere besturen om de nodige schaalvoordelen te kunnen realiseren. Een bestuurlijke schaalvergroting is deels op te vatten als een risicobeheersmaatregel om ongewenste financiële gevolgen van krimp voor te zijn. Bestuurlijke samenwerking in welke vorm dan ook lost krimp op schoolniveau niet op, maar biedt wel meer ruimte voor goed werkgeverschap, mobiliteit en meer efficiency. Daarnaast is het ook een mogelijkheid om krachten te bundelen en te bouwen aan een kwalitatief hoogwaardige, toekomstbestendige en financieel solide onderwijsorganisatie.

12

BIJLAGEN

13

BIJLAGE 1: FORMATIE PER 1 oktober 2023

14

BIJLAGE 2: Investeringen volgens MJOP

15

BIJLAGE 3: Exploitatie Overzicht 2022-2024

16

BIJLAGE 4: Exploitatie Overzicht 2023-2028

17

BIJLAGE 5: Balans

18

BIJLAGE 6: Kasstroom overzicht

19

BIJLAGE 7: Kosten Groot Onderhoud In onderstaand kader wordt beknopt toegelicht op welke wijze schoolbesturen hun gebouwkosten dienen te verwerken in de jaarrekening. (Bron: Notitie “Verwerking kosten groot onderhoud in de jaarrekening per 2024”, versie juni 2023 van PO-raad en VO-raad)

Kosten van groot onderhoud van het schoolgebouw, zijn kosten die voortvloeien uit (periodieke) werkzaamheden na een langere gebruiksperiode (in princiep langer dan 1 jaar) met als doel de huidige staat van het gebouw in stand te houden. Schoolbesturen waarvan het economisch claimrecht van de schoolgebouwen niet bij hen ligt, moeten kiezen op welke wijze ze het groot onderhoud verwerken in hun begroting en jaarrekening: de kosten activeren en afschrijven of de kosten verwerken via een voorziening groot onderhoud. Wanneer per 1 januari 2024 wordt gekozen voor het verwerken van het groot onderhoud via een voorziening, dan gelden daarvoor de (nieuwe) Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving. Schoolbesturen die de voorziening groot onderhoud in 2023 nog opbouwen volgens de zogenaamde egalisatiemethode, zullen de voorziening groot onderhoud per 2024 dus op een heel andere wijze opbouwen, namelijk: tijdsevenredig opbouwen per component. De basis voor het maken van een weloverwogen keuze is de onlangs geactualiseerde MJOP. Deze MJOP kan als beleidsrijk worden bestempeld, heeft een voldoende lange horizon waarin alle onderhoudscomponenten (ook die met een langere onderhoudscyclus) minimaal één keer in voorkomen. Een beleidsrijk MJOP is niet alleen nodig voor een zorgvuldige opbouw van de hoogte van de voorziening.

Ook als wordt gekozen voor activeren en afschrijven, dan is dat de basis voor een zorgvuldige investerings- en liquiditeitsbegroting. Beide methoden voor het verwerken van de kosten van groot onderhoud hebben gevolgen voor de financiële positie en administratieve processen. Afhankelijk van de specifieke situatie geeft de ene of de andere methode het beste inzicht. De financiële gevolgen van beide methoden hebben wij geanalyseerd en gekwantificeerd om de gevolgen te weten voor de exploitatie en de vermogenspositie. 20

Een eenmaal gemaakte keuze is in principe een definitieve keuze. Een overgang naar een andere methode in de toekomst (een stelselwijziging) is alleen mogelijk wanneer hiervoor een gegronde reden aanwezig is (bijv. bij een fusie, waarbij de fuserende rechtspersonen verschillende stelsels hanteren). Scenario 1: Voorziening Groot Onderhoud volgens componentenmethode De voorziening groot onderhoud zal per 2024 op een heel andere wijze moeten worden opgebouwd. De voorziening zal moeten zijn opgebouwd tijdsevenredig per onderhoudscomponent. Stel dat het MJOP voorziet in het vernieuwen van het dak in 2025 en deze onderhoudscomponent kent volgens het MJOP een cyclus van 30 jaar. Dan is bepaald dat de voorziening voor deze specifieke component per 31-december vastgesteld moet worden op 28/30 van de verwachte kosten (tijdsevenredige opbouw). Alle componenten uit het MJOP bij elkaar opgeteld, vormen dan de totale voorziening groot onderhoud van het schoolbestuur. Uitgaande van het actuele MJOP is op basis van de nieuwe componentenmethode een berekening gemaakt van de benodigde voorziening per component en de jaarlijks benodigde dotatie aan de voorziening per component. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de belangrijkste effecten.

Dotatie voorziening Voorziening incl. dotatie 2023

Is € 140.000

Wordt € 194.000

€ 1.665.268

€ 3.263.745

Het toepassen van de componentenmethode berekening zou per ultimo 2022 leiden tot een benodigde onderhoudsvoorziening van bijna € 3,3 mln. Dit betekent dat er een inhaaldotatie zou moeten plaatsvinden van bijna € 1,6 mln. Deze inhaaldotatie zou moeten plaatsvinden ten laste van de algemene reserve. De huidige algemene reserve (€ 1.341.937) is echter niet toereikend voor het doen van een dergelijke inhaaldotatie. Dit maakt het handhaven van een voorziening voor groot onderhoud onmogelijk en leidt tot een stelsel van activeren en afschrijven. Scenario 2: Activeren en afschrijven In dit scenario is een berekening gemaakt van de toekomstige activeringen gebaseerd op de geactualiseerde MJOP. De afschrijvingen zijn brekend op basis van de gebruikscyclus per component volgens het MJOP. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de belangrijkste effecten.

Dotatie voorziening Verhoging jaarlijkse exploitatiekosten vanwege wegvallen van de voorziening Afschrijvingskosten (nb. deze stijgen per jaar!!) Voorziening Bestemmingsreserve Onderhoud (binnen Eigen vermogen)

Is

Wordt

€ 140.000

-

-

€ 15.000

-

€ 33.000

€ 1.665.268

€ 1.665.268

21

In dit scenario zal de voorziening voor groot onderhoud in zijn geheel vrijvallen ten gunste van het eigen vermogen. Alle kosten voor groot onderhoud zullen worden geactiveerd. De materiele vaste activa zullen in de loop van de jaren toenemen. Hetzelfde geldt voor de afschrijvingskosten. Deze zullen in het begin (direct na de stelselwijziging) laag zijn, maar naarmate er meer wordt geactiveerd zullen deze toenemen. De berekeningen laten zien dat de afschrijvingskosten in een periode van ongeveer 30 jaar toegroeien naar een bedrag van € 190.000 per jaar. In dit scenario zullen de jaarlijkse exploitatiekosten in beginsel dalen. De jaarlijkse dotatie aan de voorziening valt in zijn geheel weg. Daarvoor in de plaats komen (vooral in het begin) lage afschrijvingskosten. Dit betekent echter niet dat er meer geld overblijft voor onderwijs en personeel. Juist niet! De geplande onderhoudskosten zullen moeten plaatsvinden. Dus er zal in de tijd evenveel geld uitgegeven worden aan onderhoud, ongeacht welk stelsel dan ook. Dat betekent dat in een scenario van activeren en afschrijven er een financieel beleid zal moeten gevoerd om ten allen tijde over voldoende middelen te beschikken om (groot) onderhoud te kunnen plegen wanneer dit gepland en noodzakelijk is.

Dat betekent dat er de teruggang in kosten gepaard zou moeten gaan met het realiseren van een evenzo groot jaarlijks begrotingsoverschot. Uit dit begrotingsoverschot kan dan een bestemmingsreserve gevormd worden ten behoeve van het toekomstige groot onderhoud. Nu is dit in een situatie van krimp en begrotingstekorten natuurlijk een extra opgave. Door het wegvallen van de dotatie en de in het begin lage afschrijvingskosten lijkt het begrotingstekort minder dan het in werkelijkheid is. In feite moet ook ten laste van dit negatieve resultaat eerst een jaarlijkse toevoeging aan de bestemmingsreserve worden gedaan, waarna het ‘echte’ negatieve resultaat ten laste van de algemene reserve moet worden gebracht (Andere bestemmingsreserves daargelaten). Hieronder een overzicht van het effect op de exploitatiekosten in de tijd:

22

We zien in deze grafiek dat met name gedurende de eerste jaren sprake is van een kostenvoordeel. Dit kostenvoordeel zal in feite ten laste van het resultaat ten gunste van een bestemmingsreserve groot onderhoud moeten worden gebracht. In de begroting 2024-2028 is dit op deze wijze toegepast.

23

Kantekeningen bij Activeren en afschrijven In een situatie van geactiveerde onderhoudskosten zal bij het op een bepaald moment verlaten van een schoolgebouw of verhuizen naar een ander schoolgebouw de boekwaarde van deze activa versneld moeten worden afgeschreven. Dit is een risico op extra lasten. Bij het activeren en afschrijven van groot onderhoud worden de kosten naar de toekomst geschoven en ontstaat zoals eerder vermeld - administratief - ruimte in de exploitatie. Let wel dat er later echter wel voldoende liquiditeiten beschikbaar zijn om tot groot onderhoud over te kunnen gaan. Als de ruimte die in de exploitatie ontstaat uitgegeven wordt aan andere zaken, dan kan er in de toekomst een liquiditeitsprobleem en exploitatietekort ontstaan. Om de laatste reden is het raadzaam om bij overgang naar activeren een overschot te begroten en een bestemmingsreserve te vormen om in de toekomst over voldoende middelen te beschikken voor het doen van onderhoudsuitgaven. Deze bestemmingsreserve voedt de financieringsfunctie van het eigen vermogen, zodat in de toekomst ten allen tijde voldoende middelen aanwezig zijn om het onderhoud te kunnen bekostigen.

Naast de praktische financiële overweging om over te gaan op het stelsel van activeren en afschrijven is het ook zo het activeren van de uitgaven voor groot onderhoud leidt tot een betere matching van kosten (van afschrijving) en het gebruiksmoment van het groot onderhoud/actief.

24

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13744168/1