3.a Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan “Jan Steenlaan 4” - Toelichting en regels
Tekst van het document
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.4
Archeologie
5.4.1
Wettelijk kader
In 1992 ondertekende Nederland het Europese Verdrag inzake de bescherming van het archeologische erfgoed – kortweg ‘het Verdrag van Malta’ (of Valletta). Sindsdien is het uitgangspunt van het (rijks)beleid dat archeologische waarden volwaardig meetellen in beslissingen over de ruimtelijke inrichting van ons land. De Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) heeft als doel bodemverstorende activiteiten beter te reguleren. Centraal daarbij staat de verplichting om archeologische waarden in bestemmingsplannen vast te leggen. Gemeenten zijn daarbij bevoegd gezag inzake de omgang met archeologische waarden. Binnen de kaders van rijks- en provinciaal beleid hebben zij de vrijheid naar eigen inzicht financieel en beleidsmatig invulling te geven aan de zorg voor de archeologie binnen hun grondgebied. Het verdrag is in 2007 wettelijk verankerd in de herziene Monumentenwet 1988. Een deel hiervan is op 1 juli 2016 overgegaan naar de Erfgoedwet. Zowel archeologie als een deel van cultuurhistorie zijn namelijk sinds 1 juli 2016 verankerd in de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar
bestemmingsplan
27
bestemmingsplan Jan Steenlaan 4 verwachting in 2021 in werking treedt. In juli 2015 nam de Tweede Kamer een amendement op de Omgevingswet aan, waarin gesteld wordt dat gemeente de archeologische dubbelbestemmingen beter moeten onderbouwen. Daarbij is van belang dat de archeologische monumenten aantoonbaar moeten worden gemaakt. Het archeologisch erfgoed heeft hiermee een prominente plaats gekregen in het proces van de ruimtelijke planvorming. Uitgangspunten zijn het vroegtijdig betrekken van archeologische belangen in de planvorming, het behoud van archeologische waarden ter plaatse en de introductie van het zogenaamde "veroorzakerprincipe". Dit principe houdt in dat degene die de ingreep pleegt financieel verantwoordelijk is voor behoudsmaatregelen of een behoorlijk onderzoek van eventueel aanwezige archeologische waarden. Gemeenten dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan of beheersverordening als bedoeld in artikel 3.1 en 3.38 Wro altijd rekening te houden met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Deze bestemmingsplanverplichting brengt met zich mee dat gemeenten het kader moeten stellen voor de archeologische monumentenzorg. Zij hebben dus een kerntaak in de uitvoering van de archeologische monumentenzorg en moeten bij ruimtelijke besluitvorming het archeologische belang afwegen tegen de andere belangen.
In de afgelopen 8 jaar zijn diverse archeologische onderzoeken binnen de gemeente uitgevoerd en zijn er nieuwe bronnen beschikbaar die relevant zijn voor de archeologische verwachting. Daarom is de archeologische beleidskaart uit 2010 geactualiseerd en heeft er een verfijning plaatsgevonden van het verwachtingenmodel. Dit heeft geresulteerd in een geactualiseerde archeologische beleidskaart die op 25 juni 2020 door de gemeenteraad is vastgesteld. De beleidskaart is vervolgens juridisch vertaald in het bestemmingsplan 'Parapluplan 2020', welke eveneens is vastgesteld door de raad op 25 juni 2020. 5.4.2
Toetsing bouwplan
In het Parapluplan 2020, waarin de meest recente archeologische beleidskaarten zijn opgenomen, heeft de locatie geen archeologische waarde toegekend gekregen. Archeologisch onderzoek is niet benodigd. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend wijzigingsplan. 5.4.3
Conclusie
Het plangebied heeft geen archeologische waarde, waardoor er geen belemmeringen zijn voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.5
Cultuurhistorie
5.5.1
Wettelijk kader
In 2010 is in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.
5.5.2
Cultuurhistorische kenmerken
In 2018 is de cultuurhistorische waardenkaart door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld. De cultuurhistorische waardenkaart bestaat uit kenmerkenkaarten voor de disciplines landschap en gebouwde omgeving, uit waardenkaarten voor diezelfde aspecten, uit een viertal themakaarten en uit een integrale ensemblekaart, waarop de gebieden die staan die – samen met de sectorale landschappelijke en gebouwde kaarten – het palet aan cultuurhistorisch erfgoed van de gemeente Veenendaal laten zien. De thema’s waarop in het bijzonder ingezoomd is, zijn vervening, industrie, religie en militair erfgoed. Deze vier thema’s vormen een belangrijk deel van het ‘verhaal van Veenendaal’, waarvan in wisselende hoeveelheden ook nog relicten in het huidige Veenendaal – ondergronds, landschappelijk of gebouwd – terug te vinden zijn.
28
bestemmingsplan
bestemmingsplan Jan Steenlaan 4
5.5.3
Toetsing bouwplan
Het plangebied is gelegen binnen een stedenbouwkundig waardevol gebied, maar het pand zelf heeft zelf geen specifieke waarde toegekend gekregen. Het gebied Schildersbuurt waar het perceel instaat wordt beschreven als een: Kleine buurt binnen de grotere wederopbouwwijk Het Franse Gat, bestaande uit drie “stempels”, samengesteld uit steeds in een terugkerend patroon gerangschikte blokken geschakelde eengezinswoningen en blok ken etagewoningen, aan de zuidzijde grenzend aan plantsoenen aan de Jan Steenlaan, en aan de noordzijde aan de groenstructuur aan de Rembrandtlaan. Het woningbouwcomplex dateert uit het midden van de jaren 50 en is overwegend in traditionalistische trant vormgegeven, met bakstenen gevels en rode pannendaken. In structuur en bebouwingsbeeld gaaf behouden gebleven en zeer kenmerkend voor de vroege wederopbouwperiode in Veenendaal. Het perceel aan de Jan Steenlaan 4 valt buiten de waardevolle structuren zoals deze verwoord zijn in het rapport: '‘… alles gebeurde met de hand …’. Een geactualiseerde archeologische waarden- en verwachtingskaart en een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Veenendaal. Het plan doet daarom geen afbreuk aan het ensemble. 5.5.4
Conclusie
Vanuit het aspect cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen voor de ontwikkeling.
5.6
Conventionele explosieven
Het is bekend dat in de gemeente Veenendaal tijdens de Tweede Wereldoorlog oorlogshandelingen zijn geweest. Dit houdt in dat er op plaatsen mogelijk conventionele explosieven (CE) in de bodem kunnen zijn achtergebleven. Uit de praktijk is gebleken dat circa 10% van de afgeworpen bommen niet is geëxplodeerd en in de bodem is achtergebleven als blindganger. De gemeente Veenendaal heeft in mei 2018 beleid ten aanzien van conventionele explosieven vastgesteld. Door het vaststellen van een gemeentelijk beleid wordt geborgd dat activiteiten met betrekking tot CE binnen de gemeente worden getoetst en daar waar nodig beheersmaatregelen kunnen worden genomen en/of voorgeschreven. Het beleid is tevens bedoeld om eenieder die van plan is grondroerende werkzaamheden binnen de gemeente uit te voeren, te verplichten de benodigde acties te ondernemen met betrekking tot de mogelijke aanwezigheid en risico's van CE op de betreffende locatie. Het opsporen en verwijderen van (mogelijke) CE wordt alleen uitgevoerd om het risico met betrekking tot CE weg te nemen, en daarmee een veilige werkomgeving en leefomgeving te creëren tijdens uit te voeren werkzaamheden of activiteiten. Dit is ook de reden dat de gemeente Veenendaal altijd ingelicht moet worden als er projectmatig bodemroerende activiteiten plaatsvinden binnen gebieden die als verdacht zijn aangemerkt.
Vanwege voortschrijdende inzichten in de gebeurtenissen tijdens de Tweede Oorlog heeft er in 2020 een update van de bodembelastingkaart Conventionele Explosieven plaatsgevonden. 5.6.1
Toetsing bouwplan
Het plangebied aan de Jan Steenlaan wordt in het uitgevoerde vooronderzoek niet als verdacht aangemerkt. Nader onderzoek naar conventionele explosieven is daarom niet noodzakelijk. 5.6.2
Conclusie
Vanuit het aspect conventionele explosieven zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
bestemmingsplan
29
bestemmingsplan Jan Steenlaan 4
5.7
Ecologie
5.7.1
Wettelijk kader
Voor ecologie moet er bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening worden gehouden met soortbescherming gericht en met gebiedsbescherming. De natuurbescherming in Nederland is geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming zorgt voor een goede natuurbescherming van planten- en diersoorten, natura 2000-gebieden, en bossen. Sommige plant- en diersoorten worden beschermd omdat ze als kwetsbaar worden gekenmerkt. De Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet, en de Flora- en Faunawet zijn vanaf 1 januari 2017 opgenomen in de Wet natuurbescherming. De provincie is het bevoegd gezag voor de Wet natuurbescherming (Wnb). Hierin worden de soortbescherming en de gebiedsbescherming nader belicht omdat beide voor het bestemmingsplan van belang zijn. De regels die voorheen in de Boswet waren opgenomen zijn binnen het plangebied niet van toepassing omdat het gehele gebied binnen de bebouwde kom ligt. Een nadere beschrijving van dit deel van de wet is dan ook niet opgenomen. Soortbescherming Een belangrijk doel van de wet is het beschermen van alle soorten planten en dieren die in het wild in Nederland voorkomen. De wet gebiedt dat alle in het wild levende dieren en planten in principe met rust worden gelaten, wat is vastgelegd in de algemene zorgplicht. In de regelgeving heeft de gunstige staat van in stand houding van soorten een prominentere plek gekregen.
De Wet natuurbescherming verdeelt beschermde soorten in twee groepen: Strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. In de tweede categorie staan andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst. Provincies hebben de mogelijkheid om voor bepaalde soorten aanvullende maatregelen vast te stellen. De provincie Utrecht heeft hiervoor al een lijst opgesteld met prioritaire soorten en aanvullende maartregelen per soort. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is van toepassing op natuurgebieden die door de overheid zijn aangewezen in het kader van de vogelrichtlijn en/of de habitatrichtlijn. De Habitatrichtlijn richt zich op de bescherming van natuurlijke habitats en leefgebieden van aangewezen planten- en dierensoorten. De Vogelrichtlijn richt zich op de bescherming van leefgebied van beschermde vogelsoorten. Belangrijk is dat ruimtelijke projecten niet zonder meer mogen worden gerealiseerd in beschermde natuurgebieden (Natura 2000). Projecten die in de nabijheid van beschermde natuurgebieden (inclusief de Habitatrichtlijngebieden) worden geprojecteerd, dienen te worden getoetst op de mogelijke negatieve effecten die zij op deze gebieden kunnen hebben (externe werking). Indien een negatief effect vermoed wordt dan moet bij de Provincie een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd worden.
De Provincie zal naar aanleiding van de aanvraag een beschikking opstellen. De beschikking kan een verbod van het project betekenen of voorwaarden verbinden aan de uitvoer. De Wet natuurbescherming beschermt geen gebieden buiten de natura 2000 gebieden. Natuurnetwerk Nederland Naast de volgens de wet aangewezen gebieden kent Nederland het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS). Het NNN is bedoeld voor het ontwikkelen van ecologische zones tussen verschillende natuurgebieden zodat populaties met elkaar in verbinding blijven en versnippering van natuur wordt tegen gegaan. Het is uiteraard niet wenselijk dat een ontwikkeling een verstorende werking heeft op de functie van deze verbindingszones. Deze zones zijn niet beschermd volgens de Wet natuurbescherming maar krijgen planologische bescherming doordat deze in bestemmingsplannen worden opgenomen. Projecten en bestemmingsplannen worden getoetst aan dit provinciale beleid.
30
bestemmingsplan
bestemmingsplan Jan Steenlaan 4
5.7.2
Toetsing bouwplan
Quickscan Wet natuurbescherming Om te beoordelen of de ontwikkeling effect heeft op de (beschermde) flora en fauna, is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd (Bijlage 2). Uit dit onderzoek is gebleken dat er vervolgonderzoek nodig is voor de verblijfsplaatsen van vleermuissoorten en van de egel en kleine grondgebonden zoogdieren. Er zijn mitigerende maatregelen nodig om onnodig doden en verwonden van deze dieren te voorkomen.
Voorafgaand aan de sloop van de bebouwing is onderzoek nodig naar de aanwezigheid van verblijfsplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen. Aan de hand van de resultaten van dat onderzoek kan inzichtelijk gemaakt worden of het opstellen van een ecologisch werkprotocol met mitigerende maatregelen voor deze soorgroep zal voldoen. Indien dat niet nodig is zal een ontheffing van de Wet natuurbescherming verkregen moeten worden. Verwacht wordt dat deze, aan de hand van vigerende regelgeving, verkregen kan worden.
Onderzoek stikstofdepositie Doordat het plan mogelijk stikstofdepositie veroorzaakt op Natura 2000-gebieden in de omgeving, is het effect van de ontwikkeling op de stikstofdepositie onderzocht (Bijlage 3). In dit onderzoek is de gebruiksfase onderzocht. Uit de berekening volgt dat het plan geen relevante bijdrage heeft op de stikstofgevoelige natuurgebieden in de omgeving. De berekende depositie voldoet voor beide fases aan de afgeronde grenswaarde van 0,00 mol/ha/jaar. Hierbij is het wel belangrijk dat het project wordt uitgevoerd zoals in de AERIUS-berekening is aangegeven. 5.7.3
Conclusie
Vanuit het aspect ecologie zijn er belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. Echter kunnen deze belemmeringen met mitigerende maatregelen of een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming opgelost worden. Daarnaast voldoet het plan aan de wettelijk gestelde eisen voor stikstof.
5.8
Geluid
5.8.1
Wettelijk kader
Tussen de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet geluidhinder (Wgh) is een koppeling gelegd. Dat blijkt uit art. 76 en 76a van de Wgh. Dit betekent dat de geluidssituatie binnen het plangebied moet voldoen aan de voorwaarden uit de Wgh. Als nadere invulling van deze voorwaarden heeft de gemeente Veenendaal de beleidsregel hogere waarden Wgh opgesteld. In het kader van de Wet geluidhinder liggen er zones rond wegen en spoorlijnen en gezoneerde industrieterreinen. Wegen op een woonerf of met een maximumsnelheid van 30 km/uur hebben geen zone. Binnen een zone moet voor het realiseren van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen, onderzoek worden gedaan naar de geluidbelasting. Binnen de geluidszone geldt een voorkeurswaarde voor de geluidsbelasting ter plaatse van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen of terreinen. Hierbij geldt een afzonderlijke toetsing per weg, spoorweg of industrieterrein. Bij overschrijding van de voorkeurswaarde moet worden onderzocht of geluid reducerende maatregelen getroffen kunnen worden, waarbij de volgorde bron- overdracht- en ontvangermaatregelen de voorkeur geniet. Beleidsregel hogere waarden Pas als blijkt dat niet aan de voorkeurswaarde kan worden voldaan kan het college van Burgemeester en Wethouders een hogere waarde verlenen (ontheffing van de voorkeurswaarde). Hierbij geldt wel een maximale ontheffingswaarde.
Voordat een hogere waarde vast te stellen dienen bron- en overdrachtsmaatregelen afgewogen te worden. bestemmingsplan
31
bestemmingsplan Jan Steenlaan 4
In deze beleidsregel worden randvoorwaarden genoemd voor het toestaan van hogere geluidsbelastingen dan de voorkeurswaarde. De voorwaarden zijn geformuleerd als eis of als inspanningsverplichting. Indien niet aan de inspanningsverplichting kan worden voldaan dient de initiatiefnemer te motiveren waarom dit niet kan of waarom voor een alternatieve oplossing is gekozen. 5.8.2
Toetsing bouwplan
Bij het wijzigen van een bestemmingsplan naar wonen (of andere geluidgevoelige bestemming) en bouwen van woningen is toetsing aan de Wet geluidhinder verplicht. De planlocatie ligt echter niet in een zone van een gezonerde weg volgens de Wet geluidhinder. Alle aangrenzende wegen zijn zeer rustige en smalle woonstraten. De Frans Halslaan is voor auto's zelfs een doodlopende straat. Daarmee mag worden aangenomen dan de geluidsbelasting beperkt blijft en dat deze onder de 53 dB blijft. Geluidsonderzoek naar gevelwering is daarmee niet nodig. 5.8.3
Conclusie
Vanuit de Wgh zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.9
Bedrijven- en milieuzonering
Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. De basis hiervoor vormt de Wet milieubeheer. In de VNG handreiking 'bedrijven en milieuzonering' 2009 zijn de aan te houden afstanden opgenomen. Hieraan wordt het plan dan ook getoetst. Milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) dienen binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. 5.9.1
Toetsing bouwplan
Het plangebied is gelegen in een omgeving met overwegend woonfuncties. De dichtstbijzijnde andere functies zijn het Rembrandt College en een thuiszorgwinkel. Voor beide functies geldt dat er reeds andere woningen tussen liggen dus dat de nieuwe woonfunctie deze functies niet beperkt. Anderzijds is er voldoende afstand tussen deze functies en de te ontwikkelen woningen. Voor een school geldt een richtafstand van 30 meter en de feitelijke afstand is ca. 110 meter. Voor een winkel geldt een richtafstand van 10 meter en de feitelijke afstand is ruim 60 meter. Er is dus voldoende afstand en er is sprake van een goede ruimtelijke ordending. 5.9.2
Conclusie
Vanuit het aspect bedrijven- en milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.10
Luchtkwaliteit
5.10.1 Wettelijk kader Voor luchtkwaliteit zijn de luchtkwaliteitseisen (hoofdstuk 5.2) van de Wet milieubeheer van kracht. Hierin is vastgelegd dat onder meer ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de in de wet opgenomen grenswaarden en richtwaarden. Deze Wet is nader uitgewerkt in Besluiten en Regelingen, waarvan het Besluit en de Regeling niet in betekenende mate (nibm), het Besluit gevoelige bestemmingen en de Regeling beoordeling de belangrijkste zijn. Daarnaast is ook het beginsel van een goede en duurzame ruimtelijke ordening van belang. Niet in betekenende mate (nibm) Alleen projecten die ‘in betekenende mate’ bijdragen aan de concentraties luchtvervuiling worden getoetst aan de grenswaarden. Er dient te worden onderzocht of een project ‘in betekenende’ mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Het Besluit nibm bepaalt dat een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie luchtvervuiling als deze minder dan 3% van de grenswaarde, ofwel 1,2 microgram per m3. De Regeling nibm is hier een nadere uitwerking van. Hierin is bepaald dat
32
bestemmingsplan
bestemmingsplan Jan Steenlaan 4 woningbouwprojecten tot 1.500 woningen en kantoren tot 100.000 m 2 zijn vrijgesteld van toetsing aan de wettelijke grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof. Besluit gevoelige bestemmingen Kinderen, ouderen en zieken zijn gevoeliger voor luchtvervuiling en worden daarom extra beschermd. Op basis van het Besluit gevoelige bestemmingen gelden voor gevoelige bestemmingen nabij wegen zwaardere beperkingen. Zo mogen binnen 300 meter van rijkswegen en 50 meter vanaf provinciale wegen geen bestemmingen voor langdurig verblijf als kinderdagverblijven, scholen of verzorgingstehuizen worden gebouwd, als de wettelijke grenswaarden worden overschreden. Het Besluit verplicht overheden om onderzoek uit te voeren naar de concentraties stikstofdioxide en fijn stof. Voor gemeentelijke wegen geldt een zwaardere motiveringsplicht. Concentraties stikstofdioxide en (ultra) fijn stof De Omgevingsdienst heeft de concentraties stikstofdioxide en (ultra) fijn stof voor het jaar 2015 en 2025 berekenend met het rekenmodel GeoMilieu. De wettellijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde ligt op 40 microgram per m3. De uurgemiddelde grenswaarde voor stikstofdioxide van 200 microgram per m3 wordt overschreden wanneer de concentraties gemideld op jaarbais boven de 60 microgram per m3 uitkomen.
5.10.2 Toetsing bouwplan De gewenste ontwikkeling kan gezien worden als project wat 'niet in betekende mate' van belang is voor de luchtkwaliteit, waardoor het effect van het project op de luchtkwaliteit niet getoetst hoeft te worden. Andersom gezien wordt navolgend in beeld gebracht wat de luchtkwaliteit ter plekke van het plangebied is. In de tabel wordt een overzicht gegeven van de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) en van de waarden ter plekke van het plangebied. Daaruit blijkt dat de huidige bekende achtergrondconcentraties en de verwachte achtergrondconcentraties ruim lager zijn dan de grenswaarden.
Concetratie 2018
Concetratie 2030 Jan Steenlaan 4
Grenswaarde
NO2
16-18 µg/m3
10-12 µg/m3
40 µg/m3
PM10
20-21 µg/m3
17-18 µg/m3
40 µg/m3
PM2,5
12,5-13 µg/m3
10-10,5 µg/m3
25 µg/m3
Tabel 5.1: Grenswaarden luchtkwaliteit en waarden ter plekke van het plangebied (bron: Geoloket) De World Health Organisation (WHO) en Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) hanteren advieswaarden voor fijn stof en zeer fijn stof van respectievelijk 20 µg/m3 en 10 µg/m3. Dit ligt duidelijk lager dan de wettelijke grenswaarden. Zoals uit bovenstaande tabel blijkt, is zal de jaargemiddelde concentratie van (zeer) fijn stof verder afnemen in de toekomst. De toekomstige concentratie van PM10 voldoet in 2030 aan de advieswaarde. De huidige en toekomstige waarden zijn acceptabel voor een goed woon- en leefklimaat. 5.10.3 Conclusie Door de beperkte omvang van de ontwikkeling, is het 'niet in betekende mate' van belang voor het effect op de luchtkwaliteit. Ook blijkt dat voldaan wordt aan de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Er zijn dan ook geen belemmeringen vanuit het aspect luchtkwaliteit.
bestemmingsplan
33
bestemmingsplan Jan Steenlaan 4
5.11
Mobiliteit
5.11.1 Wettelijk kader Op 26 november 2020 heeft de raad de Notitie parkeernormen Veenendaal 2020 vastgesteld. De parkeernormen zijn hiermee herzien. In het vastgestelde beleid worden flexibelere parkeernormen toegepast, waardoor er meer maatwerk mogelijk is bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in Veenendaal. Hierbij wordt meer rekening gehouden met het bestaande stedelijk gebied en met de mogelijkheden om met andere vervoerswijzen te reizen naast de personenauto. Ook worden er fietsparkeernormen geïntroduceerd om de positie van Veenendaal als fietsstad verder te versterken. Tot slot kunnen initiatiefnemers van grote ruimtelijke ontwikkelingen met behulp van een mobiliteitsplan gemotiveerd een reductie op de parkeernormen verdienen door andere vormen van mobiliteit aan te bieden en gebruik te maken van de kwaliteiten die aanwezig zijn in de nabije omgeving van het plangebied. 5.11.2 Toetsing bouwplan In de parkeernormennotite 2020 wordt Veenendaal opgedeeld in vijf zones waarin verschillende parkeernormen gelden. De Jan Steenlaan 4 is gelegen in zone 1. Voor een appartementen geldt in zone 1 een parkeernorm van 0,7 per wooneenheid. Voor de woonunits <60 m2 geldt een norm van 0,4 per wooneenheid. De parkeerbalans ziet er dan als volgt uit:
Functie
Parkeernorm
Aantal Parkeereis
Appartement (koop)
0,7 p.p./appartement
6
4.2 p.p
Woonunits < 60 m2
0,4 p.p./woonunit
17
6,8 p.p. + 11 p.p.
De normatieve parkeerbehoefte voor deze ontwikkeling is 11 p.p. Echter is hierbij nog geen rekening gehouden met dubbelgebruik tussen bewoners en bezoekers van bewoners. Rekening gehouden met dubbelgebruik tussen bewoners en bezoekers bedraagt de parkeerbehoefte op het maatgevende moment (werkdagavond) 10 parkeerplaatsen. Volgens de Notitie Parkeernormen Veenendaal 2020 dient de ontwikkelaar 10 parkeerplaatsen zal realiseren. De twee parkeerplaatsen aan de zuidzijde van de ontwikkeling worden aan de ontwikkeling toegekend. Door het aanpassen van het openbare gebied, zodat toegang tot de parkeerplaatsen ontstaat, moeten de parkeerplaatsen die daardoor verdwijnen gecompenseerd worden het gaat hier naar verwachting om 2 parkeerplaatsen. Op de tekeningen zijn 13 parkeerplaatsen ingetekend. Het plan is daarmee in lijn met het parkeerbeleid van de gemeente Veenendaal. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie kan gebruikgemaakt worden van de CROW publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren'. Daarin wordt de de gemiddelde verkeersgeneratie van een goedkoop appartement geschat op 5,0 mvt/etmaal in de schil centrum van matig stedelijk gebied. Met voorliggend wijzigingsplan worden er maximaal woningen gerealiseerd, waardoor de toekomstige verkeersgeneratie uitkomt op 120 mvt/etmaal.
Gezien het voormalige gebruik van de locatie als school, is de toename van de verkeersgeneratie nog lager dan deze 120 mvt/etmaal. Deze toename wordt opgevangen in het heersende verkeersbeeld, is niet in betekende mate en leidt niet tot onevenredige milieuhinderhinder. 5.11.3 Conclusie Het plan voldoet aan de notitie parkeernormen 2020.
34
bestemmingsplan
bestemmingsplan Jan Steenlaan 4
5.12
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
In juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r) in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de procedure voor de vormvrije m.e.r.- beoordeling. Voor een aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, zal door de initiatiefnemer een aanmeldnotitie opgesteld moeten worden. Na het indienen van de aanmeldnotitie dient het bevoegd binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbeslissing te nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden. Vervolgens moet de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is vereist als een besluit wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst en de besluiten (kolom 4) die daaraan zijn gekoppeld, in gevallen waarin de omvang van activiteiten onder de drempelwaarden (kolom 2 van de D-lijst) liggen. 5.12.1 Toetsing bouwplan De voorgenomen ontwikkeling komt voor op de D-lijst onder de categorie D.11.2 van het Besluit m.e.r. De genoemde drempelwaarde bij deze activiteit bedraagt 2.000 of meer. De toename in woningen van de voorgenomen activiteit blijft met een aantal van 167 onder de drempelwaarde zoals genoemd in kolom 2 van onderdeel D. Er is voor de activiteit derhalve geen sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht.
Er dient wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Door de initiatiefnemer is een aanmeldingsnotitie opgesteld die wordt beoordeeld door het bevoegd gezag. Voordat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage wordt gelegd dient het bevoegd gezag een besluit te nemen. Kenmerken van de activiteit Gelet op alle kenmerken van het project ten opzichte van de referentiesituatie en de uitkomsten van de daarbij verrichte onderzoeken, kan worden uitgesloten dat het verschil tussen de milieueffecten, van het nieuwe plan, en de milieueffecten, van de referentiesituatie, belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Locatie van het project De realisatie van het project heeft geen negatieve gevolgen voor flora en fauna, de natuurlijke kenmerken van het Natura-2000 gebied(en) Binnenveld en/of invloed op waardevolle structuren of elementen in het gebied. Door het treffen van diverse maatregelen is de invloed van het project op de omgeving zeer gering. Soort en kenmerken van het potentiële effect Gelet op alle kenmerken van het project ten opzichte van de huidige situatie en de uitkomsten van de daarbij verrichte onderzoeken, kan worden gesteld dat het verschil tussen de milieueffecten van de aangevraagde situatie en de milieueffecten van de huidige situatie geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben.
Er zijn geen essentiële milieueffecten, die door middel van een milieueffectrapport nader onderzocht moeten worden. Voor de verschillende milieueffecten kan op basis van beschikbare onderzoeken behorende bij het bestemmingsplan beoordeeld worden of er sprake is van potentiele effecten. Er is derhalve geen m.e.r.-procedure noodzakelijk. 5.12.2 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject zoals omschreven in het Besluit milieueffectrapportage onder D 11.2. De realisatie van de voorgenomen ontwikkeling blijft weliswaar onder de aangegeven drempelwaarden uit kolom 2, maar op grond van de nieuwe wetgeving is alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. De conclusie van de m.e.r.-beoordeling is dat het plan geen belangrijke negatieve gevolgen zal hebben voor de kenmerken van het gebied zelf en voor het woon- en leefmilieu in de omgeving. Er worden geen negatieve effecten verwacht vanwege de ligging van het plangebied ten opzichte van gevoelige gebieden. Geconcludeerd wordt dat geen belangrijke nadelige milieugevolgen worden verwacht en dat het opstellen van een MER niet noodzakelijk wordt geacht.
bestemmingsplan
35
bestemmingsplan Jan Steenlaan 4
5.13
Totaalbeeld aspecten
Uit alle gevoerde onderzoeken komt naar voren dat het bestemmingsplan niet op onacceptabele gevolgen of belemmeringen stuit voor de directe omgeving.
36
bestemmingsplan
bestemmingsplan Jan Steenlaan 4
Hoofdstuk 6 6.1
JURIDISCHE PLANOPZET
Inleiding
Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels (zogenaamde planregels). De regels zijn gerelateerd aan de verbeelding, zodat verbeelding en regels te allen tijde in onderlinge samenhang dienen te worden bezien en toegepast. Verbeelding Zoals reeds eerder gesteld is de verbeelding gerelateerd aan de regels (en vice versa) en heeft tevens de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Verder kunnen er binnen een bestemming verklaringen zijn aangegeven. Deze hebben juridisch gezien geen enkele betekenis en zijn uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van de kaart (bijvoorbeeld topografische gegevens). De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en overheid bindende deel van het bestemmingsplan. Regels De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in meerdere hoofdstukken.
Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken. Toelichting De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Door de grote flexibiliteit, of beter vrijheid in de regels, kan de rechtszekerheid van belanghebbenden in het gedrang komen. In de toelichting dienen derhalve duidelijk de beleidsintenties te worden aangegeven met betrekking tot toekomstig grondgebruik. De toelichting heeft echter geen rechtsreeks burgers bindende werking.
6.2
De indeling van de planregels
Het gemeentelijk beleid is vertaald in de planregels. Het deelplan bevat normatieve regels, die bindend zijn voor zowel de overheid als de burger. Daarbij is geprobeerd een flexibel stelsel van regels te ontwikkelen zonder daarbij tekort te doen aan eisen van rechtszekerheid. Gekozen is daarom om het aantal bestemmingen op de verbeelding te beperken tot datgene wat noodzakelijk wordt geacht. Het is voor beide partijen van groot belang, dat de verbeelding en de planregels duidelijke informatie verschaffen. Door het aantal bestemmingen met een minimum te beperken wordt de leesbaarheid en duidelijkheid van zowel de verbeelding als de planregels vergroot. Een leesbaar en duidelijk plan zorgt bovendien voor een plan dat handhaafbaar is. De indeling van de planregels is als volgt: 6.2.1
Inleidende regels (hoofdstuk 1)
Dit hoofdstuk bevat alle bepalingen die nodig zijn om de overige planregels goed te kunnen hanteren: begrippen: bevat in het plan gebruikte begrippen die uitleg behoeven; wijze van meten: bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlaktes, percentages, hoogtes, dieptes, breedtes en dergelijke. Hieronder valt tevens de wijze van peilbepaling.
bestemmingsplan
37
bestemmingsplan Jan Steenlaan 4
6.2.2
Bestemmingsregels (hoofdstuk 2)
Binnen dit plan komen de volgende bestemmingen voor: Wonen
W
In paragraaf 6.3 wordt er per bestemming aangegeven wat de gebruiksmogelijkheden en de bouwmogelijkheden zijn. Indien bestemmingsspecifieke flexibiliteitsregels aan de orde zijn worden deze per artikel opgenomen. Algemene flexibiliteitsregels zijn in hoofdstuk 3 opgenomen. 6.2.3
Algemene regels (hoofdstuk 3)
Hoofdstuk 3 bestaat achtereenvolgens uit de volgende artikelen: Anti-dubbeltelregel: Algemene bouwregels; Algemene gebruiksregels; Algemene aanduidingsregels; Algemene afwijkingsregels; Algemene wijzigingsregels; Algemene procedureregels; Overige regels.
6.3
Bestemmingen
De bestemmingen bestaan uit een opsomming van omschrijvingen die aangeven hoe een bepaalde plek gebruikt mag worden en wat er op een bepaalde plek gebouwd mag worden. Dit wordt respectievelijk opgesomd in de bestemmingsomschrijving en de bouwregels. Hieronder wordt de voor dit plan geldende bestemming toegelicht. Er wordt aangegeven wat de gebruiksen bouwmogelijkheden zijn.
Wonen - W Gebruiksmogelijkheden Op de gronden met de bestemming 'Wonen - W' mag natuurlijk gewoond worden. Daarnaast is het direct toegestaan om beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteiten uit te oefenen in hoofd- of bijgebouw tot een maximum van 45 m². Dit gebruik is echter wel aan voorwaarden onderhevig, de voorwaarden worden in specifieke gebruiksregels binnen de bestemming opgenomen. Binnen het plangebied zijn de volgende woningtypen toegestaan: 1. ter plaatse van de aanduiding [gs] mogen alleen gestapelde woningen worden gebouwd; Hoewel wonen in een vrijstaand bijgebouw niet toegestaan is geldt er een uitzondering ten behoeve van mantelzorg. Deze is wettelijk geregeld (bijlage II van het Besluit omgevingsrecht). Hierover is daarom geen regeling in het bestemmingsplan opgenomen. Bouwmogelijkheden Ten opzichte van de oude bestemmingsplannen voor de woongebieden is de bestemmingssytematiek zoals vastgelegd op de verbeelding en de regels ingrijpend gewijzigd. Het gedeelte van een woonperceel waarop hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken kunnen worden gebouwd is bedekt met een bouwvlak. Voorheen werd slechts het gedeelte waarop het hoofdgebouw kon worden gebouwd met een bouwvlak aangeduid. Op de bestemming erf waren vervolgens bijgebouwen toegestaan. De gewijzigde sytematiek houdt verband met de uitgangspunten: uniformering en verruiming van de
38
bestemmingsplan
bestemmingsplan Jan Steenlaan 4 bouwmogelijkheden. Nu wordt in de bestemmingsregeling onderscheid gemaakt tussen twee zones: het bouwvlak; gebied voor de voorgevel. Het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak gebouwd worden. Er zijn twee uitzonderingen waarbij het gebied voor de voorgevel (dus buiten het bouwvlak) wel bebouwd mag worden. Deze uitzonderingen zijn: 1. de erker- en luifelregeling; 2. het geval dat er in de bestaande situatie bijbehorende bouwwerken voor de voorgevel gesitueerd zijn, deze mogen worden gehandhaafd. Er is een regeling opgenomen voor bijbehorende bouwwerken, waarin de maximum oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken als volgt is gerelateerd aan de grootte van het bouwperceel: 1. in geval van een bouwperceel kleiner dan of gelijk aan 200 m2: 25% van dat bouwperceel; 2. in geval van een bouwperceel groter dan 200 m2: 50m², vermeerderd met 20% van het deel van het bouwperceel dat groter is dan 200 m2, tot een maximum van in totaal 120m². Dit betekent ten opzichte van de oude regeling een aanmerkelijke verruiming van de mogelijkheden voor met name de grotere percelen. Daarnaast is er een ruimere regeling opgenomen voor aanbouwen aan de zijgevel van hoofdgebouwen. Bijbehorende bouwwerken mogen vanaf 1 meter achter de voorgevelrooilijn gebouwd worden.
Bij gestapelde woningen zijn de maximale bouwhoogten op de verbeelding aangeduid. Overgangsrecht In hoofdstuk 4 is het overgangrecht geformuleerd. De formulering is conform de tekst als in het Bro omschreven. Zonder vergunning opgerichte, dus illegale, bouwwerken vallen niet onder het overgangsrecht. Indien de bouwwerken door wetgeving inmiddels vergunningvrij kunnen worden opgericht, worden deze niet als illegaal beschouwd.
bestemmingsplan
39
bestemmingsplan Jan Steenlaan 4
Hoofdstuk 7
FINANCIEEL-ECONOM ISCHE UIT VOERBAARHEID
Tegelijkertijd met de vaststelling van een bestemmingsplan kunnen exploitatieplannen (ex. art. 6.12 Wro) worden vastgesteld. Op basis van het exploitatieplan kunnen (plan)kosten worden verhaald. Een exploitatieplan hoeft niet opgesteld te worden bij een bestemmingsplan met alleen conserverende bestemmingen of wijzigingsbevoegdheden. Een exploitatieplan hoeft ook niet opgesteld te worden als het kostenverhaal ‘anderszins verzekerd’ is, door middel van bijvoorbeeld anterieure overeenkomsten of als de gemeente eigenaar is van de gronden. Voor dit plan is een anterieure overeenkomst opgesteld, een exploitatieplan is daarom niet nodig. Verder is er wat betreft de financiële haalbaarheid een bevesting van de exploitant dat de kosten gedragen kunnen worden.
40
bestemmingsplan
bestemmingsplan Jan Steenlaan 4
Hoofdstuk 8
M AAT SCHAPPELIJKE UIT VOERBAARHEID
Het gemeentelijke beleid is er op gericht om in de voorbereiding op de bestemmingsplanprocedure een participatietraject te volgen. Om in het voortraject inspraak te kunnen hebben worden belanghebbenden uitgenodigd om te participeren in de totstandkoming van het bestemmingsplan. Dit vervangt de ter inzagelegging van het voorontwerpbestemmingsplan. Met de burgerparticipatie wordt eenieder in de gelegenheid gesteld om kennis te nemen van het plan en te reageren op de inhoud. Op 8 april 2022 is de directe omgeving met een brief op de hoogte gesteld van de ontwikkelplannen omtrent de Jan Steenlaan 4. In deze brief is informatie verstrekt over een gelanceerde omgevingsdialoog website, waar de ontwikkelplannen uitgebreid toegelicht worden, middels tekst en verbeelding. Op de omgevingsdialoog website is de beoogde ontwikkeling beschreven met daarbij inzicht in het beoogde programma, stand van zaken en de beoogde planning. Visueel worden er beelden/schetsen van de beoogde ontwikkeling getoond. Wegens de regels met betrekking tot covid-19 waren fysieke bijeenkomsten niet verantwoord. Er is gekozen voor een digitale participatie om de omwonenden ondanks de covid-19 beperkingen mee te kunnen nemen in onze plannen en ze de mogelijkheid te geven om hierop te reageren.
8.1
Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
In het kader van vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit omgevingsrecht wordt het ontwerpbestemmingllllsplan gedurende de inzagetermijn toegezonden aan de provincie Utrecht en het Waterschap Vallei en Veluwe.
8.2
Ontwerp ter inzage legging
Het voorontwerpbestemmingsplan heeft van 6 oktober tot en met 16 november 2022 gedurende 6 weken ter inzage gelegen voor inspraak. Het ontwerpbestemmingsplan is tevens toegestuurd aan de gebruikelijke overlegpartners. Gedurende de ter inzage termijn zijn 15 inspraakreacties ingediend. Deze reacties zijn samengevat en vervolgens beoordeeld op ontvankelijkheid en inhoud. Van deze beoordeling is verslag gedaan in de commentaarnota inspraak voorontwerpbestemmingsplan, zie Bijlage 5. De inspraakreacties hebben met name betrekking op: - Mobiliteit (parkeren en verkeersbewegingen); - Bouwmassa; - Leefbaarheid; - Participatie.
bestemmingsplan
41
bestemmingsplan Jan Steenlaan 4
42
bestemmingsplan
bestemmingsplan Jan Steenlaan 4
Bijlagen
bestemmingsplan
43
bestemmingsplan Jan Steenlaan 4
Bijlage 1 Verkennend bodemonderzoek
44
bestemmingsplan
PROJECT 32467 VERKENNEND EN AANVULLEND BODEMONDERZOEK & VERKENNEND ASBESTONDERZOEK JAN STEENLAAN 4 TE VEENENDAAL Versie 3 (Correctie asbestberekening) (Gemeente Veenendaal, sectie ‘B, nummer 8315)
Vestiging Kamerik Nijverheidsweg 7 3471 GZ Kamerik t 0348 402103 Vestiging Heerhugowaard Galileistraat 69 1704 SE Heerhugowaard t 072 5729457 Vestiging Steenwijk Oevers 16 8331 VC Steenwijk t 0521 521924 www.grondslag.nl
bodemonderzoek | saneringsbegeleiding | partijkeuringen | waterbodemonderzoek | arbo/veiligheid | wegenbouwadvies
Project 32467
Titel
Verkennend en aanvullend bodemonderzoek & Verkennend asbestonderzoek Jan Steenlaan 4 te Veenendaal
Projectleider
Dhr. A. van Steenderen (versie 1) Dhr. P. de Vries (versie 2&3)
Adviseur
Mevr. E. Sommer (versie 1) Mevr. Y. Karels (versie 2&3)
Datum rapport
22 maart 2023
Versie
3 (Correctie asbestberekening)
Opdrachtgever
Realest8 Oslo 16 2993 LD Barendrecht
Contactpersoon
Dhr. R. Huijzer
Het bodemonderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen die zijn opgesteld in de BRL SIKB 2000. Grondslag is door KIWA gecertificeerd voor het verrichten van “Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek” conform deze BRL. Grondslag BV is als opdrachtnemer onafhankelijk van de opdrachtgever. Tussen beide bestaat geen relatie als bedoeld in paragraaf 3.2.7 van de BRL SIKB 2000.
Project 32467
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING EN DOEL
1
2
TERREINGEGEVENS 2.1 Afbakening onderzoekslocatie 2.2 Huidige situatie 2.3 Historie tot op heden 2.4 Voorgaande (bodem)onderzoeken 2.5 Toekomstige situatie 2.6 Hypothese en onderzoeksopzet
2 2 2 2 3 4 4
3
VELDWERK 3.1 Uitvoering 3.2 Resultaten 3.2.1 Grond 3.2.2 Grondwater
6 6 7 7 7
4
CHEMISCHE ANALYSES 4.1 Analyses grond 4.2 Analyses grondwater
8 8 9
5
ASBESTANALYSES 5.1 Grove fractie (>2 cm) 5.2 Fijne fractie (<2 cm) 5.3 Totaalresultaat 5.4 Conclusie
11 11 11 11 11
6
PFAS-ONDERZOEK 6.1 Toetsingskader 6.2 Analyse-en toetsingresultaten PFAS
12 12 12
7
VERONTREINIGINGSSITUATIE 7.1 Verontreiniging in grond 7.2 Ernst van de verontreiniging en gevalsdefinitie 7.3 Spoedeisendheid van sanering
14 14 14 15
8
SAMENVATTING EN CONCLUSIES 8.1 Samenvatting 8.2 Conclusie
16 16 17
BIJLAGEN BIJLAGE I BIJLAGE II BIJLAGE III BIJLAGE IV BIJLAGE V BIJLAGE VI
: Kaartmateriaal : Boorbeschrijvingen : Toetsingstabellen : Analysecertificaten : Begeleidende informatie milieukundig vooronderzoek : Toetsingskader & Verklarende woordenlijst
1
1
Project 32467
INLEIDING EN DOEL Door Realest8 is aan Grondslag BV opdracht verleend voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek (inclusief verkennend asbestonderzoek) op het perceel Jan Steenlaan 4 te Veenendaal. De aanleiding voor het onderzoek wordt gevormd door de voorgenomen aanvraag van een omgevingsvergunning (bouw). Men is voornemens het huidige gebouw (een voormalige school) te slopen en een appartementencomplex met circa 18 woningen te realiseren. Het doel van het onderzoek is het vastleggen van de milieuhygiënische bodemkwaliteit voorafgaand aan de saneringswerkzaamheden en het beoordelen of de bodem geschikt is voor de beoogde bestemming. Het doel van het verkennend asbestonderzoek is om met een relatief geringe onderzoeksinspanning te bepalen of de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie verontreinigd is met asbest. Met het verkennend onderzoek wordt een indicatief asbestgehalte bepaald, aan de hand waarvan kan worden bepaald of nader onderzoek noodzakelijk is. Het bodemonderzoek is verricht volgens de vigerende richtlijnen uit de NEN 5740 (Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek) en de NEN 5707 (Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond) en de onderliggende norm NEN 5725 (Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek).
Aanvulling 2023 Begin 2022 is het verkennend bodem- en asbestonderzoek door de omgevingsdienst Regio Utrecht beoordeeld (kenmerk Z/22/1966962 / D-580719, d.d. 17 maart 2022). Uit de beoordeling bleek dat het historisch vooronderzoek niet helemaal volledig was, dat er geen actualisatie onderzoek bij de ondergrondse tank was uitgevoerd en dat de stortlaag (afval gasfabriek) niet was geanalyseerd op cyanide. Het doel van het aanvullend onderzoek is om de drie punten die naar voren zijn gekomen bij de beoordeling van de ODRU te verduidelijken en/of aan te vullen. Voor een volledig overzicht zijn de resultaten van het aanvullend onderzoek opgenomen in onderhavige rapportage van het verkennend onderzoek.
2
2
Project 32467
TERREINGEGEVENS Voorafgaand aan het bodemonderzoek is er een vooronderzoek conform NEN 5725 verricht. De resultaten van het vooronderzoek zijn verwerkt in dit hoofdstuk. Het vooronderzoek richt zich tevens op de direct aangrenzende percelen.
2.1
Afbakening onderzoekslocatie Het perceel is kadastraal bekend als gemeente Veenendaal, sectie ‘B, nummer 8315. De RD-coördinaten van het perceel zijn (x)165,831 en (y)448,040. Het perceel heeft een oppervlakte van 954 m² en bevindt zich in een stedelijk gebied. De onderzoekslocatie bestaat uit het gehele perceel de begrenzing hiervan is weergegeven op de tekening in bijlage I.
2.2
Huidige situatie Op de onderzoekslocatie staat een oud schoolgebouw waar zich momenteel het tweedehandswinkeltje ‘De kleine Beurs’ bevindt. Het buitenterrein is grotendeels verhard met betonklinkers. Aan de oostzijde, buiten de onderzoekslocatie, bevindt zich een klinkerpad en een speeltuin. De regionale ligging van de locatie is weergegeven in bijlage I.
2.3
Historie tot op heden Voor het historisch onderzoek zijn de volgende bronnen geraadpleegd: - Opdrachtgever; - brief aan Patrimonium woonstichting van de provincie Utrecht, d.d. 8 december 2012; - omgevingsdienst regio Utrecht; - oud kaartmateriaal (www.topotijdreis.nl); - www.bodemloket.nl; - terreininspectie (plaatsgevonden ten tijde van het veldwerk op 5 februari 2020), Volgens de provincie Utrecht is in het verleden een vuilstort (genaamd “Het Franse Gat”) op de locatie en in de directe omgeving aanwezig geweest (zie contour op de afbeelding rechts) . Vanaf 1928 tot circa 1937 is op de locatie huishoudelijk afval en afval van de gasfabriek van Veenendaal gestort (Informatie afkomstig van de brief van de provincie Utrecht aan Patrimonium woonstichting, d.d. 8 december 2012). Door de aanwezigheid van stortmateriaal van de voormalige gasfabriek, wordt de bodem aangemerkt als verdacht op het voorkomen van cyanide. Uit de brief aan de Patrimonium woonstichting komt naar voren dat op de locatie en in de nabije omgeving een aantal bodem-onderzoeken en saneringen uitgevoerd zijn (voor meer informatie zie 2.4). Over het algemeen is de boven- en ondergrond sterk verontreinigd is met zware metalen en PAK.
Figuur 1: contour stortplaats (oranje) met onderzoekslocatie (rood)
3
Project 32467
Uit informatie van de ODRU en voorgaand onderzoek blijkt dat op het noordwestelijk deel van het terrein een ondergrondse tank aanwezig is geweest. De bodem ter plaatse van de ondergrondse tank is in 2009 onderzocht (zie 2.4). Uit informatie van de Omgevingsdienst regio Utrecht blijkt dat op de locatie een slootdemping aanwezig is. Het soort en kwaliteit van het dempingsmateriaal is niet bekend. Voor zover bekend hebben zich op of in de directe omgeving van de onderzoekslocatie geen calamiteiten voorgedaan, waardoor mogelijk bodemverontreiniging zou kunnen zijn ontstaan. De locatie bevindt zich binnen zone Wonen II van de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Veenendaal. In de bovengrond van deze zone overschrijdt de 95-percentielwaarde voor cadmium, kobalt, kwik en lood de (generieke) achtergrondwaarde. Voor koper, nikkel, zink, PCB, PAK en minerale olie wordt de tussenwaarde overschreden. In de ondergrond zijn eveneens verhoogde achtergrondwaarde aan kobalt, koper, kwik, lood, zink en PAK vastgesteld. De gehalten aan nikkel en PCB kunnen matig verhoogd zijn. 2.4
Voorgaande (bodem)onderzoeken Volgens informatie van de Odru en van de RUD zijn op het gehele terrein van het Franse Gat diverse onderzoeken en bodemsaneringen uitgevoerd. 2005: Oriënterend bodemonderzoek (project: 4399014, voormalige stortplaats Frans Halslaan te Veenendaal, Tauw BV, d.d. 8 december 2005) 2006: Nader onderzoek grondverontreiniging met zware metalen (project: 4424931,“Het Franse Gat” te Veenendaal, Tauw BV, d.d. 17 mei 2006) 2007: Archiefonderzoek (project:4494366, “Het Franse Gat” te Veenendaal, Tauw BV, d.d. 8 augustus 2007) 2009: Oriënterend onderzoek (project: P2009-1486 Versie 1, Jan Steenlaan omg. Nr. 14/ Meindert Hobbemastraat in “Het Franse Gat” te Veenendaal, Certicon Kwaliteitskeuringen BV, d.d. 15 oktober 2009) 2009: Nader bodemonderzoek (project: P2009-1487 Versie 2, Jan Steenlaan 4 e/o te Veenendaal, Certicon Kwaliteitskeuringen BV, d.d. 18 november 2009) 2010: Grootschalig verkennend en aanvullend bodemonderzoek (project: B09.4077, voormalige stortplaats ‘Franse Gat’ te Veenendaal, Voor- en achtertuinen Jacob van Ruysdealstraat 1-23, Jan Steenlaan 6-24, Meindert Hobbemastraat 1-21 en 2-28, Frans Halslaan 1-11 en 2-20 en Jan Vermeerstraat 2-12, Verhoeven milieutechniek BV, d.d.
30 juni 2010) 2011: Grootschalig bodemonderzoek fase 2 en aanvullen grond- en gewasonderzoek (project: B10.4347, voormalige stortplaats ‘Franse Gat’ te Veenendaal, Voor- en achtertuinen Rembrandtlaan 17-51 en 57-63, Paulus Potterstraat 2-20, Jan Vermeerstraat 1-19 en jan Steenlaan 1-27, Verhoeven milieutechniek BV, d.d. 25 maart 2011) 2012: Nader onderzoek naar asbest (project: B11.4676, Jan Vermeerstraat 1-15 te Veenendaal, Verhoeven Milieutechniek BV, d.d. 27 april 2012)
4
Project 32467
Uit de onderzoeken is gebleken dat ter plaatse van de huidige onderzoekslocatie, Jan Steenlaan 4, plaatselijk stortmateriaal is aangetroffen. Ter plaatse van de onderzoekslocatie is in 2009 een nader bodemonderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat op het noordelijk deel van het terrein in zowel de boven als ondergrond sterke verhogingen aan diverse zware metalen aanwezig zijn. De omvang van de verontreiniging zijn op in kaart gebracht. Ter plaatse van de voormalige ondergrondse tank op het noordwestelijk deel van het terrein is in de bovengrond een sterke verhoging aan PAK vastgesteld. Er zijn maximaal lichte verhogingen aan minerale olie aangetoond. In het grootschalig bodemonderzoek uit 2010 blijkt dat ten noorden van de huidige onderzoeklocatie, ter plaatse van Frans Halslaan 1-11 en Jan Vermeerstraat 2-12 in de achtertuin een stortlaag met een dikte van circa 0,6 m is aangetroffen. Deze laag is sterk verontreinigd met zink en/of lood en koper en matig tot sterk verontreinigd met barium. De dikte van de deklaag erop varieert tussen 0,4 en 0,6 m. Hier zijn de gehalten aan zink en/of koper matig verhoogd. Deze verontreiniging is vermoedelijk te relateren aan vermenging met de stortlaag. In enkele boringen uit het onderzoek uit 2010 is in de veen- en zandondergrond zintuiglijk olie waargenomen op een diepte van 1,50 m-mv.
Analytisch is een lichte verontreiniging met minerale olie (circa 1.800 mg/kg ds) bevestigd. Volgens informatie uit het archiefonderzoek uit 2007 zijn in voorgaande onderzoeken (matig tot sterke) bijmengingen aan puin op de huidige onderzoekslocatie waargenomen. De exacte herkomst van het puin alsmede de periode van toepassing is niet bekend, maar is vermoedelijk geweest voor 1993. Het puin is daarmee verdacht op het voorkomen van asbest. Ter plaatse van het gebied van het Franse Gat is, als gevolg van de aanwezigheid van een stortplaats met verontreinigde grond, sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging bekend (UT0345/00141, UT0345/00206, UT -345/00217, UT0345/00282). 2.5
Toekomstige situatie Het huidige gebouw wordt gesloopt ten behoeve van een nieuw te bouwen appartementencomplex.
2.6
Hypothese en onderzoeksopzet Actualiserend onderzoek Ter plaatse van de stort- en deklaag kunnen lichte tot sterke verhogingen aan enkele zware metalen worden verwacht. In de ondergrond ter plaatse van de noordzijde van het perceel kunnen worden verhogingen aan minerale olie verwacht. De onderzoeksopzet is gebaseerd op de ‘Onderzoeksstrategie voor een niet-lijnvormige heterogeen verdacht locatie (VED-HE-NL) van de NEN 5740. Ter plaatse van de mogelijke locatie van de gedempte sloot worden aanvullende boringen in een boorraai verricht om de contour van de dempingslaag vast te leggen. Asbestonderzoek Op basis van de voorgaande onderzoeken is de locatie plaatselijk verdacht op het voorkomen van asbest. Het actualiserend bodemonderzoek wordt gecombineerd uitgevoerd met een verkennend asbestonderzoek conform NEN 5707. Het onderzoek is gebaseerd op de strategie voor een verdachte locatie met een heterogeen verdeelde asbestverontreiniging van de NEN 5707.
5
Project 32467
Aanvulling 2023 Ter plaatse van de voormalige ondergrondse tank kunnen lichte verhogingen aan minerale olie worden verwacht. Aangezien onbekend is welke stof in de tank was opgeslagen, is de bodem tevens verdacht op het voorkomen van aromaten. De opzet volgt de "Onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie met een plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern (VEP)" van de NEN 5740. Om na te gaan of de stortlaag (boven- en/of ondergrond met diverse bijmengingen) verhogingen aan cyanide bevat, worden verspreid op de locatie meerdere boringen verricht. De onderzoeksopzet is gebaseerd op de ‘Onderzoeksstrategie voor een niet-lijnvormige heterogeen verdacht locatie (VED-HE-NL) van de NEN 5740’. Algemeen Opgemerkt dient te worden dat een verkennend bodemonderzoek volgens een steekproefsgewijze opzet wordt uitgevoerd. Tevens dient het bodemonderzoek beschouwd te worden als een tijdelijk vastgestelde status van de bodemkwaliteit ter plaatse. Derhalve kan in bepaalde situaties (bijvoorbeeld bij een toekomstige bestemmingswijziging of aanvraag van een omgevingsvergunning) de geldigheidsduur van het onderzoek beperkt zijn. Tevens wordt opgemerkt dat in het veld wordt getracht om conform de NEN 5707 monsters te nemen van minimaal 10 kg droge stof voor de asbestanalyse.
Hiervoor wordt in het veld een schatting gemaakt van het percentage droge stof en worden de monsters in het veld gewogen. Desondanks kan het voorkomen dat de monsters, na droging in het laboratorium, een kleiner gewicht blijken te hebben. Doorgaans betreft dit een geringe afwijking, waardoor het ons inziens geen invloed heeft op de betrouwbaarheid van het onderzoek.
6
3
VELDWERK
3.1
Uitvoering
Project 32467
De verrichtingen zijn uitgewerkt in onderstaande tabel: Tabel 3.1: Uitgevoerde werkzaamheden Verrichting
Datum
Persoon
Geldend protocol
Verrichten boringen en plaatsen peilbuizen
05 februari 2020
dhr. J. Nuvelstijn
2001
Maaiveldinspectie en inspectiegaten asbest
05 februari 2020
dhr. J. Nuvelstijn
2018
Grondwatermonstername
13 februari 2020
dhr. J.C.W. Plomp
2002
Verrichten boringen
18 januari 2023
dhr. I. Hasselt
2001
Grondwatermonstername
18 januari 2023
dhr. I. Hasselt
2002
Verkennend onderzoek 2020
Aanvullend onderzoek 2023
Verkennend onderzoek 2020 In totaal zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie negen boringen verricht (nrs. 01 t/m 06 en GS1 t/m GS3). De boringen 01 t/m 06 zijn verspreid over de onderzoekslocatie verricht. Boring 01 is voorzien van een peilbuis. In verband met de zintuiglijke waarneming van olie ter plaatse van boring 05 is deze boring met een peilbuis afgewerkt. Ter plaatse van de vermoedelijke gedempte sloot zijn, in een boorraai, de boringen GS1 t/m GS3 verricht. Alle boringen zijn uitgevoerd tot een minimale diepte van 0,5 m-mv. De boringen 01 en 05 zijn in verband met het plaatsen van de peilbuizen tot een diepte van 3,3 m-mv verricht. De boringen 04, GS1 t/m GS3 zijn tot circa 2,10 m-mv doorgezet. Voor het asbestonderzoek is het maaiveld van de locatie visueel geïnspecteerd. Vervolgens zijn vijf inspectiegaten gegraven (ter plaatse van de boorlocaties 02 t/m 06). De uitkomende grond is visueel geïnspecteerd op asbestverdachte materialen. De gaten zijn circa 0,3 x 0,3 meter breed en tot 0,5 m-mv gegraven. Aanvullend onderzoek 2023 In totaal zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie achttien boringen verricht (nrs. 101 t/m 104 en 108 t/m 122). Boring 101 is ter plaatse van de voormalige tank verricht. De overige boringen zijn over het terrein verspreid. In verband met het aantreffen van een bestaande peilbuis, is bij de voormalige tank geen nieuwe peilbuis geplaatst.
Alle boringen zijn uitgevoerd tot een minimale diepte van 1,5 m-mv. De ligging van de boringen, de peilbuizen en de inspectiegaten is weergegeven in bijlage I.
7
3.2
Project 32467
Resultaten
3.2.1 Grond Bodemopbouw Vanaf het maaiveld tot een diepte van circa 1,20 m-mv bestaat de bodem uit matig fijn zand. Hieronder bevind zich een laag sterk zandig veen met een gemiddeld dikte van circa 70 cm. Onder de veenlaag sluit zich weer zandbodem aan. De boorprofielen zijn weergegeven in bijlage II. NB: Opgemerkt wordt dat voor dit milieuhygiënisch onderzoek de profielbeschrijvingen gebaseerd zijn op zintuiglijke beoordeling en ‘puntwaarnemingen’ betreffen. In een geroerde bodem kan het profiel soms sterk verschillen in het horizontale en verticale vlak. De profielbeschrijving heeft plaatsgevonden conform de NEN-ENISO 14688. Dit kan in sommige situaties een andere classificatie opleveren dan volgens de standaard RAWbepalingen. Er gelden bijvoorbeeld verschillende definities voor o.a. zand en klei. Hiermee dient rekening te worden gehouden bij het opstellen van bestekken en andere voorbereiding van civieltechnische werkzaamheden. Geadviseerd wordt om zo nodig aanvullend onderzoek te doen conform de standaard RAW-bepalingen, bijvoorbeeld door middel van aanvullende zeefproeven.
Zintuiglijke waarnemingen In de zandige bovengrond zijn ter plaatse van bijna alle boringen bodemvreemde bijmengingen in de vorm van baksteen, aardewerk, glas, kolen en/of beton aangetroffen. De veenlaag bevat alleen ter plaatse van boring 01 bijmengingen aan baksteen en kolen. Ter plaatse van boorlocatie 05 is in de ondergrond, vanaf 1,7 m-mv tot 1,9 m-mv, een sterke olie-waterreactie waargenomen. Deze laag is door middel van steekbusmonstername separaat bemonsterd. In de boring GS2 zijn op een diepte van 0,6 m-mv tot 1,2 m-mv sporen aan baksteen, glas en beton en laagjes slib in de zandige ondergrond waargenomen. Het aantreffen van slib kan op de aanwezigheid van voormalige watergang duiden. De stort- en deklaag zijn niet te onderscheiden. Ter plaatse van boring 05 zijn visueel twee stukjes (grove fractie) asbestverdacht materiaal waargenomen. Op het maaiveld zelf is visueel geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. 3.2.2 Grondwater In onderstaande tabel zijn de gegevens vermeld die zijn verzameld tijdens de monstername van het grondwater. Tabel 3.1: Veldwerkgegevens grondwater peilbuis
filterstelling (m-mv)
grondwaterstand (m-mv)
pH
EC (mS/cm)
troebelheid (NTU)
Verkennend onderzoek 2020 01
2,30 - 3,30
1,42
6,8
0,980
9,78
05
2,20 - 3,20
1,36
6,9
1,010
11,43
1,05
6,4
520
19
Aanvullend onderzoek 2022 Bpb 01
-
Er zijn geen afwijkingen waargenomen tijdens en na de grondwatermonstername.
8
4
Project 32467
CHEMISCHE ANALYSES De analyses en bewerkingen zijn uitgevoerd door een RvA-geaccrediteerd laboratorium. De analyseresultaten zijn getoetst aan de normwaarden uit de ‘Circulaire Bodemsanering per 1 juli 2013’ en Bijlage B van de ‘Regeling Bodemkwaliteit’. Het toetsingskader is bijgevoegd in de bijlage.
4.1
Analyses grond De analyseresultaten zijn weergegeven in tabel 4.1. De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage IV, de toetsing aan de normwaarden in bijlage III. Tabel 4.1: Overschrijdingstabel grond Ref
Boringen met diepte (m-mv)
Waarneminge n
Aard
Overschrijding
Analyseparameters
>AW
>T
>I
Indicatieve toetsing BBK
Verkennend onderzoek 2020
mmbg1
02 (0,00 - 0,30) 03 (0,00 - 0,50) 04 (0,30 - 0,80) 06 (0,04 - 0,50)
Baksteen+; beton+; glas+
zand
NEN-g
PAK
Zink
-
Zie uitsplitsing
01
01 (0,60 - 1,10)
Baksteen+; kolen+
veen
NEN-g
-
-
-
Altijd toepasbaar
05
05 (0,30 - 0,80) (steekbus)
Aardewerk+; baksteen+; kolen+; glas+
Zand
NEN-g
Cadmium, kobalt, kwik, lood, molybdeen, nikkel, minerale olie
Koper
Barium, Zink, PAK
Niet toepasbaar
05olie
05 (1,70 - 1,90) (steekbus)
Olie-water reactie +++
zand
Olie/aromaten
Minerale olie
Geen oordeel mogelijk
Slib++; baksteen+; glas+; beton+