2. Notitie Geohydrologie Dragonder Noord
Tekst van het document
NOTITIE BODEMONDERZOEK DRAGONDER-NOORD PROJECT
:
Veenendaal, Dragonder-Noord
PROJECTNUMMER
:
P19-0454
ONDERWERP
:
Bodemonderzoek particuliere percelen Tweede concept
DATUM
:
10 maart 2020
OPGESTELD DOOR
:
L.C. van den Dikkenberg
1
Inleiding In opdracht van gemeente Veenendaal is als pilotproject onderzoek uitgevoerd naar de mogelijke bijdrage van particulier terrein aan de oplossing van (grond)waterproblemen. Om de bewoners van Dragonder-Noord bij grondwaterproblemen goed te kunnen adviseren is het noodzakelijk te weten hoe de ondergrond op particulier terrein is samengesteld. Als vervolg op de reeds uitgevoerde grootschalige onderzoeken is een gedetailleerd onderzoek op particulier terrein een logische aanvulling. Uit praktijkervaring bleek dat de bodemopbouw bij boringen op openbaar terrein niet representatief is voor de situatie op particuliere percelen. Doel van dit onderzoek is daarom inzicht te bieden in de ondergrond van particuliere percelen. Dit inzicht is noodzakelijk om in de ontbrekende inzichten in helderheid te kunnen voorzien. Dit onderzoek betreft een pilotproject waarin beproeft wordt hoe de juiste informatie op particulier terrein verzameld kan worden en hoe dit in een goed advies gebruikt kan worden.
1.1
Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt de onderzoeksmethode aan de hand van de gestelde hypothese, het uitgevoerde veldwerk en de onderzoeksopzet beschreven. In hoofdstuk 3 worden de resultaten en een interpretatie van de resultaten beschreven. Ten slotte wordt in hoofdstuk 4 als conclusie per woning de mogelijkheden van infiltratie en de oplossingen voor eventuele grondwaterproblematiek beschreven. Deze notitie wordt ondersteund door de volgende bijlagen: A. Locaties uitgevoerde boringen B.
Boorprofielen per cluster
C. Meetreeksen grondwaterstanden Dragonder-Noord D. Ontwateringsdieptes Dragonder-Noord E.
Oppervlaktewaterpeilen en drooglegging Dragonder-Noord
F.
Slecht doorlatende lagen Dragonder-Noord
G. Positie RHG ten opzichte van slecht doorlatende lagen H. Gemeten k-waarden Dragonder-Noord I.
Risico bij infiltreren
J.
Diepte slecht doorlatende lagen en kaart indicatie storende lagen
K.
Risico op grondwateroverlast
PROJECT
1 / 23
DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM
Veenendaal, Dragonder-Noord P19-0454-002 10 maart 2020
L.
Geïnventariseerde gegevens per cluster
2
Onderzoeksmethode
2.1
Hypothese Het onderzoeksgebied is in vier clusters verdeelt (zie Figuur 2.1). Op basis van beschikbare archiefgegevens het gebied gekarakteriseerd. De gegevens die zijn gebruik varieren van enquêteresultaten tot bodemgegevens in Dinoloket. Met behulp van de archiefstudie zijn onderzoeksclusters gemaakt. Per cluster is vooraf een hypothese opgesteld. Deze zijn hierna beschreven. Figuur 2.1: Clusters Dragonder-Noord.
Cluster 1: Beemdgras De hypothese is dat de ondiepe ondergrond deels slecht doorlatend is in de hogere delen van de Beemdgras, in de lagere gebieden is de ontwatering onvoldoende. Mogelijk is in de hogere delen infiltratie mogelijk bij het doorbreken van de slecht doorlatende laag. In de Beemdgras is sprake van een goede ontwatering. Toch staat in sommige kruipruimtes water. Mogelijk is hier sprake van storende lagen. Onderzoek in de Beemdgras geeft antwoord op meerdere onderzoeksdoelen: -
Verhouding ontwatering versus kruipruimtes
-
Verhouding kaart slecht doorlatende lagen versus praktijk
PROJECT
2 / 23
DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM
Veenendaal, Dragonder-Noord P19-0454-002 10 maart 2020
-
Mogelijkheid tot infiltreren? Is de doorlatendheid toereikend?
Om de hypothese te toetsen zijn binnen cluster Beemdgras 6 boringen in de voor- en achtertuinen van 3 woningen geplaatst. De boornummers en veldresultaten zijn omschreven in Tabel 2.1. Tabel 2.1: Boringen in cluster Beemdgras.
BORING
STRAAT
LOCATIE
STORENDE LAAG
K-WAARDE
GRONDWATER-
[CM-MV]
[M/DAG]
STAND [CM-MV]
GH11
Beemdgras 36
achtertuin
55-125
110*
GH12
Beemdgras 36
voortuin
nee
0,3
100
GH13
Lange Dreef 65
voortuin
nee
0,05
100
GH14
Lange Dreef 65
achtertuin
nee
110*
GH15
Lange Dreef 61
voortuin
nee
110*
GH16
Lange Dreef 61
achtertuin
90-95
0,24
120
* = Waargenomen vanuit boorprofiel. De andere grondwaterstanden zijn waargenomen bij de uitvoering van de infiltratiemeting.
Cluster 2: Haverveld e.o. Hypothese in het Haverveld is dat een gehele slecht waterdoorlatende laag aanwezig is in het cluster. Gecombineerd met een geringe ontwateringsdiepte wijst het onderzoek uit dat hier geen kansen zijn voor het infiltreren van hemelwater, en grondwater wellicht stagneert op de slecht doorlatende laag. In het Haverveld is sprake van een matige ontwatering. Onderzoek in het Haverveld geeft antwoord op meerdere onderzoeksdoelen: -
Verhouding ontwatering versus kruipruimtes
-
Verhouding kaart slecht doorlatende lagen versus praktijk
-
Stagnatie hemelwater op de slecht doorlatende laag.
Om de hypothese te toetsen zijn binnen cluster Haverveld e.o. 8 boringen in de voor- en achtertuinen van 4 woningen geplaatst. De boornummers en veldresultaten zijn omschreven in Tabel 2.2. Tabel 2.2: Boringen in cluster Haverveld e.o..
BORING
STRAAT
LOCATIE
STORENDE LAAG
K-WAARDE
GRONDWATER-
[CM-MV]
[M/DAG]
STAND [CM-MV]
0,78
160
GH01
Roggeveld 44
voortuin
160-180
GH02
Roggeveld 44
achtertuin
160-185
GH03
Roggeveld 35
voortuin
110-190
GH04
Roggeveld 35
achtertuin
70-155
GH17
Boekweitveld 27
voortuin
100-125 / 170-
135* 0,08
145 150*
2,75
180
185 GH18
Boekweitveld 27
achtertuin
130-140 / 155-
180*
185 GH19
Veldweg 10
achtertuin
130-195
GH20
Veldweg 10
voortuin
nee
PROJECT
3 / 23
DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM
Veenendaal, Dragonder-Noord P19-0454-002 10 maart 2020
0,13
195 195*
* = Waargenomen vanuit boorprofiel. De andere grondwaterstanden zijn waargenomen bij de uitvoering van de infiltratiemeting.
Cluster 3: Blauwgras e.o. Hypothese in het Blauwgras is dat de slecht doorlatende laag vergraven is. De gemeentelijke peilbuis staat in een pakket zonder slecht doorlatende laag. Conform de interpretatiekaart wordt wel een slecht doorlatende laag verwacht op deze locatie. De klachten vallen mee op dit stuk Blauwgras, mogelijk is de laag vergraven. Iets noordelijker zijn veel woningen die aangeven water in de kruipruimte hebben terwijl de ontwatering groter is dan in de Blauwgras. Mogelijk is daar wel een laag aanwezig die stagnatie van infiltrerend hemelwater veroorzaakt. Onderzoek in het Blauwgras geeft antwoord op meerdere onderzoeksdoelen: -
Verhouding ontwatering versus kruipruimtes
-
Verhouding kaart slecht doorlatende lagen versus praktijk
-
Stagnatie hemelwater op de slecht doorlatende laag.
Om de hypothese te toetsen zijn binnen cluster Blauwgras e.o. 8 boringen in de voor- en achtertuinen van 4 woningen geplaatst. De boornummers en veldresultaten zijn omschreven in Tabel 2.3. Tabel 2.3: Boringen in cluster Blauwgras e.o..
BORING
STRAAT
LOCATIE
STORENDE LAAG
K-WAARDE
[CM-MV]
GH09
Baardgras 46
achtertuin
nee
GH10
Baardgras 46
voortuin
80-95
GH21
Baardgras 40
achtertuin
75-90
GH22
Baardgras 40
voortuin
nee
GH26
Blauwgras 18
voortuin
nee
GH27
Blauwgras 18
achtertuin
110-120
GH33
Blauwgras 11
achtertuin
nee
GH34
Blauwgras 11
voortuin
65-160
GRONDWATER-
[M/DAG]
STAND [CM-MV]
0,34
85 105*
0,48
100
0,16
80 70*
15,25
140 120*
* = Waargenomen vanuit boorprofiel. De andere grondwaterstanden zijn waargenomen bij de uitvoering van de infiltratiemeting.
Cluster 4: Dorsvloer e.o. Hypothese in de Dorsvloer e.o. is dat hier duidelijke sprake is van slecht doorlatende lagen. Voor infiltratie is doorbreken een kans, want de ontwatering biedt hier perspectief. Mogelijk is openbaar terrein vergraven waardoor de Deel minder overlast kent. In de Dorsvloer is sprake van een goede ontwatering. Onderzoek in de Dorsvloer geeft antwoord op meerdere onderzoeksdoelen: -
Verhouding ontwatering versus kruipruimtes
-
Verhouding kaart slecht doorlatende lagen versus praktijk
-
Stagnatie hemelwater op de slecht doorlatende laag.
Om de hypothese te toetsen zijn binnen cluster Dorsvloer e.o. 10 boringen in de voor- en achtertuinen van 5 woningen, en 2 boringen in de straat geplaatst. De boornummers en veldresultaten zijn omschreven in Tabel 2.4.
PROJECT
4 / 23
DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM
Veenendaal, Dragonder-Noord P19-0454-002 10 maart 2020
Tabel 2.4: Boringen in cluster Dorsvloer e.o..
BORING
STRAAT
LOCATIE
STORENDE LAAG
K-WAARDE
GRONDWATER-
[CM-MV]
[M/DAG]
STAND [CM-MV]
0,05
145
GH05
De Deel 6
achtertuin
125-175
GH06
De Deel 6
voortuin
125-140
GH07
De Deel 13
voortuin
0-40 / 70-155
GH08
De Deel 13
achtertuin
30-160
GH23
De Dorsvloer
straat
nee
GH24
De Dorsvloer 3
voortuin
70-150
GH25
De Dorsvloer 3
achtertuin
70-150
0,15
140
GH28
De Deel 8
voortuin
95-155
0,25
145
GH29
De Deel 8
achtertuin
90-180
GH30
De Deel
straat
nee
GH31
De Dorsvloer 8
achtertuin
70-125 / 130-160
GH32
De Dorsvloer 8
voortuin
70-115 / 130-145
160* 1,19
150 160*
2,28
90 150*
120* 5,5
110 160*
0,07
135
* = Waargenomen vanuit boorprofiel. De andere grondwaterstanden zijn waargenomen bij de uitvoering van de infiltratiemeting.
2.2
Onderzoeksopzet Ieder cluster bevat minimaal drie woningen waarvan in de voor- en achtertuin een boring tot 3 m-mv is geplaatst om de lokale bodemopbouw te achterhalen. Ook is per woning een infiltratiemeting uitgevoerd om de bodemdoorlatendheid vast te stellen. Een kaart met alle boorlocaties is weergegeven in bijlage A. De boorprofielen zijn per cluster weergegeven in bijlage B. Met de ingewonnen gegevens wordt per woning onderstaand stappenplan doorgelopen om de mogelijkheden tot infiltratie vast te stellen. Dit wordt gedaan door eerst per cluster de eigenschappen te beschrijven, afsluitend wordt als conclusie per woning het stappenplan doorgelopen.
PROJECT
5 / 23
DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM
Veenendaal, Dragonder-Noord P19-0454-002 10 maart 2020
• Wat is de ontwateringsdiepte? Ontwatering
• Wat is de drooglegging? Drooglegging
• Hoe diep zit de slecht doorlatende laag? SDL
• Zit de grondwaterstand boven de slecht doorlatende laag? GWS – SDL
• Is er risico op toenemende overlast bij infiltreren? Infiltratie
• Wordt er grondwateroverlast ervaren? Overlast
3
Resultaten
3.1
Ontwateringsdiepte Om de ontwateringsdiepte per cluster te bepalen is gebruik gemaakt van meerjarige meetreeksen uit DINOloket. De statistische eigenschappen van deze meetreeksen zijn weergegeven in Tabel 3.1. De meetreeksen zijn weergegeven in bijlage C. Opgemerkt wordt dat de filters van de peilbuizen diep gelegen zijn en derhalve onder de slecht doorlatende lagen gelegen zijn. De peilbuizen geven derhalve een stijghoogte weer uit het dieper pakket en niet de lokale (mogelijk hogere) grondwaterstanden. Tabel 3.1: Analyse grondwaterstanden. PEILBUIS
STATISTISCHE EIGENSCHAPPEN 3
MAAIVELD
FILTER HG
RHG
RMG
RLG
LG
[m NAP]
[m NAP]
[m NAP]
[m NAP]
[m NAP]
[m NAP]
[m NAP]
B39E2792-0011
6,36
4,04 tot 3,04
6,18
5,88
5,62
5,43
5,21
B39E2819-0012
6,35
4,35 tot 3,53
5,73
5,40
5,21
5,08
4,97
B39E2825-001
6,33
4,58 tot 3,58
5,56
5,20
5,08
4,98
4,71
2
1)
Peilbuis is waargenomen van 2011 tot 2019
2)
Peilbuis is waargenomen van 2012 tot 2019
3)
HG: hoogste grondwaterstand, RHG: representatief hoogste grondwaterstand, RMG: gemiddelde grondwaterstand, RLG: representatief laagste grondwaterstand, LG: laagste grondwaterstand.
PROJECT
6 / 23
DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM
Veenendaal, Dragonder-Noord P19-0454-002 10 maart 2020
In Tabel 3.2 zijn de representatief hoogste grondwaterstanden per cluster weergegeven. Nabij cluster Beemdgras en cluster Dorsvloer e.o. straat Dorsvloer zijn geen grondwaterstanden gemeten om de RHG te bepalen. Daarom is de RHG daar bepaald met behulp van lineaire interpolatie tussen de bekende RHG en de oppervlaktewaterpeilen (zie Figuur 3.1). Tabel 3.2: Representatief hoogste grondwaterstanden per cluster.
1)
CLUSTER
STRAAT
RHG [M NAP]
1. Beemdgras
Alle
5,41 1
2. Haverveld e.o.
Alle
5,20
3. Blauwgras e.o.
Alle
5,88
4. Dorsvloer e.o.
Dorsvloer
5,37 1
4. Dorsvloer e.o.
De Deel
5,20
Bepaald op basis van lineaire interpolatie tussen de RHG en het oppervlaktewaterpeil.
Figuur 3.1: Lineaire interpolatie om de RHG ter plaatse van cluster Beemdgras en cluster Dorsvloer e.o. straat Dorsvloer te bepalen. Links de RHG (Blauwgras e.o.) en rechts het oppervlaktewaterpeil.
Op basis van de maaiveldhoogtes vanuit de AHN3 en de RHG is de ontwateringsdiepte ter plaatse van de boringen bepaald. Een kaart met de ontwateringdieptes is weergegeven in bijlage D. 3.2
Drooglegging Om de drooglegging te bepalen is gebruik gemaakt van de oppervlaktewaterpeilen van Waterschap Vallei en Veluwe. Deze zijn eerder bij een grondwateronderzoek in Veenendaal vastgesteld (Analyse grondwaterregime en overlast gevoelige gebieden in Veenendaal, d.d. 1 december 2017). Om deze gegevens te verifiëren is contact geweest met het waterschap (d.d. 25-11-2019). De kaart met recente oppervlaktewaterpeilen is weergegeven in bijlage E. Het representatieve oppervlaktewaterpeil per cluster is weergegeven in Tabel 3.3. Tabel 3.3: Representatief oppervlaktewaterpeil per cluster. CLUSTER
STRAAT
OPPERVLAKTEWATERPEIL [M NAP]
1. Beemdgras
Alle
5,20 1
2. Haverveld e.o.
Alle
5,00
3. Blauwgras e.o.
Alle
5,20
4. Dorsvloer e.o.
Dorsvloer
5,20 1
4. Dorsvloer e.o.
De Deel
5,00
PROJECT
7 / 23
DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM
Veenendaal, Dragonder-Noord P19-0454-002 10 maart 2020
Op basis van de maaiveldhoogte uit de AHN3 en de oppervlaktewaterpeilen is de drooglegging nabij de woningen berekend. De drooglegging binnen Dragonder-Noord varieert van 1,20 m tot 1,72 m. De kaart met de drooglegging op de diverse percelen binnen Dragonder is weergegeven in bijlage E. 3.3
Slecht doorlatende lagen Om de locaties van de slecht doorlatende lagen vast te stellen is gebruik gemaakt van het bodemonderzoek. Per boring is gekeken naar de mogelijke aanwezigheid van slecht doorlatende lagen. Indien een slecht doorlatende laag aanwezig is, is deze aangegeven in cm t.o.v. maaiveld. Een kaart met de aanwezigheid van slecht doorlatende lagen is weergegeven in bijlage F.
3.4
Relatie grondwaterstand – slecht doorlatende laag Vanuit de kaart met grondwaterstanden en de kaart met slecht doorlatende lagen is vastgesteld of de grondwaterstanden onder of boven de slecht doorlatende laag liggen. Dit is bepaald op basis van de representatieve hoogste grondwaterstanden. De kaart is weergegeven in bijlage G.
3.5
Risico bij infiltreren Om het risico bij infiltratie vast te stellen is gekeken naar de RHG, de diepte van de slecht doorlatende laag en de gemeten doorlatendheid. De gemeten k-waarden zijn weergegeven in bijlage H. Een kaart met de gecombineerde gegevens van de RHG, de diepte van de slecht doorlatende laag en de doorlatendheid is weergegeven in bijlage I. Hierin is zichtbaar in hoeverre infiltreren een mogelijkheid is. De meest kansrijke gebieden zijn waar de slecht doorlatende laag niet aanwezig is (groen), waar de RHG zich onder de slecht doorlatende laag bevindt (rood) en waar een k-waarde is gemeten van minimaal 1-2 m/dag. In bijlage J is een kaart weergegeven met de waargenomen diepte van de slecht doorlatende lagen met op de achtergrond de kaart indicatie storende lagen vanuit het onderzoek naar schijngrondwaterstanden (BOOT, 2017).
3.6
Grondwateroverlast Om de definitie van grondwateroverlast vast te stellen is gebruikt gemaakt van de ontwateringseisen van gemeente Veenendaal (Gemeentelijk Riolerings- en Waterplan Veenendaal 2017-2020, d.d. 21 februari 2017). Hierin zijn de volgende ontwateringseisen vastgesteld (Tabel 3.4): Tabel 3.4: Eisen ontwatering gemeente Veenendaal. LOCATIE
GEWENSTE ONTWATERING [M-MV]
Primaire wegen en spoorwegen
1,0
Secundaire wegen
0,7
Groen (tuinen, plantsoenen, parken)
0,5
Sportvelden
0,5
De gemeten ontwateringsdiepte per boring is gecombineerd met de diepte van de slecht doorlatende laag tot een kaart om zo inzichtelijk te maken op welke locaties risico op grondwateroverlast aanwezig is. Deze kaart is weergegeven in bijlage K. Ter visualisatie
PROJECT
8 / 23
DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM
Veenendaal, Dragonder-Noord P19-0454-002 10 maart 2020
van de bodemopbouw en hoe die lokaal kan verschillen zijn in Figuur 3.2 en Figuur 3.3 2 schematisaties van de bodemopbouw weergegeven. Figuur 3.2: Bodemopbouw ter plaatse van Roggeveld 44.
Figuur 3.3: Bodemopbouw ter plaatse van Baardgras 46.
PROJECT
9 / 23
DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM
Veenendaal, Dragonder-Noord P19-0454-002 10 maart 2020
4
Toetsing hypotheses Om de gestelde hypotheses te toetsen zijn deze per cluster opgesplitst in meerdere hypotheses. Iedere hypothese wordt apart behandelt en getoetst.
4.1
Cluster 1: Beemdgras De hypothese is dat de ondiepe ondergrond deels slecht doorlatend is in de hogere delen van de Beemdgras. De gemeten k-waarden variëren van 0,05 tot 0,30. Volgens het Cultuurtechnisch Vademecum (2000) is de ondergrond slecht tot matig doorlatend. In de lagere gebieden is de ontwatering onvoldoende. De ontwateringsdiepte van de RHG varieert van 1,11 m tot 1,18 m. Mogelijk is in de hogere delen infiltratie mogelijk bij het doorbreken van de slecht doorlatende laag. Bij 4 van de 6 boorlocatie is geen storende laag aangetroffen. Op de overige locaties is een storende laag aangetroffen op 0,55 m-mv en 0,90 m-mv. Beantwoording onderzoeksdoelen In de Beemdgras is sprake van een goede ontwatering met grondwaterstanden >1,0 m-mv bij een RHG-situatie. Toch staat in sommige kruipruimtes water. Mogelijk is hier sprake van een slecht doorlatende bodem of diepe kruipruimtes. Figuur 4.1: Kaart spreiding water in kruipruimte in cluster Beemdgras.
PROJECT
10 / 23
DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM
Veenendaal, Dragonder-Noord P19-0454-002 10 maart 2020
Figuur 4.2: Kaart ontwateringsdiepte in cluster Beemdgras.
De gemeten doorlatendheid van de ondergrond biedt weinig tot geen mogelijkheden tot infiltratie. De gemeten doorlatendheden zijn laag. Door het ontbreken van slecht doorlatende lagen (zie figuur 4.3) zijn er mogelijkheden voor infiltratie. De spreiding laat echter al zien dat er geen uniforme infiltratiekans afgegeven kan worden. Figuur 4.3: Kaart diepte slecht doorlatende laag in cluster Beemdgras (NA = niet aangetroffen).
4.2
Cluster 2: Haverveld e.o. Hypothese in het Haverveld is dat een gehele slecht waterdoorlatende laag aanwezig is in het cluster. Bij 7 van de 8 boorlocaties is een slecht doorlatende laag aangetroffen. De diepte van deze laag varieert van 0,7 m-mv tot 1,6 m-mv. Gecombineerd met een geringe ontwateringsdiepte wijst het onderzoek uit dat hier geen kansen zijn voor het infiltreren van hemelwater. De ontwateringsdiepte van de RHG varieert van 1,16 m-mv tot 1,52 m-mv. Enkel deze ontwateringsdiepte biedt wel mogelijkheden tot infiltratie van hemelwater. Echter de aanwezigheid van slecht doorlatende lagen maakt dat infiltratie weinig kansrijk is. Ter plaatse
PROJECT
11 / 23
DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM
Veenendaal, Dragonder-Noord P19-0454-002 10 maart 2020
van boring GH20 (Veldweg 10) is geen slecht doorlatende laag, én een relatief hoge ontwateringsdiepte (1,52 m) aangetroffen. De hier gemeten doorlatendheid (0,13 m/dag) maakt infiltreren alsnog kansarm. Grondwater stagneert wellicht op de slecht doorlatende laag. Zie onderstaand beantwoording onderzoeksdoel 3. In het onderzoek zijn de grondwaterstanden niet bemeten boven de slecht doorlatende laag.
Beantwoording onderzoeksdoelen In het Haverveld is sprake van een matige ontwatering. Uit de archiefgegevens en peilbuismetingen in de laag onder de slecht doorlatende lagen wordt echter een zeer goede ontwatering berekend, zie figuur 4.4. Met een ontwateringsdiepte van circa 1,30 m zou geen water in de kruipruimte verwacht worden. Uit de enquête blijkt dat dit wel het geval is. Hieruit blijkt dat door een andere oorzaak water in de kruipruimtes achter blijft. Figuur 4.4: Kaart ontwateringsdiepte in cluster Haverveld e.o..
In figuur 4.5 is een overzicht opgenomen van de verspreiding van slecht doorlatende lagen. Het blijkt dat deze onder vrijwel de gehele wijk naar verwachting aanwezig is. Wel is de Veenendaalse wijze van bouwrijp maken van de woonwijken naar verwachting toegepast hetgeen betekent dat in de wegen de slecht doorlatende lagen niet aanwezig zijn.
PROJECT
12 / 23
DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM
Veenendaal, Dragonder-Noord P19-0454-002 10 maart 2020
Figuur 4.5: Kaart diepte slecht doorlatende laag in cluster Haverveld e.o. (NA = niet aangetroffen).
Onderzoeksdoel 3 betreft het stagneren van hemelwater op slecht doorlatende lagen. In 3 van de 8 boringen bevindt de grondwaterstand zich boven de slecht doorlatende laag. In 4 boringen zit de grondwaterstand in de slecht doorlatende laag. In 1 boring is geen slecht doorlatende laag aangetroffen. Verwacht wordt dat hemelwater stagneert op de slecht doorlatende laag. Daardoor kan alleen horizontale afstroming plaatsvinden naar ontwaterende middelen (drainage, watergangen of lekke riolen). Bij slecht waterdoorlatende bodems resulteert dit in grotere opbolling, waardoor water in kruipruimtes of op percelen voor overlast kan zorgen.
4.3
Cluster 3: Blauwgras e.o. Hypothese in het Blauwgras is dat de slecht doorlatende laag vergraven is. Bij 4 van de 8 boringen is geen slecht doorlatende laag aangetroffen. Bij de overige 4 boringen is een slecht doorlatende laag aangetroffen op 0,65 m-mv, 0,75 m-mv, 0,80 m-mv en 1,1 m-mv. De gemeentelijke peilbuis staat in een pakket zonder slecht doorlatende laag. Conform de interpretatiekaart wordt wel een slecht doorlatende laag verwacht op deze locatie. De klachten vallen mee op dit stuk Blauwgras, mogelijk is de laag vergraven. Iets noordelijker zijn veel woningen die aangeven water in de kruipruimte hebben terwijl de ontwatering groter is dan in de Blauwgras. Mogelijk is daar wel een laag aanwezig die stagnatie van infiltrerend hemelwater veroorzaakt.
PROJECT
13 / 23
DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM
Veenendaal, Dragonder-Noord P19-0454-002 10 maart 2020
Figuur 4.6: Kaart spreiding water in kruipruimte in cluster Blauwgras e.o..
Beantwoording onderzoeksdoelen Onderzoek in het Blauwgras geeft antwoord op meerdere onderzoeksdoelen: -
Verhouding ontwatering versus kruipruimtes De ontwateringsdiepte varieert van 0,52 m-mv tot 0,74 m-mv, zie figuur 4.8. Dit betreft geringe ontwateringsdieptes. Derhalve is het te verwachten dat water in de kruipruimte voorkomt in woningen langs de Blauwgras. Opgemerkt wordt dat de ontwatering hier ter plaatse ook minder is dan de landelijke richtlijnen.
Figuur 4.7: Kaart ontwateringsdiepte in cluster Blauwgras e.o..
PROJECT
14 / 23
DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM
Veenendaal, Dragonder-Noord P19-0454-002 10 maart 2020
-
Verhouding kaart slecht doorlatende lagen versus praktijk
In figuur 4.9 is de diepte van de aangetroffen slecht waterdoorlatende lagen weergegeven. Bij de helft van de boringen is een slecht doorlatende laag aangetroffen, en de spreiding is groot. Verwacht wordt dat de slecht doorlatende lagen op een aantal plaatsen doorgraven zijn. Figuur 4.8: Kaart diepte slecht doorlatende laag in cluster Blauwgras e.o. (NA = niet aangetroffen).
Stagnatie van hemelwater op de slecht doorlatende laag. Bij de boringen waar een slecht doorlatende laag is aangetroffen bevinden de maatgevend hoge grondwaterstanden zich boven de slecht doorlatende laag. In dit geval zijn de slecht doorlatende lagen niet maatgevend voor de hoeveelheid water in kruipruimten maar liggen de woningen laag ten opzichte van de grondwaterstanden. 4.4
Cluster 4: Dorsvloer e.o. Hypothese in de Dorsvloer e.o. is dat hier duidelijk sprake is van slecht doorlatende lagen. Bij 10 van de 12 boringen is een slecht doorlatende laag aangetroffen. De diepte van deze lagen varieert van 0,0 m-mv tot 1,25 m-mv. Voor infiltratie is doorbreken een kans, want de ontwatering biedt hier perspectief. De ontwateringsdiepte varieert van 1,14 m-mv tot 1,38 m-mv. Mogelijk is openbaar terrein vergraven waardoor de Deel minder overlast kent.
PROJECT
15 / 23
DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM
Veenendaal, Dragonder-Noord P19-0454-002 10 maart 2020
Beantwoording onderzoeksdoelen In de Dorsvloer is sprake van een goede verwachte ontwatering op basis van de gemeten stijghoogtes. Door aanwezigheid van slecht doorlatende lagen kan dit lokaal minder zijn. Onderzoek in de Dorsvloer geeft antwoord op de volgende onderzoeksdoelen: -
Verhouding ontwatering versus kruipruimtes
Het opvallende bij dit cluster is de verwachte ontwatering die zich ruim beneden de kruipruimtebodem bevindt. Opgemerkt wordt dat dit de stijghoogten betreft, bemeten onder slecht doorlatende lagen. Figuur 4.9: Kaart ontwateringsdiepte in cluster Dorsvloer e.o..
Het onderzoek is uitgevoerd ter plaatse van percelen waar wel en waar geen water in de kruipruimte is gemeld in de enquête. Opvallend is dat langs de watergang aan de buitenzijde van de wijk geen water in de kruipruimte staat en in het midden van de wijk wel. Mogelijk is de ontwatering groter en is de slecht doorlatende laag doorbroken bij deze woningen. Hierdoor is hydraulisch contact mogelijk met het drainerend criterium. Figuur 4.10: Kaart spreiding water in kruipruimte in cluster Dorsvloer e.o..
PROJECT
16 / 23
DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM
Veenendaal, Dragonder-Noord P19-0454-002 10 maart 2020
-
Verhouding kaart slecht doorlatende lagen versus praktijk
Het blijkt dat de kaart met archiefgegevens een goed beeld geeft van de verspreiding van slecht doorlatende lagen. In dit gebied zijn ook twee boringen in openbaar terrein geplaatst om de ‘Veense’ wijze van bouwrijp maken te controleren. Figuur 4.11: Kaart diepte slecht doorlatende laag in cluster Dorsvloer e.o. (NA = niet aangetroffen).
-
Stagnatie hemelwater op de slecht doorlatende laag.
Van de 10 boringen waar een slecht doorlatende laag is aangetroffen ligt bij 1 boring de grondwaterstand boven deze laag (circa 2 cm). Het is zeer waarschijnlijk dat hemelwater stagneert op de slecht doorlatende laag waardoor een schijngrondwaterstand ontstaat. 4.5
Algemene geohydrologische gesteldheid De aangetroffen geohydrologische gesteldheid is sterk wisselend. Voor Dragonder-Noord is géén eenduidig advies over omgang met hemelwater of grondwateroverlast te geven. Ter illustratie hiervan een voorbeeld. In gebieden met hoge grondwaterstanden is drainage veelal een goede oplossing om de grondwaterstand te beheersen. Bij ondiepe slecht waterdoorlatende lagen is dit niet altijd de oplossing. In figuur 4.13 is weergegeven hoe de freatische (lichtblauw) grondwaterstand beïnvloed kan worden door slecht doorlatende lagen. Door de hogere ligging van deze lagen is de bovenzijde van de laag maatgevend voor het drainageniveau. Veelal is door de lage doorlatendheden van de laag boven de slecht doorlatende laag de opbolling dusdanig dat water alsnog op percelen voor overlast kan zorgen.
PROJECT
17 / 23
DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM
Veenendaal, Dragonder-Noord P19-0454-002 10 maart 2020
Figuur 4.13: Principeprofiel slecht doorlatende lagen in de bodem.
5
Conclusies en advies
5.1
Conclusies Op basis van het uitgevoerde onderzoek worden de volgende conclusies getrokken met betrekking tot de geohydrologische situatie in Dragonder-Noord: -
In de wijk is sprake van een sterk heterogene bodemopbouw die op korte afstand kan verschillen. Particuliere percelen kennen hierdoor een wisselende geohydrologische situatie.
-
In de wijk zijn geen signalen van een sterke kwelstroom waardoor hoge freatische grondwaterstanden voorkomen. Lokaal kan een opwaartse stroming aanwezig zijn maar van een wijkbrede kweldruk is geen sprake. Eventueel doorbreken van slecht water doorlatende lagen kan derhalve in situaties de freatische grondwaterstanden doen dalen en de situatie verbeteren.
-
Water in de kruipruimte wordt op twee manieren veroorzaakt: enerzijds door stagnant hemelwater op slecht doorlatende lagen, anderzijds door hoge grondwaterstanden.
-
Door de brede verspreiding van slecht doorlatende lagen is maatwerk en samenwerking met perceeleigenaren noodzakelijk om eventuele overlast te verminderen.
-
De doorlatendheid van de bodem op particulier terrein is slecht tot matig doorlatend. In de wegcunetten is de doorlatendheid goed.
-
In het onderzoek zijn meerdere soorten storende lagen aangetroffen, waaronder ook veenlagen. Dit kan tot ongewenste zettingen vallen indien bij de uitvoering hier onvoldoende aandacht aan gegeven wordt met de bemalingsmethode.
5.2
Advies Geadviseerd wordt bij de reconstructie van de wijk Dragonder-Noord niet grootschalig in te zetten op het lokaal infiltreren van hemelwater. Daarvoor is de bodemopbouw te divers. Wel kan worden ingezet op afkoppelen, door oppervlakkige maatregelen of bijvoorbeeld regentonnen met instructie om af en toe leeg te laten lopen voor extreme neerslag zich aandient.
PROJECT
18 / 23
DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM
Veenendaal, Dragonder-Noord P19-0454-002 10 maart 2020
Tevens wordt geadviseerd om bij concrete werkvoorbereiding aandacht te hebben voor de aanwezige veenlagen. Voorkomen moet worden dat hierin zettingen plaatsvinden in verband met het grote risico op verzakkingen in aanbouwen van woningen zoals in de wijk Engelenburg gebeurd is. Geadviseerd wordt in de centrale ontsluitende wegen drainage aan te leggen bij de rioolvervanging om de grondwaterstanden te kunnen beheersen, en de gevolgen van de rioolvervangingen op te kunnen vangen.
PROJECT
19 / 23
DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM
Veenendaal, Dragonder-Noord P19-0454-002 10 maart 2020
6
Aanpak bij vragen
6.1
Informatie Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat de bodemopbouw lokaal veel kan variëren. Om een sluitend advies te kunnen geven of infiltratie mogelijkheden biedt is het aan te bevelen per perceel onderzoek uit te laten voeren naar de bodemgesteldheid en doorlatendheid van de ondergrond. Daarvoor is het belangrijk om de volgende gegevens te inventariseren, en het volgende stappenplan door te lopen (Tabel 6.1): Tabel 6.1: Stappenplan inventarisatie mogelijkheden infiltratie particuliere percelen.
INVENTARISEREN
BRON
Maaiveldhoogte
www.ahn.nl
VASTSTELLEN
INTERPRETEREN
HANDELEN
giskaart Oppervlaktewaterpeil BOOT grondwaterGrondwaterstanden (RHG) meetnet Drooglegging Ontwateringsdiepte Bodemopbouw (boorprofiel)
veldwerk
Infiltratiemeting (k-waarde)
veldwerk Begin slecht doorlatende laag Diepte slecht doorlatende laag Positie grondwaterstand (RHG) Score ≥6: Mogelijkheden infiltratie
infiltratievoorziening realiseren Score ≤5: maatregelen
Risico bij grondwateroverlast
voorkomen grondwateroverlast
6.2
Model Hiervoor heeft BOOT een conceptueel model gemaakt. Dit model dient echter nog in de praktijk gefinetuned te worden. Hieronder wordt een beschrijving van het model gegeven.
In het model wordt een risicofactor opgesteld voor risico bij infiltreren en risico op grondwateroverlast. De berekeningen met het model zijn opgenomen in bijlage L. Deze factoren zijn als volgt bepaald (
Tabel 6.2):
PROJECT
20 / 23
DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM
Veenendaal, Dragonder-Noord P19-0454-002 10 maart 2020
Tabel 6.2: Risicofactoren infiltratie (blauw) en grondwateroverlast (rood). Een hogere score betekent betere mogelijkheden en een lager risico. RISICOFACTOR
GRENSWAARDEN
K-waarde in m/dag
SCORE
0 – 0,5
1
0,5 - 1
2
>1
3
Positie RHG t.o.v. slecht doorlatende
Boven
1
laag
Onder
3
SDL niet aanwezig
4
0,5 – 0,7
1
0,7 – 1,0
2
1,0 – 1,3
3
Ontwateringsdiepte in m-mv
> 1,3
4
Diepte slecht doorlatende laag in
0 – 100
1
cm-mv
100 – 150
2
150 – 300
3
> 300
4
Een overzicht met alle geïnventariseerde gegevens per cluster is weergegeven in bijlage L. In
PROJECT
21 / 23
DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM
Veenendaal, Dragonder-Noord P19-0454-002 10 maart 2020
Tabel 6.5 zijn de gegevens samengevat. Op basis van de scores kan worden geïnterpreteerd welke locaties kansrijk zijn voor infiltratie en welke locaties kans is op grondwateroverlast. De hoogst haalbare score voor infiltratie van hemelwater is 7. Bij een score vanaf 6 zijn de omstandigheden dusdanig gunstig dat infiltreren een realistische mogelijkheid is (Tabel 6.3). Bij score 6 ligt de RHG onder de slecht doorlatende laag en is de k-waarde minimaal vrij goed doorlatend (0,5 m/dag). Tabel 6.3: Grenswaarden mogelijkheden infiltratie. INFILTRATIE HEMELWATER infiltreren niet mogelijk
2
3
4
infiltreren mogelijk
5
6
7
De hoogst haalbare score voor het risico op grondwateroverlast is 8 (1 is een hoog risico en 8 een laag risico, hoe hoger het cijfer, hoe gunstiger de omstandigheden). Bij een score vanaf 6 zijn de omstandigheden dusdanig gunstig dat de kans op grondwateroverlast minimaal is. Hierbij is gekeken naar de grondwaterstanden onder een slecht doorlatende laag. Bij een score van 5 of lager is het risico op grondwateroverlast wel aanwezig (Tabel 6.4). Tabel 6.4: Grenswaarden grondwateroverlast. KANS OP GRONDWATEROVERLAST (grote) kans op grondwateroverlast
2
3
PROJECT
22 / 23
DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM
4
5
kleine kans op grondwateroverlast
6
Veenendaal, Dragonder-Noord P19-0454-002 10 maart 2020
7
8
Tabel 6.5: Risico bij infiltratie en risico op grondwateroverlast per locatie.
Cluster 1: Beemdgras Adres
Boring nr.
Infiltratie
Grondwateroverlast
Beemdgras 36
GH11
Beemdgras 36
GH12
Lange Dreef 65
GH13
Lange Dreef 65
GH14
Lange Dreef 61
GH15
Lange Dreef 61
GH16
4 5 5 5 5 4
4 7 7 7 7 4
CLUSTER 2: HAVERVELD E.O. Adres
Boring nr.
Infiltratie
Grondwateroverlast
Roggeveld 44
GH01
Roggeveld 44
GH02
Roggeveld 35
GH03
Roggeveld 35
GH04
Boekweitveld 27
GH17
Boekweitveld 27
GH18
Veldweg 10
GH19
Veldweg 10
GH20
3 3 4 4 6 4 4 5
7 7 6 5 5 5 6 8
CLUSTER 3: BLAUWGRAS E.O. Adres
Boring nr.
Infiltratie
Grondwateroverlast
Baardgras 46
GH09
Baardgras 46
GH10
Baardgras 40
GH21
Baardgras 40
GH22
5 2 2 5 5 2 7 4
6 2 2 5 5 3 6 2
Blauwgras 18
GH26
Blauwgras 18
GH27
Blauwgras 11
GH33
Blauwgras 11
GH34
CLUSTER 4: DORSVLOER E.O. Adres
Boring nr.
Infiltratie
Grondwateroverlast
De Deel 6
GH05
De Deel 6
GH06
De Deel 13
GH07
De Deel 13
GH08
De Dorsvloer
GH23
De Dorsvloer 3
GH24
De Dorsvloer 3
GH25
De Deel 8
GH28
De Deel 8
GH29
De Deel
GH30
De Dorsvloer 8
GH31
De Dorsvloer 8
GH32
4 2 6 6 7 4 4 4 4 7 4 4
6 5 4 5 7 4 4 5 4 8 4 4
PROJECT
23 / 23
DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM
Veenendaal, Dragonder-Noord P19-0454-002 10 maart 2020
PROJECT
24 / 24
DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM
Veenendaal, Dragonder-Noord P19-0454-002 10 maart 2020
Bijlage A Locaties uitgevoerde boringen
Bijlagen
Bijlage B Boorprofielen per cluster 1. Beemdgras 2. Haverveld e.o. 3. Blauwgras e.o. 4. Dorsvloer e.o.
Bijlagen
Bijlage C Meetreeksen grondwaterstanden Dragonder-Noord
Bijlagen
Bijlagen
Bijlagen
Bijlagen
Bijlage D Ontwateringsdieptes Dragonder-Noord
Bijlagen
Bijlage E Oppervlaktewaterpeilen en drooglegging Dragonder-Noord
Bijlagen
Bijlage F Slecht doorlatende lagen Dragonder-Noord
Bijlagen
Bijlage G Positie RHG ten opzichte van slecht doorlatende lagen
Bijlagen
Bijlage H Gemeten k-waarden Dragonder-Noord
Bijlagen
Bijlage I Risico bij infiltreren
Bijlagen
Bijlage J Diepte slecht doorlatende lagen en kaart indicatie storende lagen
Bijlagen
Bijlage K Risico op grondwateroverlast
Bijlagen