3.a1 Vaststelling bestemmingsplan Ondergrondse hoogspanningsverbinding Veenendaal-toelichting
Tekst van het document
4.3
Archeologie
4.3.1
Wettelijk kader
In 1992 ondertekende Nederland het Europese Verdrag inzake de bescherming van het archeologische erfgoed – kortweg ‘het Verdrag van Malta’ (of Valletta). Sindsdien is het uitgangspunt van het (rijks)beleid dat archeologische waarden volwaardig meetellen in beslissingen over de ruimtelijke inrichting van ons land. De Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) heeft als doel bodemverstorende activiteiten beter te reguleren. Centraal daarbij staat de verplichting om archeologische waarden in bestemmingsplannen vast te leggen. Gemeenten zijn daarbij bevoegd gezag inzake de omgang met archeologische waarden. Binnen de kaders van rijks- en provinciaal beleid hebben zij de vrijheid naar eigen inzicht financieel en beleidsmatig invulling te geven aan de zorg voor de archeologie binnen hun grondgebied. Het verdrag is in 2007 wettelijk verankerd in de herziene Monumentenwet 1988. Een deel hiervan is op 1 juli 2016 overgegaan naar de Erfgoedwet. Zowel archeologie als een deel van cultuurhistorie zijn namelijk sinds 1 juli 2016 verankerd in de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. In juli 2015 nam de Tweede Kamer een amendement op de Omgevingswet aan, waarin gesteld wordt dat gemeente de archeologische dubbelbestemmingen beter moeten onderbouwen.
Daarbij is van belang dat de archeologische monumenten aantoonbaar moeten worden gemaakt. Het archeologisch erfgoed heeft hiermee een prominente plaats gekregen in het proces van de ruimtelijke planvorming. Uitgangspunten zijn het vroegtijdig betrekken van archeologische belangen in de planvorming, het behoud van archeologische waarden in situ (ter plaatse) en de introductie van het zogenaamde "veroorzakerprincipe". Dit principe houdt in dat degene die de ingreep pleegt financieel verantwoordelijk is voor behoudsmaatregelen of een behoorlijk onderzoek van eventueel aanwezige archeologische waarden. Gemeenten dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan of beheersverordening als bedoeld in artikel 3.1 en 3.38 Wro altijd rekening te houden met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Deze bestemmingsplanverplichting brengt met zich mee dat gemeenten het kader moeten stellen voor de archeologische monumentenzorg. Zij hebben dus een kerntaak in de
bestemmingsplan
29
bestemmingsplan Ondergrondse hoogspanningsverbinding Veenendaal uitvoering van de archeologische monumentenzorg en moeten bij ruimtelijke besluitvorming het archeologische belang afwegen tegen de andere belangen. In de afgelopen 8 jaar zijn diverse archeologische onderzoeken binnen de gemeente uitgevoerd en zijn er nieuwe bronnen beschikbaar die relevant zijn voor de archeologische verwachting. Daarom is de archeologische beleidskaart uit 2010 geactualiseerd en heeft er een verfijning plaatsgevonden van het verwachtingenmodel. Dit heeft geresulteerd in een geactualiseerde archeologische beleidskaart die op 25 juni 2020 door de gemeenteraad is vastgesteld. De beleidskaart is vervolgens juridisch vertaald in het bestemmingsplan 'Parapluplan 2020', welke eveneens is vastgesteld door de raad op 25 juni 2020.
4.3.2
Toetsing verkabelingsproject
Arcadis heeft in opdracht van Tennet een bureauonderzoek Archeologie voor het gehele plangebied opgesteld, zie Bijlage 6,Het rapport van Arcadis is beoordeeld door de Omgevingsdienst Regio Utrecht. Het onderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). De conclusies zijn helder en goed onderbouwd. Het rapport is akkoord. Het uitgevoerde vooronderzoek heeft de (middel)hoge archeologische verwachting voor delen van het plangebied bevestigd. Nader archeologisch onderzoek is nodig om de archeologische verwachting nader te specificeren en daarmee het bestemmingsplan te wijzigen of verwijderen. De dubbelbestemming Waarde-Archeologie wordt behouden in dit bestemmingsplan. Het uitgevoerde vooronderzoek heeft de (middel)hoge archeologische verwachting voor delen van het plangebied bevestigd (zie afbeelding 4.3.2.1 ). Vervolgonderzoek is noodzakelijk. Daarmee blijft de dubbelbestemming archeologie voorlopig behouden. De voorgenomen ontwikkelingen kunnen archeologische waarden in de bodem namelijk aantasten. Op basis van een booronderzoek kan de archeologische verwachtingswaarde mogelijk naar beneden bijgesteld kunnen worden of beter gespecificeerd. Mogelijk zijn er dan minder (of geen) delen met een dubbelbestemming over. Een booronderzoek is echter geen verplichting voor het opstellen van het (ontwerp)bestemmingsplan.
Wanneer wel wordt gekozen voor het uitvoeren van een booronderzoek dan is dit alleen nodig binnen de delen met een dubbelbestemming én daar waar sprake is van open ontgraving en/of waar geen sprake is van graven in een oude kabels- en leidingensleuf.
30
bestemmingsplan
bestemmingsplan Ondergrondse hoogspanningsverbinding Veenendaal
Afbeelding 4.3.2.1: overzichtskaart gestuurde boring i.r.t. archeologische verwachtingen 4.3.3
Conclusie
Het aspect archeologie is van invloed op de uitvoering van het plan. In delen van het plangebied moet een vervolgonderzoek worden uitgevoerd. Dat vervolgonderzoek is geborgd via de regels ten aanzien van archeologie in de vigerende bestemmingsplannen.
4.4
Conventionele explosieven
Het is bekend dat in de gemeente Veenendaal tijdens de Tweede Wereldoorlog oorlogshandelingen zijn geweest. Dit houdt in dat er op plaatsen mogelijk conventionele explosieven in de bodem kunnen zijn achtergebleven. Uit de praktijk is gebleken dat circa 10% van de afgeworpen bommen niet is geëxplodeerd en in de bodem is achtergebleven als blindganger. De gemeente Veenendaal heeft in mei 2018 beleid ten aanzien van conventionele explosieven vastgesteld. Door het vaststellen van een gemeentelijk beleid wordt geborgd dat activiteiten met betrekking tot CE binnen de gemeente worden getoetst en daar waar nodig beheersmaatregelen kunnen worden genomen en/of voorgeschreven. Het beleid is tevens bedoeld om eenieder die van plan is grondroerende werkzaamheden binnen de gemeente uit te voeren, te verplichten de benodigde acties te ondernemen met betrekking tot de mogelijke aanwezigheid en risico's van CE op de betreffende locatie. Het opsporen en verwijderen van (mogelijke) CE wordt alleen uitgevoerd om het risico met betrekking tot CE weg te nemen, en daarmee een veilige werkomgeving en leefomgeving te creëren tijdens uit te voeren werkzaamheden of activiteiten. Dit is ook de reden dat de gemeente Veenendaal altijd ingelicht moet worden als er projectmatig bodemroerende activiteiten plaatsvinden binnen gebieden die als verdacht zijn aangemerkt.
bestemmingsplan
31
bestemmingsplan Ondergrondse hoogspanningsverbinding Veenendaal
Vanwege voortschrijdende inzichten in de gebeurtenissen tijdens de Tweede Oorlog heeft er in 2020 een update van de bodembelastingkaart Conventionele Explosieven plaatsgevonden. 4.4.1
Toetsing verkabelingsproject
Uit de CE bodembelastingkaart komt naar voren dat het plangebied geen deel uitmaakt van een op CE verdacht gebied. 4.4.2
Conclusie
Het aspect conventionele explosieven zorgt niet voor belemmeringen ten aanzien van het realiseren van het plan.
4.5
Ecologie
4.5.1
Wettelijk kader
Voor ecologie moet er bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening worden gehouden met soortbescherming gericht en met gebiedsbescherming. De natuurbescherming in Nederland is geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming zorgt voor een goede natuurbescherming van planten- en diersoorten, natura 2000-gebieden, en bossen. Sommige plant- en diersoorten worden beschermd omdat ze als kwetsbaar worden gekenmerkt. De Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet, en de Flora- en Faunawet zijn vanaf 1 januari 2017 opgenomen in de Wet natuurbescherming. De provincie is het bevoegd gezag voor de Wet natuurbescherming (Wnb). Hierin worden de soortbescherming en de gebiedsbescherming nader belicht omdat beide voor het bestemmingsplan van belang zijn. De regels die voorheen in de Boswet waren opgenomen zijn binnen het plangebied niet van toepassing omdat het gehele gebied binnen de bebouwde kom ligt. Een nadere beschrijving van dit deel van de wet is dan ook niet opgenomen. Soortbescherming Een belangrijk doel van de wet is het beschermen van alle soorten planten- en dieren die in het wild in Nederland voorkomen. De wet gebiedt dat alle in het wild levende dieren en planten in principe met rust worden gelaten, wat is vastgelegd in de algemene zorgplicht. In de regelgeving heeft de gunstige staat van in stand houding van soorten een prominentere plek gekregen.
De Wet natuurbescherming verdeelt beschermde soorten in twee groepen: Strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. In de tweede categorie staan andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst. Provincies hebben de mogelijkheid om voor bepaalde soorten aanvullende maatregelen vast te stellen. De provincie Utrecht heeft hiervoor al een lijst opgesteld met prioritaire soorten en aanvullende maartregelen per soort. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is van toepassing op natuurgebieden die door de overheid zijn aangewezen in het kader van de vogelrichtlijn en/of de habitatrichtlijn. De Habitatrichtlijn richt zich op de bescherming van natuurlijke habitats en leefgebieden van aangewezen planten- en dierensoorten. De Vogelrichtlijn richt zich op de bescherming van leefgebied van beschermde vogelsoorten. Belangrijk is dat ruimtelijke projecten niet zonder meer mogen worden gerealiseerd in beschermde natuurgebieden (Natura 2000). Projecten die in de nabijheid van beschermde natuurgebieden (inclusief de Habitatrichtlijngebieden) worden geprojecteerd, dienen te worden getoetst op de mogelijke negatieve effecten die zij op deze gebieden kunnen hebben (externe werking). Indien een negatief effect vermoed wordt dan moet bij de Provincie een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd worden.
De Provincie zal naar aanleiding van de aanvraag een beschikking opstellen. De beschikking kan een verbod van het project betekenen of voorwaarden verbinden aan de uitvoer. De Wet natuurbescherming beschermt geen gebieden buiten de natura 2000 gebieden.
32
bestemmingsplan
bestemmingsplan Ondergrondse hoogspanningsverbinding Veenendaal
Natuurnetwerk Nederland Naast de volgens de wet aangewezen gebieden kent Nederland het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS). Het NNN is bedoeld voor het ontwikkelen van ecologische zones tussen verschillende natuurgebieden zodat populaties met elkaar in verbinding blijven en versnippering van natuur wordt tegen gegaan. Het is uiteraard niet wenselijk dat een ontwikkeling een verstorende werking heeft op de functie van deze verbindingszones. Deze zones zijn niet beschermd volgens de Wet natuurbescherming maar krijgen planologische bescherming doordat deze in bestemmingsplannen worden opgenomen. Projecten en bestemmingsplannen worden getoetst aan dit provinciale beleid. 4.5.2
Toetsing verkabelingsproject
Arcadis heeft in opdracht van TenneT een QuickScan Wet natuurbescherming opgesteld om eventuele negatieve effecten op beschermde soorten en benodigde vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming (hierna Wnb) in beeld te brengen. De quickscan is terug te vinden in Bijlage 8. Uit de quickscan volgt dat beschermde soorten in het kader van de Wnb binnen het plangebied voor kunnen komen en effecten hierop niet op voorhand zijn uit te sluiten. Alle vervolgstappen, zoals terug te vinden zijn in de quickscan, zijn noodzakelijk om uiteindelijke overtreding van de wettelijke verbodsbepalingen te voorkomen. De geplande werkzaamheden (de tijdelijke open ontgravingen) kunnen tijdens het broedseizoen leiden mogelijk tot verstoring van nestplaatsen van broedvogels. Daarnaast kan, indien geen mitigerende maatregelen genomen worden, er overtreding optreden met betrekking tot de ringslang. Voor deze soortgroepen moeten de noodzakelijk mitigerende maatregelen worden nageleefd. Verder zijn ook de nadere maatregelen noodzakelijk om tegemoet te komen aan de zorgplicht. Bij naleven van deze maatregelen wordt overtreding met betrekking tot algemene broedvogels en ringslang voorkomen. Wat betreft de soortgerichte onderzoeken, zal er onderzoek plaats moeten vinden voor de soort(groep)en vleermuizen en grondgebonden zoogdieren (boommarter/steenmarter).
Indien blijkt dat deze soorten aanwezig zijn in het plangebied, is het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk. Vervolgonderzoek Wanneer een (ruimtelijke) ontwikkeling plaatsvindt die mogelijk een negatief effect heeft op beschermde soorten of het leefgebied van deze beschermde soorten, is het uitvoeren van een veldonderzoek meestal noodzakelijk. Dit omdat vaak specifieke kennis ontbreekt over beschermde soorten die voorkomen op de locatie van de ontwikkeling. Algemene kennis van verspreiding of areaal is meestal wel bekend, maar die is niet gedetailleerd genoeg om te kunnen stellen of ook daadwerkelijk sprake is van verstoring of aantasting. Ondanks dat je er vanuit zou kunnen gaan dat de soorten aanwezig zijn, is het wettelijk noodzakelijk om inzicht te hebben in de omvang van een verstoring in verband met de omvang van maatregelen en compensatie. Gericht veldonderzoek biedt daarvoor een uitkomst. Indien voor een ontwikkeling ook een bestemmingsplan gewijzigd moet worden, komt het vaak voor dat planprocedure en veldonderzoek niet goed op elkaar afgestemd kunnen worden. Veldonderzoeken zijn vaak seizoensgebonden en vereisen specifieke doorlooptijden om voldoende validatie te hebben. Het komt vaak voor dat nog gedurende de looptijd van het veldonderzoek, de bestemmingsplanprocedure gestart wordt.
Omdat de Wet natuurbescherming (soortbescherming) gaat over verbodsbepalingen, gelden die regels strikt formeel pas op het moment dat er daadwerkelijk sprake is van aantasting. In de planprocedure is het wenselijk dat al inzicht is in of hiervan sprake kan zijn, om te voorkomen dat de procedures niet kloppen of volledig zijn. In het geval dat het onderzoek nog niet is afgerond, moet inzichtelijk gemaakt zijn dat de aanwezige beschermde soorten de uitvoerbaarheid van het plan niet belemmeren. Voor dit bestemmingsplan Veenendaal geldt dat bij het nog lopende veldonderzoek vleermuizen en marterachtigen zijn aangetroffen. De uit te voeren werkzaamheden leiden echter niet tot een zodanige ingreep in het leefgebied van deze vleermuizen en marters dat sprake is van een dusdanige aantasting waardoor een ontheffing onmogelijk is.
bestemmingsplan
33
bestemmingsplan Ondergrondse hoogspanningsverbinding Veenendaal
Van de bomen in de parken die geschikt zijn als foerageer- en leefgebied van de genoemde soorten, wordt hooguit een enkel exemplaar gekapt. Zelfs wanneer deze ene boom gebruikt wordt door de aangetroffen vleermuizen als foerageergebied of als bijvoorbeeld balts- of paarverblijf, blijven ruim voldoende alternatieven over waardoor de functionaliteit van het leefgebied niet wordt aangetast. De impact is klein en lokaal en vergelijkbaar met veel andere activiteiten in Nederland, waar in het verleden ook ontheffingen voor verleend zijn (onder voorwaarden van mitigatie).
4.5.3
Conclusie
In de quickscan is soortbescherming voldoende behandeld en er is geen reden om de getrokken conclusies uit de quickscan te bestrijden. Ten aanzien van de soortbescherming kan nog niet worden overgegaan tot vergunningverlening. Niettemin kan ook voor deze ontwikkeling gesteld worden dat, ondanks de aanwezigheid van enkele beschermde soorten, de ontwikkeling - onder vergelijkbare mitigerende voorwaarden - uitvoerbaar en realistisch is. De voorwaarden zullen betrekking hebben op moment van uitvoeren (seizoen), werktijd (overdag) en mogelijk aanvullende voorwaarden van alternatieve verblijfplaatsen et cetera. Door daar tijdig een invulling aan te geven en de uitvoering in te passen in de tijd, is ontheffing mogelijk.
4.6
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
In juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r) in werking getreden. In het gewijzigde Besluit m.e.r. staat de procedure voor de vormvrije m.e.r.- beoordeling. Voor een aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, zal door de initiatiefnemer een aanmeldnotitie opgesteld moeten worden. Na het indienen van de aanmeldnotitie dient het bevoegd binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbeslissing te nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden. Vervolgens moet de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is vereist als een besluit wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst en de besluiten (kolom 4) die daaraan zijn gekoppeld, in gevallen waarin de omvang van activiteiten onder de drempelwaarden (kolom 2 van de D-lijst) liggen. 4.6.1
Toetsing verkabelingsproject
De voorgenomen ontwikkeling kan worden aangemerkt als 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een ondergrondse hoogspanningsleiding', als bedoeld in categorie D 24.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. De benodigde grondwateronttrekking wordt terecht niet aangemerkt als 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van werken voor het onttrekken of kunstmatige aanvullen van grondwater', als bedoeld in categorie D 15.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. De voorgenomen ontwikkeling (ondergrondse 150 kV hoogspanningsverbinding van circa 4,8 km buiten een gevoelig gebied zoals bedoeld in kolom 2 van categorie D 24.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) valt onder de drempelwaarde zoals genoemd in kolom 2 bij de categorie D 24.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Om die reden kan worden volstaan met een 'vormvrije' m.e.r.-beoordeling. Er is een 'vormvrije' m.e.r.-beoordeling uitgevoerd en verwerkt in een separate aanmeldingsnotitie, zie Bijlage 9. Hierbij is rekening gehouden met de beoordelingscriteria van bijlage III van de EU m.e.r.-richtlijn. Op basis hiervan is geconcludeerd dat de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten en dat er daarom geen MER nodig is. 4.6.2
Conclusie
Op basis van de aanmeldingsnotitie neemt het bevoegd gezag een separaat besluit waarin het beslist of de potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken van de plaatsvan het plan, dusdanig beperkt van aard en omvang zijn dat dit geen significant nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.
34
bestemmingsplan
bestemmingsplan Ondergrondse hoogspanningsverbinding Veenendaal
4.7
Magneetvelden
Overal waar stroom doorheen loopt ontstaat een magnetisch veld. Zo ook rond hoogspanningsverbindingen. Er is geen sprake van wettelijke limieten voor blootstelling aan deze magnetische velden, maar er is wel sprake van Europees en nationaal beleid. Ook is er uitgebreid wetenschappelijk onderzoek gedaan of er gezondheidseffecten bij mensen te verwachten zijn door blootstelling aan laagfrequente magneetvelden, zoals die bij hoogspanningsverbindingen voor komen. Op basis van dit wetenschappelijk onderzoek zijn in internationaal verband blootstellingslimieten aanbevolen voor magneetvelden. Deze houden in dat blootstelling aan een magneetveldsterkte van meer dan 100 microtesla wordt afgeraden. Deze waarde wordt ook in Nederland gehanteerd en in bestaande situaties nabij hoogspanningsinfrastructuur van TenneT. Op voor publiek toegankelijke plaatsen worden deze normen nergens overschreden. De verzamelde wetenschappelijke gegevens wijzen op het bestaan van een zwakke, maar statistisch significante associatie tussen het voorkomen van leukemie bij kinderen tot 15 jaar en het wonen in de nabijheid van bovengrondse hoogspanningsverbindingen.
Ondanks dat er geen aanwijzingen zijn gevonden voor een oorzakelijk verband heeft de Rijksoverheid, op advies van de Gezondheidsraad, in 2005 een beleidsadvies uitgebracht voor bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarin wordt geadviseerd zoveel als redelijkerwijs mogelijk te voorkomen dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig worden blootgesteld aan magnetische velden met een jaargemiddelde veldsterkte van meer dan 0,4 microtesla. Het advies is om bij nieuwe situaties gevoelige bestemmingen (woningen, scholen, crèches en kinderopvangplaatsen) zo veel als redelijkerwijs mogelijk buiten de magneetveldzone van 0,4 microtesla te plaatsen. Bovengenoemd beleidsadvies van de rijksoverheid richt zich op langdurige blootstelling en is van toepassing op nieuwe situaties en bovengrondse hoogspanningsverbindingen. Voor alle hoogspanningsverbindingen geldt daarnaast te allen tijde de blootstellingslimiet van 100 microtesla conform de aanbeveling van de Europese Unie. Deze waarde wordt ook in Nederland gehanteerd. Op voor publiek toegankelijke plaatsen nabij hoogspanningsinfrastructuur van TenneT wordt deze limiet nergens overschreden. In 2018 heeft de Gezondheidsraad een nieuw advies uitgebracht over mogelijke gezondheidseffecten van magneetvelden.
Hierbij geeft de Gezondheidsraad de staatssecretaris van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat in overweging om het voorzorgsbeleid rondom bovengrondse hoogspanningslijnen uit te breiden naar ondergrondse elektriciteitskabels en andere bronnen die oorzaak kunnen zijn van langdurige blootstelling aan magnetische velden uit het elektriciteitsnetwerk. Momenteel wordt door de minister verkend of dat een verbreding van het voorzorgsbeleid naar andere bronnen in het elektriciteitsnetwerk wenselijk is. Het is nog onduidelijk wanneer de resultaten van deze verkenning bekend zijn. 4.7.1
Toetsing verkabelingsproject
In het kader van bovenstaande heeft TenneT de magneetvelden voor de ondergrondse 150 kV-hoogspanningsverbinding Veendaal onderzocht. Daarbij wordt de magneetveldsterkte als gevolg van de kabelverbinding berekend op 1 meter boven maaiveld. Uit de berekeningen blijkt dat ruimschoots wordt voldaan aan de aanbeveling voor de magneetveldsterkte van maximaal 100 microTesla uit de Europese Richtlijn 1999/519/EC. Conclusie is dan ook dat wordt voldaan aan de aanbevelingen op Europees en nationaal niveau voor wat betreft magneetvelden. Om inzicht te krijgen in de ligging van de contour van 0,4 microTesla heeft TenneT onderzoek uitgevoerd naar magneetvelden als gevolg van de nieuwe hoogspanningsverbinding (zie Bijlage 10). Berekeningen leiden tot de conclusie dat de ondergrondse hoogspanningsverbinding niet leidt tot een jaargemiddelde magneetveldsterkte ter plaatse van woningen, scholen, crèches en kinderopvangplaatsen van meer dan 0.4 microtesla.
bestemmingsplan
35
bestemmingsplan Ondergrondse hoogspanningsverbinding Veenendaal
4.7.2
Conclusie
Het aspect magneetvelden vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.8
Bomeninventarisatie
Arcadis heeft in opdracht van TenneT een bomeninventarisatie opgesteld .Uit de inventarisatie is gebleken dat ter plaatse van het tracé ca.1.300 bomen aanwezig zijn. Ter plaatse van de geplande open ontgravingen en de in- en uittredepunten staan 96 bomen. Het is noodzakelijk dat deze bomen zullen moeten worden geruimd om de aanleg van de kabel mogelijk te maken. De inventarisatie is terug te vinden in Bijlage 11.
4.8.1
Aanbevelingen
Op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Veenendaal is het niet zondermeer toegestaan dat bomen verwijderd mogen worden zonder kapvergunning. Onderdeel hiervan is het aanleveren van een compensatieplan. Compensatie kan op verschillende manieren plaatsvinden. Een mogelijkheid is het verplanten van bomen. Wij overwegen hiervoor onderzoek uit te laten voeren naar de mogelijkheden om bomen te verplanten. De mogelijkheid voor herplant hangt af van meerdere factoren. Genoemd worden de boomkenmerken (soort boom, ouderdom, conditie, etc.) en de nieuwe standplaats (situering, bodemomstandigheden, grondwaterstanden etc.) en economische randvoorwaarden. Overigens maakt het verwijderen van de bomen geen onderdeel uit van deze bestemmingsplanprocedure. Hiervoor moet een afzonderlijke vergunningsprocedure voor worden doorlopen.
4.9
Totaalbeeld aspecten
Uit alle gevoerde onderzoeken komt naar voren dat het bestemmingsplan niet op onacceptabele gevolgen of belemmeringen stuit voor de directe omgeving.
36
bestemmingsplan
bestemmingsplan Ondergrondse hoogspanningsverbinding Veenendaal
Hoofdstuk 5 5.1
JURIDISCHE PLANOPZET
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt allereerst ingegaan op de opzet van het bestemmingsplan. Daarna komen de bestemmingen en bijbehorende planregels aan de orde. Het voorliggende bestemmingsplan herziet de geldende bestemmingsplannen Woongebieden 2018, Correctieve herziening Woongebieden 2018, Het Ambacht, Stationskwartier, deelgebied C, Industrielaan 10, Industrielaan 2-8 Buitengebied en Parapluplan Archeologie gedeeltelijk door de toevoeging van de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' en bijbehorende planregels. Daarnaast wordt het opstijgpunt geregeld via een enkelbestemming die het vigerende bestemmingsplan ter plaatse vervangt. De dubbelbestemming ligt over de basisbestemmingen, zoals die in de geldende bestemmingsplannen zijn vastgelegd. Die basisbestemmingen blijven daar ongewijzigd. Dit is geregeld in artikel 2 "Van toepassing verklaring". Het karakter van de dubbelbestemming brengt wel mee dat een dubbelbestemming voorrang heeft boven de basisbestemming. Het waarborgen van belangen met behulp van een dubbelbestemming leidt tot bijzondere of extra regels of noodzaakt tot een nadere afweging van belangen. Regeling Standaarden Ruimtelijke Ordening 2012 Dit bestemmingsplan is opgezet conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Beluit ruimtelijke ordening(Bro), zoals die gelden per 1 juli 2008.
Inherent hieraan is de toepassing van de RO Standaarden 2012 waarvan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) deel uitmaakt. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen conform de Wro en Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindendestandaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld conform deze standaarden. Verbeelding Zoals reeds eerder gesteld is de verbeelding gerelateerd aan de regels (en vice versa) en heeft tevens de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Verder kunnen er binnen een bestemming verklaringen zijn aangegeven. Deze hebben juridisch gezien geen enkele betekenis en zijn uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van de kaart (bijvoorbeeld topografische gegevens). De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en overheid bindende deel van het bestemmingsplan.
Regels De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in meerdere hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken. Toelichting De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Door de grote flexibiliteit, of beter vrijheid in de regels, kan de rechtszekerheid van belanghebbenden in het gedrang komen. In de toelichting dienen derhalve duidelijk de beleidsintenties te worden aangegeven met betrekking tot toekomstig grondgebruik. De toelichting heeft echter geen rechtsreeks burgers bindende werking.
bestemmingsplan
37
bestemmingsplan Ondergrondse hoogspanningsverbinding Veenendaal
5.2
De indeling van de planregels
De indeling van de planregels is als volgt: 5.2.1
Inleidende regels (hoofdstuk1)
Dit hoofdstuk bevat alle bepalingen die nodig zijn om de overige planregels goed te kunnen hanteren: begrippen: bevat in het plan gebruikte begrippen die uitleg behoeven; 5.2.2
Bestemmingsregels (hoofdstuk2)
Binnen dit plan komen de volgende bestemmingen voor: Bedrijf - Nutsvoorziening Leiding-Hoogspanningsverbinding ondergronds Leiding-Hoogspanningsverbinding bovengronds
5.2.3
Artikel 2 Artikel 3 Artikel 4
Algemene regels (hoofdstuk3)
Hoofdstuk 3 bestaat achtereenvolgens uit de volgende artikelen: Algemene gebruiksregels; Algemene afwijkingsregels; Algemene wijzigingsregels;
5.3
Bestemmingen
Bedrijf – Nutsvoorziening In Artikel 2 zijn de planregels van de bestemming 'Bedrijf - Nutsvoorziening' opgenomen. Dit artikel bevat de bepalingen die direct verband houden met de op de verbeelding aangegeven bestemming 'Bedrijf - Nutsvoorziening'. De gronden zijn bestemd voor een installatie ten behoeve van de overgang tussen een ondergrondse en bovengrondse hoogspanningsverbinding, groenvoorzieningen en water en infrastructuur (wegen, paden, verhardingen en hekwerken). Binnen de bestemming zijn geen gebouwen toegestaan, enkel bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Leiding - Hoogspanning ondergronds In Artikel 3 zijn de planregels van de bestemming 'Leiding - Hoogspanning ondergronds' opgenomen. De dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanning ondergronds' voorziet in een juridisch-planologische regeling voor de ondergrondse 150kV- verbinding. Voor de aanleg en instandhouding van de ondergrondse 150kV-verbinding moet gebruik kunnen (blijven) gemaakt van een strook grond rondom de verbinding. Deze strook, de belaste strook, is vastgesteld op basis van het benodigd ruimtebeslag voor de aanleg en instandhouding. Daarbij wordt eveneens rekening gehouden met veiligheidseisen. De breedte van de strook varieert afhankelijk van de precieze uitvoering van de verbinding.
Binnen de strook die voor de leiding op de verbeelding is vastgelegd, geldt dat geen gebouwen en bouwwerken mogen worden gebouwd, anders dan ten behoeve van de hoogspanningsverbinding. Na afwijking kunnen wel bouwwerken worden toegestaan, die binnen de basisbestemmingen zijn toegelaten. Voor diverse werkzaamheden in de dubbelbestemming voorziet het bestemmingsplan in een zogenaamd aanlegvergunningstelsel (omgevingsvergunning voor uitvoeren van werken of werkzaamheden). Bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden zijn aan een vergunningplicht gekoppeld om te voorkomen dat in een bestemmingsplan begrepen gronden minder geschikt worden voor de verwezenlijking van de daarin opgenomen bestemmingen, maar ook om reeds verwezenlijkte bestemmingen te handhaven en te beschermen. De vergunningplicht dient ervoor om het ongestoorde functioneren van de verbinding te kunnen garanderen alsmede de veiligheid van gebruikers van gronden die in de nabijheid van de verbinding zijn gelegen.
38
bestemmingsplan
bestemmingsplan Ondergrondse hoogspanningsverbinding Veenendaal
Echter de dubbelbestemming mag niet onevenredig beperkend zijn voor het normale grondgebruik dat plaatsvindt op en in de gronden waarbinnen de dubbelbestemming van toepassing is. Daarom is een minimale diepte opgenomen voor de werken/werkzaamheden die betrekking hebben op het wijzigen van het maaiveldniveau, het aanbrengen van diepwortelende beplanting en het indrijven van voorwerpen. Hierdoor blijft het normale grondgebruik in ieder geval mogelijk. Leiding - Hoogspanning bovengronds In Artikel 4 zijn de planregels van de bestemming 'Leiding - Hoogspanning bovengronds' opgenomen. Ter plaatse van de bestemming 'Leiding - Hoogspanning bovengronds' komen de dubbelbestemming, de veiligheidszone en de hartlijn voor de bovengrondse hoogspanningsverbindingen zoals opgenomen in de vigerende plannen te vervallen zodra de ondergrondse hoogspanningsverbinding in gebruik is genomen. Hoofdstuk 3 Algemene regels In de algemene regels zijn naast de op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) verplichte anti-dubbeltelbepaling, diverse algemeen geldende regels opgenomen ten aanzien van aanduidingen, (beperkte) afwijkingen en wijzigingen van het plan en tevens algemene procedurebepalingen. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels In deze regels wordt het overgangsrecht, zoals voorgeschreven in het Bro, overgenomen én is de titel van het plan vastgelegd.
Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels (zogenaamde planregels). De regels zijn gerelateerd aan de verbeelding, zodat verbeelding en regels te allen tijde in onderlinge samenhang dienen te worden bezien en toegepast.
bestemmingsplan
39
bestemmingsplan Ondergrondse hoogspanningsverbinding Veenendaal
Hoofdstuk 6 6.1
FINANCIEEL-ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Inleiding
Dit hoofdstuk beschrijft de onderdelen voor het zekerstellen van de economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond.
6.2
Financiële uitvoerbaarheid
De kosten van de aanleg en instandhouding van de voorgenomen ontwikkeling en het risico komen voor 80 % voor rekening van TenneT. Het overige deel komt voor rekening van gemeente Veenendaal, waarbij een subsidie is verstrekt door Provincie Utrecht. Dit project is ter uitvoering van de Wet voortgang energietransitie per 1 juli 2018 en de per 1 januari 2019 in werking getreden Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) 'Verplaatsen en Verkabelen hoogspanningsverbindingen'. Indien nut en noodzaak van een project zijn aangetoond kan TenneT de investeringskosten doorberekenen in de tarieven voor het transport van elektriciteit (zie ook artikel 20d lid 1 en lid 2, Elektriciteitswet 1998). Voor dit project is dat het geval. De gemeente heeft voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan een overeenkomst afgesloten met TenneT (realisatieovereenkomst). In deze overeenkomst is bepaald dat schade als gevolg van onderhavig bestemmingsplan, welke op grond van afdeling 6.1 Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door TenneT. Datzelfde geldt voor de schade (en de daaruit voortvloeiende kosten) aan de openbare voorzieningen, die ontstaan door de werken voor de aanleg en instandhouding.
Voor bouwplannen die genoemd zijn in artikel 6.12 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in samenhang gelezen met artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening dient een exploitatieplan te worden opgesteld. Het voorliggende bestemmingsplan maakt echter geen aangewezen bouwplan mogelijk zoals genoemd in artikel 6.12 lid 1 Wro, zodat een exploitatieplan op grond van de Wro achterwege kan blijven.
6.3
Beschikbaarheid gronden
Belemmeringenwet privaatrecht TenneT tracht op minnelijke wijze met grondeigenaren, overige zakelijk gerechtigden en gebruikers overeenstemming te bereiken over het gebruik van een strook grond (de zakelijk rechtstrook) ter plaatse van de hoogspanningsverbinding, inclusief beschermingszone, door middel van het vestigen van een zakelijk recht. In het geval op minnelijke wijze geen overeenstemming kan worden bereikt, kan voor aanleg en instandhouding van de verbinding een beroep worden gedaan op de Belemmeringenwet Privaatrecht. Middels deze wet kan door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat aan de rechthebbenden op de grond een zogenaamde gedoogplicht worden opgelegd. In artikel 20 van de Elektriciteitswet is onder meer de toegang tot de Belemmeringenwet Privaatrecht vastgelegd voor de aanleg van elektriciteitsnetten zoals als hier aan de orde zijn. Zakelijk recht Voor de aanleg en instandhouding van de 150 kV hoogspanningsverbinding moet TenneT gebruik kunnen (blijven) maken van een strook grond ter plaatse van de ondergrondse hoogspanningsverbinding. Deze strook (de zakelijk rechtstrook) is vastgesteld op basis van het benodigde ruimtebeslag voor aanleg en instandhouding. Daarbij is rekening gehouden met veiligheidseisen.
Om gebruik te kunnen (blijven) maken van de grond in deze strook sluit TenneT een zakelijk rechtovereenkomst (inclusief gebruiksovereenkomst) af met de eigenaar, de andere zakelijk gerechtigden (zoals erfpachters en opstalhouders) en persoonlijk gerechtigden (zoals huurders en pachters). In dit geval is de eigenaar van de gronden in hoofdzaak de gemeente Veenendaal, omdat de ondergrondse verbinding hoofdzakelijk zal worden aangelegd in openbare gemeentelijke gronden. In deze overeenkomsten worden de afspraken vastgelegd over het gebruik van de grond en welke vergoeding en welke rechten op toekomstige vergoedingen de rechthebbende van TenneT zal ontvangen. Het zakelijk recht betreft een
40
bestemmingsplan
bestemmingsplan Ondergrondse hoogspanningsverbinding Veenendaal opstalrecht en is een zelfstandig recht dat een inbreuk vormt op het exclusieve gebruiksrecht van de eigenaar en de overige zakelijk gerechtigden. TenneT hanteert bij de vestiging van een zakelijk recht het principe van schadeloosstelling (volledige schadevergoeding) zoals de Belemmeringenwet Privaatrecht die kent. Schadeloosstelling betekent dat de rechthebbenden vóór en ná de vestiging van het zakelijk recht in een gelijkwaardige vermogens- en inkomenspositie dienen te verkeren. Schadeloosstelling geschiedt in beginsel ongeacht het moment waarop schade zich voordoet. De schade dient wel een rechtstreeks en noodzakelijk gevolg te zijn van de vestiging van het zakelijk recht. De schade wordt onderscheiden in vier hoofdcomponenten: vermogensschade op het moment van afsluiten van de zakelijk rechtovereenkomst; inkomensschade; bijkomende schade op het moment van afsluiten van de zakelijk rechtovereenkomst; én schade die op het moment van afsluiten van de zakelijk rechtovereenkomst onvoorzienbaar en/of onbepaalbaar is (toekomstschade).
bestemmingsplan
41
bestemmingsplan Ondergrondse hoogspanningsverbinding Veenendaal
Hoofdstuk 7
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID
Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter visie gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na deze bekendmaking nogmaals 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de ter inzagelegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Vanaf dat moment is een bestemmingsplan onherroepelijk.
7.1
Participatie
Voor het verkabelingstraject is op diverse manieren geparticipeerd. Via een speciale projectwebsite (tennet.eu/veenendaal) worden inwoners op de hoogte gehouden (trede 1 – informeren). De website toont de planning, nieuwsberichten met de stand van zaken en een zogeheten Projectatlas waarop de route van de ondergrondse kabels te vinden is (het tracé). Op de atlas kan men inzoomen op hun eigen woning, direct vragen stellen, maar ook eerder gestelde vragen met antwoorden teruglezen. Er zijn daarnaast diverse bewonersavonden georganiseerd. Op 20-11-2019 werd het beoogde tracé getoond. Men kon hier vragen over stellen en/of aandachtspunten delen (trede 2 – inventariseren). Op basis hiervan is het tracé verder geoptimaliseerd. Vervolgens is er op 16-12-2020 een digitale bewonersavond georganiseerd voor bewoners aan de Kastanjelaan om hen te informeren over de wijzigingen in het tracé naar aanleiding van hun feedback in 2019 (trede 1 – informeren). De bewoners aan het Ruisseveen hebben op 08-01-2021 een brief ontvangen, waarin is aangegeven dat ook hun wens om de kabels verder van de huizen af te leggen gehonoreerd kan worden (trede 1 – informeren).
Vervolgens is op 21-04-2021 een digitale bewonersavond georganiseerd voor alle omwonenden van het tracé en andere betrokkenen/belanghebbenden/geïnteresseerden om het definitieve tracé te tonen en te ontdekken of er nog aandachtspunten waren (trede 2 - inventariseren). Op basis hiervan zijn nadere gesprekken met enkele bewoners gevoerd en is nog een en ander verder uitgezocht. Verdere aanpassingen aan het tracé bleken niet mogelijk. Op 21-02-2022 is dan ook een digitale bewonersavond georganiseerd over het ontwerp bestemmingsplan dat op dat moment ter inzage lag (trede 1 – informeren).
7.2
Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
Het bestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg (art. 3.1.1. Bro) gedeeld met de volgende vooroverlegpartners: Provincie Utrecht Waterschap Vallei en Veluwe
42
bestemmingsplan
bestemmingsplan Ondergrondse hoogspanningsverbinding Veenendaal
7.3
Ontwerp ter inzage legging
Het ontwerpbestemmingsplan Ondergrondse hoogspanningsverbinding Veenendaal heeft met ingang van 3 februari 2022 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode bestond gelegenheid voor een ieder hiertegen een zienswijze in te dienen. Van de ter inzage legging is kennisgegeven op de gebruikelijke wijze (bekendmaking in het Gemeenteblad en op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl). Tijdens de hierboven genoemde periode zijn 2 zienswijzen ingediend. Daarbij is de mogelijkheid geboden om zowel schriftelijk als digitaal de zienswijzen in te dienen. De zienswijzen zijn samengevat en becommentarieerd in de Bijlage 1 Commentaarnota april 2022
bestemmingsplan
43