3.a Toelichting bestemmingsplan Het Vennehof
Tekst van het document
bestemmingsplan
25
bestemmingsplan Het Vennehof
5.3.3
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het bouwplan.
5.4
Archeologie
5.4.1
Wettelijk kader
In 1992 ondertekende Nederland het Europese Verdrag inzake de bescherming van het archeologische erfgoed – kortweg ‘het Verdrag van Malta’ (of Valletta). Sindsdien is het uitgangspunt van het (rijks)beleid dat archeologische waarden volwaardig meetellen in beslissingen over de ruimtelijke inrichting van ons land. De Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) heeft als doel bodemverstorende activiteiten beter te reguleren. Centraal daarbij staat de verplichting om archeologische waarden in bestemmingsplannen vast te leggen. Gemeenten zijn daarbij bevoegd gezag inzake de omgang met archeologische waarden. Binnen de kaders van rijks- en provinciaal beleid hebben zij de vrijheid naar eigen inzicht financieel en beleidsmatig invulling te geven aan de zorg voor de archeologie binnen hun grondgebied. Het verdrag is in 2007 wettelijk verankerd in de herziene Monumentenwet 1988. Een deel hiervan is op 1 juli 2016 overgegaan naar de Erfgoedwet. Zowel archeologie als een deel van cultuurhistorie zijn namelijk sinds 1 juli 2016 verankerd in de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. In juli 2015 nam de Tweede Kamer een amendement op de Omgevingswet aan, waarin gesteld wordt dat gemeente de archeologische dubbelbestemmingen beter moeten onderbouwen.
Daarbij is van belang dat de archeologische monumenten aantoonbaar moeten worden gemaakt. Het archeologisch erfgoed heeft hiermee een prominente plaats gekregen in het proces van de ruimtelijke planvorming. Uitgangspunten zijn het vroegtijdig betrekken van archeologische belangen in de planvorming, het behoud van archeologische waarden in situ (ter plaatse) en de introductie van het zogenaamde "veroorzakerprincipe". Dit principe houdt in dat degene die de ingreep pleegt financieel verantwoordelijk is voor behoudsmaatregelen of een behoorlijk onderzoek van eventueel aanwezige archeologische waarden. Gemeenten dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan of beheersverordening als bedoeld in artikel 3.1 en 3.38 Wro altijd rekening te houden met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Deze bestemmingsplanverplichting brengt met zich mee dat gemeenten het kader moeten stellen voor de archeologische monumentenzorg. Zij hebben dus een kerntaak in de uitvoering van de archeologische monumentenzorg en moeten bij ruimtelijke besluitvorming het archeologische belang afwegen tegen de andere belangen. In de afgelopen 8 jaar zijn diverse archeologische onderzoeken binnen de gemeente uitgevoerd en zijn er nieuwe bronnen beschikbaar die relevant zijn voor de archeologische verwachting.
Daarom is de archeologische beleidskaart uit 2010 geactualiseerd en heeft er een verfijning plaatsgevonden van het verwachtingenmodel. Dit heeft geresulteerd in een geactualiseerde archeologische beleidskaart die op 25 juni 2020 door de gemeenteraad is vastgesteld. De beleidskaart is vervolgens juridisch vertaald in het bestemmingsplan 'Parapluplan 2020', welke eveneens is vastgesteld door de raad op 25 juni 2020. 5.4.2
Toetsing bouwplan
De locatie is in het geldende bestemmingsplan 'Parapluplan 2020' evenals in het ontwerp bestemmingsplan 'Parapluplan 2022' aangewezen als een gebied met een hoge archeologische vewrachtingswaarde. Daarom is archeologisch onderzoek uitgevoerd (Bijlage 5 Archeologisch onderzoek). De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) laten zien dat er reeds vrij diepgaande ontgravingen dan wel bodemverstoringen hebben plaatsgevonden ten gevolgde van de inrichting van het bestaande fabrieksterrein. Naast een dik pakket cunet-/bouwzand zijn hieronder sterk gevlekte, recent vergraven/gestorte lagen grond aanwezig. Recente verstoringen reiken tot een diepte van gemiddeld 120 cm -mv, met uitschieters tot wel 145/160 cm -mv. De onverstoorde bodem betreft
26
bestemmingsplan
bestemmingsplan Het Vennehof direct de C-horizont. Binnen het zuidelijke en westelijke deel van het plangebied is nog een restant (gordel)dekzandafzettingen, in dikte toenemend in de naar het zuiden toe aflopende flank van een stuwwalheuvel. Onder de (gordel)dekzandafzettingen, tussen circa 1,5 tot 2 meter (in zuidelijke richting) onder het huidige maaiveld, komen grondmorene-afzettingen voor. De sterke mate van erosie gedurende de voorlaatste als de laatste ijstijd heeft geresulteerd in nog wat plaatselijk restanten keileem en wat vooral overblijft is keizand (lemige materiaal is verspoeld richting lagere delen rondom de stuwwalheuvel). In het noordoostelijke deel van het plangebied is onder het verstoringsniveau directe sprake van grondmorene-afzettingen. Het blijft echter mogelijk dat hierboven oorspronkelijk nog een dunne afdekkende laag gordeldekzand heeft gelegen, maar zal hier al reeds volledig zijn ontgraven ten behoeve van de inrichting als fabrieksterrein. Dit is ook volledig in overeenstemming met het in het bureauonderzoek besproken hoogtebeeld van het fabrieksterrein, wat duidt op ontgraving/egalisatie van het terrein. Intacte restanten van de oorspronkelijke/van nature gevormde bodemopbouw zijn niet aangetroffen. Er zijn verder geen archeologisch relevante indicatoren aangetroffen.
Geconcludeerd wordt dat op basis van de resultaten van het booronderzoek, waarbij sprake is van een diepgaand verstoorde bodemopbouw en restanten van het te verwachten oorspronkelijke/van nature gevormde bodemprofiel ontbreken, er geen aanleiding meer is om nog intacte/in situ gelegen restanten van een archeologische vindplaats binnen het plangebied te verwachten. Er zijn dus geen gevolgen voor de voorgenomen bodemingrepen. De gespecificeerde archeologische verwachting op basis van het bureauonderzoek, waarbij nog een hoge verwachting gold voor de perioden (Laat-)Paleolithicum t/m Midden-Neolithicum en een middelhoge verwachting voor de perioden Laat-Neolithicum t/m de Middeleeuwen, dient dan bijgesteld te worden naar een lage verwachting. Voor de perioden Nieuwe tijd was en blijft de verwachting laag. 5.4.3
Conclusie
Er zijn geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling voor het aspect archeologie. De locatie kan worden vrijgegeven van de archeologische verwachting. In dit bestemmingsplan is daarom geen dubbelbestemming voor archeologie opgenomen.
5.5
Cultuurhistorie
5.5.1
Wettelijk kader
In 2010 is in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. 5.5.2
Cultuurhistorischekenmerken
In 2018 is de cultuurhistorische waardenkaart door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld. De cultuurhistorische waardenkaart bestaat uit kenmerkenkaarten voor de disciplines landschap en gebouwde omgeving, uit waardenkaarten voor diezelfde aspecten, uit een viertal themakaarten en uit een integrale ensemblekaart, waarop de gebieden die staan die – samen met de sectorale landschappelijke en gebouwde kaarten – het palet aan cultuurhistorisch erfgoed van de gemeente Veenendaal laten zien. De thema’s waarop in het bijzonder ingezoomd is, zijn vervening, industrie, religie en militair erfgoed. Deze vier thema’s vormen een belangrijk deel van het ‘verhaal van Veenendaal’, waarvan in wisselende hoeveelheden ook nog relicten in het huidige Veenendaal – ondergronds, landschappelijk of gebouwd – terug te vinden zijn. 5.5.3
Toetsing bouwplan
Het plangebied is niet gelegen in belangrijk cultuurhistorisch waardevol gebied. Ook heeft de locatie geen belangrijke cultuurhistorische kenmerken. De bebouwing op het terrein is niet aangewezen als monument of als cultuurhistorisch waardevol. Op de verschillende themakaarten is nog wel te zien dat er een gegraven waterloop van voor 1832 ligt die nu fungeert als kavelscheidende sloot. Daarnaast zijn diverse woningen in de directe omgeving (aan de Davidsstraat) aangewezen als rijksmonumenten. In het ontwerp voor de herontwikkeling is daarom
bestemmingsplan
27
bestemmingsplan Het Vennehof rekening gehouden met een goede inpassing van / aansluiting op deze monumenten. 5.5.4
Conclusie
Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.
5.6
Ontplofbare oorlogsresten
Het is bekend dat in de gemeente Veenendaal tijdens de Tweede Wereldoorlog oorlogshandelingen zijn geweest. Dit houdt in dat er op plaatsen mogelijk ontplofbare oorlogsresten (OO) in de bodem kunnen zijn achtergebleven. Uit de praktijk is gebleken dat circa 10% van de afgeworpen bommen niet is geëxplodeerd en in de bodem is achtergebleven als blindganger. De gemeente Veenendaal heeft in mei 2018 beleid ten aanzien van OO vastgesteld. Door het vaststellen van een gemeentelijk beleid wordt geborgd dat activiteiten met betrekking tot OO binnen de gemeente worden getoetst en daar waar nodig beheersmaatregelen kunnen worden genomen en/of voorgeschreven. Het beleid is tevens bedoeld om eenieder die van plan is grondroerende werkzaamheden binnen de gemeente uit te voeren, te verplichten de benodigde acties te ondernemen met betrekking tot de mogelijke aanwezigheid en risico's van OO op de betreffende locatie. Het opsporen en verwijderen van (mogelijke) OO wordt alleen uitgevoerd om het risico met betrekking tot OO weg te nemen, en daarmee een veilige werkomgeving en leefomgeving te creëren tijdens uit te voeren werkzaamheden of activiteiten. Dit is ook de reden dat de gemeente Veenendaal altijd ingelicht moet worden als er projectmatig bodemroerende activiteiten plaatsvinden binnen gebieden die als verdacht zijn aangemerkt.
Vanwege voortschrijdende inzichten in de gebeurtenissen tijdens de Tweede Oorlog heeft er in 2020 een update van de bodembelastingkaart conventionele explosieven plaatsgevonden. 5.6.1
Toetsing bouwplan
Het plangebied aan de Rozenstraat 19 ligt niet in verdacht gebied. Een nader onderzoek is vooraf daarom niet vereist en dit aspect vormt geen belemmering voor het beoogde plan. 5.6.2
Conclusie
Vanuit het aspect ontplofbare oorlogsresten zijn er geen belemmeringen om aan het plan mee te werken. Mocht er tijdens de werkzaamheden toch ontplofbare oorlogsresten worden aangetroffen, dan dient te worden gehandeld overeenkomstig het protocol 'Onverwacht aantreffen van CE'.
5.7
Ecologie
5.7.1
Wettelijk kader
Voor ecologie moet er bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening worden gehouden met soortbescherming gericht en met gebiedsbescherming. De natuurbescherming in Nederland is geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming zorgt voor een goede natuurbescherming van planten- en diersoorten, natura 2000-gebieden, en bossen. Sommige plant- en diersoorten worden beschermd omdat ze als kwetsbaar worden gekenmerkt. De Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet, en de Flora- en Faunawet zijn vanaf 1 januari 2017 opgenomen in de Wet natuurbescherming. De provincie is het bevoegd gezag voor de Wet natuurbescherming (Wnb). Hierin worden de soortbescherming en de gebiedsbescherming nader belicht omdat beide voor het bestemmingsplan van belang zijn. De regels die voorheen in de Boswet waren opgenomen zijn binnen het plangebied niet van toepassing omdat het gehele gebied binnen de bebouwde kom ligt. Een nadere beschrijving van dit deel van de wet is dan ook niet opgenomen. Soortbescherming Een belangrijk doel van de wet is het beschermen van alle soorten planten- en dieren die in het wild in Nederland voorkomen. De wet gebiedt dat alle in het wild levende dieren en planten in principe met rust worden gelaten, wat is vastgelegd in de algemene zorgplicht. In de regelgeving heeft de gunstige staat van in stand houding van soorten een prominentere plek gekregen.
28
bestemmingsplan
bestemmingsplan Het Vennehof
De Wet natuurbescherming verdeelt beschermde soorten in twee groepen: Strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. In de tweede categorie staan andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst. Provincies hebben de mogelijkheid om voor bepaalde soorten aanvullende maatregelen vast te stellen. De provincie Utrecht heeft hiervoor al een lijst opgesteld met prioritaire soorten en aanvullende maartregelen per soort. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is van toepassing op natuurgebieden die door de overheid zijn aangewezen in het kader van de vogelrichtlijn en/of de habitatrichtlijn. De Habitatrichtlijn richt zich op de bescherming van natuurlijke habitats en leefgebieden van aangewezen planten- en dierensoorten. De Vogelrichtlijn richt zich op de bescherming van leefgebied van beschermde vogelsoorten. Belangrijk is dat ruimtelijke projecten niet zonder meer mogen worden gerealiseerd in beschermde natuurgebieden (Natura 2000). Projecten die in de nabijheid van beschermde natuurgebieden (inclusief de Habitatrichtlijngebieden) worden geprojecteerd, dienen te worden getoetst op de mogelijke negatieve effecten die zij op deze gebieden kunnen hebben (externe werking). Indien een negatief effect vermoed wordt dan moet bij de Provincie een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd worden.
De Provincie zal naar aanleiding van de aanvraag een beschikking opstellen. De beschikking kan een verbod van het project betekenen of voorwaarden verbinden aan de uitvoer. De Wet natuurbescherming beschermt geen gebieden buiten de natura 2000 gebieden. Natuurnetwerk Nederland Naast de volgens de wet aangewezen gebieden kent Nederland het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS). Het NNN is bedoeld voor het ontwikkelen van ecologische zones tussen verschillende natuurgebieden zodat populaties met elkaar in verbinding blijven en versnippering van natuur wordt tegen gegaan. Het is uiteraard niet wenselijk dat een ontwikkeling een verstorende werking heeft op de functie van deze verbindingszones. Deze zones zijn niet beschermd volgens de Wet natuurbescherming maar krijgen planologische bescherming doordat deze in bestemmingsplannen worden opgenomen. Projecten en bestemmingsplannen worden getoetst aan dit provinciale beleid. 5.7.2
Toetsing bouwplan
Ten behoeve van de ontwikkeling is een ecologische quickscan uitgevoerd (Bijlage 6 Ecologische Quick Scan). Navolgend komen de resultaten aan bod. Soortbescherming De voorgenomen werkzaamheden kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van een aantal soorten. Voor aanvang van de werkzaamheden dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar deze soorten. Huismus en gierzwaluw De productiehal op de onderzoekslocatie is geschikt als broedplaats voor de huismus en gierzwaluw. Nader onderzoek naar het gebruik van de onderzoekslocatie door deze soorten is benodigd. Dit onderzoek dient uitgevoerd te worden in het broedseizoen van huismus en gierzwaluw. Op basis van dit onderzoek kan worden vastgesteld of een ontheffingsaanvraag ten aanzien van deze soorten aan de orde is. Algemene broedvogels Ten aanzien van de algemene broedvogels is overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen wanneer opgaande vegetatie wordt verwijderd buiten het broedseizoen. Nesten van algemene soorten in de te slopen bebouwing dienen verwijderd te worden wanneer deze niet als zodanig in gebruik zijn. Vleermuizen In alle bebouwing op de onderzoekslocatie zijn geschikte verblijfplaatsen aangetroffen die gebruikt kunnen worden door gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Aanvullend onderzoek
bestemmingsplan
29
bestemmingsplan Het Vennehof is nodig om de functie van de bebouwing op de onderzoekslocatie voor vleermuizen vast te stellen. Op basis van dit aanvullend onderzoek zal moet worden vastgesteld of een ontheffingsaanvraag aan de orde is. Gebiedsbescherming Toename van stikstofdepositie in Natura 2000 gebieden als gevolg van het planvoornemen is op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek middels een modelberekening (AERIUS calculator) wordt noodzakelijk geacht (Bijlage 1 Stikstofonderzoek). 5.7.3
Conclusie
Zoals hierboven is aangegeven is nader onderzoek nodig, dit onderzoek is inmiddels uitgevoerd (zie Bijlage 7 Aanvullend Ecologisch onderzoek). Uit de onderzoeksresultaten van het jaarrond onderzoek blijkt voor de gierzwaluw en de vleermuis dat er geen vaste rust- en verblijfplaatsen zijn aangetroffen. Er is hiermee geen overtreding van de omgevingswet en hiervoor is geen vergunning vereist. Voor wat betreft de huismus zijn er ook geen vaste rust- en voortplantingsplaatsen aanwezig. Wel zijn er kwetterstruiken aanwezig en moet er voor het verwijderen van deze groenstructuur een omgevingsvergunning voor flora en fauna activiteit aangevraagd worden. Deze voorwaarde wordt opgenomen als een voorwaardelijke verplichting in de planregels. Hiermee zijn er geen verdere belemmeringen vanuit het onderdeel ecologie.
5.8
Geluid
5.8.1
Wettelijk kader
Tussen de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet geluidhinder (Wgh) is een koppeling gelegd. Dat blijkt uit art. 76 en 76a van de Wgh. Dit betekent dat de geluidssituatie binnen het plangebied moet voldoen aan de voorwaarden uit de Wgh. Als nadere invulling van deze voorwaarden heeft de gemeente Veenendaal de beleidsregel hogere waarden Wgh opgesteld. In het kader van de Wet geluidhinder liggen er zones rond wegen en spoorlijnen en gezoneerde industrieterreinen. Wegen op een woonerf of met een maximumsnelheid van 30 km/uur hebben geen zone. Binnen een zone moet voor het realiseren van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen, onderzoek worden gedaan naar de geluidbelasting. Binnen de geluidszone geldt een voorkeurswaarde voor de geluidsbelasting ter plaatse van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen of terreinen. Hierbij geldt een afzonderlijke toetsing per weg, spoorweg of industrieterrein. Bij overschrijding van de voorkeurswaarde moet worden onderzocht of geluid reducerende maatregelen getroffen kunnen worden, waarbij de volgorde bron- overdracht- en ontvangermaatregelen de voorkeur geniet. Beleidsregel hogere waarden Pas als blijkt dat niet aan de voorkeurswaarde kan worden voldaan kan het college van Burgemeester en Wethouders een hogere waarde verlenen (ontheffing van de voorkeurswaarde). Hierbij geldt wel een maximale ontheffingswaarde.
Voordat een hogere waarde vast te stellen dienen bron- en overdrachtsmaatregelen afgewogen te worden. In deze beleidsregel worden randvoorwaarden genoemd voor het toestaan van hogere geluidsbelastingen dan de voorkeurswaarde. De voorwaarden zijn geformuleerd als eis of als inspanningsverplichting. Indien niet aan de inspanningsverplichting kan worden voldaan dient de initiatiefnemer te motiveren waarom dit niet kan of waarom voor een alternatieve oplossing is gekozen. 5.8.2
Toetsing bouwplan
Onderzocht is de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai ter plaatse van het plangebied Trivium te Veenendaal (Bijlage 8 Akoestisch onderzoek). Vanwege de Rondweg-West is sprake van geluidbelastingen van maximaal 45 dB (inclusief aftrek conform artikel 110g Wgh). Hiermee wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde conform de Wet geluidhinder van 48 dB. Vanwege de wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur rondom het plangebied is sprake van geluidbelastingen van maximaal 54 dB (exclusief aftrek conform artikel 110g Wgh). Op deze wegen is de Wet geluidhinder niet van toepassing.
30
bestemmingsplan
bestemmingsplan Het Vennehof
Het gemeentelijk geluidbeleid beschrijft dat de gemeente Veenendaal bij 30 km/uur-wegen (hoewel hier de Wet geluidhinder niet van toepassing is) dezelfde voorwaarden stelt als voor een weg mét een zone. Ervan uitgaande dat de voorkeurswaarde in dit geval 53 dB is (48 dB, zonder aftrek van 5 dB), wordt deze voorkeurswaarde op de rand van het nieuwe bouwvlak langs de Dahliastraat lokaal met 1 dB overschreden. In de verdere planuitwerking dient er derhalve rekening mee gehouden te worden, dat de voorwaarden en inspanningsverplichtingen uit het geluidbeleid van toepassing zijn. Zo geldt de inspanningsverplichting om een geluidluwe zijde te realiseren en hier een verblijfsruimte aan te situeren. Omdat nog geen nadere planuitwerking bekend is, kan thans niet getoetst worden aan dergelijke voorwaarden en inspanningsverplichtingen. De gecumuleerde geluidbelasting (alle wegen samen) bedraagt tot 55 dB (exclusief aftrek conform artikel 110g Wgh). Een dergelijke gecumuleerde geluidbelasting kan als akoestisch acceptabel beschouwd worden. Uiteraard dient bij de verdere planuitwerking en dimensionering van de gevel een op de berekende geluidbelasting afgestemde geluidwering van de gevel bereikt te worden, zodat ook binnen in de woningen sprake is van een goed akoestisch woon- en leefklimaat. 5.8.3
Conclusie
Uit het akoestische onderzoek is gebleken dat er een goed woon- en leefklimaat ter plekke van het plangebied gerealiseerd kan worden, mits aan de voorwaarden en inspanningsverplichting van het geluidbeleid wordt voldaan. Hiermee zijn er verder geen belemmeringen vanuit het onderdeel geluid.
5.9
Bedrijven- en milieuzonering
Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. De basis hiervoor vormt de Wet milieubeheer. In de VNG handreiking 'bedrijven en milieuzonering' 2009 zijn de aan te houden afstanden opgenomen. Hieraan wordt het plan dan ook getoetst. Milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) dienen binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. 5.9.1
Toetsing bouwplan
Direct ten noorden van het plangebied ligt buurtcentrum 't Turfke'. Een buurthuis valt onder milieucategorie 2 waarbij het aspect geluid maatgevend is. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter in een rustige woonwijk en 10 meter in gemengd gebied. De woningen liggen op ruim 10 meter afstand van het buurthuis. Dit is in gemengd gebied voldoende afstand. Daarnaast zal het gebouw medio 2030 verdwijnen. De woningen zijn dan ook goed inpasbaar nabij het buurthuis. Er liggen geen andere bedrijven of voorzieningen die in het kader van bedrijven- en milieuzonering effect kunnen hebben op de voorgenomen ontwikkeling. 5.9.2
Conclusie
Vanuit het aspect bedrijven- en milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.10
Luchtkwaliteit
5.10.1 Wettelijk kader Voor luchtkwaliteit zijn de luchtkwaliteitseisen (hoofdstuk 5.2) van de Wet milieubeheer van kracht. Hierin is vastgelegd dat onder meer ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de in de wet opgenomen grenswaarden en richtwaarden. Deze Wet is nader uitgewerkt in Besluiten en Regelingen, waarvan het Besluit en de Regeling niet in betekenende mate (nibm), het Besluit gevoelige bestemmingen en de Regeling beoordeling de belangrijkste zijn. Daarnaast is ook het beginsel van een goede en duurzame ruimtelijke ordening van belang. Niet in betekenende mate (nibm) Alleen projecten die ‘in betekenende mate’ bijdragen aan de concentraties luchtvervuiling worden getoetst aan de grenswaarden. Er dient te worden onderzocht of een project ‘in betekenende’ mate van
bestemmingsplan
31
bestemmingsplan Het Vennehof invloed is op de luchtkwaliteit. Het Besluit nibm bepaalt dat een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie luchtvervuiling als deze minder dan 3% van de grenswaarde, ofwel 1,2 microgram per m3. De Regeling nibm is hier een nadere uitwerking van. Hierin is bepaald dat woningbouwprojecten tot 1.500 woningen en kantoren tot 100.000 m2 zijn vrijgesteld van toetsing aan de wettelijke grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof. Besluit gevoelige bestemmingen Kinderen, ouderen en zieken zijn gevoeliger voor luchtvervuiling en worden daarom extra beschermd. Op basis van het Besluit gevoelige bestemmingen gelden voor gevoelige bestemmingen nabij wegen zwaardere beperkingen. Zo mogen binnen 300 meter van rijkswegen en 50 meter vanaf provinciale wegen geen bestemmingen voor langdurig verblijf als kinderdagverblijven, scholen of verzorgingstehuizen worden gebouwd, als de wettelijke grenswaarden worden overschreden. Het Besluit verplicht overheden om onderzoek uit te voeren naar de concentraties stikstofdioxide en fijn stof. Voor gemeentelijke wegen geldt een zwaardere motiveringsplicht. Concentraties stikstofdioxide en (ultra) fijn stof De Omgevingsdienst heeft de concentraties stikstofdioxide en (ultra) fijn stof voor het jaar 2015 en 2025 berekenend met het rekenmodel GeoMilieu.
De wettelijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde ligt op 40 microgram per m3. De uurgemiddelde grenswaarde voor stikstofdioxide van 200 microgram per m3 wordt overschreden wanneer de concentraties gemiddeld op jaarbasis boven de 60 microgram per m3 uitkomen. 5.10.2 Toetsing bouwplan De gewenste ontwikkeling kan gezien worden als project wat 'niet in betekende mate' van belang is voor de luchtkwaliteit, waardoor het effect van het project op de luchtkwaliteit niet getoetst hoeft te worden. Andersom gezien wordt navolgend in beeld gebracht wat de luchtkwaliteit ter plekke van het plangebied is. In de tabel wordt een overzicht gegeven van de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) en van de waarden ter plekke van het plangebied. Daaruit blijkt dat de huidige bekende achtergrondconcentraties en de verwachte achtergrondconcentraties ruim lager zijn dan de grenswaarden.
Grenswaarden luchtkwaliteit en waarden ter plekke van het plangebied (bron: Geoloket)
De World Health Organisation (WHO) en Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) hanteren advieswaarden voor fijn stof en zeer fijn stof van respectievelijk 20 µg/m3 en 10 µg/m3. Dit ligt duidelijk lager dan de wettelijke grenswaarden. Zoals uit bovenstaande tabel blijkt, is zal de jaargemiddelde concentratie van (zeer) fijn stof verder afnemen in de toekomst. De toekomstige concentratie van PM10 voldoet in 2030 aan de advieswaarde. De huidige en toekomstige waarden zijn acceptabel voor een goed woon- en leefklimaat. 5.10.3 Conclusie Door de omvang van de ontwikkeling, is het 'niet in betekende mate' van belang voor het effect op de luchtkwaliteit. Ook blijkt dat voldaan wordt aan de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Er zijn dan ook geen belemmeringen vanuit het aspect luchtkwaliteit.
32
bestemmingsplan
bestemmingsplan Het Vennehof
5.11
Mobiliteit
5.11.1 Wettelijk kader Op 26 november 2020 heeft de raad de Notitie parkeernormen Veenendaal 2020 vastgesteld. De parkeernormen zijn hiermee herzien. In het vastgestelde beleid worden flexibelere parkeernormen toegepast, waardoor er meer maatwerk mogelijk is bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in Veenendaal. Hierbij wordt meer rekening gehouden met het bestaande stedelijk gebied en met de mogelijkheden om met andere vervoerswijzen te reizen naast de personenauto. Ook worden er fietsparkeernormen geïntroduceerd om de positie van Veenendaal als fietsstad verder te versterken. Tot slot kunnen initiatiefnemers van grote ruimtelijke ontwikkelingen met behulp van een mobiliteitsplan gemotiveerd een reductie op de parkeernormen verdienen door andere vormen van mobiliteit aan te bieden en gebruik te maken van de kwaliteiten die aanwezig zijn in de nabije omgeving van het plangebied. De raad heeft in mei 2023 een herziening van de Notitie parkeernormen Veenendaal 2020 vastgesteld. Daarin zijn alle parkeernormen gebundeld die gelden in de gemeente Veenendaal. Daarnaast heeft het fietsparkeren een plek gekregen in de Notitie parkeernormen Veenendaal 2020, herziening 2023. 5.11.2 Toetsing bouwplan Het Inrichtingsplan dient te voldoen aan de “Notitie parkeernormen Veenendaal 2020, herziening 2023”.
Hierbij heeft de Exploitant de mogelijkheid om gemotiveerd af te wijken van de parkeernormen door het maken van een mobiliteitsplan. Exploitant heeft voldoende aangetoond dat met de inzet van voldoende fietsvoorzieningen en deelauto/-fietsgebruik een mobiliteitscorrectie van maximaal 10% op de normatieve parkeerbehoefte kan worden toegepast. De gemeente en ontwikkelaar hebben naar aanleiding van participatie besloten om af te zien van het maken van een mobiliteitsplan, zodat er geen korting wordt toegepast op het normatief voorgeschreven aantal parkeerplaatsen 5.11.3 Conclusie Het plan voldoet aan de notitie parkeernormen 2020, herziening 2023. De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.12
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
In juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r) in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de procedure voor de vormvrije m.e.r.- beoordeling. Voor een aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, zal door de initiatiefnemer een aanmeldnotitie opgesteld moeten worden. Na het indienen van de aanmeldnotitie dient het bevoegd binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbeslissing te nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden. Vervolgens moet de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is vereist als een besluit wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst en de besluiten (kolom 4) die daaraan zijn gekoppeld, in gevallen waarin de omvang van activiteiten onder de drempelwaarden (kolom 2 van de D-lijst) liggen. 5.12.1 Toetsing bouwplan De ontwikkeling wordt gezien als een stedelijk ontwikkelingstraject (D 11.2 uit het Besluit m.e.r.) waardoor een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Deze m.e.r.-beoordeling is uitgevoerd is als bijlage toegevoegd (Bijlage 10 m.e.r.-beoordeling).
Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling van het realiseren van 104 woningen met bijbehorende voorzieningen nabij de Rozenstraat 19 in Veenendaal geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu (en de omgeving) zal hebben, mits de genoemde aanvullende onderzoeken naar huismus, gierzwaluw en dwergvleermuis en naar bodem worden uitgevoerd. Er is derhalve geen m.e.r.-procedure noodzakelijk.
bestemmingsplan
33
bestemmingsplan Het Vennehof
5.12.2 Conclusie De onderzoeksresultaten van het jaarrond onderzoek naar huismus, gierzwaluw en dwergvleermuis laten zien dat er geen soorten zijn aangetroffen. Daarmee is een volledige m.e.r.-beoordeling inclusief aanvullend onderzoek uitgevoerd, waarbij geconcludeerd is dat er geen m.e.r.-procedure noodzakelijk is.
5.13
Totaalbeeld aspecten
Uit alle gevoerde onderzoeken komt naar voren dat het bestemmingsplan niet op onacceptabele gevolgen of belemmeringen stuit voor de directe omgeving.
34
bestemmingsplan
bestemmingsplan Het Vennehof
Hoofdstuk 6 6.1
JURIDISCHE PLANOPZET
Inleiding
Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels (zogenaamde planregels). De regels zijn gerelateerd aan de verbeelding, zodat verbeelding en regels te allen tijde in onderlinge samenhang dienen te worden bezien en toegepast. Verbeelding Zoals reeds eerder gesteld is de verbeelding gerelateerd aan de regels (en vice versa) en heeft tevens de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Verder kunnen er binnen een bestemming verklaringen zijn aangegeven. Deze hebben juridisch gezien geen enkele betekenis en zijn uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van de kaart (bijvoorbeeld topografische gegevens). De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en overheid bindende deel van het bestemmingsplan. Regels De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in meerdere hoofdstukken.
Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken. Toelichting De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Door de grote flexibiliteit, of beter vrijheid in de regels, kan de rechtszekerheid van belanghebbenden in het gedrang komen. In de toelichting dienen derhalve duidelijk de beleidsintenties te worden aangegeven met betrekking tot toekomstig grondgebruik. De toelichting heeft echter geen rechtsreeks burgers bindende werking.
6.2
De indeling van de planregels
Het gemeentelijk beleid is vertaald in de planregels. Het deelplan bevat normatieve regels, die bindend zijn voor zowel de overheid als de burger. Daarbij is geprobeerd een flexibel stelsel van regels te ontwikkelen zonder daarbij tekort te doen aan eisen van rechtszekerheid. Gekozen is daarom om het aantal bestemmingen op de verbeelding te beperken tot datgene wat noodzakelijk wordt geacht. Het is voor beide partijen van groot belang, dat de verbeelding en de planregels duidelijke informatie verschaffen. Door het aantal bestemmingen met een minimum te beperken wordt de leesbaarheid en duidelijkheid van zowel de verbeelding als de planregels vergroot. Een leesbaar en duidelijk plan zorgt bovendien voor een plan dat handhaafbaar is. De indeling van de planregels is als volgt: 6.2.1
Inleidende regels (hoofdstuk1)
Dit hoofdstuk bevat alle bepalingen die nodig zijn om de overige planregels goed te kunnen hanteren: begrippen: bevat in het plan gebruikte begrippen die uitleg behoeven; wijze van meten: bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlaktes, percentages, hoogtes, dieptes, breedtes en dergelijke. Hieronder valt tevens de wijze van peilbepaling. 6.2.2
Bestemmingsregels (hoofdstuk2)
Binnen dit plan komen de volgende bestemmingen voor: Groen, Verkeer en Wonen.
bestemmingsplan
35
bestemmingsplan Het Vennehof
Daarnaast komt de gebiedsaanduiding 'milieuzone - boringsvrije zone' voor. In paragraaf 6.3 Bestemmingen wordt er per bestemming aangegeven wat de gebruiksmogelijkheden en de bouwmogelijkheden zijn. Indien bestemmingsspecifieke flexibiliteitsregels aan de orde zijn worden deze per artikel opgenomen. Algemene flexibiliteitsregels zijn in hoofdstuk 3 opgenomen. 6.2.3
Algemene regels (hoofdstuk3)
Hoofdstuk 3 bestaat achtereenvolgens uit de volgende artikelen: Anti-dubbeltelregel; Algemene bouwregels; Algemene gebruiksregels; Algemene aanduidingsregels; Algemene afwijkingsregels; Algemene wijzigingsregels; Overige regels. 6.2.4
Overgangs- en slotregels (hoofdstuk4)
In hoofdstuk 4 van de regels is het overgangsrecht geformuleerd. De formulering is conform de tekst als in het Bro omschreven. Zonder vergunning opgerichte, dus illegale, bouwwerken vallen niet onder het overgangsrecht. Indien de bouwwerken door wetgeving inmiddels vergunningvrij kunnen worden opgericht, worden deze niet als illegaal beschouwd. In de slotregel wordt genoemd hoe het plan kan worden aangehaald.
6.3
Bestemmingen
De bestemmingen bestaan uit een opsomming van omschrijvingen die aangeven hoe een bepaalde plek gebruikt mag worden en wat er op een bepaalde plek gebouwd mag worden. Dit wordt respectievelijk opgesomd in de bestemmingsomschrijving en de bouwregels. Daarnaast gelden er voor sommige bestemmingen aanvullende specifieke gebruiksregels en mogelijkheden tot afwijken van de gebruiks- en bouwregels. In dit bestemmingsplan is bij de bestemmingsomschrijvingen het begrip additionele voorzieningen toegevoegd. Deze voorzieningen vormen een onderdeel van de bestemming of functie en zijn daaraan ondergeschikt. Met deze ruime begripsomschrijving worden meerdere voorzieningen aan de bestemmingen gekoppeld om flexibiliteit voor (kleine) bouwwerken in het plan te waarborgen. Hieronder wordt de voor dit plan geldende bestemming toegelicht. Er wordt aangegeven wat de gebruiksen bouwmogelijkheden zijn. Groen De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen, watervoorzieningen, voetpaden, beeldende kunst, en speelvoorzieningen. Fietspaden en parkeerplaatsen vallen onder de bestemming Verkeer en vallen niet onder de bestemming Groen. Dit type groen bevat bos, perken, water, plantsoenen, en overige groenvoorzieningen. Speelvoorzieningen, hondenuitlaatvoorzieningen en beeldende kunst worden ook mogelijk geacht binnen de bestemming.
Op de gronden mogen geen gebouwen gebouwd worden. Bij additionele voorzieningen: gedacht kan worden aan plantenbakken, fonteinen, bankjes, prullenbakken, verlichting. Voor het gebruiken van gronden voor niet-ingrijpende herinrichting van het openbaar gebied zoals voor wegreconstructies is het mogelijk om binnen de groenbestemming flexibiliteit toe te staan. Het kan bijvoorbeeld gaan om het toevoegen van een aantal parkeerplaatsen in een groenstrook, het verleggen van trottoirs of het aanbrengen van groenvoorzieningen. Op deze manier wordt de groenbestemming beschermd, maar is er voor het college een mogelijkheid om wegreconstructies doorgang te laten vinden. Een voorwaarde hiervoor is groencompensatie.
36
bestemmingsplan
bestemmingsplan Het Vennehof
Verkeer De gronden met de bestemming 'Verkeer' zijn primair bestemd voor wegen. Daarnaast zijn deze gronden bestemd voor de aanleg en instandhouding van kunstwerken, auto- en fietsparkeervoorzieningen, water, verhardingen, doeleinden van algemeen nut, en infrastructuur ter ondersteuning of ten behoeve van het wegverkeer. Op deze gronden zijn uitsluitend overige bouwwerken (bouwwerken, geen gebouwen zijnde) toegestaan. Deze mogen maximaal 6 meter hoog zijn. Voor sport zijn ruime bouwmogelijkheden opgelegd om ruimte te bieden voor de sportvoorzieningen die doorgaans benodigd zijn. Additionele voorzieningen: gedacht kan worden aan: bankjes, prullenbakken, pleinen. Wonen Op de gronden met de bestemming 'Wonen' mag natuurlijk gewoond worden. Daarnaast is het direct toegestaan om beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteiten uit te oefenen in hoofd- of bijgebouw tot een maximum van 45 m². Dit gebruik is echter wel aan voorwaarden onderhevig, de voorwaarden worden in specifieke gebruiksregels binnen de bestemming opgenomen. Hoewel wonen in een vrijstaand bijgebouw niet toegestaan is geldt er een uitzondering ten behoeve van mantelzorg. Deze is wettelijk geregeld (bijlage II van het Besluit omgevingsrecht). Hierover is daarom geen regeling in het bestemmingsplan opgenomen.
Het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak gebouwd worden. Er is één uitzondering waarbij het gebied voor de voorgevel (dus buiten het bouwvlak) wel bebouwd mag worden. Deze uitzonderingen is de erker- en luifelregeling. Er is een regeling opgenomen voor bijbehorende bouwwerken, waarin de maximum oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken als volgt is gerelateerd aan de grootte van het bouwperceel: 1. in geval van een bouwperceel kleiner dan of gelijk aan 200 m2: 25% van dat bouwperceel; 2. in geval van een bouwperceel groter dan 200 m2: 50m², vermeerderd met 20% van het deel van het bouwperceel dat groter is dan 200 m2, tot een maximum van in totaal 120m². Daarnaast is er een regeling opgenomen voor aanbouwen aan de zijgevel van hoofdgebouwen. Bijbehorende bouwwerken mogen vanaf 1 meter achter de voorgevelrooilijn gebouwd worden. Bij gestapelde woningen zijn de maximale bouwhoogten op de verbeelding aangeduid. Voor overige aaneengebouwde, twee-aan-een, en vrijstaande woningen geldt de standaardmaat van 6 meter (goothoogte) en 10 meter (bouwhoogte). Additionele voorzieningen: gedacht kan worden aan: parkeerplaatsen, tuinen, vijvers, garages, carports, erven etc.
Milieuzone - boringsvrije zone (gebiedsaanduiding) Om te voorkomen dat activiteiten (zoals het toepassen van bodemenergiesystemen) plaatsvinden die verontreiniging of lokale opwarming van het grondwater tot gevolg hebben, stelt de provincie Utrecht in haar Omgevingsverordening regels ter bescherming van de grondwaterkwaliteit voor de drinkwatervoorziening. Het betreft onder andere een verbod op boor-, grond- en funderingswerkzaamheden dieper dan 30 meter onder het maaiveld en het toepassen van bodemenergiesystemen. Onder voorwaarden zijn vrijstellingen op dit verbod mogelijk. Overgangsrecht In hoofdstuk 4 zijn het overgangsrecht en slotregels geformuleerd. De formulering is conform de tekst als in het Bro omschreven. Zonder vergunning opgerichte, dus illegale, bouwwerken vallen niet onder het overgangsrecht. Indien de bouwwerken door wetgeving inmiddels vergunningvrij kunnen worden opgericht, worden deze niet als illegaal beschouwd.
bestemmingsplan
37
bestemmingsplan Het Vennehof
Hoofdstuk 7
FINANCIEEL-ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Tegelijkertijd met de vaststelling van een bestemmingsplan kunnen exploitatieplannen (ex. art. 6.12 Wro) worden vastgesteld. Op basis van het exploitatieplan kunnen (plan)kosten worden verhaald. Een exploitatieplan hoeft niet opgesteld te worden bij een bestemmingsplan met alleen conserverende bestemmingen of wijzigingsbevoegdheden. Een exploitatieplan hoeft ook niet opgesteld te worden als het kostenverhaal ‘anderszins verzekerd’ is, door middel van bijvoorbeeld anterieure overeenkomsten of als de gemeente eigenaar is van de gronden. Voor de ontwikkeling van Het Vennehof is een anterieure overeenkomst gesloten om de kosten te dekken. Daarnaast is er een overeenkomst gesloten over het dragen van de kosten voor de bodemsanering. Hiermee is de financiële haalbaarheid van het plan geborgd.
38
bestemmingsplan
bestemmingsplan Het Vennehof
Hoofdstuk 8 8.1
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID
Participatie
Het gemeentelijke beleid is er op gericht om in de voorbereiding op de bestemmingsplanprocedure een participatietraject te volgen. Om in het voortraject inspraak te kunnen hebben worden belanghebbenden uitgenodigd om te participeren in de totstandkoming van het bestemmingsplan. Dit vervangt de ter inzagelegging van het voorontwerpbestemmingsplan. Met de burgerparticipatie wordt eenieder in de gelegenheid gesteld om kennis te nemen van het plan en te reageren op de inhoud. Op 11 oktober 2022 en op 29 maart 2023 zijn fysieke informatieavonden geweest. Hiermee is invulling gegeven aan de het "Veens stappenplan Participatie". De omwonenden zijn door middel van een brief hiervan op de hoogte gesteld en er was een goede opkomst met ruim 100 bezoekers. De ontwikkelaar heeft hier, ondersteunt door de gemeente, de plannen gepresenteerd. Omwonenden hebben hun kanttekeningen bij het plan kunnen ventileren en deze zijn meegenomen bij de ontwikkeling. Veelal wordt ingezoomd op parkeren en verkeersveiligheid. Hier wordt, waar mogelijk, rekening mee gehouden in het plan (zie bijlage 10 Participatieverslag). Gedurende de inzage termijn zal nog een fysieke bijeenkomst worden georganiseerd om de plannen, het bestemmingsplan en de verdere procedure toe te lichten aan de omwonenden.
8.2
Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
In het kader van vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit omgevingsrecht wordt het ontwerpbestemmingsplan gedurende de inzagetermijn toegezonden aan de provincie Utrecht en het Waterschap Vallei en Veluwe.
8.3
Ontwerp ter inzage legging
Het ontwerpbestemmingsplan 'Het Vennehof' heeft na publicatie in het digitale Gemeenteblad op 10 november 2023 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Ook is het ontwerpplan sindsdien beschikbaar op www.ruimtelijkeplannen.nl. Tot 21 december 2023 kon een ieder een zienswijze indienen op dit plan. Er zijn binnen deze termijn geen zienswijzen met betrekking tot dit plan ingediend.
bestemmingsplan
39