2. Technische vragen en antwoorden Integrale verordening sociaal domein
Tekst van het document
TECHNISCHE VRAGEN Raadscyclus d.d.
13 april 2021
Naam fractie:
VVD, ProVeenendaal
Onderwerp:
5. Raadsvoorstel Integrale verordening sociaal domein
Vraag VVD In de Integrale Verordening Sociaal Domein lezen wij bij artikel 4.5.9 over schoolkosten middelbare school dat deze geldt voor kinderen van 12 t/m 19 jaar. Nu is het niet ondenkbaar dat door omstandigheden bijvoorbeeld kinderen op hun 11e al op de middelbare school komen. Kunnen deze kinderen hierdoor buiten de boot vallen? Antwoord op vraag VVD: We hebben gekeken naar de gemiddelde leeftijd van de kinderen die naar de eerste klas van de middelbare school gaan. De peildatum is 31 december van het aanvraagjaar (en straks 30 juni van het aanvraagjaar), wat betekent dat een kind al recht heeft in het aanvraagjaar dat hij 12 wordt. Om deze reden komt het slecht zeer sporadisch voor dat een kind vanwege de leeftijd hier buiten zal vallen. Indien een kind nog 11 is in het aanvraagjaar dat hij naar de middelbare school gaat, dan kan op basis van de hardheidsclausule alsnog worden toegekend. Vragen ProVeenendaal Vraag 1: Voor jeugd moet worden ingekocht tegen de laagste kosten; past dat wel bij de doeltreffendheid en doelmatigheid? Antwoord op vraag 1: In artikel 3.1.9 lid 5 van de IV is het volgende opgenomen: 5. Bij het verstrekken van een individuele voorziening wordt altijd uitgegaan van: a. een passende voorziening die het meest effectief (doeltreffend) en efficiënt (doelmatig) is; b. die zo licht en kortdurend als mogelijk is; en c. tegen de laagste kosten.
Dit betekent dat als is komen vast te staan dat een jeugdige een voorziening benodigd, aan alle drie de voorwaarden van lid 5 moet worden voldaan dus: het moet gaan om een passende voorziening die het meest doeltreffend en doelmatig is, die zo licht en kortdurend mogelijk is en tegen de laagste kosten. Voor wat betreft dat laatste wordt bedoeld dat als er meerdere voorzieningen zijn die aan sub a. en sub b. voldoen, dat dan wordt gekozen voor de voorziening tegen de laagste kosten. Een goedkope voorziening die niet effectief is, is niet zo zinvol. Deze formulering sluit aan bij het tijdens de programmabegroting 2021-2024 door de raad aangenomen amendement A2020.26. Vraag 2: Waarom zit er een maximale termijn aan de tegenprestatie van de participatiewet? Antwoord op vraag 2: De duur en omvang van de werkzaamheden moeten in de regel beperkt zijn (zie Memorie van Toelichting bij de wet) Over de omvang (uren per week) is bij de behandeling van de evaluatie Tegenprestatie (2020) in de raad uitgebreid gesproken. Vraag 3: Worden de aanvraagperiodes van de minimaregelingen duidelijk gecommuniceerd zodat er straks geen inwoners buiten de boot gaan vallen? Antwoord op vraag 3: Er is uitgebreid aandacht voor communicatie aan inwoners en aanbieders. Zowel dit jaar als de komende jaren. Hierbij is expliciet aandacht voor het wijzigen van de aanvraagperiode
Vraag 4: Afstemming participatiewet, ioaw, ioaz, BBZ: recidive; hoe vaak komt het voor dat dit moedwillig wordt gedaan en hoe vaak komt het voor men ten onrechte een maatregel opgelegd krijgt? Antwoord op vraag 4: Een maatregel wordt opgelegd als betrokkene een regel overtreedt. Bij het opleggen van een maatregel wordt altijd gekeken naar - de mate van verwijtbaarheid - de omstandigheden waarin betrokkene verkeert - de ernst van het feit Vooraf wordt betrokkene in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze te geven op het voornemen tot het opleggen van een maatregel. Als naar het oordeel van het college iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt wordt geen maatregel opgelegd. Als betrokkene vindt dat er ten onrechte een maatregel is opgelegd kan hij bezwaar en eventueel beroep aantekenen. Daarbij kan het college op basis van deze (nieuwe of uitgebreide) informatie zelf opnieuw een afweging maken en afzien van de maatregel of deze matigen. In 2020 is 20 keer een maatregel opgelegd. Vijfmaal is hiertegen bezwaar aangetekend. 1 bezwaarschift is ingetrokken. 4 keer is door het college tegemoetgekomen aan het bezwaar en 1 zaak is nog in behandeling. Er is geen beroep ingesteld Vraag 5: Zit er geen reactietermijn bij artikel 2? Antwoord op vraag 5: We gaan er vanuit dat hiermee wordt bedoeld artikel 1.1.2.
In dit artikel gaat het om de zorgplicht van het college in het kader van de uniforme toegang en intake en is geen reactietermijn opgenomen. In de hoofdstukken 2 en 3 zijn wel termijnen opgenomen. Daar waar een termijn niet expliciet is opgenomen wordt bij de wettelijke termijn of de termijn van artikel 4:13 van de Algemene wet van bestuursrecht van maximaal 8 weken aangesloten. Vraag 6: Is in beeld hoeveel mensen in de problemen komen door het opschorten van betalingen? Antwoord op vraag 6: Bij het opleggen van een maatregel wordt naast de mate van verwijtbaarheid en de ernst van het feit ook altijd gekeken naar de omstandigheden waarin betrokkene verkeert. Daarbij gaat het bijvoorbeeld ook over de financiële en gezinssituatie. De verordening bood reeds de ruimte om individueel maatwerk toe te passen. Het college vindt het echter onwenselijk dat door een stapeling van maatregelen een inkomen zwaar onder druk komt te staan, vandaar dat zij voorstelt om in de verordening de duur en hoogte van de maatregel bij stapeling van maatregelen standaard te maximeren. In 2020 is 20 maal een maatregel opgelegd. Dit gaat over een bedrag van in totaal € 11.000. Iedere sanctie heeft uiteraard onaangename gevolgen die je als probleem kan duiden. Of deze gevolgen onaanvaardbaar zijn word per casus gewogen.