CConstaterende datVeenendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

3.b Bijlagen bestemmingsplan Het Vennehof

Gemeenteraad 21 maart 2024, gemeente VeenendaalBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Het Vennehof'28.148 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

5

Z-BDM_HZ-CONV-02266-31-610261

concentraties blijven fluctueren, maar er is geen sprake van een dusdanige toename die leidt tot een significante verspreiding. Door de fluctuaties is geen duidelijke dalende maar ook geen stijgende trend te zien. Een verklaring voor de stijging in januari 2014 kan zijn dat zich ter plaatse een potentiele secundaire bron bevond die gevormd is door lekkage van de voormalige gemeentelijke riolering die in 2015 is vervangen op punten ter plaatse van de Goudsbloemstraat en de Dahliastraat. Het bedrijfsafvalwater is in het verleden geloosd op twee aansluitingspunten van de gemeentelijke riolering in de Dahliastraat (ten noorden en ten zuiden van de Goudsbloemstraat). Dit kan een verklaring zijn voor de relatief hoge Per-concentraties in de Goudsbloemstraat en de Dahliastraat.

Onderzoek humane risico’s Goudsbloemstraat, Dahliastraat, Panhuis en Gladiolenstraat Om na te gaan of sprake is van humane risico’s ter plaatse van ’t Hoorntje West, is een onderzoek uitgevoerd2. Hiertoe zijn op een aantal locaties minifilters geplaatst om de concentraties aan VOCl in het ondiepe grondwater te onderzoeken. Het binnenluchtmetingonderzoek is uitgevoerd op 6 verschillende locaties: daar waar de hoogste concentraties aan VOCl in het grondwater werden verwacht. De metingen hebben plaatsgevonden in de zomer en winter van 2015. Hieruit blijkt dat er in het ondiepe grondwater geen sprake is van humane risico’s van de verontreiniging met VOCl: de TCL-waarden lag ruimschoots beneden de normen. Uit het onderzoek blijkt dat in het ‘bovenste deel’ van het grondwater veel lagere concentraties wordt gemeten dan ‘de laag daaronder’. Daarom vindt geen uitdamping plaats naar de bodemlucht en ook niet naar de woningen (zie verder ook Panhuis 85).

Panhuis 85 Tijdens een bodemonderzoek3 in december 2011 is een grondwaterverontreiniging met vinylchloride ter plaatse van Panhuis 85 aangetroffen. Uit VOLASOIL berekeningen (uitgevoerd door Provincie Utrecht) bleek dat de concentraties konden leiden tot humane risico’s. Tauw heeft naar aanleiding hiervan een aanvullend onderzoek uitgevoerd om te onderbouwen dat er geen sprake is van humane risico’s als gevolg van uitdamping voor de locatie Panhuis 854. Uit de resultaten bleek dat er sprake is van een sterke concentratiegradiënt van Vinylchloride in het ondiepe grondwater. Uit aanvullend onderzoek bleek dat in het bovenste minifilter (1,5-1,75 m-mv) CIS en VC niet aanwezig waren in concentraties boven de detectielimiet. In deze bodemlaag vindt uitdamping plaats van de vluchtige verontreinigingen omdat deze in directe verbinding staat met de bodemlucht in de onverzadigde zone. Dit onderzoek hebben wij beoordeeld op 22 juli 2017 (kenmerk 80E4FOE) en geconcludeerd dat met de resultaten van het aanvullend grondwateronderzoek, en in het licht van nieuwe internationale onderzoeksgegevens, in voldoende mate is onderbouwd dat er geen sprake is van actuele humane risico's voor het perceel Panhuis 85 (en directe omgeving).

Monitoring ‘middengedeelte’ In het grondwater ter plaatse van peilbuis 803-1 (9-10 m-mv) en 803-2 (19-20 m-mv) zijn de concentraties aan met name Cis gestegen in de periode 2008 tot 2013. In de periode 2013 tot 2016 zijn de concentraties afgenomen maar nog boven de interventiewaarden. Stroomafwaarts hiervan (in de richting van het Valleikanaal) zijn in het grondwater van peilbuis 702-1 (9-10 m-mv) de concentraties gedaald vanaf 2007 tot heden (beneden 5 µg/l). In de diepere filters van peilbuis 702 (30-31 m-mv) zijn evenmin concentraties aangetoond boven de interventiewaarden. Het lijkt erop dat de sterke verontreiniging met VOCl, die ter plaatse van peilbuis 803 is

2

Onderzoek humane risico’s VOCl-verontreiniging ondiep grondwater ‘t Hoorntje West te Veenendaal, rapport R0011227856TFP-nij-V01-NL, 23 oktober 2015, Tauw 3 Verkennend bodemonderzoek Panhuis 85 tot en met 103 te Veenendaal (‘Ontwikkelingslocatie ‘Het Pannenhuys’)’ opgesteld door Verhoeven Milieutechniek BV, referentie: B11.4767, 21 december 2011; 4 Grondwaterverontreiniging Panhuis 85 te Veenendaal in relatie tot aanpak Ardagh-pluim, opgesteld door Tauw, kenmerk N0021212607TFP-V01, 2 februari 2013

6

Z-BDM_HZ-CONV-02266-31-610261

aangetroffen, zich niet in de richting van het Valleikanaal verspreidt, maar dat biologische afbraak en/of verdunning plaatsvindt. Peilbuis 301-2 (9-10 m-mv) is niet meer aangetroffen in 2016. Wel kan op basis van de monitoring vanaf november 2005 tot november 2015 worden geconcludeerd dat de concentraties zijn gedaald. Invloed onttrekkingen/werkzaamheden derden binnen I-contour Op verschillende plaatsen is binnen de interventiewaardecontour grondwater onttrokken tijdens de monitoringsperiode van Fase 3. Hieronder zijn alleen de grondwateronttrekkingen genoemd die een (mogelijk) effect hebben gehad op de stabiliteit van de verontreiniging:

Hoek Zandstraat/Weverij: Van oktober 2006 tot november 2008 is grondwater onttrokken aan de oostzijde van de verontreiniging. Dit heeft geleid tot een lichte verschuiving van de grondwaterverontreiniging afkomstig van de locatie Rozenstraat 19 in oostelijke richting. Hiervan is aangetoond dat er sprake is van een stabiele situatie door de monitoring van het grondwater van onder meer peilbuis 901 (is beschreven in deze beschikking);

Panhuis 4: UT0345/00286 In het voorjaar van 2014 is eveneens aan de oostzijde van de verontreiniging grondwater onttrokken tijdens de bouwwerkzaamheden. Ondanks dat een deelsaneringsplan is opgesteld om beïnvloeding van de VOClverontreiniging te voorkomen, is geen schermbemaling aangelegd. Vermoedelijk hebben de bemalingswerkzaamheden invloed gehad op de toename van de concentraties aan VOCl in het grondwater van peilbuis 707-1 (4-5 m-mv). Ten opzichte van de resultaten van 2012 en 2013 zijn de concentraties in 2014 toegenomen van beneden de interventiewaarde naar concentraties boven de interventiewaarde. Na een daling in juli 2016 is in september 2016 een stijging te zien maar vergelijkbaar met de beginperiode van de monitoring in 2005/2007. Ondanks de fluctuatie in concentraties aan VOCl is aangetoond dat er geen sprake is van significante verspreiding in oostelijke richting (zie onder punt 1).

Rioleringswerkzaamheden ’t Hoorntje West (Goudsbloemstraat e.o): UT034500313 Op 26 mei 2014 (briefnummer 80F6DAAO) hebben wij ingestemd met het deelsaneringsplan5. In de periode september 2014 tot mei 2015 zijn de werkzaamheden uitgevoerd. Uit voorzorg is tijdens de rioolwerkzaamheden in de bronzone van de VOCl-verontreiniging een onttrekkingssysteem aangelegd om een eventuele aanvullende grondwatersanering mogelijk te maken. Op 3 november 2016 hebben wij ingestemd met het evaluatieverslag6. Uit luchtmetingen ten tijde van de bemaling bleek, dat ten gevolge van de werkzaamheden geen humane risico’s zijn opgetreden. In het grondwater van de meeste monitoringsfilters binnen en buiten de interventiewaardecontour zijn zes maanden na het beëindigen van de grondwateronttrekking geen concentraties boven de actiewaarden aangetoond. Op basis van de beschikbare informatie over het debiet en de concentratie in influent van de zuivering heeft Tauw berekend dat er tijdens de onttrekking circa 56 kg aan chloorethenen is onttrokken en met name Per. Bodemonderzoeken productiehal Om meer inzicht te verkrijgen in de verontreinigingssituatie onder de productiehal, zoals de aanwezigheid van puur product vanwege nalevering van de verontreiniging en eventuele uitdampingsrisico’s, is een bodemonderzoek uitgevoerd naar de verontreiniging in de bodemlucht en het ondiepe grondwater 7.

Samengevat blijkt uit dit onderzoek dat met name ter hoogte van productielijn 11 en ten zuiden daarvan, Per, Cis en VC in het 5

Deelsaneringsplan 't Hoorntje-West Gebied, opgesteld door Aveco de Bondt, referentie: R-DVI/2, 12 maart 2014 Evaluatie deelsanering Hoorntje West te Veenendaal, projectnummer P14M0094,opgesteld door Vink 6 juli 2016 7 Grond- en grondwateronderzoek productiehal Ardagh Veenendaal, R001-1221847MLX-hgm-V02-NL, 30 november 2016, Tauw 6

7

Z-BDM_HZ-CONV-02266-31-610261

grondwater aanwezig zijn in concentraties hoger dan tien keer de interventiewaarde. De maximaal aangetroffen concentraties aan Cis en VC liggen rond 10.000 µg/l en de maximale concentratie aan Per bedraagt 2.700 µg/l. Verder zijn op verschillende plaatsen onder de hal in grond en grondwater verontreinigingen in concentraties boven de interventiewaarden aangetroffen. Naar schatting is over een oppervlakte van 4.000 tot 5.000 m3 grondwater boven de interventiewaarde verontreinigd met VOCl tot een (geschatte) diepte van circa 6 m –mv (scheidende laag). Omdat in het grondwater onder de productiehal hoge concentraties aan VOCl aanwezig zijn, is in de productiehal op vijf plekken luchtmonsters genomen8. Deze plekken zijn geselecteerd op basis van verhoogde concentraties VOCl in het grondwater ter hoogte van de productielijnen 4, 5, 11 en de werkplaats aan de zuidzijde. Uit de resultaten blijkt dat geen van de geanalyseerde paramaters aan VOCl (Per, Tri, Cis en vinylchloride) zijn gemeten in concentraties boven de detectiegrenzen. Alleen ter plaatse van de werkplaats is geringe een overschrijding van de detectiegrens voor Per aangetroffen. Deze concentratie van 3,1 µg/m3 ligt ruim onder de TCL-limiet van 250 µg/m3 voor Per.

Op basis van de analyseresultaten van de binnenluchtmonsters worden geen humane risico’s verwacht als gevolg van uitdamping van chloorethenen vanuit het grondwater naar de binnenlucht in de productiehal. Instroom vracht in Valleikanaal Om te berekenen wat de vracht aan VOCl is die het Valleikanaal bereikt, wordt met de concentraties gerekend ter plaatse van peilbuizen 714/71400 (bovenste filters) en 715 (4-5 m-mv en 9-10 m-mv). Met deze gegevens wordt getoetst aan de MTR-waarde voor VOX (vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen) in oppervlaktewater. Hieruit blijkt dat de totale hoeveelheid aan Cis en VC die in 2016 (op basis van het gemiddelde van juli en september) het Valleikanaal heeft bereikt respectievelijk 113 en 288 gram per jaar bedraagt. In totaal is een concentratie van 0,013 µg/l VOCl-totaal in het Valleikanaal gestroomd. Deze concentratie ligt ver onder de MTR-waarde voor oppervlaktewater van 5 µg/l. Eindoordeel evaluatieverslag en (monitorings)onderzoeken Uit de monitoringsresultaten van de periode 2012 tot 2016 en daarmee vergeleken de resultaten van voorgaande jaren, blijkt dat er sprake is van een stabiele situatie. Er zijn geen aanwijzingen dat er sprake is van puur product onder de productiehal, gezien de concentraties die stroomafwaarts zijn gemeten.

Door de verschillende (monitorings)onderzoeken die in de loop der jaren (en recent) zijn uitgevoerd, is naar onze mening in voldoende mate onderbouwd dat er geen sprake is van verspreidingsrisico’s en humane risico’s als gevolg van de verontreinigingen die zijn ontstaan ter plaatse van de bedrijfslocatie Rozenstraat 19. Mogelijk kan de grondwaterverontreiniging op termijn krimpen door biologische afbraak, verdunning en afstroming in het oppervlaktewater (drainerende werking Valleikanaal). Wel wijzen wij er op dat indien de activiteiten van Ardagh worden verplaatst, en de functie dan wel het gebruik van de locatie worden gewijzigd, de feiten en omstandigheden kunnen leiden tot een herbeoordeling van de humane (en eventueel verspreidings-) risico’s. Daarvan is vooralsnog geen sprake. Gebruiksbeperkingen en nazorgbepalingen Uit het evaluatieverslag blijkt dat op verschillende plaatsen onder de productiehal, sterk verontreinigde grond is achtergebleven tot in de bovenste 1,3 meter van de bodem (onverzadigde zone). In het grondwater is op de diepte van 2 tot 20 m-mv een sterke verontreiniging met VOCL achtergebleven over een oppervlakte van circa 120.000 m2. Op de diepte van 11 tot 20 m-mv bedraagt het oppervlakte circa 6.000 m2.

8

8

Indoor air measurement production hall Ardagh Veenendaal, rapport R001-1240637JFK-vvv-V01-NL, 16 augustus 2016, Tauw

Z-BDM_HZ-CONV-02266-31-610261

De restverontreinigingen in grond en grondwater hebben tot gevolg dat nazorgbepalingen en gebruiksbeperkingen worden opgelegd. Op grond van artikel 39c, eerste lid onder f, van de Wet bodembescherming geeft het evaluatieverslag dan ook aan dat er nazorgbepalingen en gebruiksbeperkingen nodig zijn in het belang van de bescherming van de bodem. Deze gebruiksbeperkingen zijn in het evaluatierapport beschreven. Op grond van artikel 39c, lid 2 van de Wet bodembescherming leggen wij de nazorgmaatregelen (en gebruiksbeperkingen) die hieronder tezamen met de gebruiksbeperkingen zijn beschreven. De nazorgbepalingen en gebruiksbeperkingen die de gebruiker onder meer in acht moet nemen zijn: - Het in stand houden, en waar nodig repareren van de betonvloer ter plaatse van de productiehal; - Een verbod op het oppompen van grondwater: het grondwater mag niet gebruikt worden als irrigatiewater, drinkwater of proceswater; - In geval van (her)ontwikkeling, aanleg infiltratieriolering, warmte-koude opslag of bouwplannen door derden die van invloed kunnen zijn op de stabiliteit van de restverontreiniging, dient een melding te worden gedaan bij het bevoegd gezag. Indien het bedrijf zich verplaatst, of indien sprake is van herontwikkeling, dienen de risico’s van de verontreiniging opnieuw te worden bepaald.

Op grond van de Wet bodembescherming blijft de geadresseerde van de beschikking op het saneringsplan verantwoordelijk voor de nazorg, ook als het terrein aan een derde wordt overgedragen, tenzij Gedeputeerde Staten instemmen met wijziging van de tenaamstelling. Kadastrale tekening en gebruiksbeperkingen De locatie waar de verontreinigingen in het grondwater zijn achtergebleven, is aangegeven op onderstaande kadastrale kaart.

Locatie restverontreiniging grond en grondwater

9

Z-BDM_HZ-CONV-02266-31-610261

Wij sturen het kadaster een afschrift van deze beschikking met bijbehorende kaart, aangezien ons besluit gevolgen heeft voor de publiekrechtelijke beperking vanwege de gebruiksbeperkingen in verband met de achtergebleven grondwaterverontreiniging. Daarnaast blijft de kadastrale aantekening, zoals vastgelegd in HYP4 56651/176 d.d. 15 mei 2009, van kracht omdat sterk verontreinigde grond is achtergebleven en er een nazorgverplichting geldt. Beroep Belanghebbenden kunnen binnen zes weken na de bekendmaking tegen dit besluit beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20900, 2500 EA, Den Haag. Daarvoor is een griffierecht verschuldigd (zie www.rechtspraak.nl voor de hoogte van het griffierecht). Indien beroep is ingesteld, kan ook om een verzoek om een voorlopige voorziening worden gevraagd als er tijdelijke maatregelen nodig zijn waarmee niet tot de uitspraak op het beroepschrift kan worden gewacht. Het verzoek moet worden gedaan bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Daarbij is hetzelfde griffierecht opnieuw verschuldigd. Tot slot RUD Utrecht neemt namens Gedeputeerde Staten deze beslissing op grond van de door de indiener aangeboden gegevens. Als blijkt dat de overgelegde gegevens onjuist en/of onvolledig zijn, is de provincie Utrecht niet aansprakelijk voor schade die als gevolg daarvan ontstaat.

Meer informatie U kunt, onder vermelding van de code UT034500023, meer informatie vragen bij de projectleider van de RUD Utrecht, team Bodem, Water en Natuur, mevrouw W.A.B. van Dijk, bereikbaar via het telefoonnummer of het emailadres dat in de kop van deze brief op bladzijde 1 is vermeld. Met vriendelijke groet, Gedeputeerde Staten van Utrecht, namens hen,

De heer ing. A.H.A. van den Broek teamleider Handhaving Bodem, Water en Natuur RUD Utrecht Verzendlijst Een kopie van dit document wordt verzonden aan: - Patrimonium woonstichting, Postbus 91, 3900AB Veenendaal; - Gemeente Veenendaal, Afd. Wonen en Leven, team Leefbaarheid en Veiligheid , t.a.v. mevrouw I.M. Guiking-Lens, Postbus 1100, 3900BC Veenendaal; inez.guiking@veenendaal.nl - Tauw B.V.t.a.v. de heer T. Praamstra, Postbus 133, 7400AC Deventer; - Joulz B.V., Postbus 8365, 3503RJ Utrecht; - Vitens Midden Nederland, T.a.v. de heer R. Breedveld, Postbus 1205, 8001BE Zwolle; - N.V. Stedin Netten Utrecht t.a.v. Joulz Service Provider, Postbus 2400, 3000CK Rotterdam.

10

Z-BDM_HZ-CONV-02266-31-610261

Bijlage 1: Beantwoording zienswijze gemeente Veenendaal door RUD Utrecht De zienswijze van de gemeente Veenendaal heeft betrekking op de procedure en de communicatie van het besluit naar belanghebbenden. Daarnaast heeft de gemeente haar zienswijze gericht op de inhoudelijke aspecten van het besluit. Hieronder gaan wij in op de zaken genoemd in de zienswijze. Zienswijze gemeente met betrekking tot de procedure en communicatie: 1.

Waarom is er niet voor gekozen om door middel van het organiseren van een bewonersavond de belanghebbenden in te lichten?

Antwoord RUD Utrecht In deze zaak achten wij het niet noodzakelijk om intensief te communiceren. Er zijn geen vragen gesteld door de bewoners waar de binnenluchtmetingen zijn uitgevoerd nadat zij de resultaten van het onderzoek hebben toegestuurd gekregen in oktober 2015. Over deze sanering is verder uitgebreid gecommuniceerd in het traject door onder meer het gericht sturen van brieven naar circa 150 adressen. Daarop heeft de saneerder evenmin respons ontvangen. Er is dan ook geen sprake van onrust, die zou moeten leiden tot extra communicatie om onrust van de bewoners weg te nemen. Als de gemeente Veenendaal behoefte heeft aan een intensief communicatietraject rondom de beschikking op de evaluatie van de sanering, dan is het aan de gemeente zelf om dit te initiëren en organiseren. Wij zullen op uitnodiging de benodigde informatie verstrekken en/of aanwezig zijn bij door u georganiseerde communicatietrajecten. Wij zullen hiertoe niet het initiatief nemen. 2.

Betrokkenheid in totstandkoming van de ontwerpbeschikking

Antwoord RUD Utrecht Wij hebben de gemeente bij het gehele proces betrokken. Het nemen van de beschikking betreffende het eindresultaat van de sanering op grond van de Wet bodembescherming is een exclusieve taak van het bevoegd gezag. Zienswijze met betrekking tot de inhoud van de ontwerpbeschikking en saneringsevaluatie. De gemeente geeft in haar zienswijze het volgende aan in de paragraaf ‘conclusies’: “deze bodemverontreiniging kan alleen maar als 'stabiel en stationair' worden beschouwd dankzij de drainerende werking van het Valleikanaal, en onder voorwaarde dat niemand in de wijde omgeving grondwater onttrekt”. Daarvoor wenst de gemeente dat de volgende zaken in de beschikking worden opgenomen (punten 3, 4 en 5): 3.

Een substantiële vrachtverwijdering op korte termijn ter plaatse van de 'potentieel secundaire bron in de Dahliastraat ter hoogte van de Goudsbloemstraat; Zolang niet alle verontreinigingsbronnen gesaneerd zijn, kan er naar onze mening geen sprake van zijn dat de monitoring van de verspreiding van Per en Tri en de verschillende afbraakproducten in diep en ondiep grondwater wordt stopgezet.

Antwoord RUD Utrecht Uit diverse binnenluchtmetingen in de woningen die zich in de nabijheid van deze hoge concentraties bevinden (Goudsbloemstraat, Panhuis), en de productiehal, blijkt dat er geen sprake is van humane risico’s. Op basis van de monitoringsgegevens vanaf 2004 tot heden blijkt dat er geen sprake is van onbeheersbare verspreidingsrisico’s (er is reeds sprake van een trendombuiging) en er geen sprake is van een bedreiging van een kwetsbaar object (zoals drinkwaterwinning). Dat deze situatie wordt ‘gefaciliteerd’/in stand wordt gehouden door de werking van het Valleikanaal is correct, maar doet niets aan de situatie af. Het Valleikanaal is een constante factor in de gemeentelijke (regionale) waterhuishouding waardoor wij van mening zijn dat wij ons besluit van het ontbreken van onbeheersbare verspreidingsrisico’s, hierop kunnen baseren.

11

Z-BDM_HZ-CONV-02266-31-610261

Op basis van deze gegevens hebben wij besloten dat er sprake is van een stabiele eindsituatie met grote restverontreiniging) en de monitoringsverplichting door Ardagh kan worden beëindigd. Wij zullen Ardagh dan ook niet verplichten om de monitoringsverplichting in het kader van actieve nazorg (inclusief ‘actievoorwaarden’) voort te zetten dan wel te verplichten om de potentiele secundaire bron, mogelijk ontstaan als gevolg van een lekkage in de gemeentelijke riolering, ter plaatse van Dahliastraat 204 te saneren. 4.

Een nazorgplan met voortzetting van de grondwatermonitoring actievoorwaarden die tot doel hebben de bodem- en grondwaterkwaliteit daadwerkelijk te verbeteren;

Antwoord RUD Utrecht Zie onze beantwoording onder punt 3. 5.

Het opstellen en uitvoeren van een communicatieplan voor andere belanghebbenden en omwonenden.

Antwoord RUD Utrecht Zie onze beantwoording onder punt 1. Overige opmerkingen van de gemeente in de zienswijze. Naast bovengenoemde punten willen wij (RUD Utrecht) ingaan op een aantal opmerkingen (beweringen) van de gemeente in haar zienswijze. Hiermee willen wij onze motivatie om te komen het besluit ‘stabiele eindsituatie’ extra verduidelijken. Normaal gebruik van de bodem: De gemeente schrijft in haar zienswijze hierover het volgende: ”..een ‘normaal gebruik' van de bodem impliceert

naar onze mening trouwens dat ontwikkelingen kunnen plaatsvinden. Wij vinden het onacceptabel dat de nu geconstateerde 'stationaire stabiele situatie' veel ontwikkelingen tot in lengte van dagen in de weg staat of op zijn minst leidt tot sterk kostenverhogende maatregelen. Een groot gebied ten zuiden tot westen van Rozenstraat 19 wordt met de nu voorliggende ontwerpbeschikking 'op slot' gezet”. Antwoord RUD Utrecht: Daar zijn wij het niet mee eens. Ten eerste, normaal gebruik van de bodem houdt in dat men een stuk grond functioneel mag gebruiken ‘daar waarvoor het bedoeld is’. Dus in geval van bijvoorbeeld een woning houdt dat in dat men daar zonder risico’s kan wonen. Uit de risicobeoordeling (en binnenluchtmeting) blijkt dat in de woningen geen sprake is van humane risico’s ondanks dat in het grondwater ter plaatse hoge concentraties zijn. Dit geldt dan zeker voor de locaties waar lagere concentraties zijn gemeten. Dus ‘normaal gebruik van de bodem’ is in de omgeving van de Rozenstraat mogelijk. Opmerkingen over conceptueel model

“…in de loop der jaren is duidelijk geworden dat in het saneringsplan en de beschikking op het saneringsplan is uitgegaan van een onvolledig en inmiddels achterhaald conceptueel model van de bodem- en grondwaterverontreiniging. De verspreiding van de verontreiniging (in horizontale en verticale richting) en het afbraakgedrag van VOCl's binnen de pluim waren onvoldoende in beeld gebracht en/of blijken in de loop der jaren te zijn gewijzigd. Dit werd ons de laatste jaren vooral duidelijk toen onverwacht op diverse plaatsen in het pluimgebied vinylchloride in hoge concentraties werd gemeten in ondiep freatisch grondwater.

12

Z-BDM_HZ-CONV-02266-31-610261

Antwoord RUD Utrecht: Onder andere naar aanleiding van het aantreffen van verhoogde concentraties aan VOCl in het ondiepe grondwater zijn aanvullende bodem- en binnenluchtmetingonderzoeken uitgevoerd. Uit deze onderzoeken die zijn uitgevoerd in woningen ter plaatse van Goudsbloemstraat, Dahliastraat, Panhuis en Gladiolenstraat blijkt dat er geen sprake is van actuele humane risico’s als gevolg van uitdamping. Evenmin is sprake van humane risico’s ter plaatse van de productiehal, waar zich nog hoge concentraties bevinden direct onder het pand. Uit het model werd eerder berekend dat er geen sprake is van directe blootstellingsrisico’s van de verontreiniging. Dat wordt door de uitgevoerde binnenluchtmetingen bevestigd. Verder zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd om het conceptueel model te ijken. Hieruit blijkt ook dat het Valleikanaal een drainerende werking heeft op de grondwaterverontreiniging. Voor een compleet overzicht van de uitgevoerde onderzoeken verwijzen wij naar onze beschikking en het evaluatieverslag. Deze resultaten bevestigen het conceptueel het model namelijk dat er geen sprake is van humane-, ecologische- dan wel verspreidingsrisico’s.

13

Z-BDM_HZ-CONV-02266-31-610261

KLIMAATPARAGRAAF Trivium-locatie te Veenendaal Gemeente Veenendaal

KLIMAATPARAGRAAF TRIVIUM-LOCATIE TE VEENENDAAL

Gemeente Veenendaal

Project Veenendaal, Klimaatparagraaf Trivium-locatie

Projectnummer P22-0932

Datum

Opgesteld door

1 november 2022

Christian Kalisvaart

INLEIDING 1.1. Aanleiding In de gemeente Veenendaal is binnen de woonwijk Noordwest en buurt ’t Hoorntje de voormalige Trivium-locatie gelegen, ook wel bekend als Boxal Netherlands. Op deze locatie is momenteel een fabriek gesitueerd waar voornamelijk spuitbussen worden geproduceerd. Gemeente Veenendaal is voornemens deze locatie te benutten voor een inbreidingslocatie. Hierbij wordt de huidige fabriek geamoveerd om plaats te maken voor woningen. Voor de bestemmingsplanprocedure heeft gemeente Veenendaal BOOT verzocht een klimaattoets uit te voeren en te beschrijven in een klimaatparagraaf. Het plangebied wordt omsloten door de Dahliastraat, Zonnebloemstraat, Rozenstraat, Davidsstraat en Narcisstraat. In de bestaande situatie is het terrein nagenoeg volledig verhard. Aan de noordzijde is een groenstrook gelegen met daarnaast een buurthuis. Het plangebied heeft een oppervlak van ca. 1,9 ha. Het plangebied is weergeven in figuur 1-1.

1.2. Doel

Figuur 1-1: Situering plangebied (bron: Streetsmart)

Deze klimaatparagraaf is opgesteld om de belangen van het klimaat in de planvorming te borgen en invulling te geven aan een klimaatrobuuste ontwikkeling.

Veenendaal, Klimaatparagraaf Trivium-locatie – Gemeente Veenendaal

3

BESCHRIJVING PLANGEBIED TYPE OPPERVLAK

2.1. Inrichting

% AFVLOEIEND

In de huidige situatie is het plangebied nagenoeg volledig verhard en is het in gebruik als bedrijventerrein en buurthuis.

Subtotaal Totaal

AFVLOEIEND OPPERVLAK [M²]

ONVERHARD OPPERVLAK [M²]

12.930

6.570 19.500

De gemeente is voornemens ter plaatse van het plangebied een woonwijk te realiseren met bijbehorende infrastructuur. In totaal 38 appartementen en 70 woningen zijn voorzien. Langs de bestaande rijbanen aan de rand van het plangebied worden parkeerplaatsen en trottoirs aangelegd. In het midden van de nieuwbouwwijk is een speel- en beweeghof voorzien, aan de noordzijde wordt een grotere groenzone gehandhaafd en uitgebreid. Het buurthuis wordt (vooralsnog) gehandhaafd. In figuur 2-1 staat de toekomstige situatie weergegeven. Met de nieuwe inrichting van het plangebied neemt het verhard oppervlak af. Dit is weergegeven in tabel 2-1 en tabel 2-2. Hiervoor geldt als uitgangspunt dat groenparkeren voor 50% tot afstroming komt. Door de ontwikkeling neemt het verhard oppervlak af met ruim 5.500 m². Tabel 2-1: Overzicht oppervlakken huidige situatie TYPE OPPERVLAK

% AFVLOEIEND

Groen Pand Parkeren Terreinverharding Subtotaal Totaal

0 100 100 100

AFVLOEIEND OPPERVLAK [M²]

ONVERHARD OPPERVLAK [M²]

10.940 60 7.460 18.460

1.030 1.030 19.490

OPPERVLAK [%] 5 56 1 38 100

Tabel 2-2: Overzicht oppervlakken toekomstige situatie TYPE OPPERVLAK Groen Groenparkeren Kavel Pand Parkeren Rijbaan Voetpad

AFVLOEIEND

%

AFVLOEIEND OPPERVLAK [M²]

ONVERHARD OPPERVLAK [M²]

0 50 50 100 100 100 100

815 2.565 4.830 230 1.310 3.810

3.190 815 2.565 -

OPPERVLAK [%] 16 8 26 25 1 7 16

Figuur 2-1: Overzicht oppervlakken toekomstige situatie

OPPERVLAK [%] 100

2.2. Bestaande (geo-)hydrologische gesteldheid

2)

Om de (geo-)hydrologische gesteldheid van het plangebied in beeld te krijgen, zijn de volgende gegevensbronnen geraadpleegd:

 Maaiveldhoogtes op basis van het AHN3;  Landelijk Hydrologisch Model;  Eindsituatie bodemonderzoek Rozenstraat 19 te Veenendaal, uitgevoerd op 11 mei 2022 door TAUW;  Uitsnede legger Waterschap Vallei en Veluwe, d.d. 19 oktober 2022; Op basis van deze gegevens kunnen de volgende conclusies worden getrokken:

 Het maaiveld verloopt globaal van NAP +8,75 m ten noorden van het plangebied naar NAP +6,55 m ten zuiden van het plangebied. Het terrein van Trivium zelf ligt op ongeveer NAP +7,30 m. Een overzicht van de maaiveldhoogtes op basis van het AHN3 is weergegeven in figuur 2-2;  Op basis van het bodemonderzoek met boringen tot circa 3,0 m-mv. komt naar voren dat de ondergrond overwegend bestaat uit matig grof zand tot 1,5 m-mv. Op een enkele plek is in de bovenlaag (tot 0,5 m-mv) fijn zand of leem aangetroffen. Dieper dan 1,5 m-mv is fijn zand, matig grof zand en klei aanwezig.  Binnen het plangebied zijn geen peilbuizen aanwezig. Op ca. 180 meter ten oosten en 230 m ten westen van het plangebied zijn wel peilbuizen gesitueerd. De gegevens van deze peilbuizen staan in onderstaand tabel samengevat:

RHG: representatief hoogste grondwaterstand, RLG: representatief laagste grondwaterstand.

De RHG (representatief hoogste grondwaterstand) is gelijk aan het 90e percentiel van de gemeten grondwaterstanden; 10 % van de meetperiode wordt een hogere grondwaterstand gemeten. De RLG (representatief laagste grondwaterstand) is gelijk aan het 10e percentiel van de gemeten grondwaterstand; 10 % van de meetperiode wordt een lagere grondwaterstand gemeten. In het bodemonderzoek wordt in de boorprofielen toenmalig een grondwaterstand waargenomen tussen de 1,5 en 2 m-mv. Op basis van een combinatie van alles gegevens is voor het plangebied de representatief hoogste grondwaterstand (RHG) ingeschat op ca. NAP +5.55 m. Dit komt tevens overeen met de gegevens uit het Landelijk Hydrologisch model (LHM4.1) waarin de GHG op 2 m-mv wordt geschat.

8,75

7,30 7,40

Tabel 2-3: Statistische eigenschappen peilbuis (bron: Grondwatertools, 2022) PEILBUIS

MEETPE

8,70

8,90

7,70

STATISTISCHE EIGENSCHAPPEN 2

MV

FILTER [m NAP]

MIN [m NAP]

RLG [m NAP]

GEM [m NAP]

RHG [m NAP]

MAX [m NAP]

6,70

[m NAP]

+7.55

+4.61

+4.97

+5.19

+5.39

+5.55

+5.81

6,55

7,20

RIODE 1

B39E2795

20122020

7,30

t/m +3.61

B39E2821

20122020

+6.31

+4.34

+5.05

+5.17

+5.28

+5.43

+5.68

6,60

t/m +3.34

1)

Meetperiode gebruikt voor de statistische eigenschappen.

Veenendaal, Klimaatparagraaf Trivium-locatie – Gemeente Veenendaal

Figuur 2-2: Overzicht maaiveldhoogtes ter hoogte van plangebied (bron: AHN3)

5

 Op basis van de bodemopbouw en de grondwaterstand wordt verwacht dat infiltreren in de circa bovenste meter van de bodem in theorie kansrijk is. Echter blijkt uit het bodemonderzoek dat de locatie veel bodemvervuiling kent en deels gesaneerd gaat worden. Mogelijk dat in de toekomstige leeflaag geïnfiltreerd kan worden, maar vanwege de resterende vervuiling is de vraag of grootschalig infiltreren wenselijk is;  In of in de nabije omgeving van het plangebied zijn op basis van de Legger gegevens van het waterschap Vallei en Veluwe geen watergangen aanwezig. Op 380 m ten zuidwesten van het plangebied ligt het Valleikanaal, een kanaal in beheer en onderhoud bij het waterschap. Een uitsnede van de legger is weergegeven in figuur 2-3.  Aan de noord-, zuid- en westzijde van het plangebied is een gescheiden riool aanwezig. In de Rozenstraat is een gemengd rioolstelsel aanwezig.

Figuur 2-3: Overzicht watergangen omgeving plangebied op basis van Legger waterschap Vallei en Veluwe

Veenendaal, Klimaatparagraaf Trivium-locatie – Gemeente Veenendaal

6

BELEID Het algemene waterbeleid dat op het plangebied van toepassing is, staat beschreven in het Waterbeleid in de 21e eeuw (WB21) van de Rijksoverheid, de omgevingsvisie van provincie Utrecht (d.d. 10 maart 2021) en het Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027 van het waterschap Vallei en Veluwe. De gemeente Veenendaal heeft de omgevingsvisie en omgevingsplan. Op Europees, nationaal en stroomgebiedsniveau wordt gewerkt aan de Kaderrichtlijn Water (KRW). De KRW streeft naar duurzame en robuuste watersystemen. Basisprincipes van het nationaal en Europees beleid zijn: meer ruimte voor water, voorkomen van afwenteling van de waterproblematiek in ruimte of tijd en stand-still (géén verdere achteruitgang in de huidige (2000) chemische en ecologische waterkwaliteit). Het bovenstaande resulteert in twee drietrapsstrategieën die zijn vastgelegd in de Nota Ruimte (2006):

 Waterkwantiteit (vasthouden, bergen, afvoeren)  Waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren) De trits voor waterkwantiteit betekent dat neerslag bij voorkeur wordt vastgehouden op de plaats waar het valt. Indien vasthouden niet mogelijk is, wordt neerslag geborgen in oppervlaktewater. De trits voor waterkwaliteit houdt in dat gestreefd moet worden naar het voorkomen van verontreinigingen. Indien schoonhouden niet mogelijk is, worden schone en vervuilende bronnen gescheiden. De Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie, onderdeel van het Deltaprogramma 2015, schrijft voor dat rijk, provincies, gemeenten en waterschappen het klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van de ruimtelijke omgeving moeten opnemen in het beleid. Doel van de Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie is het sturen van het veranderingsproces om het klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van Nederland een vanzelfsprekend onderdeel te maken van ruimtelijke (her)ontwikkeling. Hierbij wordt het uitgangspunt gehanteerd dat bij (her)ontwikkelingen geen extra risico op schade en slachtoffers mag ontstaan voor zover dat redelijkerwijs haalbaar is.

programmering en uitvoering van het waterbeheer. In het programma wordt water verbonden aan actuele thema’s zoals: klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie en biodiversiteit. Samen met partners zoals gemeenten, provincies, Vitens, terreinbeherende organisaties, gebiedspartners, inwoners en kennisinstituten gaan we aan de slag voor een duurzame en waterinclusieve leefomgeving. Dit vraagt om verbinding en nieuwe vormen van samenwerking. Daarnaast beschikt het waterschap over een verordening: ‘Keur waterschap Vallei en Veluwe 2013’. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. Vanuit het waterschap Vallei en Veluwe geldt dat toename van verhard oppervlak geen nadelig effect mag hebben op het ontvangende watersysteem, waarbij geen sprake is van een versnelde afvoer van hemelwater ten opzichte van een onverharde situatie. Als vuistregel wordt hiervoor aangehouden dat over de toename van verhard oppervlak 60 mm water geborgen en vertraagd afgevoerd dient te worden. De gemeente Veenendaal heeft een omgevingsvisie opgesteld met daarin een puntensysteem opgenomen waarbij een positief resultaat een belangrijke voorwaarde is voor het verlenen van de omgevingsvergunning. In de klimaattoets kan hierop voorgesorteerd worden.

Binnen het puntensysteem zijn zes thema’s gemaakt waarmee punten te behalen zijn. Per thema dient een minimum aantal punten behaald te worden, afhankelijk van de plangrootte. Deze ontwikkeling is een middelgrote ontwikkeling (vloeroppervlak tussen de 1.500 en 7.500 m²), wat betekend dat voor ieder thema minimaal 6 punten behaald dient te worden, met een minimum totaal van 40 punten. Vanuit de gemeente Veenendaal geldt in ieder geval een bergingseis van 25 mm op het eigen terrein. In het omgevingsvisie kunnen extra punten verdient worden door meer berging te realiseren: 4 punten per 10 mm met een maximum van 12. Bij middelgrote ontwikkelingen is op het onderdeel klimaatadaptatie minimaal 6 punten benodigd. Voor de overige maatregelen wordt verwezen naar het puntensysteem Omgevingsvisie van de gemeente.

Waterschap Vallei en Veluwe heeft in het Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027 de programma’s en beheerstaken van het waterschap opgenomen en de

Veenendaal, Klimaatparagraaf Trivium-locatie – Gemeente Veenendaal

7

KLIMAATTOETS Bergingsriool

Beplante greppel

4.1. Thema wateroverlast 4.1.1. Wateropgave Op basis van de eisen vanuit het waterschap Vallei en Veluwe is geen compensatie over het verhard oppervlak nodig. Het totaal verhard oppervlak binnen het plangebied neemt namelijk af met ruim 5.500 m², zie ook paragraaf 2.1. Vanuit de gemeente geldt een bergingseis van minimaal 25 mm op eigen terrein, de bergingsopgave is daarmee als volgt:

 12.930 m² * 25 mm = 323 m³ Om meer punten volgens het omgevingsplan te verdienen, kan per 10 mm extra berging 4 punten verdiend worden met een maximum van 12 punten, hiervoor dient per 4 punten extra gerealiseerd te worden:

 12.930 m² * 10 mm = 130 m³

4.1.2. Waterbergende voorzieningen voor 25 mm

Graswadi

Vanwege het hoogteverloop binnen het plangebied, is de brede groenstrook ten noorden van het plangebied niet beschikbaar om waterbergende voorzieningen te realiseren voor dit plangebied. De waterberging dient daarom in de openbare groenvakken binnen de wijk en particuliere tuinen gevonden te worden. Om minimaal 25 mm waterberging te realiseren, wordt geadviseerd een combinatie van drie maatregelen toe te passen:

 7 beplante greppels met een diepte van ca. 0,20 m in de groenvakken;  2 graswadi’s met een diepte van in de grote en brede groenvakken waar ook sport en spel is voorzien;

 3 waterbergende rioleringen met een diameter van 500 mm in de parkeerkoffers, welke middels een overstort en geknepen afvoer lozen op de omliggende HWA riolering. Tevens kunnen hierop de slokops worden aangesloten van de groenblauwe structuren. De geadviseerde maatregelen staan in geschetst in figuur 4-1.

Veenendaal, Klimaatparagraaf Trivium-locatie – Gemeente Veenendaal

Figuur 4-1: schetsontwerp 25 mm waterberging

De beplante greppels krijgen een diepte van gemiddeld 20 cm, hierin kan gevarieerd worden om bijvoorbeeld de bomen relatief drogere voeten te geven. De taluds kunnen met een talud van 1:1 uitgevoerd worden. In totaal hebben de beplante greppels een bovenoppervlak van 739 m² en een bodemoppervlak van 483 m². Bij

8

een gemiddelde diepte van 0,20 m kan hierin 122 m³ geborgen worden. De bodem van de voorzieningen dient verbeterd te worden zodat de toplaag een doorlatendheid krijgt van 0,5 m/dag. Om te voorkomen dat het schone regenwater wordt vervuild in de diepere lagen, wordt geadviseerd een waterdicht doek onder de voorzieningen aan te brengen, voorzien van een drain. Om te voorkomen dat al het regenwater wordt afgevoerd en de voorziening te droog wordt, wordt geadviseerd de drainage pas af te laten voeren op een niveau gelijk aan onderzijde grondverbetering zoals in figuur 4-2 weergegeven.

Tabel 4-1: Overzicht waterberging in groenblauwe structuren plangebied TYPE VOORZIENING

BOVENOPPERVLA K (M²) 739 477

Beplante greppels Graswadi’s Totaal

Toplaag

Waterbergende riolering Totaal voorzieningen

Instelhoogte drain

Drain Figuur 4-2: Principedoorsnede beplante greppel met drain

De graswadi’s zijn ontworpen met een diepte van 0,4 m en taluds van 1:3. Het bovenoppervlak is in totaal 477 m² en het bodemoppervlak 305 m². De berging is daarmee 156 m³. Het principe van de toplaag en drainage zijn hetzelfde als bij beplante greppels, ook hier wordt een doek toegepast. Omdat enerzijds de bergingen in de groenblauwe structuren onvoldoende is en anderzijds de parkeerkoffers sterk versteend zijn, is hier sowieso een HWA riolering benodigd. Door deze riolering groter uit te voeren en voorzien van een geknepen afvoer en overstort naar bestaande riolering, kan hier water geborgen worden. Daarnaast kunnen de slokops van de groenblauwe structuren afwateren op deze riolen. In totaal is 228 m bergingsriool ontworpen met een inwendige diameter van 500 mm, waardoor hierin 45 m³ geborgen kan worden. De geknepen afvoer wordt zodanig ontworpen dat de riolen in 24 uur leeglopen. Met de beplante greppels, graswadi’s en bergingsriool wordt binnen het plangebied voldoende waterberging gerealiseerd om 25 mm te bergen. Een overzicht hiervan is weergegeven in tabel 4.1. Met de voorgestelde voorzieningen is een overschot van circa 3,5 m³ aanwezig.

Veenendaal, Klimaatparagraaf Trivium-locatie – Gemeente Veenendaal

STATISCHE BERGING (M³) 122 156 278

Tabel 4-2: Overzicht waterberging in waterbergende riolen plangebied TYPE VOORZIENING

Beplante greppel

BODEMOPPERVLAK (M²) 483 305

LENGTE (M)

DIAMETER (MM)

STATISCHE BERGING [M³]

228

500

45

alle

323

4.1.3. Extra waterberging Om extra punten te behalen kan de hoeveelheid waterberging verhoogd worden per 10 mm. Zoals aangegeven in paragraaf 4.1.1 bedraagt deze extra berging 130 m³. Binnen het plangebied kan ingezet worden op de volgende voorzieningen om extra berging te creëren: Particuliere waterputten als waterberging Per woning kan een ondergrondse betonnen put worden toegepast waarin het dakwater in eerste instantie wordt geloosd. Binnen het plangebied zijn 70 grondgebonden woningen aanwezig, dat betekent dat per woning een put van ca. 1,85 m³ voldoende is om als extra waterberging te dienen. De putten kunnen aangesloten worden op de bergingsriool, zodat de putten via deze voorziening vertraagd leeglopen. Vanwege de vervuiling in de grond wordt niet geadviseerd deze putten middels infiltratie leeg te laten lopen. Daarnaast wordt geadviseerd de putten iets over te dimensioneren, bijvoorbeeld een halve meter dieper onder de uitgaande buis. Hiermee is een watervoorraad aanwezig om bijvoorbeeld de tuinen te kunnen besproeien middels een pompje. Particuliere waterputten als regenwatertank Regenwater kan goed hergebruikt worden via regenwatersystemen binnenshuis in bijvoorbeeld toiletten, wasmachine en douche.

Om in voldoende watervoorraad te voorzien, dienen de putten voldoende groot te zijn, afhankelijk van het aangesloten dakoppervlak, dit kan berekend worden via https://www.mijnwaterfabriek.nl/hoeveel-regenwater-kan-ik-opvangen? Volgens

9

deze calculator is per woning een watertank van 5 m³ benodigd. De hoeveelheid punten die hiervoor behaald kunnen worden staan gelijk aan 20 mm extra berging, oftewel 8 punten. Waterbergende fundering onder de rijbaan Onder de rijbaan in de parkeerkoffers kan een waterbergende fundering toegepast worden, al dan niet in combinatie met waterpasserende bestrating. De rijbanen hebben in totaal een oppervlak van 1.310 m². Bij een pakketdikte van 0,35 m en een porositeit van 30% wordt de berging: 1.310 m² * 0,35 m * 30% = 138 m³. Waterberging op daken Binnen het plangebied is 1.375 m² plat dak aanwezig, 830 m² van het appartementengebouw en de rest op de schuurtjes. Om hier 130 m³ te bergen, dient 95 mm berging over het dakoppervlak gerealiseerd te worden. De waterberging op daken kan als waterdak, maar ook als groendak uitgevoerd worden. Als er ook op de schuine daken waterberging gevonden wordt, dan volstaat 130 m³ / 10.940 m² = 12 mm berging.

4.1.4. Wijze van afwatering Binnen het plangebied wordt geadviseerd het hemelwater af te laten wateren naar de dichtstbijzijnde voorziening, uitgaande van de voorzieningen zoals beschreven in paragraaf 4.1.2. Dit betekent dat de rijbanen zoveel mogelijk oppervlakkig af zullen wateren naar de langs gelegen groenblauwe structuur. De parkeerkoffers wateren rechtstreeks af op de HWA riolering middels kolken. Geadviseerd wordt de HWA afkomstig van de daken oppervlakkig op de erfgrens aan te bieden binnen de plangrenzen. Dus de woningen die gericht zijn op de bestaande openbare ruimte wateren dan via de achtertuin af. Hiermee wordt het water zoveel mogelijk binnen het plangebied geborgen in plaats van rechtstreeks naar bestaand gebied afgevoerd. Om te zorgen dat het hemelwater gedurende extreme situaties niet tot overlast leidt, wordt geadviseerd een oppervlakkige noodoverloop te realiseren richting openbaar terrein. Om dit te kunnen realiseren is het noodzakelijk dat het wegpeilen van het plangebied hoger is dan het maaiveld van het aangrenzende openbaar terrein.

4.1.5. Overige randvoorwaarden Om vervuiling van het hemelwater te beperken, wordt geadviseerd het gebruik van uitlogende bouwmaterialen te voorkomen conform beleid gemeente en waterschap.

4.1.6. Vuilwater Het vuilwater dient onder vrijverval aangesloten te worden op de gemeentelijke riolering rondom het plangebied. Op basis van de hoogteligging van de bestaande riolering dient bepaald te worden of afwatering onder vrijverval mogelijk is. Binnen het plangebied worden 38 appartementen en 70 grondgebonden woningen gerealiseerd. Bij een gemiddelde bezetting van 2,5 personen per woning en een afvalwaterproductie van 12 liter/uur/persoon, wordt de verwachte afvalwaterproductie 108 * 2.5 * 12 = 3,24 m³/uur of 0,9 l/s.

4.1.7. Grondwater Uitgaande van het huidige maaiveldniveau wordt verwacht dat de nieuwbouwwijk wordt aangelegd op een aanlegniveau van NAP +7,20 m. Aandachtspunt hierbij is de aansluiting op de omgeving, welke wel een verloop kent van NAP +8,75 naar NAP +6,55 m. De RHG van het plangebied is in paragraaf 2.2 beschreven en wordt geschat op NAP +5,55. Dit betekent een ontwatering van 1,65 m, dit is ruim voldoende. Aandachtspunt hierbij is het gebied ten zuiden van het plangebied waar de ontwatering ongeveer 1 meter is. Dit is nog net aan voldoende.

4.1.8. Oppervlaktewater Het plan veroorzaakt geen nadelige oppervlaktewatersysteem in de omgeving.

gevolgen

voor

of

door

het

4.1.9. Waterveiligheid Het plan ligt niet binnen de kern- of beschermingszone van een waterkering of watergang.

Bij het bovengrondse ontwerp dient rekening gehouden te worden met de huidige maaiveldhoogte verschillen. De voorzieningen dienen lager te liggen dan de aanliggende verharding.

Veenendaal, Klimaatparagraaf Trivium-locatie – Gemeente Veenendaal

10

4.2. Thema droogte Vanwege de klimaatverandering neemt de kans op langere periodes van droogte toe, met name in de zomer. De gevolgen in een stedelijke omgeving zijn onder meer het uitdrogen van beplanting, zakken van de (grond)waterstand en toename van de bodemdaling in veengebieden. Om deze gevolgen te verminderen neemt de vraag naar water toe, bijvoorbeeld om te sproeien. Om de gevolgen van droogte te verminderen, zijn maatregelen gericht op het in het plangebied vasthouden en hergebruik van regenwater en beperken van vochtverlies. In dit plan zijn de volgende maatregelen toepasbaar:

4.2.1. Vasthouden en hergebruik regenwater Hergebruik water; In de woningen kan regenwater hergebruikt worden in toiletten, de wasmachine en douche. Daarnaast kan het gebruikt worden om de tuinen te besproeien, zie ook paragraaf 4.1.3. Retentiedaken; Het opvangen en bergen van hemelwater kan direct op de locatie waar het valt door middel van retentiedaken, zie ook paragraaf 4.1.3. Deze daken zijn opgebouwd uit een vegetatie- en substraatlaag welke door middel van een filtermat gescheiden wordt van een drainagelaag en afvoer. Hierdoor wordt water vastgehouden en vertraagd afgevoerd terwijl het de vegetatie van water voorziet. Infiltratiestroken (groenstroken) met bovengrondse opslag; Deze voorzieningen kunnen diep of minder diep uitgevoerd worden, in combinatie met het oppervlak van de groenvakken bepaald het de beschikbare waterberging, zie ook paragraaf 4.1.2. Naast de waterbergende werking van de groenvakken kan hemelwater in de ondergrond infiltreren en het grondwater aanvullen. De verdamping door planten, struiken en bomen heeft tevens een verkoelend effect.

Waterdoorlatende verhardingen bestaan uit poreus materiaal waar water doorheen kan zakken. Waterpasserende verhardingen worden gelegd met brede voegen die het water laten infiltreren.

4.2.2. Beperken vochtverlies Droogtebestendige beplanting; Door te kiezen voor een juiste balans van droogtebestendige beplanting op plekken waar beperkte hoeveelheden water beschikbaar is, zal deze begroeiing beter bestand zijn tijdens langdurige perioden van droogte. Deze beplanting zal minder snel haar bladeren verliezen, van meerwaarde blijven voor de lokale flora en fauna en schaduw creëren. Beperken vochtverliezen van de bodem; Als de bodem bedekt blijft door takken, mulch of bodembedekkers wordt uitdrogen van de bodem beperkt. Niet alleen wordt zo verdamping verminderd, door het voorkomen van uitdroging en door de doorworteling wordt de opnamecapaciteit van de bodem bij regen na droogte vergroot.

4.3. Thema hittestress en schaduw Door klimaatverandering wordt het vaker heet in de zomer. In steden is het vaak al warmer dan de landelijke omgeving vanwege onder andere de aanwezige verhardingen, ook wel het stedelijk hitte eiland effect genoemd. Dit heeft invloed op de gezondheid, buitenruimte, leefbaarheid, water en netwerken. Om de effecten van toegenomen hitte te verminderen, zijn maatregelen te nemen gericht op de ‘hittetrits’: blokkeren, ventileren en verkoelen. In het huidige ontwerp zijn reeds een aantal schaduwrijke plekken aanwezig, deze zijn aangegeven met zwarte vlakken in figuur 4-3. Binnen het plangebied zijn ook plekken met ruimte voor verbetering. Dit zijn met name de parkeerkoffers die sterk versteend zijn en nauwelijks schaduw bieden. Ook op de sport- en speelplek is weinig schaduw aanwezig, maar wel in de buurt. Deze locaties zijn de eerste zoekgebieden om de maatregelen toe te passen die in de volgende paragrafen worden behandeld.

Waterdoorlatende verhardingsmaterialen; Waterdoorlatende, waterpasserende en doorgroeibare verhardingsmaterialen en halfverhardingen hebben diverse voordelen: het regenwater kan in de bodem wegzakken, het grondwater aanvullen en het riool ontlasten.

Veenendaal, Klimaatparagraaf Trivium-locatie – Gemeente Veenendaal

11

Deze voorzieningen kunnen met name bij de parkeerkoffers en de sport- en speelplek toegepast worden.

Schaduw

Dubbele gevel / klimaatgevel; Een dubbele gevel fungeert als een soort spouw met een luchtlaag ertussen. Deze spouw kan aan de onder- en bovenzijde geopend of juist gesloten worden waarmee de luchtstroming gereguleerd kan worden. In de winter wordt de spouw gesloten en werkt dit isolerend. In de zomer worden de openingen geopend waardoor het ‘schoorsteen effect’ de warmte afvoert. Dit kan tevens in combinatie met zonwering. Bomen aanplanten; Stadsbomen vormen onder hun bladerdak ruimte, geven verkoeling, produceren zuurstof en bieden leefruimte aan veel vogels en verschillende soorten insecten. Bomen hebben maar één nadeel: ze groeien langzaam. Daarom is het ook van groot belang dat bestaande bomen behouden en beschermd worden.

4.3.2. Verkoelen Figuur 4-3: inschatting schaduwplekken in ontwerp bij middagzon op 21 juni.

Binnen het plangebied zijn vooral maatregelen gericht op blokkeren en verkoelen kansrijk:

4.3.1. Blokkeren Bouwkundige zonwering Grote raamoppervlakken leveren gedurende koudere periode welkome verwarming door binnenvallend licht als de zon schijnt. Dit kan in de zomer echter een negatief effect hebben om de binnentemperatuur door sterke opwarming. Door te kiezen voor kleinere raampartijen of pergola’s, lamellen en overstekken te installeren, kan schaduw en koelte in en rondom het gebouw gecreëerd worden. Schaduwvoorzieningen Op plekken waar langzaam verkeer verplaatst en de zon langdurig op verharding schijnt kunnen schaduwvoorziening aan een prettig milieu bijdragen. Deze schaduwvoorzieningen kunnen bestaan uit klimplanten over spandraden, schaduwdoeken of pergola’s.

Veenendaal, Klimaatparagraaf Trivium-locatie – Gemeente Veenendaal

Koele gevels met hoge albedo Lichte oppervlakken nemen de warmte van de zon minder op waardoor de oppervlakte niet als een soort van bakplaat opwarmt. Hierdoor blijven gevels, muren en ook de directe omgeving koeler en prettiger om te verblijven. Groene gevels Groene gevels zorgen ervoor dat gevels minder opwarmen en ook minder warmte verliezen. De planten zorgen tevens voor verdamping wat eveneens bijdraagt aan een koeler stadsklimaat. Daarnaast heeft het een geluiddempend effect en kunnen insecten zich hier vestigen. De groene gevels kunnen bestaan uit klimplanten, hangende planten of groene geveltuinen. Daktuinen en groene daken Daktuinen hebben een verkoelend effect op de onderliggende panden. Ze houden minder warmte op waardoor de omgeving minder snel opwarmt en de vegetatie zorgt voor verdamping voor verkoeling. In zomer en winter hebben deze systemen een isolerende werking.

12

Daktuinen (intensieve groendaken) hebben een dikkere opbouw waar extensieve groendaken een lichtere opbouw hebben van mos/sedumbegroeiing met evt. kruiden en grassen.

Koele verhardingsmaterialen Door de grote mate van verharding in de openbare ruimte heeft dit een groot aandeel in het stedelijke hitte-eiland effect.

Koele daken Nog steeds wordt in Nederland het traditionele zwarte dakleer toegepast. Dit warmt gedurende de zomer op tot hoge temperaturen.

Lichte, water- en luchtdoorlatende verharding warmt minder snel op en houdt minder warmte vast ten opzichte van traditionele materialen als beton of asfalt. Een nadeel is de grotere vatbaarheid voor vervuiling. Voorbeelden hiervan zijn verhardingen met een lichte kleur, bijvoorbeeld lichtgrijze klinkers. Daarnaast zijn halfopen verhardingsmaterialen zoals grind, schelpen en grasbetontegels een mogelijkheid.

Door daken te bedekken met lichte materialen warmt het oppervlak minder op, wat zorgt voor een koeler binnenklimaat, lagere omgevingstemperaturen en, indien van toepassing, hogere opbrengst van zonnepanelen, zie ook figuur 4-4.

4.4. Thema waterveiligheid Bij extremen neerslag, maar ook bij calamiteiten zoals dijkdoorbraken, bestaat het risico dat water in de panden treedt. Omdat vanwege de klimaatverandering de buien steeds intensiever worden en kans hierop toeneemt, neemt de kans op waterschade toe. Om de effecten hiervan te verminderen, zijn een aantal maatregelen te treffen aan de woningen en installaties. Verhoogd vloerpeil Door het toekomstige vloerpeil boven de omliggende weghoogten te leggen wordt voorkomen dat water naar binnen treedt en schade veroorzaakt. Waterbestendige installaties In het geval water op straat tot een dermate hoogte komt, kan water het pand binnentreden. Op het de begane grond kan dit leiden tot enkele centimeters waterdiepte. In eventuele kelders zal dit echter aanzienlijk dieper zijn. Schade kan beperkt worden door meterkasten, stroompunten of andere vitale installaties niet in de kelder te situeren maar deze verhoogd aan te leggen. Ook op de begane grond wordt geadviseerd de stroompunten verhoogd aan te leggen. In de openbare ruimte is het van belang dat de trafo voldoende hoog wordt aangelegd, zodat bij inundatie van het gebied, de trafo droog blijft. Afsluitbare gebouwen Door gebouwen afsluitbaar te maken met bijvoorbeeld schotten of luiken kan het water buiten het bouwvolume worden gehouden.

Figuur 4-4: praktijkvoorbeeld koele daken i.c.m. zonnepanelen

Veenendaal, Klimaatparagraaf Trivium-locatie – Gemeente Veenendaal

Dit is specifiek van toepassing ter plaatse van de voordeuren waar als eerste het water naar binnen kan treden.

13

4.5. Thema biodiversiteit Mensen wonen graag in een gezonde en groene omgeving en ook voor de natuur en biodiversiteit is een groene omgeving belangrijk. De klimaatverandering heeft ook als gevolg dat de biodiversiteit afneemt. Het stimuleren van biodiversiteit is niet alleen goed voor de natuur, het draagt ook bij aan de andere thema’s van klimaatadaptatie. Binnen het plangebied zijn de volgende maatregelen mogelijk om tot een groene en gezonde leefomgeving te komen: Faunavoorzieningen aan en om gebouwen Vogelpannen en nestkasten, vleermuis-voorzieningen, stapelmuren, insectenhotels, het opslaan van snoeiafval en composthopen voor egels bieden huisvesting aan diverse dieren. Door de aanplant van nectarproducerende en bes- en vruchtdragende planten worden insecten en vogels aangetrokken. Deze maatregel is een passende aanvulling op groene daken, daktuinen en/of groene gevels. Bomen aanplanten Stadsbomen vormen onder hun bladerdak ruimte, geven verkoeling, produceren zuurstof en bieden leefruimte aan veel vogels en verschillende soorten insecten. Bomen hebben maar één nadeel: ze groeien langzaam. Daarom is het ook van groot belang dat bestaande bomen behouden en beschermd worden. Daktuinen Intensieve groendaken kunnen potentie opleveren om gewassen te verbouwen waardoor de beschikbare ruimte zoveel als mogelijk benut wordt.

Naast voordelen voor de leefomgeving (hitte en waterberging) biedt het kansen voor recreatie en stadslandbouw. Groene gevels Groene gevels zorgen ervoor dat gevels minder opwarmen en ook minder warmte verliezen. De planten zorgen tevens voor verdamping wat eveneens bijdraagt aan een koeler stadsklimaat. Daarnaast heeft het een geluidsdempend effect en kunnen insecten zich hier vestigen. De groene gevels kunnen bestaan uit klimplanten, hangende planten of groene geveltuinen.

Veenendaal, Klimaatparagraaf Trivium-locatie – Gemeente Veenendaal

Extensief groene daken Extensieve groene daken zijn opgebouwd uit een dunne substraatlaag en een mos- of sedumbegroeiing, eventueel aangevuld met kruiden en grassen. Hiernaast is ook een aanplant van speciale grassen en kruiden mogelijk. Mos/sedumbeplanting is uitermate geschikt, omdat deze planten veel water kunnen opslaan en zo lange droogteperiodes kunnen doorstaan. Mos/sedumdaken hebben dan ook geen bewateringssysteem nodig Groene balkons Om de bewoners van appartementen ook eigen groen te geven, kunnen hier bestemde groeiplaatsen of bloembakken worden ingebouwd op de balkons. De beplanting zorgt ook voor verbetering van de biodiversiteit in het plan Wintergroene en bladhoudende bomen Planten die hun blad niet verliezen behouden ook in de winter het vermogen om bij te dragen aan de zuivering van lucht en het afschermen van gebieden. Ook soorten die het dode blad in de winter behouden hebben enig effect. Groenblijvende en bladhoudende planten kunnen het hele jaar door blijven bijdragen aan het vermengen van schonere lucht met verontreinigde lucht. Haagbiotopen/natuurlijke hagen Hagen hebben een belangrijke functie voor veel dieren. Het gunstigst is een haag opgebouwd uit verschillende soorten heesters en/of bomen en waarbij het de voorkeur deze in enige mate te laten verwilderen. Een dergelijke haag is te vergelijken met een bosrand.

Vrucht- en besdragende, en nectarproducerende soorten helpen insecten en vogels te overleven in de stedelijke omgeving. Groene tuinen Om te stimuleren en borgen dat bewoners groene tuinen aanleggen, kan in de koopovereenkomst een maximaal te verharden percentage opgenomen worden. In de tuinen kan een mix van minimaal 5 soorten vaste planten en/of siergrassen aangeplant worden die verspreid over het jaar bloeien en zo een thuis vormen voor vlinders en bijen. Kruidenrijk en bloemrijk gras inzaaien Omdat standaard gras weinig toevoegt aan de biodiversiteit van een gebied, kan dit verbeterd worden door aan het gras kruiden en bloemenmengsels toe te voegen. De kruiden en bloemen trekken insecten en dieren aan, wat de biodiversiteit weer ten goede komt.

14

4.6. Resumerend In voorgaande paragrafen zijn een aantal strategieën en maatregelen genoemd om het plangebied klimaatadaptiever te maken. Deze maatregelen zijn ook nodig om aan het benodigde aantal punten te komen in het puntensysteem van de gemeente Veenendaal. In tabel 4-3 staan deze maatregelen samengevat en voor welke thema’s in het puntensysteem punten opleveren. De thema’s zijn: 1. Gezonde en groene omgeving 2. Bewegen, ontmoeten, sporten en spelen (BOSS) 3. Energietransitie en duurzaam bouwen 4. Natuurinclusief bouwen 5. Klimaatadaptatie 6. Veiligheid en leefbaarheid

MAATREGELEN Koele verhardingsmaterialen Afsluitbare gebouwen Verhoogd vloerpeil Faunavoorzieningen aan en om gebouwen Groene gevels Groene balkons Wintergroene en bladhoudende soorten Haagbiotopen/natuurlijke hagen Groene tuinen Kruidenrijk en bloemrijk gras inzaaien

1

2

3

4

5

6

x x x x

x

x x

x x x

x

x

Tabel 4-3: Resumé klimaatadaptieve maatregelen en bijdrage thema’s puntensysteem MAATREGELEN Retentiedaken Bergingsriool Waterdaken Infiltratiestroken Daktuinen Extensief groendak Waterbestendige installaties Waterdoorlatende verharding Droogtebestendige beplanting Hergebruik water Beperken vochtverliezen bodem Bouwkundige zonwering Schaduwvoorzieningen Dubbele gevel / klimaatgevel Bomen aanplanten Koele gevels met hoog albedo Koele daken

1 x

2

3 x

4 x

x x x

x x

x x

5 x x x x x x

6

x

x

x

x x

x x

x x x

Veenendaal, Klimaatparagraaf Trivium-locatie – Gemeente Veenendaal

15

SAMENWERKEN AAN EEN TOEKOMSTBESTENDIGE LEEFOMGEVING

ARCHEOLOGISCH BUREAUONDERZOEK EN VERKENNEND BOORONDERZOEK ROZENSTRAAT 19 TE VEENENDAAL

Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Rozenstraat 19 te Veenendaal Opdrachtgever

Gemeente Veenendaal Postbus 1100 3900 BC Veenendaal

Rapportnummer

19207.002

Versienummer1

2

Datum

22 augustus 2022

Vestiging

Gelderland Fabriekstraat 19c 7005 AP Doetinchem 088 - 5001600 doetinchem@econsultancy.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13865725/1