CConstaterende datVeenendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

3.a Vaststelling bestemmingsplan Beatrixstraat 67a - Toelichting

Gemeenteraad 14 september 2023, gemeente VeenendaalBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan Beatrixstraat 67a29.236 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Een eventuele vindplaats uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum zal bestaan uit de resten van een klein jachtkamp (oppervlakte ca. 100 m2 ) en zal zich manifesteren als een vondststrooiing van vuursteenartefacten en houtskool in de podzolbodem, als deze goed bewaard is gebleven. Voor deze perioden geldt een hoge archeologische verwachtingswaarde. Vanaf het Neolithicum nam de veenvorming snel toe en zal het gebied minder aantrekkelijk zijn geworden voor vestiging. Indien het plangebied echter hoog genoeg heeft gelegen valt niet uit te sluiten dat het van het Neolithicum tot en met de Middeleeuwen bewoond is geweest. Een agrarische nederzetting heeft een oppervlakte van ca. 1.000 m2 en zal zich manifesteren als een archeologisch sporenniveau met afval-, paal- en waterkuilen met als gidsartefact aardewerk. Voor het Neolithicum tot

bestemmingsplan

27

bestemmingsplan Beatrixstraat 67a en met de Middeleeuwen heeft het gebied een lage archeologische verwachtingswaarde. In de 18e of vroege 19e eeuw kwam ten zuiden van de Zandstraatgrift een bewoningslint tot ontwikkeling en heeft het noorden van het plangebied deel uitgemaakt van een historisch erf. De woning die ten minste uit 1832 dateert werd in de eerste helft van de 20e eeuw diverse keren aangebouwd en deels gesloopt. Uiteindelijk is in 1934 in het noorden van het plangebied een pand gevormd dat in de jaren ’80 aan de achterzijde een uitbouw heeft gekregen. Het noordelijke deel van het plangebied is daarom nu geheel bebouwd. Voor resten uit de Nieuwe tijd heeft het noorden van het plangebied een hoge archeologische verwachtingswaarde. Door de bouwwerkzaamheden in de 20e eeuw kunnen eventuele archeologische waarden in de bovengrond verstoord zijn geraakt. Verspreid over het toegankelijke deel van het plangebied zijn zes verkennende boringen gezet. Uit het booronderzoek blijkt dat de natuurlijke ondergrond uit een dekzandpakket bestaat. De oorspronkelijke podzolbodem en de top van de C-horizont is verwerkt geraakt in een humeus pakket in de bovengrond. Dit is vanwege de aanwezigheid van fragmenten steenkoolgruis, een in de 19e of 20e eeuw bewerkt pakket. Waarschijnlijk is het gevormd door akkerbouw in het gebied.

Doordat de bodem is afgetopt worden in het plangebied geen archeologische waarden verwacht. Eventuele funderingsrestanten van het pand dat op de kadastrale minuutkaart uit het begin van de 19e eeuw in de noordrand van het plangebied is gekarteerd en eventuele erfresten zoals beer- en waterputten kunnen niet uitgesloten worden. Deze zullen echter nauwelijks aangetast worden omdat de bouw grotendeels zal plaatsvinden in het centrale deel van het plangebied.

5.4.3

Conclusie

Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek geldt voor het plangebied een lage archeologische verwachting. Wel kunnen eventuele funderingsrestanten uit het begin van de 19e eeuw in de noordrand van het plangebied alsmede beer- en waterputten niet worden uitgesloten. Omdat dergelijke resten wel degelijk bijdragen aan de kennis over de historie van Veenendaal, maar de verwachting hierop klein is, worden de inspanningen die een professioneel archeologisch vervolgonderzoek met zich meebrengt, niet in verhouding geacht tot de kenniswinst. Er wordt dan ook geadviseerd om de lokale archeologische vereniging in de gelegenheid te stellen tot het doen van een waarneming tijdens de graafwerkzaamheden op het plangebied. Omdat de kans dat tijdens het plan archeologische waarden verstoord zullen worden laag is, is de locatie vrij gegeven voor de voorgenomen ontwikkeling. Eventuele archeologische resten die tijdens waarneming worden aangetroffen dienen te worden gemeld bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en de gemeente Veenendaal, conform de Erfgoedwet (art 5.10).

5.5

Cultuurhistorie

5.5.1

Wettelijk kader

In 2010 is in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.

5.5.2

Cultuurhistorische kenmerken

In 2018 is de cultuurhistorische waardenkaart door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld. De cultuurhistorische waardenkaart bestaat uit kenmerkenkaarten voor de disciplines landschap en gebouwde omgeving, uit waardenkaarten voor diezelfde aspecten, uit een viertal themakaarten en uit een integrale ensemblekaart, waarop de gebieden die staan die – samen met de sectorale landschappelijke en gebouwde kaarten – het palet aan cultuurhistorisch erfgoed van de gemeente Veenendaal laten zien. Deze zijn opgenomen in de Beleidsnota Erfgoed. De beleidsnota geeft cartografisch aan welke elementen van de cultuurhistorie bestemd zijn. Het gedeelte uit deze nota wat op dit plan van toepassing is, is terug te vinden in afbeelding 5.x en 5.x

28

bestemmingsplan

bestemmingsplan Beatrixstraat 67a

De thema’s waarop in het bijzonder ingezoomd is, zijn vervening, industrie, religie en militair erfgoed. Deze vier thema’s vormen een belangrijk deel van het ‘verhaal van Veenendaal’, waarvan in wisselende hoeveelheden ook nog relicten in het huidige Veenendaal – ondergronds, landschappelijk of gebouwd – terug te vinden zijn.

5.5.3

Toetsing bouwplan

Binnen het cultuurhistorische beleid valt het perceel in stedenbouwkundig waardevol gebied. Het plangebied valt net tussen twee ensembles in (zie onderstaande afbeeldingen). Het gebied valt hier onder de achterkant van het integrale ensemble aan de Zandstraat, maar valt niet in het zicht op de Zandstraat . Het integrale ensemble aan de voorkant van de Zandstraat wordt hier in stand gehouden. De achterkant hiervan is al behoorlijk verloederd en wordt hiervan afgesplitst. Hiervoor wordt een betere aansluiting gezocht bij het stedenbouwkundig ensemble van de Beatrixstraat. Dit ensemble bestaat uit eenvoudige lintbebouwing langs de woonstraat. Hierbij gaat het om behoud van karakter boven behoud van bebouwing. Qua karakter wordt voor dit plangebied vanwege de ligging betrokken bij de Beatrixstraat en niet bij de Zandstraat. Het plan doet zodoende geen afbreuk aan de Beleidsnota Erfgoed.

Afbeelding 5.1: kenmerkenkaart bouwkunst & stedenbouw

Afbeelding 5.2: waarderingskaart bouwkunst & stedenbouw bestemmingsplan

29

bestemmingsplan Beatrixstraat 67a

5.5.4

Conclusie

Het plan wordt meer betrokken bij het stedenbouwkundig ensemble aan de Beatrixstraat en hoort zodoende minder bij het integrale ensemble aan de Zandstraat. Het plan doet zodoende geen afbreuk aan de Beleidsnota Erfgoed.

5.6

Ontplofbare oorlogsresten

Het is bekend dat in de gemeente Veenendaal tijdens de Tweede Wereldoorlog oorlogshandelingen zijn geweest. Dit houdt in dat er op plaatsen mogelijk ontplofbare oorlogsresten (OO) in de bodem kunnen zijn achtergebleven. Uit de praktijk is gebleken dat circa 10% van de afgeworpen bommen niet is geëxplodeerd en in de bodem is achtergebleven als blindganger. De gemeente Veenendaal heeft in mei 2018 beleid ten aanzien van OO vastgesteld. Door het vaststellen van een gemeentelijk beleid wordt geborgd dat activiteiten met betrekking tot OO binnen de gemeente worden getoetst en daar waar nodig beheersmaatregelen kunnen worden genomen en/of voorgeschreven. Het beleid is tevens bedoeld om eenieder die van plan is grondroerende werkzaamheden binnen de gemeente uit te voeren, te verplichten de benodigde acties te ondernemen met betrekking tot de mogelijke aanwezigheid en risico's van OO op de betreffende locatie. Het opsporen en verwijderen van (mogelijke) OO wordt alleen uitgevoerd om het risico met betrekking tot OO weg te nemen, en daarmee een veilige werkomgeving en leefomgeving te creëren tijdens uit te voeren werkzaamheden of activiteiten. Dit is ook de reden dat de gemeente Veenendaal altijd ingelicht moet worden als er projectmatig bodemroerende activiteiten plaatsvinden binnen gebieden die als verdacht zijn aangemerkt.

Vanwege voortschrijdende inzichten in de gebeurtenissen tijdens de Tweede Oorlog heeft er in 2020 een update van de bodembelastingkaart conventionele explosieven plaatsgevonden.

5.6.1

Toetsing bouwplan

Binnen het plangebied zijn geen risico’s vastgesteld op mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten in de bodem. In het Vooronderzoek Conventionele Explosieven van gemeente Veenendaal is aangetoond dat er binnen het plangebied geen sprake is van verdachte (deel)gebieden voor wat betreft het mogelijk aantreffen van Ontplofbare Oorlogsresten (OO). Werkzaamheden binnen het onverdachte plangebied zijn vrij van een verhoogd risicoprofiel en kunnen regulier uitgevoerd worden. Hierbij geldt altijd het advies om het protocol toevalvondsten in acht te nemen. 5.6.2

Conclusie

Het plangebied wordt gezien als geheel onverdacht, er zijn geen risico’s aanwezig. Aanvullend onderzoek is niet nodig. De werkzaamheden kunnen regulier worden uitgevoerd.

30

bestemmingsplan

bestemmingsplan Beatrixstraat 67a

5.7

Ecologie

5.7.1

Wettelijk kader

Voor ecologie moet er bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening worden gehouden met soortbescherming gericht en met gebiedsbescherming. De natuurbescherming in Nederland is geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming zorgt voor een goede natuurbescherming van planten- en diersoorten, natura 2000-gebieden, en bossen. Sommige plant- en diersoorten worden beschermd omdat ze als kwetsbaar worden gekenmerkt. De Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet, en de Flora- en Faunawet zijn vanaf 1 januari 2017 opgenomen in de Wet natuurbescherming. De provincie is het bevoegd gezag voor de Wet natuurbescherming (Wnb). Hierin worden de soortbescherming en de gebiedsbescherming nader belicht omdat beide voor het bestemmingsplan van belang zijn. De regels die voorheen in de Boswet waren opgenomen zijn binnen het plangebied niet van toepassing omdat het gehele gebied binnen de bebouwde kom ligt. Een nadere beschrijving van dit deel van de wet is dan ook niet opgenomen. Soortbescherming Een belangrijk doel van de wet is het beschermen van alle soorten planten- en dieren die in het wild in Nederland voorkomen. De wet gebiedt dat alle in het wild levende dieren en planten in principe met rust worden gelaten, wat is vastgelegd in de algemene zorgplicht. In de regelgeving heeft de gunstige staat van in stand houding van soorten een prominentere plek gekregen.

De Wet natuurbescherming verdeelt beschermde soorten in twee groepen: Strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. In de tweede categorie staan andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst. Provincies hebben de mogelijkheid om voor bepaalde soorten aanvullende maatregelen vast te stellen. De provincie Utrecht heeft hiervoor al een lijst opgesteld met prioritaire soorten en aanvullende maartregelen per soort. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is van toepassing op natuurgebieden die door de overheid zijn aangewezen in het kader van de vogelrichtlijn en/of de habitatrichtlijn. De Habitatrichtlijn richt zich op de bescherming van natuurlijke habitats en leefgebieden van aangewezen planten- en dierensoorten. De Vogelrichtlijn richt zich op de bescherming van leefgebied van beschermde vogelsoorten. Belangrijk is dat ruimtelijke projecten niet zonder meer mogen worden gerealiseerd in beschermde natuurgebieden (Natura 2000). Projecten die in de nabijheid van beschermde natuurgebieden (inclusief de Habitatrichtlijngebieden) worden geprojecteerd, dienen te worden getoetst op de mogelijke negatieve effecten die zij op deze gebieden kunnen hebben (externe werking). Indien een negatief effect vermoed wordt dan moet bij de Provincie een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd worden.

De Provincie zal naar aanleiding van de aanvraag een beschikking opstellen. De beschikking kan een verbod van het project betekenen of voorwaarden verbinden aan de uitvoer. De Wet natuurbescherming beschermt geen gebieden buiten de natura 2000 gebieden. Natuurnetwerk Nederland Naast de volgens de wet aangewezen gebieden kent Nederland het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS). Het NNN is bedoeld voor het ontwikkelen van ecologische zones tussen verschillende natuurgebieden zodat populaties met elkaar in verbinding blijven en versnippering van natuur wordt tegen gegaan. Het is uiteraard niet wenselijk dat een ontwikkeling een verstorende werking heeft op de functie van deze verbindingszones. Deze zones zijn niet beschermd volgens de Wet natuurbescherming maar krijgen planologische bescherming doordat deze in bestemmingsplannen worden opgenomen. Projecten en bestemmingsplannen worden getoetst aan dit provinciale beleid.

bestemmingsplan

31

bestemmingsplan Beatrixstraat 67a

5.7.2

Toetsing bouwplan

Op 22 juni 2022 is door Groenewold adviesbureau een uitgebreide ecologische quickscan uitgevoerd (Bijlage 3). Hierin zijn een aantal bevindingen gedaan over de beschermde natuurwaarden. In de te slopen opstallen zijn geen beschermde soorten of verblijfplaatsen aangetroffen. Specifiek is gezocht naar (potentiële) verblijfplaatsen van vleermuizen, kleine marters en de huismus. Deze zijn niet gevonden en gezien de situatie en de biotoopeisen ook niet te verwachten, met uitzondering van huismusnesten. Er zijn geen open stootvoegen, geschikte daklijsten of toegangen aanwezig. Huismusnesten zijn jaarrond beschermd. Hoewel het gebouw en de locatie niet echt voldoet aan de eisen van huismussen, konden nestplaatsen tijdens het 1e locatiebezoek niet met zekerheid worden uitgesloten. Daarom is nader onderzoek uitgevoerd. Uit het nader onderzoek bleek een goede populatie huismussen aanwezig in de omgeving, maar zijn in het te slopen pand geen huismusnesten aangetroffen of roepende mannetjes gehoord. Daarmee zijn huismusnesten met zekerheid uit te sluiten. Er geldt een vrijstelling voor de algemeen beschermde soorten (Omgevingsverordening Utrecht). Overigens blijft de algemene zorgplicht altijd van kracht. Om de risico’s op verstoring van beschermde soorten (bijv.

vogels) op het werkterrein te minimaliseren, wordt aanbevolen om voorafgaand aan de werkzaamheden het terrein te controleren op de aanwezigheid van beschermde soorten. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Gezien de beperkte omvang en afstand van het plan wordt geen relevante bijdrage van stikstof op natura 2000 gebieden verwacht. Hierbij is het uitgangspunt dat de woning gasvrij gerealiseerd zal worden. Een (Aerius)berekening stikstofdepositie wordt daarom niet noodzakelijk geacht. 5.7.3

Conclusie

Het thema ecologie is door middel van een uitgebreide quickscan voldoende onderzocht. Er zijn geen ecologische weigeringsgronden. Op basis van de ecologische quickscan kan er een omgevingsvergunning worden verleend.

5.8

Geluid

5.8.1

Wettelijk kader

Tussen de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet geluidhinder (Wgh) is een koppeling gelegd. Dat blijkt uit art. 76 en 76a van de Wgh. Dit betekent dat de geluidssituatie binnen het plangebied moet voldoen aan de voorwaarden uit de Wgh. Als nadere invulling van deze voorwaarden heeft de gemeente Veenendaal de beleidsregel hogere waarden Wgh opgesteld. In het kader van de Wet geluidhinder liggen er zones rond wegen en spoorlijnen en gezoneerde industrieterreinen. Wegen op een woonerf of met een maximumsnelheid van 30 km/uur hebben geen zone. Binnen een zone moet voor het realiseren van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen, onderzoek worden gedaan naar de geluidbelasting. Binnen de geluidszone geldt een voorkeurswaarde voor de geluidsbelasting ter plaatse van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen of terreinen. Hierbij geldt een afzonderlijke toetsing per weg, spoorweg of industrieterrein. Bij overschrijding van de voorkeurswaarde moet worden onderzocht of geluid reducerende maatregelen getroffen kunnen worden, waarbij de volgorde bron- overdracht- en ontvangermaatregelen de voorkeur geniet. Beleidsregel hogere waarden Pas als blijkt dat niet aan de voorkeurswaarde kan worden voldaan kan het college van Burgemeester en Wethouders een hogere waarde verlenen (ontheffing van de voorkeurswaarde). Hierbij geldt wel een maximale ontheffingswaarde.

Voordat een hogere waarde vast te stellen dienen bron- en overdrachtsmaatregelen afgewogen te worden. In deze beleidsregel worden randvoorwaarden genoemd voor het toestaan van hogere geluidsbelastingen dan de voorkeurswaarde. De voorwaarden zijn geformuleerd als eis of als inspanningsverplichting. Indien niet aan de inspanningsverplichting kan worden voldaan dient de initiatiefnemer te motiveren waarom dit

32

bestemmingsplan

bestemmingsplan Beatrixstraat 67a niet kan of waarom voor een alternatieve oplossing is gekozen. 5.8.2

Toetsing bouwplan

Bureau AWG Geluidadvies heeft een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidsbelasting van wegverkeerslawaai (Bijlage 5). De Beatrixstraat heeft geen wettelijke geluidzone. Het plan is gelegen binnen de 200 m brede geluidzone van de Weverij. De Zandstraat (ter plaatse van het plangebied) en de Beatrixstraat zijn 30 km wegen en hebben daarmee geen wettelijke geluidzone. Op basis van het gemeentelijke geluidbeleid zijn beide wegen wel in de afweging betrokken. Het wegdek op de Weverij en de Zandstraat bestaat uit standaard DAB, op de Beatrixstraat ligt een elementenverharding in keperverband. De geluidbelasting op de gevels van de woningen voldoet vanwege de Weverij en de Zandstraat aan de voorkeursgrenswaarde van Lden= 48 dB (incl. aftrek 5 dB). De bijdrage van de niet gezoneerde Beatrixstraat is berekend op Lden=50 dB. Omdat er geen wettelijke geluidzone is, kan op basis van de Wgh geen hogere waarde worden vastgesteld. Wel moet op basis van het gemeentelijke geluidbeleid de karakteristieke geluidwering voldoende zijn voor een goede binnenwaarde. Vanwege de elementenverharding is er toch een bijdrage boven de voorkeursgrenswaarde berekend. Deze overschrijding is wel heel beperkt. Op basis van het gemeentelijke beleid moet dit wel in de beoordeling worden betrokken.

De vereiste karakteristieke geluidwering van de gevels moet dan op de meeste gevels voldoen aan de minimale waarde uit het Bouwbesluit van GA;k =20 dB. Alleen voor de oostgevels moet de karakteristieke geluidwering minimaal GA;k =22 dB zijn. Dat is in een nieuwbouwsituatie vrij eenvoudig te realiseren. Er zijn één of meer geluidluwe gevels per woning. Daarmee past de aanvraag binnen het gemeentelijke geluidbeleid. 5.8.3

Conclusie

De geluidsbelasting biedt geen belemmering. Beide woningen hebben minimaal één geluidluwe gevel. Hiermee past het plan daarmee binnen het gemeentelijke geluidbeleid. Het aspect wegverkeersgeluid vormt hiermee geen belemmering voor realisatie van het plan.

5.9

Bedrijven- en milieuzonering

Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Der basis hiervoor vormt de Wet milieubeheer. In de VNG handreiking 'bedrijven en milieuzonering' 2009 zijn de aan te houden afstanden opgenomen. Hieraan wordt het plan dan ook getoetst. Milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) dienen binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen.

5.9.1

Toetsing bouwplan

Uit beschouwing blijkt dat er volgens het bestemmingsplan 'bestemmingsplan Centrum' al wonen is toegestaan, echter niet is deze omvang. Maar doordat er al wonen is toegestaan zijn er al mogelijke beperkingen aan het gebruik in de directe omgeving voor milieubelastende bedrijven. De maximaal planologisch toegestane categorie is 2 volgens de zogeheten Staat van bedrijfsactiviteiten. Hierbij behoort een afstand in dit gebied van 10 meter. De beoogde woonbebouwing komt echter op ca. 5 meter te staan. Maar omdat wonen al is toegestaan treden en eigenlijk geen (extra) belemmeringen op en is het realiseren van deze twee woongebouwen mogelijk vanuit het aspect Bedrijven en milieuzonering. Dit dient echter wel in samenhang met het aspect “Aanvaardbaar woon- en leefklimaat” in een ruimtelijke onderbouwing beschreven te worden. Boven de winkel in de Zandstraat wordt op dit moment al gewoond en de winkel is op dit moment niet in de gebruik. De woning komt aan de Beatrixstraat , in de Beatrixstraat is op dit moment al voor het grootste gedeelte sprake van woningen. De functie wonen past zodoende goed in de straat waar al sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

bestemmingsplan

33

bestemmingsplan Beatrixstraat 67a

5.9.2

Conclusie

Zoals in het bovenstaande beschreven is gebleken dat er voldaan kan worden aan de eisen voor een goed woon- en leefklimaat.

5.10

Luchtkwaliteit

5.10.1 Wettelijk kader Voor luchtkwaliteit zijn de luchtkwaliteitseisen (hoofdstuk 5.2) van de Wet milieubeheer van kracht. Hierin is vastgelegd dat onder meer ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de in de wet opgenomen grenswaarden en richtwaarden. Deze Wet is nader uitgewerkt in Besluiten en Regelingen, waarvan het Besluit en de Regeling niet in betekenende mate (nibm), het Besluit gevoelige bestemmingen en de Regeling beoordeling de belangrijkste zijn. Daarnaast is ook het beginsel van een goede en duurzame ruimtelijke ordening van belang. Niet in betekenende mate (nibm) Alleen projecten die ‘in betekenende mate’ bijdragen aan de concentraties luchtvervuiling worden getoetst aan de grenswaarden. Er dient te worden onderzocht of een project ‘in betekenende’ mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Het Besluit nibm bepaalt dat een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie luchtvervuiling als deze minder dan 3% van de grenswaarde, ofwel 1,2 microgram per m3. De Regeling nibm is hier een nadere uitwerking van. Hierin is bepaald dat woningbouwprojecten tot 1.500 woningen en kantoren tot 100.000 m2 zijn vrijgesteld van toetsing aan de wettelijke grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof. Besluit gevoelige bestemmingen Kinderen, ouderen en zieken zijn gevoeliger voor luchtvervuiling en worden daarom extra beschermd.

Op basis van het Besluit gevoelige bestemmingen gelden voor gevoelige bestemmingen nabij wegen zwaardere beperkingen. Zo mogen binnen 300 meter van rijkswegen en 50 meter vanaf provinciale wegen geen bestemmingen voor langdurig verblijf als kinderdagverblijven, scholen of verzorgingstehuizen worden gebouwd, als de wettelijke grenswaarden worden overschreden. Het Besluit verplicht overheden om onderzoek uit te voeren naar de concentraties stikstofdioxide en fijn stof. Voor gemeentelijke wegen geldt een zwaardere motiveringsplicht. Concentraties stikstofdioxide en (ultra) fijn stof De Omgevingsdienst heeft de concentraties stikstofdioxide en (ultra) fijn stof voor het jaar 2015 en 2025 berekenend met het rekenmodel GeoMilieu. De wettelijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde ligt op 40 microgram per m3. De uurgemiddelde grenswaarde voor stikstofdioxide van 200 microgram per m3 wordt overschreden wanneer de concentraties gemiddeld op jaarbasis boven de 60 microgram per m3 uitkomen.

5.10.2 Toetsing bouwplan Om een beeld te krijgen van de luchtkwaliteit op locatie zijn de huidige- en toekomstige concentraties stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) bekeken.

34

bestemmingsplan

bestemmingsplan Beatrixstraat 67a

Tabel 5.1: huidige- en toekomstige concentraties stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) in relatie tot de Nederlandse normen Hierbij dient opgemerkt te worden dat de concentraties hoger zijn dan de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). Recentelijk is gebleken dat NO2 en fijn stof schadelijker zijn dan gedacht. De WHO heeft daarom de advieswaarden voor zowel NO2, PM10 en PM2,5 drastisch verlaagt naar respectievelijk 10, 15 en 5 microgram per m3. Hoewel naar verwachting de komende jaren de lucht een stuk schoner wordt, wordt nog geen van deze WHO-advieswaarden in de nabije toekomst gehaald.

Tabel 5.2: huidige- en toekomstige concentraties stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) in relatie tot de WHO advieswaarden

5.10.3 Conclusie De onderzochten concentraties voldoen zowel in de huidige- als in de toekomstige situatie aan de Nederlandse normen. Daarnaast is het huidige project is een dusdanig kleinschalig project dat het niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit is daarom niet noodzakelijk. Er zijn zodoende geen belemmeringen voor het aspect luchtkwaliteit

5.11

Mobiliteit

5.11.1 Wettelijk kader Op 26 november 2020 heeft de raad de Notitie parkeernormen Veenendaal 2020 vastgesteld. De parkeernormen zijn hiermee herzien. In het vastgestelde beleid worden flexibelere parkeernormen toegepast, waardoor er meer maatwerk mogelijk is bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in Veenendaal. Hierbij wordt meer rekening gehouden met het bestaande stedelijk gebied en met de mogelijkheden om met andere vervoerswijzen te reizen naast de personenauto. Ook worden er fietsparkeernormen geïntroduceerd om de positie van Veenendaal als fietsstad verder te versterken. Tot slot kunnen initiatiefnemers van grote ruimtelijke ontwikkelingen met behulp van een mobiliteitsplan gemotiveerd een reductie op de parkeernormen verdienen door andere vormen van mobiliteit aan te bieden en gebruik te maken van de kwaliteiten die aanwezig zijn in de nabije omgeving van het plangebied.

bestemmingsplan

35

bestemmingsplan Beatrixstraat 67a

5.11.2 Toetsing bouwplan Voor de realisatie van de twee-onder-een-kap woning geldt een parkeernorm van 1,0 p.p. per woning. Hiermee zijn in totaal 2,0 p.p. nodig, waarvan 1,6 p.p. voor bewoners en 0,4 p.p. voor bezoekers. Volgens de Notitie Parkeernormen Veenendaal dient de parkeeroplossing binnen het plangebied of op eigen terrein te worden gerealiseerd. Voor het bezoekersaandeel mag het Beter benutten principe worden toegepast. Volgens het nieuwe parkeerbeleid willen we eerst het bestaande parkeer areaal beter benutten, voordat er nieuwe parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Het Beter benutten principe kan alleen worden toegepast wanneer de parkeerdruk de 85% grens niet overschrijdt. Omdat de parkeerdruk op de grote parkeerkoffer ten zuidwesten van het plangebied tijdens de avonduren lager is dan 85%, kan het Beter Benutten principe worden toegepast. Hiermee blijft een parkeer-eis van 1,6 parkeerplaatsen (bewoners) die op eigen terrein moet worden opgelost. Het plan voorziet in de realisatie van een parkeercluster met 3 haaksparkeerplaatsen aan de noordzijde van het terrein. Rekening houdend met een reductiefactor van 0,9 p.p. tellen de 3 parkeerplaatsen in de praktijk als 2,7 parkeerplaatsen. Conform de Notitie Parkeernormen Veenendaal 2020 dient per woning op de begane grond een berging te worden gerealiseerd die een oppervlakte heeft van tenminste 5 m2.

Deze dient onder andere bestemd te zijn voor een of meerdere fietsen. De plannen voorzien in de realisatie van een berging (omvang circa 7m2) per woning. 5.11.3 Conclusie Gelet op bovenstaande is er voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein aanwezig om te kunnen voorzien in de parkeerbehoefte van de 2 woningen. Ook aan de eisen voor de fietsenberging wordt voldaan. Om te borgen dat er wordt voldaan aan de parkeernorm is een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Deze is terug te vinden in hoofdstuk 12.1 Voorwaardelijke verplichting parkeren In de overeenkomst is het inrichtingsplan opgenomen, deze is terug te vinden in Bijlage 6. Het parkeren wordt ingericht aan de hand van het inrichtingsplan. Hierbij is de inrichting van deze parkeerplaatsen bestemd als verkeer.

5.12

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

In juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r) in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de procedure voor de vormvrije m.e.r.- beoordeling. Voor een aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, zal door de initiatiefnemer een aanmeldnotitie opgesteld moeten worden. Na het indienen van de aanmeldnotitie dient het bevoegd binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbeslissing te nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden. Vervolgens moet de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is vereist als een besluit wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst en de besluiten (kolom 4) die daaraan zijn gekoppeld, in gevallen waarin de omvang van activiteiten onder de drempelwaarden (kolom 2 van de D-lijst) liggen.

5.12.1 Toetsing bouwplan De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van twee woningen (twee-onder-één-kap) aan de Beatrixstraat 67a te Veenendaal. Gelet op de aard, omvang en directe omgeving is de beoogde ontwikkeling zelfstandig beschouwd niet aan te merken is als een stedelijk ontwikkelingsproject (categorie D 11.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r.). Voor dit oordeel is met name doorslaggeven dat het hier ‘slechts’ twee woningen gaat in een centrumgebied.

36

bestemmingsplan

bestemmingsplan Beatrixstraat 67a

5.12.2 Conclusie Er hoeft voor het bestemmingsplan geen (vormvrije) m.e.r.(beoordelings)-procedure doorlopen te worden en er hoeft dus ook geen m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen te worden.

5.13

Totaalbeeld aspecten

Uit alle gevoerde onderzoeken komt naar voren dat het bestemmingsplan niet op onacceptabele gevolgen of belemmeringen stuit voor de directe omgeving. Geconcludeerd wordt dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

bestemmingsplan

37

bestemmingsplan Beatrixstraat 67a

Hoofdstuk 6 6.1

JURIDISCHE PLANOPZET

Inleiding

Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels (zogenaamde planregels). De regels zijn gerelateerd aan de verbeelding, zodat verbeelding en regels te allen tijde in onderlinge samenhang dienen te worden bezien en toegepast. Verbeelding Zoals reeds eerder gesteld is de verbeelding gerelateerd aan de regels (en vice versa) en heeft tevens de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Verder kunnen er binnen een bestemming verklaringen zijn aangegeven. Deze hebben juridisch gezien geen enkele betekenis en zijn uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van de kaart (bijvoorbeeld topografische gegevens). De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en overheid bindende deel van het bestemmingsplan. Regels De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in meerdere hoofdstukken.

Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken. Toelichting De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Door de grote flexibiliteit, of beter vrijheid in de regels, kan de rechtszekerheid van belanghebbenden in het gedrang komen. In de toelichting dienen derhalve duidelijk de beleidsintenties te worden aangegeven met betrekking tot toekomstig grondgebruik. De toelichting heeft echter geen rechtsreeks burgers bindende werking.

6.2

De indeling van de planregels

Het gemeentelijk beleid is vertaald in de planregels. Het deelplan bevat normatieve regels, die bindend zijn voor zowel de overheid als de burger. Daarbij is geprobeerd een flexibel stelsel van regels te ontwikkelen zonder daarbij tekort te doen aan eisen van rechtszekerheid. Gekozen is daarom om het aantal bestemmingen op de verbeelding te beperken tot datgene wat noodzakelijk wordt geacht. Het is voor beide partijen van groot belang, dat de verbeelding en de planregels duidelijke informatie verschaffen. Door het aantal bestemmingen met een minimum te beperken wordt de leesbaarheid en duidelijkheid van zowel de verbeelding als de planregels vergroot. Een leesbaar en duidelijk plan zorgt bovendien voor een plan dat handhaafbaar is. De indeling van de planregels is als volgt: 6.2.1

Inleidende regels (hoofdstuk 1)

Dit hoofdstuk bevat alle bepalingen die nodig zijn om de overige planregels goed te kunnen hanteren: begrippen: bevat in het plan gebruikte begrippen die uitleg behoeven; wijze van meten: bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlaktes, percentages, hoogtes, dieptes, breedtes en dergelijke. Hieronder valt tevens de wijze van peilbepaling.

38

bestemmingsplan

bestemmingsplan Beatrixstraat 67a

6.2.2

Bestemmingsregels (hoofdstuk 2)

Binnen dit plan komen de volgende bestemmingen voor: Wonen

W

Dubbelbestemmingen Waarde - Archeologie

WR-A

Gebiedsaanduidingen milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied vrijwaringszone - molenbiotoop In paragraaf 6.3 Bestemmingen wordt er per bestemming aangegeven wat de gebruiksmogelijkheden en de bouwmogelijkheden zijn. Indien bestemmingsspecifieke flexibiliteitsregels aan de orde zijn worden deze per artikel opgenomen. Algemene flexibiliteitsregels zijn in hoofdstuk 3 opgenomen. 6.2.3

Algemene regels (hoofdstuk 3)

Hoofdstuk 3 bestaat achtereenvolgens uit de volgende artikelen: Anti-dubbeltelregel; Algemene bouwregels; Algemene gebruiksregels; Algemene aanduidingsregels; Algemene afwijkingsregels; Algemene wijzigingsregels; Verwezenlijking in de naaste toekomst; Algemene procedureregels; Overige regels. 6.2.4

Overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4)

In hoofdstuk 4 van de regels is het overgangsrecht geformuleerd. De formulering is conform de tekst als in het Bro omschreven. Zonder vergunning opgerichte, dus illegale, bouwwerken vallen niet onder het overgangsrecht. Indien de bouwwerken door wetgeving inmiddels vergunningvrij kunnen worden opgericht, worden deze niet als illegaal beschouwd. In de slotregel wordt genoemd hoe het plan kan worden aangehaald.

6.3

Bestemmingen

De bestemmingen bestaan uit een opsomming van omschrijvingen die aangeven hoe een bepaalde plek gebruikt mag worden en wat er op een bepaalde plek gebouwd mag worden. Dit wordt respectievelijk opgesomd in de bestemmingsomschrijving en de bouwregels. Daarnaast gelden er voor sommige bestemmingen aanvullende specifieke gebruiksregels (bijvoorbeeld verboden) en mogelijkheden tot afwijken van de gebruiks- en bouwregels. In dit bestemmingsplan is bij de bestemmingsomschrijvingen het begrip additionele voorzieningen toegevoegd. Deze voorzieningen vormen een onderdeel van de bestemming of functie en zijn daaraan ondergeschikt. Met deze ruime begripsomschrijving worden meerdere voorzieningen aan de bestemmingen gekoppeld om flexibiliteit voor (kleine) bouwwerken in het plan te waarborgen.

bestemmingsplan

39

bestemmingsplan Beatrixstraat 67a

Hieronder wordt de voor dit plan geldende bestemming toegelicht. Er wordt aangegeven wat de gebruiksen bouwmogelijkheden zijn. Wonen - W Gebruiksmogelijkheden Op de gronden met de bestemming 'Wonen - W' mag natuurlijk gewoond worden. Daarnaast is het direct toegestaan om beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteiten uit te oefenen in hoofd- of bijgebouw tot een maximum van 45 m². Dit gebruik is echter wel aan voorwaarden onderhevig, de voorwaarden worden in specifieke gebruiksregels binnen de bestemming opgenomen. Binnen het plangebied is het volgende woningtype toegestaan: 1. ter plaatse van de aanduiding [tae] mogen twee-aan-een woningen worden gebouwd; De twee woningen worden niet voorzien van een aanduiding om functies als detailhandel, dienstverlening of horeca mogelijk te maken. Wel blijven uiteraard mogelijkheden om een beroep aan huis of bedrijf aan huis te starten. Bouwmogelijkheden Hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak gebouwd worden. Bijbehorende bouwwerken zijn alleen toegestaan in de vorm van bergingen, binnen de daarvoor bestemde aanduidingen op de verbeelding. Hierbij geldt als aanvullende eis dat deze van een plat dak voorzien dienen te worden. Voor alle gebouwen zijn de maximale bouwhoogten op de verbeelding aangeduid. Additionele voorzieningen: gedacht kan worden aan: parkeerplaatsen, tuinen, vijvers, erven etc.

Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied (gebiedsaanduiding) In het kader van de grondwaterbescherming is op de verbeelding de zogenaamde milieuzone-grondwaterbeschermingsgebied als bedoeld in de Provinciale Milieuverordening Utrecht aangegeven. Deze zone is als een gebiedsaanduiding in de planregels opgenomen. Een milieuzone-grondwaterbeschermingsgebied is een gebied waar de onttrekking van water plaatsvindt onder slecht doorlatende aardlagen. Het beschermingsregime van de milieuzone-grondwaterbeschermingsgebied is gericht op het tegengaan van activiteiten die de beschermende functie van de slecht doorlatende bodemlagen teniet kunnen doen. Als regeling is opgenomen, dat indien door de gebiedsaanduiding “milieuzone-grondwaterbeschermingsgebied” met elkaar onverenigbare regels van kracht worden de bovengenoemde regels voorrang hebben, tenzij de beheerder van het grondwater met het tegendeel instemt. Vrijwaringszone - molenbiotoop (gebiedsaanduiding) Gebruiksmogelijkheden De gronden gelegen binnen de op de verbeelding aangegeven 'molenbiotoop', zijn primair bestemd voor de aanleg, instandhouding en herstel van molen. Indien strijd ontstaat tussen het belang van molenbiotoop en de overige bestemmingen, prevaleert de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone molenbiotoop''.

Bouwmogelijkheden Om voor de molen vrije windvang te garanderen en het zicht op de molen veilig te stellen geldt binnen de op de verbeelding als molenbiotoop aangeduide gronden dat: 1. binnen een straal van 100 meter, gerekend vanaf het middelpunt van de molen, geen bebouwing of beplanting mag worden opgericht hoger dan het onderste punt van de verticale staande wiek; 2. binnen de straal van 100 tot 400 meter, gerekend vanaf het middelpunt van de molen, geen bebouwing of beplanting mag worden opgericht met een grotere hoogte dan 1/30 van de afstand, gemeten tussen de bebouwing of beplanting en het onderste punt van de verticaal staande wieken van de molen.

40

bestemmingsplan

bestemmingsplan Beatrixstraat 67a

Burgemeester en wethouders kunnen onder bepaalde voorwaarden afwijken via omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen (o.a. dat de vrije windvang of het zicht ter plaatse reeds beperkt is). Daarbij is er een omgevingsvergunningsvereiste opgenomen voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Overgangsrecht In hoofdstuk 4 is het overgangsrecht geformuleerd. De formulering is conform de tekst als in het Bro omschreven. Zonder vergunning opgerichte, dus illegale, bouwwerken vallen niet onder het overgangsrecht. Indien de bouwwerken door wetgeving inmiddels vergunningvrij kunnen worden opgericht, worden deze niet als illegaal beschouwd.

bestemmingsplan

41

bestemmingsplan Beatrixstraat 67a

Hoofdstuk 7

FINANCIEEL-ECONOM ISCHE UIT VOERBAARHEID

Tegelijkertijd met de vaststelling van een bestemmingsplan kunnen exploitatieplannen (ex. art. 6.12 Wro) worden vastgesteld. Op basis van het exploitatieplan kunnen (plan)kosten worden verhaald. Een exploitatieplan hoeft niet opgesteld te worden bij een bestemmingsplan met alleen conserverende bestemmingen of wijzigingsbevoegdheden. Een exploitatieplan hoeft ook niet opgesteld te worden als het kostenverhaal ‘anderszins verzekerd’ is, door middel van bijvoorbeeld anterieure overeenkomsten of als de gemeente eigenaar is van de gronden. Om de financiële haalbaarheid van het plan te garanderen en te voldoen aan de wettelijke plicht ex artikel 6.12 Wro, is met de initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst aangegaan. In deze overeenkomst zijn afspraken gemaakt over de ontwikkeling van het plangebied, de te betalen exploitatiebijdrage en eventuele planschade. Uit de overeenkomst blijkt dat de kosten zullen worden gedragen door de initiatiefnemer. Zodoende is de economische uitvoerbaarheid niet in het geding.

42

bestemmingsplan

bestemmingsplan Beatrixstraat 67a

Hoofdstuk 8

M AAT SCHAPPELIJKE UIT VOERBAARHEID

Het gemeentelijke beleid is er op gericht om in de voorbereiding op de bestemmingsplanprocedure een participatietraject te volgen. Om in het voortraject inspraak te kunnen hebben worden belanghebbenden uitgenodigd om te participeren in de totstandkoming van het bestemmingsplan. Dit vervangt de ter inzagelegging van het voorontwerpbestemmingsplan. Met de burgerparticipatie wordt eenieder in de gelegenheid gesteld om kennis te nemen van het plan en te reageren op de inhoud. Op 6 april 2022 zijn de plannen tijdens een bewonersavond gedeeld met de omwonenden. Het volledige verslag is terug te lezen in Bijlage 7. De grootste bezorgdheid en opmerkingen waren er op uitwerkingsniveau. De grootste zorg van de bewoners waren de privacy (eventueel ramen in achtergevel en dakterras) en het parkeren. Aangegeven is dat er geen ramen in de achtergevel zullen komen. Daarnaast zal er geen dakterras worden toegestaan. Voor wat betreft het parkeren is aangegeven dat dit plaats zal vinden op eigen terrein. De trottoirband is hierop aangepast. Bewoners waren bezorgd over eventuele geparkeerde auto's op de toekomstige inrit. De gemeente heeft aangegeven dat er geen preventieve maatregelen genomen zullen worden. Mochten er in de praktijk problemen ontstaan zal in gesprek met de gemeente worden gekeken of er maatregelen zijn die zullen werken.

Alle vragen zijn beantwoord en de opmerkingen worden meegenomen in de definitieve uitwerking van het plan richting de uiteindelijke aanvraag omgevingsvergunning.

8.1

Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

In het kader van vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit omgevingsrecht wordt het ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de provincie Utrecht en het Waterschap Vallei en Veluwe.

8.2

Ontwerp ter inzage legging

Het ontwerpbestemmingsplan 'Beatrixstraat 67a heeft met ingang van woensdag 8 februari 2023 gedurende zes weken, tot en met woensdag 22 maart 2023, ter inzage gelegen. Tijdens deze periode bestond gelegenheid voor een ieder hiertegen een zienswijze in te dienen. Van de terinzagelegging is kennisgegeven op de gebruikelijke wijze. Er zijn drie zienswijzen ingediend binnen de hiervoor bedoelde termijn. De commentaarnota is terug te vinden in de Bijlage 8.

bestemmingsplan

43

bestemmingsplan Beatrixstraat 67a

44

bestemmingsplan

bestemmingsplan Beatrixstraat 67a

Bijlagen

bestemmingsplan

45

bestemmingsplan Beatrixstraat 67a

Bijlage 1 Nader Bodemonderzoek

46

bestemmingsplan

Midden Nederland Consultancy BV Nader bodemonderzoek met plan van aanpak op de locatie aan de Beatrixstraat 67a te Veenendaal Projectnummer: 220932/lvh/sh Datum: 16 september 2022

Opdrachtgever Midden Nederland Consultancy BV Renswoudseweg 6 6744 WE EDERVEEN Hunneman Milieu-Advies Raalte BV Postbus 253 8100 AG RAALTE Tel: 0572-360998 E-mail: info@hunneman-milieu.nl

BRL-SIKB 2000

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING............................................................................................................................. 1

2

VOORONDERZOEK ............................................................................................................ 2

2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 3

VELD- EN LABORATORIUM ONDERZOEK .................................................................. 6

3.1 3.2 3.3 4

VELDONDERZOEK ................................................................................................. 6 LABORATORIUM ONDERZOEK .............................................................................. 6 TOETSINGSCRITERIA EN ANALYSERESULTATEN NEN-PARAMETERS................... 6

INTERPRETATIE ONDERZOEKSRESULTATEN ......................................................... 8

4.1 4.2 4.3 5

ONDERZOEKSAANLEIDING ................................................................................... 2 ACHTERGRONDINFORMATIE................................................................................. 2 HISTORISCHE INFORMATIE ................................................................................... 3 BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE ................................................................. 4 HYPOTHESE EN ONDERZOEKSSTRATEGIE ............................................................. 4 BETROUWBAARHEID ONDERZOEK ........................................................................ 5

VASTE BODEM, VOORGAAND BODEMONDERZOEK ............................................... 8 VASTE BODEM, NADER ONDERZOEK .................................................................... 8 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ........................................................................ 8

PLAN VAN AANPAK ............................................................................................................ 9

5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6

UITGANGSPUNTEN EN RANDVOORWAARDEN ....................................................... 9 VOORBEREIDENDE WERKZAAMHEDEN................................................................. 9 SANERINGSWERKZAAMHEDEN ........................................................................... 10 PLANNING ........................................................................................................... 10 VEILIGHEID ......................................................................................................... 10 UITVOERING, MILIEUKUNDIGE BEGELEIDING EN EVALUATIE ............................ 11

BIJLAGEN: 1 2 3 4 5

Kadastraal overzicht Boorbeschrijvingen Toetsingstabellen en analyserapport vaste bodem Relevante informatie voorgaand bodemonderzoek Veiligheidsklasse

TEKENINGEN: 1-2 Situatie met boringen en contourlijn vaste bodem met PAK > I-waarde 2-2 Situatie met ontgravingscontouren

______________________________________ Hunneman Milieu-Advies _______________

1

INLEIDING

In opdracht van Midden Nederland Consultancy BV is in september 2022, door Hunneman Milieu-Advies Raalte BV, een nader bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie aan de Beatrixstraat 67a te Veenendaal. Voor een kadastraal overzicht van de onderzoekslocatie en omgeving verwijzen wij naar bijlage 1. Het onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de resultaten uit het verkennend bodemonderzoek op de locatie. Het onderzoek heeft tot doel het vaststellen van de ernst, mate en omvang van de aangetoonde PAK-verontreiniging in de vaste bodem. Het veldwerk, de grond- en/of grondwaterbemonstering en het laboratoriumonderzoek is uitgevoerd conform de geldende beoordelingsrichtlijn “Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek” BRL-SIKB 2000. Voor deze richtlijn is Hunneman Milieu-Advies Raalte BV in het bezit van een procescertificaat, welke is afgegeven door KIWA.

De van toepassing zijnde protocollen in dit onderzoek zijn: ☒ 2001: Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen ☐ 2002: Het nemen van grondwatermonsters ☐ 2003: Veldwerk bij milieuhygiënisch waterbodemonderzoek ☐ 2018: Maaiveldinspectie en monsterneming van asbest in bodem Het procescertificaat van Hunneman Milieu-Advies Raalte BV (certificaatnummer K26828) en het hierbij behorende keurmerk zijn uitsluitend van toepassing op de activiteiten inzake “Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek”. Hunneman MilieuAdvies Raalte BV is geen eigenaar van de te onderzoeken percelen en is onafhankelijk van de opdrachtgever en/of terreineigenaar. Op basis van de onderzoeksresultaten is voor de verwijdering van de aangetoonde PAKverontreiniging, in hoofdstuk 5 een plan van aanpak uitgewerkt. Het rapport is als volgt ingedeeld: • Vooronderzoek • Veld- en laboratorium onderzoek • Interpretatie onderzoeksresultaten • Plan van aanpak

Nader bodemonderzoek met plan van aanpak, Beatrixstraat 67a te Veenendaal

(hoofdstuk 2); (hoofdstuk 3); (hoofdstuk 4); (hoofdstuk 5).

1

______________________________________ Hunneman Milieu-Advies _______________

2

VOORONDERZOEK

In de NEN-5725 zijn 7 aanleidingen tot vooronderzoek naar landbodems geformuleerd. Voor elke afzonderlijke aanleiding tot vooronderzoek dienen verschillende onderzoeksvragen te worden beantwoord. De verplicht te onderzoeken aspecten zijn per aanleiding omschreven in tabel 1. Tabel 1:

verschillende onderzoeksaspecten ONDERZOEKSASPECTEN

1. locatiegegevens 2.bodemopbouw en geohydrologie 3. verwachting t.a.v. de bodemkwaliteit 4. gebruik/beïnvloeding van de locatie, verdachte situatie, activiteiten, ongewoon voorval 5. terreinverkenning

eigendomssituatie hoogteligging bodemopbouw antropogene lagen in de bodem geohydrologie geval van ernstige bodemverontreiniging kwaliteit o.b.v. BKK o.b.v. uitgevoerde bodemonderzoeken voormalig huidig toekomst asbestverdacht voorafgaand aan de uitvoering

Aanleidingen tot vooronderzoek A

B

O

O

       

  

 

O  O   

C

D

E

F

 

  

  

   

    

 

 

     O  

G

          

A. bodemonderzoek, par. 6.2.1; E. opstellen/ actualiseren bodemkwaliteitskaart (Bbk), par. 6.2.5; F. gebruik bodemkwaliteitskaart (Bbk), par. 6.2.6; B. nul‐ en eindsituatieonderzoek, par. 6.2.2; G. inschatten van arbeidshygiënische risico’s, par. 6.2.7. C. bodemkwaliteitsklasse (Bbk), par. 6.2.3; D. partijkeuring, par. 6.2.4; Verplicht onderzoeksaspect. Indien niet van toepassing, wordt dit vermeld en gemotiveerd O Optioneel

2.1

Onderzoeksaanleiding

Het vooronderzoek is, tijdens voorgaand onderzoek, uitgevoerd conform de paragraaf 6.2.1 “opstellen hypothese bodemkwaliteit ten behoeve van een bodemonderzoek” uit de NEN-5725. Voor het vooronderzoek zijn de volgende bronnen geraadpleegd:  informatie verstrekt door de opdrachtgever;  terreininspectie voorafgaand aan de veldwerkzaamheden;  bodeminformatie Omgevingsdienst Regio Utrecht;  voorgaande bodemonderzoeken;  www.bodemloket.nl;  www.topotijdreis;  Bagviewer;  Kadaster;  grondwaterkaart van Nederland. De onderzoeksvragen voor het opstellen van de onderzoekshypothese en de gekozen onderzoeksstrategie zijn, voor zover relevant, in de onderstaande paragrafen nader toegelicht. De relevante gegevens zijn opgenomen in bijlage 4. 2.2

Achtergrondinformatie

De onderzoekslocatie is gesitueerd aan de Beatrixstraat 67a te Veenendaal en staat kadastraal bekend als: gemeente Veenendaal, sectie D, nummer 5717 en 9632 gedeeltelijk. Het voornemen bestaat de huidige schuur op de locatie te slopen en een dubbel woonhuis te realiseren. De onderzoekslocatie betreft de nieuwbouwlocatie met een oppervlakte van circa 285 m2 . Voor de inrichting van het terrein verwijzen wij naar tekening 1-2.

Nader bodemonderzoek met plan van aanpak, Beatrixstraat 67a te Veenendaal

2

______________________________________ Hunneman Milieu-Advies _______________

2.3

Historische informatie

Volgens de Bagviewer dateert de bestaande schuur op de locatie uit 1910. Uit informatie van “Topotijdreis” blijkt dat de woning op dezelfde locatie heeft gestaan. Uit informatie van de RUD Utrecht (Geoportaal) blijkt dat op de locatie sprake is van een ophooglaag. Op de locatie is in mei 2022 een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd door Hunneman Milieu-Advies Raalte BV (kenmerk 220211). De relevante resultaten uit het onderzoek zijn:  in de vaste bodem zijn zwakke bijmengingen met puin waargenomen. Boring 1 is gestaakt op een handmatig ondoordringbare laag;  in de bodem is zintuiglijk en analytisch geen asbest aangetroffen;  in de vaste bodem zijn, na uitsplitsing, matig tot sterk verhoogde gehalten aan PAK aangetoond. De gehalten zijn naar verwachting te relateren aan de aanwezige ophooglaag en komen overeen met de aangetoonde gehalten in de nabije omgeving;  van de overige parameters zijn geen tot maximaal licht verhoogde gehalten aangetoond;  in het grondwater zijn licht verhoogde gehalten aan zware metalen aangetoond. De relevante resultaten uit het onderzoek zijn opgenomen in hoofdstuk 3 en in bijlage 4. Nabij de onderzoekslocatie zijn 2 bodemonderzoeken bekend. Op de locatie aan de Zandstraat 59 is een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd door Van Dijk (kenmerk AA034500119).

Hierbij is aangetoond dat de bovengrond matig verontreinigd is met PAK, en licht verontreinigd met minerale olie. Op de locatie aan de Zandstraat 59 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Van Dijk (kenmerk AA034500120). Hierbij is aangetoond dat de vaste bodem sterk verontreinigd is met PAK, en licht verontreinigd met cadmium, lood, zink en minerale olie. In het grondwater is een licht verhoogd gehalte aan nikkel aangetoond. Figuur 1: situatie 1931

Figuur 2: situatie 1958

Figuur 3: situatie 1966

Figuur 4: situatie 1977

Nader bodemonderzoek met plan van aanpak, Beatrixstraat 67a te Veenendaal

3

______________________________________ Hunneman Milieu-Advies _______________

Figuur 5: situatie 1985

2.4

Figuur 6: situatie 1998

Bodemopbouw en geohydrologie

Regionale bodemopbouw De onderzoekslocatie bevindt zich in de Gelderse Vallei, ten oosten van de Utrechtse Heuvelrug. De gegevens over de regionale bodemopbouw zijn samengevat in tabel 2. Tabel 2:

regionale bodemopbouw

pakket

diepte [m-mv]

Deklaag en 1e WVP Form. van Twente, Eemformatie, Form. van Kreftenheye 1e scheidende laag (aanwezigheid onduidelijk) 2e WVP Toelichting: kD-waarde =

samenstelling

parameters

0 - 25

fijne slibhoudende zanden op grofzandige afzettingen

kD-waarde = ca. 1000 m2/d

25 - 45

bekkenklei

> 45

matig grove tot grove zanden

doorlaatvermogen of transmissiviteit

Grondwaterstroming Regionaal is de stromingsrichting van het grondwater in het eerste watervoerend pakket (zuid)westelijk gericht. 2.5

Hypothese en onderzoeksstrategie

Op basis van de geïnventariseerde bodemverontreiniging met PAK.

gegevens

is

de

locatie verdacht

voor

Voor het nader bodemonderzoek is aansluiting gezocht bij het onderzoeksprotocol NTA5755. In het kader van het nader bodemonderzoek is, op basis van de NTA-5755, een beknopt conceptueel model opgesteld. Uit de beschikbare voorinformatie is het conceptueel model in tabel 3 samengevat. Tabel 3: Aanleiding Doel Oorzaak Ouderdom Ernst Spoed

conceptueel model Het onderzoek wordt uitgevoerd naar aanleiding van de aangetoonde PAK-verontreiniging Het bepalen van de ernst, mate en omvang van de aangetroffen PAK-verontreiniging De verontreiniging is naar verwachting veroorzaakt door de voormalige activiteiten De verontreiniging is naar verwachting ontstaan voor 1987, waardoor geen sprake is van een nieuw geval van bodemverontreiniging volgens de Wet Bodembescherming. De verontreiniging betreft mogelijk een ernstig geval van bodemverontreiniging De bodemverontreiniging is naar verwachting niet spoedeisend

Onderzoeksvragen/informatiebehoefte  wat is de ernst, mate en omvang van de PAK-verontreiniging in de vaste bodem?

Nader bodemonderzoek met plan van aanpak, Beatrixstraat 67a te Veenendaal

4

______________________________________ Hunneman Milieu-Advies _______________

Onderzoekstechniek en opzet De NTA-5755 schrijft geen specifieke onderzoekstechnieken voor. Gezien de aard van de verontreiniging en locatie specifieke omstandigheden (sturing op zintuiglijke waarnemingen) is de locatie onderzocht door middel van het plaatsen van boringen en het analyseren van grondmonsters op PAK. Het uitgevoerde veld- en laboratoriumonderzoek is weergegeven in tabel 4. Tabel 4:

veld- en laboratoriumonderzoek

sublocatie/onderdeel Inkadering boring 4

2.6

veldonderzoek boringen peilbuis 8 x 1,5 m-mv

-

laboratoriumonderzoek vaste bodem grondwater 9 x PAK

Betrouwbaarheid onderzoek

Onderhavig onderzoek beschrijft de actuele bodemkwaliteit en heeft alleen betrekking op de bodem van de terreindelen, welke zijn beschreven in het vooronderzoek van deze rapportage. De in het vooronderzoek geraadpleegde bronnen kunnen mogelijk onvolledig zijn. Het kan voorkomen dat niet alle bronnen zijn geraadpleegd, doordat ze niet voorhanden waren. Hierdoor kan informatie ontbreken. Dit onderzoek is op een zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de huidige richtlijnen en methoden op het gebied van bodemonderzoek. Het onderzoek is gebaseerd op het nemen van een, conform de geldende richtlijnen, representatief geacht aantal monsters. Bij het interpreteren van de onderzoeksresultaten moet rekening worden gehouden met het feit dat analyses mogelijk zijn uitgevoerd op basis van mengmonsters, waardoor lokaal hogere concentraties van de onderzochte stoffen niet zijn uit te sluiten. Tevens kan geen uitspraak worden gedaan omtrent de bodemkwaliteit van niet onderzochte (verdachte) deellocaties en blijft het mogelijk dat lokaal voorkomende verontreinigingen niet zijn ontdekt. Een bodemonderzoek betreft een momentopname. De resultaten van het onderzoek kunnen minder representatief worden naarmate de tijd verstrijkt. Eventuele toekomstige activiteiten, calamiteiten, sloopwerkzaamheden, bouwrijp maken en/of aanvoer van grond van elders, kunnen de bodemkwaliteit (sterk) beïnvloeden.

Tijdens werkzaamheden in de bodem dient men alert te blijven op waarneembare bijzonderheden, die kunnen duiden op eventuele verontreinigingen. Het onderzoek moet worden beoordeeld als één geheel, en betreft een inschatting van de bodemkwaliteit, op een bepaald moment. Het onderzoek is gebaseerd op informatie van derden en het verrichten van een beperkt aantal boringen en analyses, conform de geldende richtlijnen. Hierdoor is het mogelijk dat niet alle informatie is verkregen, dan wel dat niet alle afwijkingen in de bodem zijn geconstateerd. Voor eventueel hieruit voortvloeiende schade en/of gevolgen aanvaardt Hunneman Milieu-Advies Raalte BV op geen enkele wijze aansprakelijkheid.

Nader bodemonderzoek met plan van aanpak, Beatrixstraat 67a te Veenendaal

5

______________________________________ Hunneman Milieu-Advies _______________

3

VELD- EN LABORATORIUM ONDERZOEK

3.1

Veldonderzoek

Het veldonderzoek is uitgevoerd op 1 september 2022 door de gecertificeerde medewerker dhr. R. Roelofs van Hunneman Milieu-Advies Raalte BV. Voor het nader bodemonderzoek zijn 8 handboringen uitgevoerd (4A en 11 t/m 17). De maximale boordiepte bedraagt 1,5 m-mv. Voor de situatie van de boringen verwijzen wij naar tekening 1-2. Bodemopbouw In het veld zijn de fysische bodemeigenschappen per monsterpunt en bodemlaag beschreven. De beschrijvingen van de bodemprofielen zijn opgenomen in bijlage 2, en samengevat in tabel 5. Tabel 5: traject (m-mv) 0,0 ~ 0,07 0,07 ~ 1,1 1,1 – 1,5

samenvatting van het lokaal aangetroffen bodemprofiel hoofdnaam toevoeging braak/ klinker zand, matig fijn zwak siltig, zwak tot matig humeus zand, matig fijn zwak siltig grondwaterstand: dieper dan 1,5 m-mv

Zintuiglijke waarnemingen Tijdens het veldonderzoek is de opgeboorde grond beoordeeld op zintuiglijk waarneembare verontreinigingsindicaties. Hierbij is gebruik gemaakt van de olie/watertest (O/W-test) en is gelet op afwijkende kleur of geur van de bodem. In de vaste bodem zijn zwakke bijmengingen met puin waargenomen. Boring 1 (voorgaand onderzoek) en boring 13, 14 en 17 zijn gestaakt op een handmatig ondoordringbare laag. In de bodem is zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Eventuele bijzonderheden zijn weergegeven in de boorbeschrijvingen (bijlage 2). Monstername Voor het chemisch onderzoek zijn uit de boringen, van iedere 0,5 m (0,2 m bij monstername met steekbus) of onderscheiden bodemlaag, monsters genomen. Op de deellocaties, waar de vluchtige verbindingen de kritische parameters zijn, is de monstername, voor zover technisch mogelijk, verricht met een steekbus. 3.2

Laboratorium onderzoek

Op basis van de gehanteerde onderzoeksstrategie en waarnemingen uit het veld zijn (meng)monsters samengesteld voor analyse. De samenstelling van de (meng)monsters is weergegeven in tabel 6 t/m 8. De analyses zijn uitgevoerd door een door de RvA geaccrediteerd laboratorium, welke door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu is erkend om, in het kader van de Wet Bodembescherming (Wbb) en het Besluit bodemkwaliteit (Bbk), analyses uit te voeren conform AS-3000 en AP-04. De analyserapporten van het laboratorium zijn opgenomen in bijlage 3. De resultaten van de analyses zijn weergegeven in tabel 6 t/m 8. 3.3

Toetsingscriteria en analyseresultaten NEN-parameters

Het toetsingskader voor de vaste bodem en het grondwater is afkomstig uit de “Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013” (Staatscourant 27 juni 2013, nr. 16675). De toetsing van de analyseresultaten vindt plaats conform de door het Rijk beschikbaar gestelde Bodem Toets- en Validatieservice (BoToVa).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13068970/1