3. Adviesrecht raad en participatieplicht onder de Omgevingswet - notitie
Tekst van het document
NOTITITIE ADVIESRECHT & PARTICIPATIEPLICHT Inhoud 1
Inleiding adviesrecht ........................................................................................................................ 2 1.1 Nu & straks .............................................................................................................................. 2 1.2 Het omgevingsplan algemeen ................................................................................................. 2 1.3 Wijziging & afwijkingen van het omgevingsplan ...................................................................... 2 1.4 Advies van de raad voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit ....................................... 3 1.5 Op weg naar de nieuwe situatie .............................................................................................. 4 1.6 Evaluatie .................................................................................................................................. 4 2 Bindend Advieslijst .......................................................................................................................... 4 2.1 Toelichting op voorstel ............................................................................................................. 4 2.2 Voorstel Bindend Advieslijst ....................................................................................................
5 3 Omgevingswet & Participatie........................................................................................................... 5 3.1 Inleiding ................................................................................................................................... 5 3.2 Participatie bij vergunningverlening ......................................................................................... 6 3.3 Het besluit van de raad ............................................................................................................ 6 3.4 Lijst met categorieën verplichte participatie ............................................................................ 6 4 Categorieën adviesrecht en participatie .......................................................................................... 7
Raadhuisplein 1 • 3901 GA Veenendaal • Postbus 1100 • 3900 BC Veenendaal Tel. (0318) 538 538 • Fax (0318) 510 414 • www.veenendaal.nl • www.veenendaal.nl/vraag
1 INLEIDING ADVIESRECHT Voor deze korte inleiding is gebruik gemaakt van de ‘Handreiking Adviesrecht gemeenteraad bij afwijkingen van het Omgevingsplan’ van de VNG. 1.1 Nu & straks Nu Voor activiteiten in strijd met het bestemmingsplan (‘buitenplanse omgevingsplanactiviteiten’ of zogenaamde OPA’s) kan de raad in de huidige situatie – dus vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet- beslissen dat er ‘geen bedenkingen’ zijn, met een zogenoemde ‘verklaring van geen bedenkingen’ (VVGB). In het geval van gemeente Veenendaal heeft de raad alleen een categorie aangewezen tot de bouw van 25 woningen en er al een ontwerpbestemmingsplan ter inzage ligt waarin die verklaring van geen bedenkingen niet nodig is. Voor alle overige gevallen is deze verklaring dus wel nodig. Straks Onder de Omgevingswet is het precies omgekeerd. Dan wijst de raad gevallen aan waarin wel een bindend advies nodig is van de raad om af te wijken van het omgevingsplan. Voor de niet-aangewezen gevallen vervalt het adviesrecht (Zie artikel 16.15a lid b. onder 1 Omgevingswet). __________________________________________________________________________________ Straks wijst de raad gevallen aan waarin wel een bindend advies nodig is.
__________________________________________________________________________________ Deze inleiding geeft informatie over het adviesrecht en gaat kort in op de volgende vier onderwerpen: 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6
Het omgevingsplan algemeen Wijzigingen & afwijkingen van het omgevingsplan Advies van de raad voor een buitenplanse omgevingsactiviteit Op weg naar de nieuwe situatie Het omgevingsplan algemeen
1.2 Het omgevingsplan algemeen De Omgevingswet bepaalt dat de raad een omgevingsvisie en een omgevingsplan vaststelt. Terwijl de omgevingsvisie gaat over de langere termijn en de opgaven waar de gemeente mee aan de slag gaat, staan in het omgevingsplan, deel I regels afkomstig uit onze gemeentelijke verordeningen die van invloed (kunnen) zijn op de fysieke leefomgeving. Zo kan bijvoorbeeld geregeld worden dat een bepaalde activiteit binnen een bepaald thema wel of niet is toegestaan en onder welke voorwaarden. De regels in het omgevingsplan, deel I kunnen ‘direct werkende’ algemene regels zijn. Dat wil zeggen dat inwoners en ondernemers zich daaraan moeten houden. Er kunnen ook regels worden opgenomen die ‘direct werkend met meldingsplicht’ zijn. In dat geval moeten initiatiefnemers, voordat ze met een activiteit beginnen, dat melden. Bij sommige regels geldt voor bepaalde activiteiten een vergunningplicht, oftewel alleen toegestaan met een vergunning. In dat geval beoordelen burgemeester en wethouders een activiteit inhoudelijk aan de hand van die regels en geeft dan wel of geen vergunning af. Op deze manier is het omgevingsplan het toetsingskader voor vergunningverlening en toezicht en handhaving binnen een gemeente. 1.3 Wijziging & afwijkingen van het omgevingsplan Het is onmogelijk om alles van tevoren te voorzien.
Misschien heeft een initiatiefnemer een plan dat niet in het omgevingsplan past, maar wel op de een of andere manier bijdraagt aan de gemeentelijke lange termijn opgaven. Ook kunnen er lokaal en landelijk ontwikkelingen zijn die het noodzakelijk maken om het omgevingsplan te actualiseren.
2
Soms zal het dus nodig zijn om het omgevingsplan te wijzigen; en soms kan het nodig zijn voor een concreet initiatief van het omgevingsplan af te wijken. Zorg wel voor samenhang en consistentie bij al het beleid, dus zowel in de omgevingsvisie, omgevingsplan en vergunningverlening. De specifieke vergunning voor afwijken moet passen in het overige beleid. In essentie blijft de rolverdeling tussen de raad en burgemeester en wethouders na de inwerkingtreding van de Omgevingswet onveranderd. Met het bestaand raadsinstrumentarium (het indienen van amendementen, moties, schriftelijke/mondelinge vragen, interpellatie, recht van onderzoek en initiatief en de actieve informatieplicht van burgemeester en wethouders) houdt de raad gedurende het beleids- en besluitvormingsproces vinger aan de pols en stuurt op de gewenste doelen. Dat is met de komst van de Omgevingswet niet anders. Burgemeester en wethouders krijgen wel meer bevoegdheden bij de uitvoering van het beleid en de raad is nadrukkelijker belast met de hoofdlijnen en het monitoren van de resultaten. Ook zijn burgemeester en wethouders straks het bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning. __________________________________________________________________________________ Straks is de raad nadrukkelijker belast met de hoofdlijnen.
__________________________________________________________________________________ Met de omgevingsvisie en het omgevingsplan legt de raad de doelen vast en stuurt op de realisatie hiervan, zoals gebruikelijk is binnen een gemeente. Over initiatieven en (bouw)plannen die passen binnen het omgevingsplan, maar waarvoor een vergunning is vereist, geven burgemeester en wethouders eenvoudig en snel uitsluitsel. Onder de huidige wetgeving kunnen burgemeester en wethouders uitsluitend een omgevingsvergunning voor een initiatief of (bouw)plan dat in strijd is met het bestemmingsplan verlenen met instemming van de raad. In dat geval geldt nu de uitgebreide procedure van 26 weken. Daarover besluit de raad met een zogenoemde ‘verklaring van geen bedenkingen’ (VVGB). Daarvoor in de plaats komt met de inwerkingtreding van de Omgevingswet een verzwaard, bindend adviesrecht voor de raad. Burgemeester en wethouders mogen daar niet van afwijken. __________________________________________________________________________________ Straks komt er een verzwaard, bindend adviesrecht voor de raad. __________________________________________________________________________________ De raad geeft advies over die buitenplanse omgevingsplanactiviteiten, waarvan de raad heeft vastgelegd hierover gebruik te willen maken van het adviesrecht.
Een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een dergelijke activiteit kunnen burgemeester en wethouders dus niet zelfstandig afdoen. Als de raad een negatief advies geeft, dan mag het college de omgevingsvergunning niet verlenen. 1.4 Advies van de raad voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit Wanneer is er sprake van een afwijking van het omgevingsplan? Allereerst moet er een vergunningaanvraag voor afwijken zijn ingediend. Daar is sprake van als er een uitgewerkt plan ligt, dat kan worden vergund zonder gevolgen voor de naastgelegen percelen (bijvoorbeeld dat de milieucategorie van de percelen in de buurt niet hoeven te wijzigen). __________________________________________________________________________________ De raad moet op tijd een besluit nemen over de gevallen waarin hij advies wil geven. __________________________________________________________________________________ Vóórdat de Omgevingswet van kracht wordt, moet de raad een besluit nemen over de gevallen waarin hij advies wil geven. Het huidige raadsbesluit ‘aanwijzingslijst gevallen waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen nodig is’ vervalt. Regelt de raad niets, dan hoeven burgemeester en wethouders niet naar de raad voor activiteiten die in strijd zijn met het omgevingsplan.
3
Bij afwijkingen van het omgevingsplan is óók de reguliere procedure van toepassing. Dat wil zeggen een uiterste proceduretermijn van 8 weken met een mogelijkheid van een eenmalige verlenging met 6 weken. Er zijn enkele gevallen waarbij de termijn kan worden verlengd, onder meer op verzoek van de aanvrager of als het bevoegd gezag dat beslist, vanwege aanzienlijke gevolgen en mogelijke bedenkingen van belanghebbenden. De raad moet bij het bepalen van de lijst meewegen dat de Omgevingswet als doel heeft om besluitvorming over initiatieven sneller en overzichtelijker te laten verlopen. De inhoud en kwantiteit van deze lijst kan dus consequenties hebben voor de interne afhandeling van een dergelijke omgevingsvergunning, maar zeker ook voor de vergadercyclus van de raad om te kunnen voldoen aan het behalen van de termijn waarbinnen een besluit moet worden genomen (8 weken met een eenmalige verlenging van 6 weken). Onder de Omgevingswet is de ‘Lex silencio positivo’ niet meer van toepassing (een vergunning wordt geacht te zijn verleend bij het uitblijven van een antwoord door het bevoegde bestuursorgaan binnen de gestelde beslistermijn). Dit betekent dat het niet tijdig beslissen binnen de gestelde beslistermijnen resulteert in een fictieve weigering.
In artikel 6:2 van de Algemene wet bestuursrecht wordt het niet tijdig nemen van een besluit voor de mogelijkheid van rechtsbescherming gelijkgesteld met een besluit. Dit betekent dus dat een fictieve weigering openstaat voor bezwaar en beroep. Daarnaast kan de aanvrager van de omgevingsvergunning bij niet tijdig beslissen het bestuursorgaan in gebreke stellen. De aanvrager heeft op grond van artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht recht op een dwangsom. 1.5 Op weg naar de nieuwe situatie De Omgevingswet beoogt versterking van lokaal maatwerk. Een open dialoog en goede afspraken intern tussen raad, burgemeester en wethouders, maar ook extern met de gemeenschap zijn van groot belang. De volgende aandachtspunten zijn daarbij van belang: Het advies van de raad is bindend, burgemeester en wethouders mogen er niet van afwijken. Het verlenen van vergunningen is evenwel een bevoegdheid van burgemeester en wethouders. Een te ruime invulling van de adviesbevoegdheid van de raad kan leiden tot een verkapte verschuiving van bevoegdheden. De informatievoorziening over overwegingen, standpunten en afwegingen door de raad en burgemeester en wethouders over aanvragen van omgevingsvergunningen die in strijd zijn met het Omgevingsplan moeten werkbaar, transparant en toegankelijk zijn.
Op welke wijze kan de raad al vanaf het moment dat een vergunningaanvraag wordt ingediend en gepubliceerd, worden geïnformeerd en in positie worden gebracht (eventueel met digitale middelen). Koppel het besluit ‘Lijst met gevallen waarvoor advies van de raad nodig is voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, als bedoeld in artikel 16.15a lid b. onder 1’ aan de datum inwerkingtreding van de Omgevingswet. Koppel het besluit aan de periode van de inwerkingtreding van de wet tot de datum waarop de raad een omgevingsplan, zoals bedoeld in de Omgevingswet, heeft vastgesteld. Maak een lijst die uitgaat van een ondergrens. Activiteiten ‘groter dan’ de ondergrens worden aan de raad voorgelegd ter advisering. Voor activiteiten ‘kleiner dan’ is geen advies van de raad nodig. Bij dit alles bedenken dat de proceduretermijnen binnen de Omgevingswet veel korter zijn en strakker gehanteerd moeten worden dan in de huidige wetgeving het geval is. 1.6 Evaluatie Graag willen we hier expliciet noemen, dat genoemde lijst te allen tijde kan worden aangepast, net als bij de huidige VVGB. Zodoende kan dus op elk gewenst moment een evaluatie en zo nodig een aanpassing aan de lijst plaatsvinden.
2 BINDEND ADVIESLIJST 2.1 Toelichting op voorstel In de huidige ‘VVGB lijst’ is slechts één categorie van gevallen aangewezen waarvan door de raad is besloten dat burgemeester en wethouders zonder tussenkomst van de raad op dergelijke
4
(buitenplanse) aanvragen mag besluiten. Dit betreft de bouw van 25 of meer woningen onder voorwaarde dat hiervoor al een ontwerpbestemmingsplan ter inzage ligt. Met name de toevoeging van deze voorwaarde heeft er in de praktijk toe geleid dat dit ruimtelijk instrument niet gebruikt wordt dan wel dat een ontwikkelende partij hier geen gebruik van wil maken. De afronding van een ter inzage gelegd ontwerpbestemmingsplan gaat in dat geval meestal sneller dan het in procedure brengen van een projectbesluit (uitgebreide procedure van de Wabo). Het is echter zinvol het volledig instrumentarium onder de Omgevingswet te benutten en met name categorieën van gevallen aan te wijzen met weinig impact: Denk aan de bouw van één of meer woningen in het kader van herstructurering en voor zover vastgelegd in de Omgevingsvisie of vastgesteld stedenbouwkundig plan. Een ander voorbeeld is nieuw-, uit-, of verbouw van ondergeschikte stedenbouwkundige betekenis. Maar wanneer is er eigenlijk sprake van “herstructurering” en wanneer niet? En wanneer is een bouwplan van “ondergeschikte stedenbouwkundige betekenis”? In die beoordeling binnen de huidige werkwijze zit enige mate van subjectiviteit. Daarom hebben wij met onderstaand conceptvoorstel geprobeerd een objectieve grens te formuleren.
Hierbij hebben we de huidige werkwijze zo mogelijk als uitgangspunt genomen en deze geactualiseerd conform de Omgevingswet. 2.2 Voorstel Bindend Advieslijst In hoofdstuk 4 treft u de ’bindend advieslijst’ aan wanneer een aanvraag omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt aangevraagd, dan gaat de aanvraag voor advies naar de raad en is dat advies bindend voor het besluit van burgemeester en wethouders.
3 OMGEVINGSWET & PARTICIPATIE 3.1 Inleiding Participatie is een belangrijk onderwerp in de Omgevingswet. De Omgevingswet stimuleert namelijk vroegtijdige participatie. Daarmee kunnen overheden op tijd belangen, meningen en creativiteit op tafel krijgen. De wet zegt over participatie: het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden [...] bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit. Met belanghebbenden bedoelt de wet burgers, vertegenwoordigers van bedrijven, professionals van maatschappelijke organisaties en bestuurders van overheden. __________________________________________________________________________________ In de Omgevingswet zijn regels over de participatie vastgelegd. __________________________________________________________________________________ In de Omgevingswet en in het Omgevingsbesluit zijn regels over de participatie vastgelegd. Als overheden instrumenten van de Omgevingswet vaststellen, moeten ze aangeven hoe belanghebbenden betrokken zijn bij de totstandkoming. En welke resultaten dat heeft opgeleverd. Gemeenten, provincies en waterschappen moeten ook aangeven hoe ze hun eigen participatiebeleid hebben ingevuld. Er is een uitzondering: bij het aanvragen van een omgevingsvergunning moet juist de aanvrager het initiatief nemen.
Hij moet aangeven of, en zo ja hoe, hij de omgeving betrokken heeft bij zijn plan en wat de resultaten hiervan zijn. Bij participatie in het kader van de Omgevingswet is het daarom van belang om de volgende mogelijkheden te onderscheiden: 1. Het initiatief past binnen de regels. Gemeente verleent de vergunning, want het past binnen de kaders. 2. Het initiatief past met een binnenplanse afwijking. Zo’n afwijking kennen we nu ook in onze bestemmingsplannen. Dit heet onder de Omgevingswet een binnenplanse omgevingsplanactiviteit (binnenplanse OPA).
5
3. Het initiatief past niet. Als de gemeente wil meewerken aan het initiatief, moet ze een vergunning gaan verlenen in afwijking van het omgevingsplan. Zo’n initiatief is dan een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (buitenplanse OPA). 3.2 Participatie bij vergunningverlening Bij mogelijkheid 1 en 2 is participatie voor een initiatiefnemer niet verplicht. Dit zijn activiteiten die binnen de regels van het Omgevingsplan vallen. En bij het vaststellen van het Omgevingsplan zelf heeft al participatie plaatsgevonden. Participatie door de initiatiefnemer wordt wel gestimuleerd. Participatie kan wel verplicht zijn als iemand een vergunning voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (mogelijkheid 3) aanvraagt. Dat zijn activiteiten die niet in het Omgevingsplan staan. Hierover heeft dus nooit eerder participatie plaatsgevonden. Of participatie in deze situatie wel of niet verplicht is, is aan de raad om te bepalen. De raad kan namelijk categorieën van gevallen aanwijzen waarvoor deze verplichting geldt. Dat staat in artikel 16.55 lid 7 van de Omgevingswet. Bij deze categorieën van verplichte participatie geldt dat de aanvrager bij de aanvraag van de vergunning moet laten zien hoe hij belanghebbenden bij de aanvraag heeft betrokken. De aanvrager mag echter zelf weten op welke manier hij de belanghebbenden bij de aanvraag betrekt.
3.3 Het besluit van de raad De raad beslist dus of participatie ook verplicht moet zijn bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (OPA’s). Hier zijn drie opties om uit te kiezen: 1. Participatie bij buitenplanse OPA’s is niet verplicht; Voorstanders van deze optie willen terughoudend zijn in het opleggen van regels en dus ook de verplichting van participatie. 2. Participatie bij buitenplanse OPA’s is zo vaak mogelijk verplicht; Voorstanders van deze optie menen dat het niet logisch is dat participatie in alle instrumenten van de Omgevingswet verplicht is, behalve bij deze buitenplanse OPA’s. Als je het overal verplicht, wees dan ook consequent. Vooral ook omdat er bewust wordt afgeweken van de regels uit het Omgevingsplan. Dat kan nogal consequenties hebben voor omwonenden en belanghebbenden. 3. Alleen in bepaalde categorieën van gevallen is participatie verplicht. Voorstanders van deze optie kiezen ervoor om heel bewust te kijken naar initiatieven die vermoedelijk het meest impact hebben. Vaak wordt hier een koppeling gemaakt met de lijst van gevallen waarvoor de raad gebruik wil maken van haar adviesrecht. Maar het staat de raad geheel vrij om eigen categorieën van gevallen aan te wijzen. 3.4 Lijst met categorieën verplichte participatie In hoofdstuk 4 vindt u de lijst met categorieën voor verplichte participatie.
U ziet dat hierbij aansluiting is gezocht met de lijst van categorieën voor het adviesrecht van de raad (uit hoofdstuk 3), maar dat de ‘drempel’ voor verplichte participatie lager ligt dan bij het adviesrecht. Op deze manier wordt zo veel als mogelijk participatie verplicht gesteld, terwijl toch de koppeling met het adviesrecht overeind blijft (combinatie tussen optie 2 en 3).
6
NOTITITIE ADVIESRECHT & PARTICIPATIEPLICHT 4 CATEGORIEËN ADVIESRECHT EN PARTICIPATIE De raad wil in de volgende gevallen gebruik maken van zijn adviesbevoegdheid; participatie verplicht stellen bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten.
1. Wonen
Adviesrecht (16.15a onder b Ow)
Verplichte participatie (16.55 lid 7)
1.1
Het toevoegen van 1 of meer woningen binnen de bebouwde kom.
N.v.t. bij toevoeging van woningen
1.2 Het toevoegen van meer dan [1] woning buiten de bebouwde kom, tenzij de aanvraag in overeenstemming is met een door de raad vastgestelde (structuur)visie of vastgesteld beleidskader.
Het toevoegen van meer dan 1 of meer woning buiten de bebouwde kom.
1.3
Het vergroten van (bedrijfs)woningen buiten de bebouwde kom, waardoor deze groter worden dan 600 m³.
Het vergroten van (bedrijfs)woningen buiten de bebouwde kom, waardoor deze groter worden dan 600 m³.
Toelichting: Ad. 1.1: De raad moet bij het bepalen van de lijst meewegen dat de Omgevingswet als doel heeft om besluitvorming over initiatieven sneller en overzichtelijker te laten verlopen. Het is zodoende niet nodig om een onder- of bovengrens op te nemen voor woningbouw binnen de bebouwde kom waarvoor de raad gebruik zou moeten maken van zijn adviesbevoegdheid. Enerzijds vanwege het feit dat de raad al kaders heeft gesteld voor o.a. woningbouw (Omgevingsvisie). Anderzijds heeft gemeente Veenendaal ook nog steeds een dringende woningbouwopgave, zowel qua kwantiteit als het tempo waarbinnen dit gerealiseerd moet worden. Hierbij kan de buitenplanse OPA tot een aanmerkelijke procedureversnelling leiden. Ad. 1.2:
Ook recreatiewoningen vallen hieronder.
Raadhuisplein 1 • 3901 GA Veenendaal • Postbus 1100 • 3900 BC Veenendaal Tel. (0318) 538 538 • Fax (0318) 510 414 • www.veenendaal.nl • www.veenendaal.nl/vraag
Ad. 1.3:
(Bedrijfs)woningen mogen volgens ons bestemmingsplan buitengebied tot 600 m³ groot zijn of als de bestaande inhoud meer dan 600 m³ bedraagt, niet meer dan de bestaande inhoud.
2. Bedrijven
2.1. Het oprichten, veranderen of uitbreiden van een bedrijf buiten de bebouwde kom, op gronden die zijn gelegen buiten een bestaand bedrijventerrein of bedrijfsperceel, tenzij de aanvraag in overeenstemming is met een door de raad vastgestelde (structuur)visie of vastgesteld beleidskader.
Het oprichten, veranderen of uitbreiden van bedrijvigheid in een andere categorie dan het omgevingsplan toestaat, zowel in de bebouwde kom en op bedrijventerreinen;
2.2. Het oprichten, veranderen of uitbreiden van bedrijvigheid in een zwaardere categorie dan het omgevingsplan toestaat, zowel in de bebouwde kom als op bedrijventerreinen.
Het oprichten, veranderen of uitbreiden van nietagrarische bedrijvigheid in het buitengebied;
2.3. Het oprichten, veranderen of uitbreiden van nietagrarische bedrijvigheid in het buitengebied.
Het oprichten, veranderen of uitbreiden van nietagrarische bedrijvigheid in het buitengebied.
2.4. Huisvesting van arbeidsmigranten, tenzij de aanvraag in overeenstemming is met een door de raad vastgestelde (structuur)visie of vastgesteld beleidskader.
Huisvesting van arbeidsmigranten, tenzij de aanvraag in overeenstemming is met een door de raad vastgestelde (structuur)visie of vastgesteld beleidskader.
Toelichting: De bebouwde kom is dat gebied dat volgens het omgevingsplan, deel I als zodanig als werkingsgebied is aangemerkt.
3. Antenne-installatie
3.1. Het oprichten of veranderen van een antenneinstallatie hoger dan [40] m;
Het oprichten of veranderen van een antenneinstallatie, ongeacht hoogte.
Toelichting: Hierbij sluiten we aan bij de huidige situatie: tot 40 meter kan B&W met een kruimelgeval afwijken.
8
4. Agrarische bedrijven
4.1. Het (nieuw)vestigen van een agrarisch bedrijf, tenzij de aanvraag in overeenstemming is met een door de raad vastgestelde (structuur)visie of vastgesteld beleidskader.
Het (nieuw)vestigen van een agrarisch bedrijf, tenzij de aanvraag in overeenstemming is met een door de raad vastgestelde (structuur)visie of vastgesteld beleidskader.
Toelichting: Dit wordt verondersteld duidelijk te zijn. 5. Duurzame energie
5.1. De bouw van een windmolen hoger dan 15 meter;
Het realiseren van minimaal één windmolen, ongeacht de hoogte;
5.2. Het realiseren van weiden met zonnepanelen;
Het realiseren van weiden met zonnepanelen, ongeacht de oppervlakte/grootte;
5.3. Het opwekken en/of opslag van andere vormen van energie (zoals buurtbatterij, biomassa-installatie en waterstof).
Het opwekken en/of opslag van andere vormen van energie (zoals buurtbatterij, biomassa-installatie en waterstof).
Toelichting: In de keuze en normering van de projecten genoemd onder 5.1 t/m 5.3 is het onderscheid gemaakt tussen grootschalige en individuele toepassing. Kleinschalige individuele energieopwekking voor eigen gebruik (bijvoorbeeld zonnepanelen op de eigen garage) valt daarbij buiten het adviesrecht van de raad en verplichte participatie. 6. Verkeer, vervoer en openbare ruimte
6.1. Grootschalige wijziging, reconstructie en/of aanleg van weginfrastructuur en/of waterhuishoudkundige voorzieningen, tenzij de aanvraag in overeenstemming is met een door de raad vastgestelde (structuur)visie of vastgesteld beleidskader.
Grootschalige wijziging, reconstructie en/of aanleg van weginfrastructuur en/of waterhuishoudkundige voorzieningen, tenzij de aanvraag in overeenstemming is met een door de raad vastgestelde (structuur)visie of vastgesteld beleidskader.
Toelichting: Onder grootschalig wordt in dit geval verstaan: de nieuwe aanleg van rondwegen, spoortunnels en viaducten.
9
7. Maatschappelijkeen sportvoorzieningen
7.1. Het realiseren van grootschalige maatschappelijke voorzieningen, zoals een multifunctionele accommodatie (MFA) of multifunctioneel centrum (MFC), tenzij de aanvraag in overeenstemming is met een door de raad vastgestelde (structuur)visie of vastgesteld beleidskader.
Het realiseren van maatschappelijke voorzieningen;
7.2. Het realiseren van sportinfrastructuur, waaronder sportparken en sporthallen, tenzij de aanvraag in overeenstemming is met een door de raad vastgestelde (structuur)visie of vastgesteld beleidskader.
Het realiseren van sportinfrastructuur, waaronder sportparken en sporthallen;
Toelichting: Met ‘grootschalig’ wordt hier bedoeld die maatschappelijke voorzieningen, die normaal gesproken niet zonder meer overal in de woonomgeving passen, gelet op specifieke eisen ten aanzien van het gebruik, situering en de bereikbaarheid. In veel gevallen gaat het hier om intensieve functies/ voorzieningen die 24/7 toegankelijk zijn. 8. Overige onderwerpen
8.1. Ander gebruik van bouwwerken (functiewijziging) groter dan 1.500 m² binnen de bebouwde kom en altijd buiten de bebouwde kom.
Ander gebruik van bouwwerken (functiewijziging), zijnde: woningen, groter dan 100 m²; bedrijven, groter dan 500 m³.
8.2. Als - naar mening van het college - sprake is van maatschappelijke onrust of anderszins politiek gevoelige initiatieven;
N.v.t.
Ad 8.1: In de huidige situatie gaan burgemeester en wethouders altijd over een functiewijziging binnen de bebouwde kom, ongeacht de omvang, omdat dit een van de kruimelgevallen is (artikel 2.12, lid 1 onder, sub 2 Wabo in samenhang gelezen met Bijlage II, artikel 4 Besluit omgevingsrecht (Bor). Het voorstel is om terug te gaan naar de oude regeling waarbij deze regeling was beperkt tot 1.500 m². Ad 8.2: De onderwerpen 1 t/m 7 van deze lijst zijn niet uitputtend opgesomd. Er zullen zich gevallen voordoen, die niet op voorhand in te schatten zijn, maar waarbij het college toch graag het advies van de raad inwint.
10